Preek 6e zondag Pasen, A jaar, 10-5-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 9
  • Bestandsgrootte 203.65 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 10 april 2026
  • Laatst geüpdatet 10 april 2026

Preek 6e zondag Pasen, A jaar, 10-5-2026

10 mei 2026
Zesde zondag van Pasen

Lezingen: Hand. 8,5-8 en 14-17; Ps. 66; 1 Petr. 3,15-18; Joh 14,15-21 (A-jaar)

Inleiding

Handelingen 8,5-8.14-17
De vandaag niet gelezen verzen uit Handelingen 8,1-4, die voorafgaan aan deze eerste lezing, vormen het slot van de beschrijving van het leven en de dood door steniging van Stefanus (6,8–8,4). Uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat Saulus het eens was met deze moord. Op die dag begon ook een hevige vervolging van de gemeente te Jeruzalem met als gevolg dat allen – met uitzondering van de apostelen – zich verspreidden over Judea en Samaria.

Saulus nam deel aan deze vervolging, hij probeerde de gemeente te vernietigen door mannen en vrouwen uit hun huizen te sleuren en in de gevangenis te laten opsluiten. Hoewel de vervolging beoogde de gemeente uit te roeien, werd het tegendeel bereikt. De gemeente verspreidde zich juist door de vervolging en als gevolg daarvan werd ook de goede boodschap wijd en zijd verspreid.

Zo kwam Filippus in Samaria waar hij Christus, de Messias, verkondigde. Met deze Filippus wordt niet de apostel bedoeld maar de diaken, die evenals bovengenoemde Stefanus en nog vijf anderen aangesteld werd om de Hellenisten te ondersteunen (6,1-7). Dat hij uitgerekend in Samaria de Messias preekte, is bijzonder omdat de verhouding tussen Joden en Samaritanen niet al te best was. De laatsten erkenden het religieuze gezag en de tempel in Jeruzalem niet, hun eigen tempel was ooit op de berg Gerizim. Zo beschrijft Lucas in zijn evangelie hoe Samaritanen weigeren, Jezus en de leerlingen door hun land te laten trekken (9,51-56). Anderzijds vertelt Lucas ook het verhaal van de barmhartige Samaritaan en de genezing van de tien blinden die zich aan de priester in de tempel moesten laten zien en waarvan er maar één, uitgerekend een Samaritaan, terugkwam om Jezus te bedanken (10,25-37; 17,11-19).

Filippus heeft veel succes met zijn verkondiging. De mensen luisteren aandachtig naar zijn woorden en zien (blepoo) de tekenen die hij doet: onreine geesten worden uitgedreven, verlamden en kreupelen worden genezen. De passage eindigt met de woorden dat er grote vreugde was in die stad.

In de evenmin gelezen verzen uit Handelingen 8, 9-13 maken we kennis met de magiër Simon en zijn geschiedenis wordt hervat in Handelingen 8,18-24. Deze Simon wist de mensen versteld te doen staan en noemde zichzelf (!) een groot man. Iedereen was ervan overtuigd dat hij de grote kracht van God was, juist omdat hij hen telkens weer verbaasde door zijn magische kunsten. Maar toen Filippus het koninkrijk van God en de naam Jezus Christus verkondigde, lieten mannen en vrouwen die tot geloof gekomen waren, zich dopen. Ook Simon geloofde en liet zich dopen en bleef bij Filippus omdat hij zelf versteld stond van de tekenen en grote krachten die hij zag (theaomai betekent ‘zien’ maar dan van de buitenkant, als toeschouwer, vgl. ons woord theater).

De lezing vervolgt in 8,14 met de mededeling dat de apostelen in Jeruzalem Petrus en Johannes naar Samaria stuurden, nu de mensen daar het woord van God hadden aangenomen. Was er in het bovenstaande sprake van onreine geesten die uitgedreven waren, nu bidden Petrus en Johannes om heilige geest over hen. Want de mensen waren weliswaar gedoopt in de naam van de Heer Jezus, maar nog op niemand was heilige geest neergedaald zoals bij de apostelen. Dit gebeurde pas na het gebed en de handoplegging.

Tot zover de lezing. Het verhaal van de magiër Simon gaat verder (8,18-24). Toen deze zag dat heilige geest geschonken werd door handoplegging van de apostelen bood hij Petrus geld aan om die macht te verkrijgen. Petrus was uitermate geërgerd, want Gods geschenk is niet te koop (8,21). De handoplegging is verbonden met gebed en God is de schenker van de geest. Zo blijft Simon de magiër aan de buitenkant staan, in tegenstelling tot de mensen in Samaria.

