- Versie
- Downloaden 8205
- Bestandsgrootte 483.70 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 31 mei 2018
- Laatst geüpdatet 16 juni 2026
Nummer 4– 98ste jaargang 2026 – juli/augustus
TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING
UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN
5 juli 2026 Veertiende zondag door het jaar
Inleiding H. Janssen OFM
Preekvoorbeeld drs. M. van der Post
12 juli 2026 Vijftiende zondag door het jaar
Inleiding dr. Y. v.d. Akker-Savelsbergh
Preekvoorbeeld I. D'hert OP
19 juli 2026 Zestiende zondag door het jaar
Inleiding G. van Buul OFM
Preekvoorbeeld dr. P. van Veldhuizen
26 juli 2026 Zeventiende zondag door het jaar
Inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
Preekvoorbeeld dr. J. te Velde OSB
2 augustus 2026 Achttiende zondag door het jaar
Inleiding dr. A. Troost
Preekvoorbeeld mgr. dr. G.J.N.G. de Korte
9 augustus 2026 Negentiende zondag door het jaar
Inleiding drs. H. Berflo
Preekvoorbeeld A. Alblas
15 augustus 2026 Maria Tenhemelopneming
Inleiding drs. M. Brinkhuis
Preekvoorbeeld T. Brouwer OP
16 augustus 2026 Twintigste zondag door het jaar
Inleiding prof. dr. C. Vander Stichele
Preekvoorbeeld ds. R. Nijendijk-Cnossen
23 augustus 2026 Eenentwintigste zondag door het jaar
Inleiding dr. J. Brinkhof
Preekvoorbeeld drs. K. Touwen
30 augustus 2026 Tweeëntwintigste zondag door het jaar
Inleiding prof. dr. A. van Wieringen
Preekvoorbeeld H. Brouwers
Homiletische hulplijnen 121 drs. K. Touwen
5 juli 2026
Veertiende zondag door het jaar
Lezingen: Zach. 9,9-10; Ps. 145; Rom. 8,9.11-13; Mat. 11,25-30 (A-jaar)
Inleiding
Zacharia 9,9-10
De Profeet Zacharia (= JHWH gedenkt) maakt zich sterk voor de wederopbouw van de tempel. Hij treedt op in de tijd van de Perzische koning Darius (522-486). Zijn roepingsverhaal staat in hoofdstuk 1,7-17. Namens JHWH roept hij op tot ommekeer: ‘Keer terug naar Mij, dan zal Ik naar jullie terugkeren (1.3).
Onze perikoop is een vreugdevol lied. Jeruzalem wordt aangesproken als ‘Vrouwe Sion’. Zij wordt opgeroepen om het uit te schreeuwen van vreugde, want haar koning is in aantocht, niet om haar te straffen, maar ‘bekleed met gerechtigheid en zege.’ Hij komt niet op een strijdros, maar ‘op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin’. Hij is een rechtvaardige, hij heeft het recht aan zijn zijde. Hij is vredelievend. Het oorlogstuig zal hij vernietigen en vrede stichten tussen de volken. Vrouwe Sion mag zich gelukkig prijzen dat deze koning namens JHWH in aantocht is en op vredige wijze iedereen tot zijn recht laat komen en vrede sticht. Een heilstijd breekt aan.
In de Joodse Traditie wordt dit lied vaak messiaans geïnterpreteerd. De evangelist Matteüs past de tekst op Jezus toe (Mat. 21,2).
Zijn tweede ezel komt voort uit het parallelismus membrorum van Zacharia 9,9. Als poëtische vorm gaat het daar om de dubbelvermelding van één ezel: ‘een ezel = een hengstveulen, het jong van een ezelin’. Maar wie op zoek is naar zoveel mogelijk ‘informatie’, kan er ook twee ezels in lezen. Dat is wat Matteüs doet.
Verheug u, gij dochter van Sion,
en jonkvrouw Jeruzalem, juich!
Zijn daden, zij zullen
de aarde vervullen,
voor jood en voor heiden
door dood en door lijden
draagt Hij met zich mede
de blijdschap, de vrede,
Hij rijdt op een ezel, Hij lijdt als een knecht,
zo brengt Hij het leven terecht.
[W. Barnard, LvK 42:3]
Romeinen 8,9.11-13
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 11,25-30
Na de veroordeling van drie steden (11,20-24) omdat zij zich niet bekeerd hebben, looft Jezus zijn Vader, Heer van hemel en aarde, ‘omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld.’ De joodse Traditie spreekt van ‘het onderwijzen van kinderen of eenvoudige mensen’ (Deut. 6,7). Door de Vader is alles aan de Zoon toevertrouwd. Vader en Zoon kennen elkaar (in liefde) door en door, van haver tot gort. Dankzij de Zoon, kunnen ook anderen de Vader leren kennen.
Jezus nodigt allen die vermoeid en onder lasten gebukt gaan uit om bij Hem te komen, Hij zal hun rust geven.
Een gelovige Jood neemt iedere morgen het Juk van het koninkrijk op zich, als teken dat hij zich weer met God verbindt. Daarna neemt hij het juk van de Tora op zich. Vanuit liefdesverbondenheid met God vervult hij de opdrachten van de Tora. Vanuit deze praktijk nodigt Jezus (die zachtmoedig en nederig van hart is) alle vermoeiden uit om Zijn juk op zich te nemen, dan zullen zij werkelijk rust vinden. In Avot 3,5 merken de rabbijnen op dat iemand die het juk van de Tora op zich neemt, wordt bevrijd van politieke verplichtingen en wereldlijke zorgen.
Heb dank, o God van alle leven
die zijt alleen Uzelf bekend,
dat Gij uw woord ons hebt gegeven,
uw licht en liefd ons toegewend.
Nu rijst uit elke nacht uw morgen,
nu wijkt uw troost niet meer van de aard,
en wat voor wijzen bleef verborgen
werd kinderen geopenbaard.
[Fedde Schurer, LvK 330,1]
Literatuur
Amy Jill Levine/ Marc Zvi Brettler, Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, NBV21 Haarlem/Antwerpen 2024.
idem, Hebraische Bibel und Altes Testament, Stuttgart 2024.
Preekvoorbeeld
Het jaar 2026 is niet best begonnen. Bijna vanaf dag één zijn het wapengekletter en het machtsvertoon niet van de lucht. De wereld lijkt weer beheerst te worden door bommengooiers en scherpschutters. Schijnbaar vergeten zijn de bittere ervaringen van vorige oorlogen, van zinloos geweld en bloedvergieten, die altijd meer schade aangericht hebben dan problemen opgelost. De stemmen die protesteren worden nauwelijks opgemerkt; ze leggen geen gewicht in de schaal.
En toch, zou je zeggen, heeft de mensheid al meer dan genoeg ervaring opgedaan met oorlog en geweld. Twee-, drieduizend jaar geleden, ten tijde van de profeet Zacharia, uit wiens boek we in de eerste lezing gelezen hebben, werden er oorlogen gevoerd evenals vandaag de dag. Ze werden evenzeer ingegeven door machtsbelustheid en ongeduld, ze waren even zinloos als die van nu en richtten enorm veel schade aan. Ook toen waren er stemmen die protesteerden, en het is maar de vraag of die beter gehoord werden.
Zacharia was zo iemand die protesteerde tegen het geweld van oorlog en onderdrukking. En wonderlijk genoeg klinkt in de lezing van vandaag zijn protest niet als een aanklacht of een bezorgde oproep tot verandering en inkeer, maar eerder als een glanzend, optimistisch visioen. Tegenover strijdrossen en gepantserde wagens komt in zijn visioen daar iemand op een ezel aangereden. ‘De koning komt naar u toe en rijdt op een ezel’, staat er in de profetie. ‘Daarmee vaag Ik de strijdwagens en paarden weg’. Het lijkt wel of Zacharia er zeker van was dat het afgelopen zou zijn – binnenkort misschien wel – met het wapengekletter en met de strijdwagens. Er zal vrede komen onder de volkeren.
We kunnen ervan uitgaan dat Zacharia niet naïef was. Hij was er ongetwijfeld van op de hoogte dat, als het op vechten aankomt, een man op een ezel niet opgewassen is tegen een bataljon strijdwagens. Het gaat er echter niet om dit visioen te nemen als een strijdplan, als een militaire strategie, maar als een uitdrukking van het geloof van de profeet. Zacharia geloofde in een God die zich sterk maakt tegen geweld en onderdrukking, maar niet door er nog meer geweld tegenover te zetten. God wil onze logica onderbreken en ombuigen, ons doen inzien dat er andere wegen mogelijk zijn om met conflicten om te gaan.
En nu we het over een man op een ezel hebben: dat beeld doet ons denken aan Jezus uit het verhaal van Palmzondag, waarin Hij op een ezel gezeten Jeruzalem binnenrijdt. ‘Jij bent onze Messias!’ riepen de mensen langs de kant van de weg en wuifden Hem toe met palmtakken. Jezus had voor zijn intocht die ezel gekozen, omdat Hij dacht aan Zacharia, aan de tekst die we vandaag gehoord hebben. God verrast ons voortdurend, wist Jezus. Zijn leven lang was Hij de strijd met de religieuze autoriteiten aangegaan, met de hypocrisie van hen die waakten over de goede zeden, maar mensen die steun en bemoediging nodig hadden in de kou lieten staan. In Jeruzalem moest Hij die strijd verder strijden, maar hier liet Hij zijn wapens zien: geen paarden en wagens of een leger van volgelingen met stokken en zwaarden, maar een mens op een ezel met geopende handen en een enthousiaste schare die staat te wuiven met palmtakken.
Dit is niet volgens de berekeningen en inschattingen van de wijzen en verstandigen, van de experts en politici. Die maken analyses van de machtsverhoudingen in de wereld en verhogen de defensiebudgetten, omdat herbewapening noodzakelijk is. Zij investeren in strijdrossen en gepantserde wagens. Hebben zij daarmee ongelijk? Is het allemaal dwaling wat er nu gebeurt in onze wereld anno 2026? Dat kunnen we niet zomaar zeggen. Experts en politici hebben hun eigen verantwoordelijkheid en gaan te werk volgens hun eigen logica. Maar het gaat erom of er ruimte is, of we met ons allen, ook de politici en experts, of we attent blijven op bijvoorbeeld een man die op een ezeltje komt aanrijden, in eigen gelederen of misschien juist wel aan de andere kant.
In het evangelie van vandaag horen we dat Jezus ons probeert te winnen voor een andere manier van kijken. ‘Het zijn niet per se de wijzen en verstandigen die begrijpen waar het om gaat’, zegt Hij, ‘eerder de eenvoudigen’. Het waren de eenvoudigen die op de zondag voor Pasen in Jeruzalem langs de weg stonden en in de man op de ezel de Messias herkenden. Ze geloofden met z’n allen dat Gods kracht zich in Hem toonde. Ze geloofden het met z’n allen, en het was een machtig moment. Het leek op die dag in Jeruzalem alsof alles kon gaan veranderen, de autoriteiten schrokken zich een ongeluk.
Die namen hun maatregelen en een week later was de onruststoker gekruisigd, dood en begraven. Jezus had ogenschijnlijk ongelijk gehad met z’n geloof, Zacharia en al die andere profeten ook.
Maar wie gelooft, weet dat het verhaal niet is opgehouden met die kruisdood. God, de Oorsprong en Behoeder van alle leven, is niet van de wapens en wagens, maar van de eenvoudigen, van hen wier handen geopend en leeg zijn. Waarom dan? Er is veel dat we niet begrijpen, dat, volgens het evangelie van vandaag alleen de Vader en de Zoon weten. Maar we worden uitgenodigd ons te laten raken door wat ons onverwacht, bij verrassing raakt als een diepere waarheid dan die ons altijd wordt voorgehouden. Uitgenodigd om daarop te vertrouwen.