1 Petrus 3,15-18
Zie: P. van Veldhuizen, ‘In de wereld staan. De eerste brief van Petrus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103.

Johannes 14,15-21
Op de laatste zondag voor Hemelvaart lezen we een perikoop uit de afscheidsrede van Jezus, waarin de Geest een van de hoofdthema’s is (Joh. 13–17: 14,16-17.25-26; 15,26; 16,7-11.12-15). Jezus bereidt de leerlingen voor op zijn naderend afscheid, maar zoals steeds in het evangelie van Johannes spreekt Jezus op een dieper niveau dan de leerlingen. Dat blijkt al uit hun vragen. Simon Petrus bijvoorbeeld vraagt Jezus waar Hij naartoe gaat (13,36). Tomas zegt tegen Jezus dat ze niet eens weten, waar Hij naartoe gaat, hoe zouden ze dan de weg kunnen weten? Waarop Jezus antwoordt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ (14,5v). Filippus vraagt Jezus hun de Vader te laten zien (14,8). En aansluitend aan onze lezing vraagt Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus, waarom Hij zich wel bekendmaakt aan de leerlingen en niet aan de wereld? (14,22) Kortom, een en al onbegrip en misverstand van de kant van de leerlingen, wat Jezus op zijn beurt de kans geeft dieper in te gaan op hun vragen over zijn heengaan.
Onze evangelielezing vormt een eenheid en begint met de woorden: ‘Als je Mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden’ en eindigt aldus: ‘Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft Mij lief. Wie Mij liefheeft, zal de liefde van mijn Vader en Mij ontvangen, en Ik zal Mij aan hem bekendmaken (14,15.21). Wat deze geboden betreft: in Johannes 13,34-35 geeft Jezus de leerlingen een hernieuwd gebod: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn’. Voor de woorden liefde en liefhebben staat er in het Grieks steeds agape en agapao.
Ingebed tussen deze verzen over de gemeente die op ware liefde is gebaseerd, staat de komst van de parakleet, de helper, de advocaat, de trooster, de Geest van waarheid; want Jezus laat zijn leerlingen niet aan hun lot over, ook al kan Hij binnen afzienbare tijd niet meer lijfelijk bij hen aanwezig zijn (14,16.26). De Vader zal deze parakleet sturen op verzoek van Jezus, een hartverwarmende kracht voor de gemeente om de liefde te laten bloeien. ‘Hij is de nieuwe gestalte van de opgestane en doorlevende Jezus, diens voortgezette, maar vernieuwde, want verheerlijkte aanwezigheid. … Die herleefde, opgestane Jezus in de geschiedenis van zijn leerlingen en van zijn gemeente heet bij Johannes ‘geest’.’ Aldus Jan Nieuwenhuis (blz. 325).
Ook al is Jezus er na zijn dood niet meer, op een andere wijze is Hij wel degelijk blijvend aanwezig, een wijze die voor de leerlingen en voor ons niet te vatten is, als parakleet (14,16v; vgl. 1Joh. 2,1). Terecht merkt Jan Nieuwenhuis op dat parakleet geen eigennaam is, maar een functie, een beroep (blz. 326). Hij onderricht en brengt de leerlingen alles in herinnering (14,26), hij zorgt ervoor dat zij tot de volle waarheid komen (16,13), hij zal getuigen van Jezus (15,26).
Er bestaat een tegenstelling tussen ‘jullie’ (de leerlingen van Jezus) en de ‘wereld’ die de geest van de waarheid, de parakleet, niet kan ontvangen. Tot de wereld behoort ieder die zich afkeert van de Vader en van Jezus en die daarom niet kan ‘zien’ (14,17.19.19) en niet ‘weet’ in tegenstelling tot de leerlingen die wél zien en weten (14,17.17.20).

Literatuur
Jan Nieuwenhuis, Johannes de Ziener, Kampen 2004

 

Preekvoorbeeld

Jezus zegt in de evangelielezing: ‘Als gij Mij liefhebt, zult u mijn geboden onderhouden.’ Jezus liefhebben vraagt dus iets van ons: ‘zijn geboden onderhouden.’ Nu hebben geboden in onze tijd geen goede naam. Veel mensen beginnen te protesteren als ze iets wordt opgelegd. We maken het liever zelf uit. Ook sommige politici doen daaraan mee. Als een besluit dat op democratische wijze tot stand is gekomen, hen niet zint roepen ze mensen op om te protesteren. En die protesten kunnen behoorlijk uit de hand lopen.