‘Komt allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven.’ Zie uit naar de tekenen die Ik zend te midden van geweld en machtsvertoon. Vertrouw erop, ze zijn er, als een zachte bries, als de snuit van een jonge ezel.
inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post
12 juli 2026
Vijftiende zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 55,10-11; Ps. 65; Rom. 8,18-23; Mat. 13,1-(9)23 (A-jaar)
Inleiding
De profeet Jesaja maakt in de eerste lezing van deze zondag gebruik van beelden uit de natuur en het alledaagse leven om de verbondenheid tussen hemel en aarde, Gods trouw tegenover mensen, aan te tonen. Geworteld in die traditie doet Jezus hetzelfde: aan de hand van een beeld uit de natuur – het groeien van het zaad – verduidelijkt Hij de groei van het koninkrijk der hemelen, daar waar God werkelijk koning is. Zo weet Hij een verbinding te leggen tussen het leven van elke dag en het koninkrijk der hemelen en laat Hij zien dat hemel en aarde met elkaar verbonden zijn.
Jesaja 55,10-11
Jesaja 55 vormt het slot van Deuterojesaja – geschreven in de laatste periode van de Babylonische ballingschap –, waarin een aantal centrale thema’s wordt samengevat (Jes. 40-55). Dit hoofdstuk is een en al goede boodschap, evangelie (vgl. Jes. 40). In een hartstochtelijk pleidooi richt Jesaja zich tot het volk Israël. Hij spreekt namens de Eeuwige in de vorm van een heilsorakel. God roept en vleit het volk als een koopman die zijn waar op de markt aanprijst, in de hoop dat het volk naar Hem zal luisteren: ‘… en u zult eten wat goed is … een eeuwig verbond zal Ik met u sluiten’: alleen bij de Eeuwige is het ware voedsel te vinden en Hij is een God die zijn volk altijd trouw blijft (55,2-3). En dat alles om niet.
In de verzen 6-7 spreekt Jesaja, hij roept de mensen op om terug te keren naar ‘onze God, want Hij vergeeft rijkelijk.’ In de volgende verzen is God opnieuw aan het woord. Nu gaat het om de terugkeer uit de ballingschap, hoe onwaarschijnlijk en hoe ver weg die ook lijkt te zijn. Daarom maakt God duidelijk dat zijn wegen en gedachten anders zijn dan die van de mensen. De mens is te klein om dit te bevatten (55,8v). Dat zou betekenen dat er een onoverbrugbare kloof is tussen hemel en aarde.
Toch wordt die kloof in de lezing van vandaag weer enigszins gedicht. Er is immers sprake van verbondenheid tussen hemel en aarde door het beeld van sneeuw en regen die voor vruchtbaarheid op aarde zorgen, voor zaad en voedsel voor de mensen. Zo vruchtbaar als sneeuw en regen is ook het woord van God en zijn zorg voor de mensen. Gods woord is betrouwbaar, teken van verbondenheid tussen hemel en aarde. Alles gebeurt zoals God het wil. Hij bestiert de geschiedenis van de mens en heeft in alles de leiding, zelfs het land en de bergen luisteren naar Gods woord (55,12v).
Gods woord lijkt op een dienaar of boodschapper die koste wat kost Gods opdracht uitvoert: ‘Want het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het gedaan heeft wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden’ (55,11). Hier staat het Hebreeuwse woord dabar dat zowel ‘woord’ als ‘daad’ betekent.
Jesaja 55 eindigt met de aansporing om in vreugde op weg te gaan uit de ballingschap en in vrede thuis te komen.
Romeinen 8,18-23
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 13,1-(9)23
Vandaag lezen we het begin van de derde rede van Jezus in het evangelie van Matteüs, de zogeheten parabelrede, waarin zeven parabels of gelijkenissen over het koninkrijk der hemelen zijn opgenomen (13,1-53). De lezing begint met de woorden: ‘Op die dag verliet Jezus het huis…’ Dat moet het huis zijn waar Jezus aan het onderrichten was, toen zijn moeder en broers Hem zochten; het is het huis waar Hij zijn leerlingen zijn ware familie noemde, niet gebaseerd op conventionele kenmerken als geboorte en verwantschap of afkomst maar op het doen van Gods wil (12,46-50). Uit de voorafgaande hoofdstukken 11–12 blijkt dat lang niet iedereen overtuigd is van de boodschap van Jezus over het koninkrijk der hemelen. De vraag wordt steeds indringender of men wel bij de familie van Jezus wil horen (12,46-50)? Zou dat niet uiteindelijk op niets uitlopen en vergeefse moeite zijn?
In de nu volgende parabel over de zaaier en het zaad wordt het tegendeel beweerd: het zal geen vergeefse moeite zijn, want de opbrengst zal groot zijn: ‘honderdvoudig, zestigvoudig of dertigvoudig’ (13,8.23). Tegenover zo’n buitenproportionele opbrengst verdwijnt alle zaad dat door de vogels wordt opgegeten, dat verdort of verstikt, in het niet, zelfs als dat het merendeel van het zaad zou zijn. Een bemoediging voor de toehoorders/lezers.
De opbouw van deze passage is overzichtelijk: na de inleidende verzen (13,1v) vertelt Jezus de parabel over het zaad aan de menigte (vv. 3-9). Na de tussenvraag van de leerlingen in vers 10 – ‘Waarom spreekt u tot hen in parabels?’ – neemt Jezus opnieuw het woord, nu tot het einde toe (13,11-23). In dit tweede gedeelte van de parabel legt Jezus uit, waarom Hij tot de menigte in gelijkenissen spreekt en waarom Hij dat niet doet tegenover de leerlingen (13,10-17). Vervolgens verklaart Jezus de parabel tot in detail in het derde en laatste gedeelte van de perikoop (13,18-23).
Met de zaaier kan zowel God als Jezus bedoeld zijn. Het zaad is in de parabel het woord van het koninkrijk der hemelen, terwijl de grond waar het zaad terecht komt, het beeld is van (het hart van) de toehoorders of lezers. In de uitleg van de parabel (v. 19a) duidt het zaad echter steeds de mensen aan, bijvoorbeeld ‘Dat is degene, die op het pad is gezaaid’ (v. 19c).
Matteüs presenteert Jezus graag als de grote leraar, de tweede Mozes. Dat blijkt ook hier weer uit het woord ‘zitten’ (13,1; vgl. 5,1 en 24,3): halverwege de eerste eeuw werd het gebruikelijk dat een leraar tijdens het onderricht zat; voordien werd de Tora staande onderwezen.
Dat Jezus in een bootje stapt om de mensen te onderrichten, kan een louter praktische reden hebben, maar de scheiding die het water tussen Jezus en de mensen bewerkstelligt, mag men wellicht ook zien als beeld van de werkelijke scheiding die er tussen hen bestaat. Zij verstaan de woorden van Jezus immers niet, ook al horen ze ze wel. Matteüs onderstreept dat het niet om blind geloof in Jezus en zijn boodschap gaat, maar om het werkelijke ‘verstaan’ van de boodschap van binnenuit, vanuit het hart (13,15.19).
Met deze eerste zo bekende parabel over het zaad is toch iets vreemds aan de hand, dat niet eens direct opvalt. Bij een parabel spreekt men over een zogeheten beeldhelft en een zaakhelft. Het ‘beeld’ is in de vorm van de zaaier en het zaad aanwezig, maar de ‘zaak’ die door het beeld verduidelijkt moet worden, ontbreekt. Vandaar de veelbetekenende afsluitende woorden van Jezus: ‘Wie oren heeft, moet horen.’ (13,9).
Pas uit het antwoord van Jezus aan de leerlingen in vers 11 blijkt dat het om het koninkrijk der hemelen gaat (zie ook de verzen 18-23): ‘Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun niet.’
Waarom spreekt Jezus tot de leerlingen niet in parabels? De uitspraak die deze vraag moet verduidelijken, lijkt vreemd: ‘Want aan degene die heeft, zal gegeven worden, en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft (13,12). De leerlingen ‘hebben’ dus … .
Wellicht kunnen de rabbijnen ons verder helpen: Een vrouw vroeg eens aan rabbi Jose b. Halafta: ‘Wat betekent het vers Hij gaf wijsheid aan de wijzen [Dan. 11,21]? Had de tekst niet moeten luiden: Hij gaf wijsheid aan hen die niet wijs waren en kennis aan hen die niet in staat waren te begrijpen?’
Hij antwoordde haar: ‘Ik zal het uitleggen met een gelijkenis: Als twee mensen geld zouden komen lenen bij jou, de een rijk en de ander arm, aan wie zou je het dan lenen, aan de rijke of aan de arme?
Zij antwoordde: ‘Aan de rijke man.’
‘Waarom?’, vroeg hij, waarop zij antwoordde: ‘Omdat hij de middelen heeft om het mij terug te betalen; maar als de arme man mijn geld verliest, hoe kan hij het mij dan terugbetalen?’
Hij zei tegen haar: ‘Horen je oren, wat je met je mond hebt gezegd? Als de Eeuwige, Gezegend zij Hij, wijsheid aan de dwazen zou geven, zouden zij gaan zitten en haar [de Tora] overpeinzen in het verborgene, in theaters en in badhuizen; maar de Heilige, Gezegend zij Hij, gaf wijsheid aan de wijzen die haar overpeinzen in de synagogen en de leerhuizen, daarom geeft Hij wijsheid aan de wijzen en kennis aan hen die weten te verstaan (Kohelet Rabba I.7.5, een verzameling verhalende teksten op Prediker).
Enerzijds is het een geschenk van God, genade, om de geheimen van het koninkrijk der hemelen te mogen verstaan, maar anderzijds is er dan wel ‘goede grond’ voor nodig, horen én verstaan, te weten dat Jezus de messias is, dat in Hem het koninkrijk van God gekomen is. Degenen die ‘goede grond’ zijn, de leerlingen van Jezus, kunnen met recht makarioi, gelukzalig, worden genoemd (13,16).
Preekvoorbeeld
Matteüs is zich bewust dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is in zijn geloofsgemeenschap. Hij schrijft zijn evangelie aan het einde van de eerste eeuw. Het verrijzenisgeloof is de grondslag geweest van de eerste christengemeenschappen. Maar algauw doen zich strubbelingen voor. Matteüs heeft te maken met mensen met een verschillende achtergrond. Sommigen hechten veel meer belang aan de joodse traditie dan anderen die eerder aanleunen tegen een Hellenistische tendens. Samenleven brengt onvermijdelijk wrijvingen met zich mee. Misschien heeft de parabel van het zaad daarmee te maken. Kan gedeeld geloof samengaan met diversiteit? In elk geval een uitdaging om mee om te gaan. Duidelijk is dat het samenleven in de geest van Jezus haaks staat op de vigerende cultuur van de Romeinse overheerser.
Wat de Romeinen als ‘cultuur’ en ‘gerechtigheid’ beschouwen gaat regelrecht in tegen de idealen die de vrienden van Jezus erop na houden. ‘Zalig de armen van geest’. Daarmee is Jezus zijn toespraak op de berg begonnen. Daarmee wordt een heel andere wereld tot leven geroepen. Wat dwaas is in de ogen van de Romeinen wordt door de volgelingen van Jezus als wijsheid ervaren. En vice versa. Dat heeft ook Paulus ondervonden in zijn confrontatie met de vergoddelijking van de Romeinse keizers die hij op zoveel plaatsen tegenkomt. ‘Allen die door de geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn’ (8,14v). Dat is de levensstijl die de christengemeenschap in het hart draagt en daadwerkelijk in praktijk probeert te brengen.
Het is geen sinecure: dat wil de parabel ook duidelijk maken. Er zijn niet alleen de materiële omstandigheden die in de praktijk als hobbel ervaren worden (rotsachtige plekken, ondiepe grond, distels, enz.). Er wordt gesuggereerd dat ook de persoonlijke inzet niet voor iedereen dezelfde hoeft te zijn. Merkwaardig is hoe het slot van de parabel in neergaande lijn gaat. Er is sprake van honderdvoudig, zestigvoudig, dertigvoudig (13,8). Verscheidenheid mag blijkbaar een plaats hebben in de gemeenschap. Het troost te weten dat niet iedereen hetzelfde resultaat hoeft te boeken. Het klinkt in de parabel niet als een verwijt. Het is een vaststelling. Jezus’ volgelingen hoeven niet allemaal even intelligent, handig, diepzinnig, vroom of maatschappelijk actief te zijn. ‘In het huis van de Vader zijn vele woningen’.