Zijn de geboden van Jezus dan anders? Eerder in het evangelie van Johannes geeft Jezus een nieuw gebod: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie ook elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’ Jezus zegt dit nadat Hij de voeten van zijn leerlingen heeft gewassen. De voetwassing is het teken van zijn dienstbaarheid. Hij liet op die manier zien dat wij dienstbaar moeten zijn aan elkaar.

Het Griekse woord voor ‘liefde’, zoals dat in het evangelie gebruikt wordt, laat dat ook zien. Het is agape en dat betekent een liefde die gericht is op de ander. Een liefde die zoekt wat het beste is voor de ander. Het gebod van Jezus houdt dus in dat we ons niet richten op onszelf, maar juist op de ander. En gaat dat altijd vanzelf? Nee, dat kunnen we overal zien. Je moet voor jezelf opkomen is iets wat we vaak horen. En daar is op zich niets mis mee. We hoeven niet als makke schapen van alles te ondergaan. Je bewust zijn van je eigen rol en je eigen plaats in de wereld is belangrijk. Als je niet voor jezelf zorgt, dan kun je ook niet voor anderen zorgen. Zorgen voor een ander is niet alleen geven. Het is ook ontvangen. We kunnen door te zorgen voor anderen zelf een beter mens worden. Dat geldt voor de zorg voor mensen vlak om ons heen: onze kinderen, onze ouders en allen met wie we nauw verbonden zijn. Maar de liefde en zorg voor elkaar, zoals Jezus bedoelt, beperkt zich niet tot onze directe omgeving. Het verrijkt ons ook als we verbonden zijn met mensen die verder van ons afstaan.

We zien dat ook in de eerste lezing: de diaken Filippus wordt erop uitgestuurd om Jezus als de Messias, de Christus te verkondigen en hij kan rekenen op grote belangstelling. De mensen zijn geraakt door zijn woorden. Filippus doet dat in Samaria en dat is niet zomaar. Samaritanen en Joden hadden een moeizame verhouding. Zo hoorden we in het evangelie van Lucas dat Samaritanen weigeren om Jezus en zijn leerlingen door hun land te laten trekken. En in de parabel van de barmhartige Samaritaan wordt verteld dat het juist een Samaritaan is die echt helpt. Filippus gaat dus op weg naar de ander. Een groep die anders is dan de groep waar hij uit voorkomt.

Wij kunnen ook op weg gaan naar de ander. In meerdere plaatsen zijn er initiatieven om mensen met elkaar in contact te brengen. Een gezamenlijke maaltijd, een spelletjesmiddag of -avond samen met mensen uit andere landen en andere culturen of geloven. Een manier om niet als vreemden naast elkaar te leven in stad of dorp, maar om elkaar te leren kennen en van elkaar te leren. In plaats van de ander op afstand te houden kunnen we ook proberen elkaar te ontmoeten. Het klinkt simpel, maar is het ook zo eenvoudig? Tegenstellingen worden vaak opgeklopt. Er is veel onrust in ons land, in de wereld en soms ook in ons eigen hart. We voelen ons niet altijd zeker en veilig genoeg om echt naar andere mensen toe te gaan. Jezus weet dat, daarom belooft Hij een helper, de geest van de waarheid. De geest die ons helpt om te kiezen voor wat echt belangrijk is. Nu is die geest geen geheimzinnige kracht die ons influistert wat we wel of niet zouden moeten doen. Het is niet iets buitenaards. We zeggen weleens dat we handelen in de geest van bijvoorbeeld vader of moeder als die er niet meer is. We denken ons dan in: wat zouden zij doen als ze in dezelfde omstandigheden waren. Ik denk dat we op dezelfde manier kunnen praten over de geest van waarheid, die God ons via Jezus geeft. Wat zou Jezus zeggen of doen als Hij in deze omstandigheden was.

En wat Hij doet, leren we uit dat nieuwe gebod: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’ Dat is de geest van waarheid die God ons geeft. Hoe kunnen we elkaar tot steun zijn. En dat geldt natuurlijk voor onze directe omgeving, onze familie, onze buren. Maar Jezus trok zich niet alleen het lot aan van zijn directe naasten. Zijn aandacht ging uit naar mensen die verder van Hem afstonden. Hij ging op zoek naar mensen buiten zijn eigen kring. Net als Filippus deed in de eerste lezing. Wij zien Jezus niet meer in levende lijve. Niet als mens die tussen ons in loopt, maar zijn geest kan in ons tot leven komen. De geest die ons leert om op zoek te gaan naar elkaar.

Als we het gebod van Jezus om elkaar lief te hebben volgen, dan groeien we in menszijn. We groeien in menselijkheid, we worden er betere mensen van.

 

inleiding dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld drs. Frans Broekhoff