Wellicht herkennen we dat ook in onze tijd. Er zijn opvallende ontwikkelingen gaande in de christelijke geloofsgemeenschap. De aversie jegens de kerk is over zijn hoogtepunt heen. Ook al blijven we voorgoed opgezadeld met de schandalen die de kerk blijvend achtervolgen, er is ook een nieuwe interesse zichtbaar. Het einde van de massakerk betekent blijkbaar niet het einde van het geloof. Er ontstaan nieuwe geloofsgemeenschappen. Ondanks het wegvallen van zoveel voorgangers en voorgangsters in de kerk zijn er bezielde mensen die er proberen de geest in te houden.
Er is geen reden tot euforie, maar er zijn schuchtere tekenen van een soort revival. De leegloop die we de laatste decennia hebben meegemaakt is over zijn hoogtepunt heen. Ouderen die hadden afgehaakt ontdekken opnieuw de betekenis van feestelijke rituelen. Vooral naar aanleiding van bijzondere gelegenheden zoals communiefeesten, doopvieringen, inzegening van relaties, enzovoort. Ze willen niet terug naar het patroon van weleer, maar ze hervinden de warmte van feestelijke bijeenkomsten voor zover het niet gaat om het opdissen van kerkelijke antiquiteiten. Het valt op dat ook bij jongeren een interesse merkbaar is voor momenten van verstilling en inkeer, binnen en buiten de kerk. Het heet dat veel mensen zoekende zijn, dat ze behoefte hebben aan een houvast dat hun leven ruggengraat geeft.
Het zijn ook vooral jongeren die geplaagd worden met een sombere toekomstvisie. Zij beseffen dat de toekomst er voor hen niet rooskleurig uitziet. Dat geldt voor verschillende aspecten van het leven. De geneugten van de welvaartsmaatschappij zijn opgebruikt. Er is ook de algemene vervlakking en onverschilligheid in onze samenleving. Jongeren vragen zich af waar het met hun leven naartoe moet. Ze kijken uit naar voorbeelden die een bron van inspiratie kunnen zijn. Langs verschillende wegen zoeken ze contact met een soort innerlijke stem waarmee ze ‘in gesprek’ kunnen gaan.
Sommigen vinden een weg via het Boeddhisme of via één van de verschillende vormen van meditatie. Anderen vinden het in traditionele vormen van kerkelijke liturgie. Merkwaardig is dat. De feeling voor het sacrale manifesteert zich vooral bij de jongere generatie, ook al zijn ze niet zo vertrouwd met het kerkinstituut. Het ‘heilige’ of het ‘hogere’ helpt hen om de banaliteit van de samenleving te overstijgen.
Het zaad valt overal: op de weg, op rotsachtige grond, tussen de distels, in goede grond, maar we mogen hopen dat het op de één of andere manier overal vrucht draagt.
inleiding dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld Ignace D’hert OP
19 juli 2026
Zestiende zondag door het jaar
Lezingen: Wijsh. 12,13.16-19; Ps. 86; Rom. 8,26-27; Mat. 13,24-(30)43 (A-jaar)
Inleiding
Wijsheid 12,13.16-19
Het boek wijsheid, ook bekend als ‘Wijsheid van Salomo’ werd geschreven kort voor het begin van de gewone jaartelling en kan dus onmogelijk een geschrift van koning Salomo zijn. Om de wijsheid die hier naar voren komt werd het boek toegeschreven aan koning Salomo, prototype van de wijze mens. Het boek werd in het Grieks geschreven en maakt zodoende geen deel uit van de Hebreeuwse Bijbel. Terwijl de meeste reformatorische kerken Wijsheid niet als canoniek bijbelboek beschouwen, wordt het in de katholieke en orthodoxe traditie als (deutero)canoniek aanvaard als deel van de Heilige Schrift.
In de perikoop van deze zondag richt de auteur zich direct tot God, reden waarom we het als een gebed beschouwen. De tekst begint met een variant op de Joodse geloofsbelijdenis: ‘Er is geen God behalve Gij, die zorg draagt voor allen, zodat Gij zoudt moeten aantonen dat Gij niet onrechtvaardig hebt geoordeeld.’ Met deze belijdenis laat de auteur zien dat God als koning niet is zoals de meeste koningen, zowel die van Israël als van de andere volken, die vaak regeerden met willekeur en op tirannieke wijze. En ofschoon God zijn macht toont aan hen die niet geloven, handelt Hij met rechtvaardigheid. Op deze wijze leert God aan hen die wel geloven dat zij Hem in rechtvaardigheid en menslievendheid moeten navolgen.
Psalm 86, 5-6; 9-10; 15-16a
De psalm begint met de erkenning door de auteur van zijn kleinheid en zondigheid. Daarom smeekt hij God, die vergevensgezind en goed is, om naar hem te luisteren. Om die reden erkennen de volken dat Hij alleen God is. De tekst van deze zondag eindigt met een citaat uit Exodus 34,6 waarin God zich bekend maakt als barmhartig en genadig, liefdevol en trouw, zoals Hij zich bekend maakte aan Mozes na de episode met het gouden kalf.
Romeinen 8,26-27
Dit gedeelte uit de Romeinenbrief kan gezien worden als een vervolg op de gebeden in Wijsheidslezing en de psalm van deze zondag.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 13,24-43
In de evangelieperikoop van deze zondag lezen we hoe Jezus onderricht geeft over het Godsrijk aan de hand van drie parabels en de uitleg van de eerste van die drie verhalen. Op het eerste gezicht gaat het in alle drie de parabels over een bekend fenomeen in het leven van de Galileeërs ten tijde van Jezus. Veel van zijn toehoorders wisten uit ervaring hoe na het zaaien tussen hun plantjes het onkruid welig kon beginnen te tieren. Mosterdzaad was een bekende smaakmaker maar ook een medicijn. Vaak was het echter een product dat moeilijk onder controle te houden was. De minst problematische van deze drie vertellingen is misschien wel die van de vrouw die brood gaat bakken volgens een traditionele methode. En dan rijst de vraag hoe deze parabels iets duidelijk maken over het Godsrijk. Ongelukkigerwijze zijn er mensen die deze drie verhalen beschouwen als een voorzegging dat de Kerk die klein begonnen is vrucht voortbrengt zoals het gezaaide graan, en groot wordt en groeit zoals het mosterdzaadje en het deeg dat door middel van het zuurdeeg rijst tot een flink brood. Jezus spreekt echter niet over de Kerk, maar over het Rijk van God.
Volgens de leden van het Jesus Seminar (een vooral Amerikaans historisch-kritisch genootschap) hebben deze drie parabels elk een andere oorsprong. De derde parabel van de vrouw en het zuurdeeg is volgens hen zeker door Jezus verteld. Van de tweede parabel over het mosterdzaadje geloven zij dat, ondanks enkele onzekerheden, deze door Jezus verteld kán zijn. De eerste parabel over het graan en het onkruid zou wel met Jezus’ ideeën in overeenstemming zijn hoewel niet door Hem verteld, terwijl de allegorische uitleg van die eerste parabel in de verzen 37-43 de weerslag zou zijn van een latere traditie en zeker niet van Jezus afkomstig.
Wat men ook moge denken van deze opvattingen, de inhoud van deze vertellingen zet de lezer wel voor vragen. Misschien is het de moeite waard om te beginnen bij die laatste parabel die zeker door Jezus verteld zou zijn.
Jezus gaat iets uitleggen over het Godsrijk (rijk der hemelen volgens Matteüs) met als voorbeeld de bereiding van het ‘dagelijks brood’ op de manier zoals dat al eeuwen gebruikelijk was en met de voorhanden zijnde middelen. Om het gistingsproces in gang te zetten werd een homp verzuurd deeg van de vorige dag of van enkele dagen terug vermengd met het nieuwe deeg. De vrouw in de parabel doet dus niets buitengewoons. Wel vreemd is misschien dat ze drie maten meel, ongeveer dertig kilo, tot brood gaat bewerken, een flinke hoeveelheid. Sommigen willen hierin een overeenkomst zien met wat Sara doet in Genesis 18,6. Met drie maten meel bereidt zij brood voor de drie gasten. Die gelijkenis gaat echter maar ten dele op aangezien Sara brood maakt van silèt, een soort bloem of speciaal gezuiverd offermeel. Gezien de identiteit van haar gasten moest Sara wel silèt gebruiken, ook al wist ze niet dat die drie mannen hemelse figuren waren. In onze parabel gebruikt de vrouw aleuron, de Griekse vertaling van het hebreeuwse qèma, wat heel gewoon ‘huis tuin en keukenmeel’ is.
Wat misschien verbazing wekt is dat het Godsrijk vergeleken wordt met een proces waar zuurdeeg gebruikt wordt. Ter gelegenheid van het Pesachfeest was dat product absoluut verboden voor consumptie. Voor de aanvang van het paasfeest moesten de Joden zelfs alle gefermenteerde etenswaren uit hun huizen verwijderen en gedurende alle dagen van het feest ongezuurd brood eten (vgl. ook 1 Kor 5,7v). Verder zegt Paulus: ‘Laten we feestvieren, niet met het oude zuurdeeg, ook niet met het zuurdeeg van slechtheid en boosaardigheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.’ Ondanks het feit dat het zuurdeeg het hele deeg doet rijzen kwalificeert Paulus het als slecht en boosaardig, dus als iets negatiefs. Dit kan de indruk wekken dat voor Jezus het Rijk Gods, aangezien dat niet iets buitenwerelds is, soms een negatieve invloed kan ondergaan. Indien dit zo is, komt Jezus hier naar voren als een realist die de ogen niet sluit voor het negatieve in de wereld, maar ook als iemand die, ondanks dat negatieve element, overtuigd is dat het Godsrijk effect heeft.
Een ander element in de parabel is het feit dat wanneer het zuurdeeg met het meel vermengd is, je het niet meer ziet en je niet direct merkt dat het ‘werkt’ in het nieuwe deeg. Het heeft, zogezegd, een verborgen invloed op het deeg. Je moet er wel geduld bij hebben en niet verwachten dat het resultaat zich stante pede zal voordoen.
Deze elementen: het kleine, de potentieel negatieve kant, het mysterieuze en het noodzakelijke geduld komen we ook in de andere parabels van deze perikoop tegen.
In het verhaal van het mosterdzaadje wordt, zij het met enige overdrijving, vermeld dat het om het kleinste van alle zaden gaat. Wie het in zijn tuin of akker wil zaaien moet met zorg en overleg te werk gaan want dat kleine zaadje kan niet alleen een enorm gewas voortbrengen. Met de bloeitijd kan het zaad ook verspreid worden door de wind of door de vogels en zo een ware plaag veroorzaken. Maar het feit dat uit zo’n klein zaadje zo’n enorme plant kan ontstaan is net zo mysterieus als het verborgen zuurdeeg dat de massa doet rijzen.
In de eerste van deze drie parabels hebben we in zekere zin te doen met twee negatieve elementen: de vijandige mens die in het holst van de nacht de akker gaat verpesten met zizania-zaad dat een gewas voortbrengt dat op het eerste gezicht op tarwe lijkt. Wanneer dat product de overhand krijgt kan het de goede granen verstikken. Uitrukken kan eveneens een negatief resultaat veroorzaken want samen met dat onkruid kan ook het goede gewas uitgerukt worden. De eigenaar van de akker beveelt zijn knechten daarom geduld te hebben en alles maar samen op te laten groeien om pas in de oogsttijd het onkruid van het goede gewas te scheiden.
Om alles onder controle te houden is haastwerk uit den boze. Het brood wordt een slecht product als je het niet genoeg laat rijzen of te korte of te lange tijd in de oven laat bakken. Het mosterdzaad bezorgt de planter problemen als hij de zaak niet onder controle houdt. Als je niet oppast loop je gevaar je oogst te verliezen omdat het goede graan verstikt dreigt te worden of uitgetrokken samen met het onkruid.
Het Godsrijk komt niet als een donderslag bij heldere hemel, het is geduldwerk, iets waar de Zeloten in de tijd van Jezus niet in uitblonken. Zijn deze parabels ook een kritiek op de Zeloten die soms op geforceerde wijze bij willen dragen aan de komst van het Godsrijk?
Op verzoek van de leerlingen geeft Jezus, volgens de evangelist, later een allegorische interpretatie van deze parabel, die misschien méér de opvatting of de wens van de matteaanse gemeente weerspiegelt dan de mening van Jezus.
Preekvoorbeeld
Het koninkrijk der hemelen. Daarover vertelt Jezus, onze Heer, in de gelijkenissen die we hebben horen voorlezen. Het koninkrijk van de hemel, het rijk van God. Dat is niet ergens anders, ver weg, en ook niet in een andere tijd. Het is daar waar God regeert. Waar de wetten van Gods hart gelden. Waar het gaat zoals God het heeft bedoeld. Nou, denk je dan, dat is dus niet hier in deze wereld, want zoals het nu in onze wereld toegaat…
Maar dat is precies het punt: het koninkrijk der hemelen is volgens Jezus heel dichtbij gekomen. In zijn persoon is het midden onder ons. Ik stel het me zó voor: onze troebele wereld wordt aan alle kanten omgeven door Gods wijde wereld, zoals de hemel de aarde omgeeft. En met Jezus stulpt als het ware die heldere wereld van God naar binnen, onze troebele werkelijkheid in. Zó dichtbij dat je die helderheid kunt binnenlaten in jezelf, zodat Gods koningschap kan doorwerken in jouzelf – zoals het verbeeld wordt iedere keer wanneer je de communie ontvangt.
Gods rijk, het koninkrijk der hemelen: we kunnen dat niet zelf bouwen, zeggen deze gelijkenissen, maar er wordt wél iets van ons gevraagd. Het zaad moet gezaaid, of de zuurdesem moet in het meel gemengd worden. Iets moet werkzaam gaan worden in deze wereld: een zaad dat kiemt en groeit in de grond, een zuurdesem dat langzaam fermenteert in het deeg. Als je het erin hebt gebracht, moet je het vooral zelf zijn werk laten doen, je moet er niet voortdurend in en omheen gaan rommelen.
Hoe doe je dat dan, het zaad of het ferment van het koninkrijk der hemelen in de wereld brengen? Daarvoor kun je weer naar Jezus kijken: goedheid in het spel brengen, ontferming, onder de mensen zijn met echte betrokkenheid, ze aankijken, aanspreken en aanraken met de liefde van God. Genade laten gelden, vergeving oefenen. En het dan verder durven overlaten aan de groeikracht van het zaad dat je gezaaid hebt, aan de kracht van de goedheid die je als zuurdesem door het deeg van de wereld hebt geroerd. Niets forceren. Niet denken: dit werkt niet snel genoeg.
Andere krachten werken ook in de wereld. In de gelijkenis van het onkruid zegt Jezus dat ook het kwaad gezaaid wordt en kiemt en groeit. Dat is onuitstaanbaar, maar je kunt niet anders dan het zo laten zijn. Als je het kwaad met wortel en tak zou willen uitroeien, zou je het goede tegelijk ook vernietigen. Je kunt alleen hopen dat je genoeg goedheid gezaaid hebt. Zaai anders nog rustig wat bij, dat is beter dan dat je als een woesteling een spoor van vernieling door de akker trekt.
In die gelijkenis over het onkruid lijkt het wel erg fifty-fifty, graan en onkruid, goed en kwaad. Pas bij de oogst blijkt dat het goede wordt bewaard en het kwade verwijderd. Dan zie je pas dat het al die tijd zin heeft gehad om op het goede te rekenen, eraan gehecht te blijven, je erop te verheugen.
Zo is het met de wereld, ook de onrustige wereld van nu. Soms denk je dat het kwaad de overhand heeft gekregen. Soms denk je dat er met geweld zal moeten worden ingegrepen. Maar als dat gebeurt, zie je dat het soms meer kwaad doet dan goed.
Leerlingen van Jezus krijgen vandaag vanuit het Evangelie dit advies: zaai het goede, meng het ferment van Gods goedheid in het deeg van de wereld. Vertrouw erop dat wat je gezaaid hebt, onzichtbaar doorwerkt.
Jezus zaaide uiteindelijk zichzelf, Hij vocht zich niet naar de top maar liet zichzelf als het goede zaad in de akker van de wereld vallen. Hij hield niet zichzelf angstvallig heel, maar gaf zich aan de wereld. Als het zaad niet in de aarde valt en sterft, draagt het geen vrucht, zegt Hij (Joh. 12,24v). De oogst van zijn verrijzenis is dat er een beweging door de wereld gaat, van mensen die goedheid zaaien, desnoods zichzelf zaaien, en geloven dat die goedheid doorwerkt ook als zijzelf er niets meer aan kunnen doen. Want dat is hoe het werkt in de ultieme werkelijkheid, het koninkrijk der hemelen.
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld dr. Piet van Veldhuizen
26 juli 2026
Zeventiende zondag door het jaar
Lezingen: 1 Kon. 3,5.7-12; Ps. 119; Rom. 8,28-30; Mat. 13,44-(46)52 (A-jaar)
Inleiding
Weten wat werkelijk van waarde is en daar je hele en hebben en houden op afstemmen. Zo wordt het Koninkrijk Gods zichtbaar in en voor de wereld in het handelen van mensen.
Als je erom vraagt de dingen te begrijpen,
roept om scherpzinnigheid,
ernaar zoekt als was het zilver,
ernaar speurt als naar een verborgen schat –
dan zul je ontdekken wat ontzag voor de heer is,
dan raak je met God vertrouwd.
Want het is de heer die wijsheid schenkt,
zijn woorden bieden kennis en inzicht.
(Spr. 2,3-5)
1 Koningen 3,5.7-12
Met Salomo’s troonbestijging wordt de toezegging van JHWH dat Hij een ‘huis van David’ zou bouwen, gerealiseerd (7,11v). Aan het prille begin van zijn regeerperiode vindt er een gebeurtenis plaats die Salomo’s koningschap diepgaand heeft gevormd. Daarover gaat de tekstlezing van vandaag.
Salomo heeft op de hoogte van Gibeon offers gebracht aan JHWH. ‘s Nachts verschijnt JHWH in een droom aan Salomo en zij spreken met elkaar. JHWH richt zich tot Salomo met een heel concrete uitnodiging: ‘Vraag! Wat zal Ik je geven?’ (3,5).
Salomo beantwoordt deze vraag niet meteen. Als hij begint te spreken tot JHWH blikt hij terug op de relatie tussen JHWH en zijn vader David en zijn eigen plaats in dit geheel: de zoon die aan David is geschonken door JHWH om troonopvolger te zijn. Salomo verwoordt daarop zijn zienswijze op de onderlinge verhouding tussen JHWH en hemzelf: ‘Gij…, maar ik…’ (v. 6). Salomo benadrukt dat het JHWH is die hem tot koning heeft gesteld en dat hij grote schoenen heeft te vullen: die van zijn vader die zijn hele leven trouw is geweest in zijn relatie met JHWH . Daartegenover zet Salomo zichzelf neer als jong en onervaren. Dit beeld wordt in de Hebreeuwse brontekst benadrukt door het gebruik van een pleonasme (letterlijk: naʽar qaton = klein/jong/gering kind/jongen/jongeling). In de wijze waarop Salomo zichzelf, JHWH en hun onderlinge relatie beschrijft, drukt hij zich zo uit dat hij zich bewust is van de asymmetrie in de relatie: hij is afhankelijk van JHWH. Er spreekt ook een houding van nederigheid uit.
Zijn zelfdefinitie als ‘kleine jongen’ zet Salomo niet alleen af tegen de grootsheid van JHWH, maar ook tegen de taak die op hem wacht: het gaat om het leiden van ‘Uw volk, dat Gij hebt uitgekozen’, dus niet zomaar een volk, dat bovendien ontelbaar groot in aantal is. Met andere woorden Salomo schetst een beeld van een enorme discrepantie tussen de persoon die hij op dat moment is – jong en ontoereikend gevormd – en de omvang en verantwoordelijkheid van de taak van Godswege die op zijn schouders rust.
Voortvloeiend uit deze inschatting van de situatie volgt Salomo’s antwoord op de eigenlijke vraag van JHWH: Hij vraagt om een ‘luisterend hart’. Het hart, dat wij meestal associëren met de affectieve vermogens, is in het mensbeeld van het Oude Testament de zetel van het verstand en de wil. Het gaat Salomo dus om wat wij zouden beschrijven als opmerkzaamheid en scherpzinnigheid. Salomo licht zijn intentie toe door uit te leggen waarom hij juist deze menselijke faculteit, dit verstandelijke vermogen, vraagt: het gaat hem om het vermogen goed en kwaad te onderscheiden omwille van zijn taak als koning recht te spreken. Het is Salomo’s gerichtheid op het bevorderen van recht als wezenlijke taak voor zijn koningschap, die JHWH behaagt. Het ligt in lijn met JHWH's heerschappij als ware Koning van Zijn volk Israël.
Salomo staat dus in de juiste verhouding tot JHWH én hij heeft met zijn primaire gerichtheid op rechtvaardigheid als koning zijn prioriteiten inzake het koningschap op orde. Al de andere zaken die in de ogen van mensen gelden als kenmerken voor een succesvol koningschap – naam en faam, militaire successen en rijkdom – krijgt Salomo daarom geheel gratuit bij de door hem gevraagde wijsheid. Alleen de gave van een lang leven houdt JHWH onder voorbehoud, omdat het ook aan Salomo is om van zijn kant trouw te blijven aan de verbondsrelatie met JHWH door Zijn voorschriften te bewaren.
Zo wordt meteen aan het begin van zijn koningschap de tragiek van de ogenschijnlijk geslaagde ‘Gouden Eeuw’ van het koninkrijk Israël, waarover in de volgende hoofdstukken zo lovend wordt gesproken, al even geraakt: dat de koning aan wie het gegeven was om het huis voor JHWH's naam te bouwen en waaraan in de geschiedenis zijn naam werd verbonden – ‘Tempel van Salomo’ –, dat juist deze koning uiteindelijk ontrouw wordt aan JHWH. Aan het eind van zijn leven verliest Salomo zijn belangrijkste prioriteit– zijn relatie met JHWH – uit het oog. Zijn liefde voor vrouwen uit andere volkeren mondt uiteindelijk uit in het vereren van afgoden. JHWH scheurt daarop een groot deel van het koninkrijk van het koningshuis van David af (11,1-12).
Psalm 119
In psalm 119 bezingt de psalmist jhwh’s gave van de Wet die het de mens mogelijk maakt te leven in en vanuit de verbondsrelatie met jhwh. De psalmist wenst dan ook kennis van en inzicht in de wetten, geboden en voorschriften om het handelen daar zo goed mogelijk op te kunnen richten en zo een vreugdevol leven te leiden. De waarde van de Wet is kostbaarder dan zilver en goud (vv. 72.127).
Romeinen 8,28-30
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 13, 44-(46)52
Hoofdstuk 13 vormt de middelste van de vijf grote redevoeringen van Jezus in het Matteüsevangelie. In dit hoofdstuk spreekt Jezus in gelijkenissen (parabolè = gelijkenis, parabel, in het Hebreeuws masjal) om de menigte en de leerlingen het Koninkrijk der hemelen (= ‘hemelen’ is Godsrijk) te verduidelijken aan de hand van voor hen bekende beelden en situaties uit het dagelijks leven. De tekstlezing komt uit het tweede gedeelte van het hoofdstuk, waar Jezus – in tegenstelling tot wat in het rooms-katholieke lectionarium is aangegeven – spreekt tot de leerlingen (en dus niet tot de menigte). De menigte heeft Hij al naar huis gestuurd (v. 36). Jezus legt de leerlingen in dit deel vier gelijkenissen voor: drie over het koninkrijk Gods (vv. 44.45v.47v) en één over schriftgeleerden (v. 52). Het tekstgedeelte wordt omlijst door een inclusio: schat/schatkamer (thesauroo vv. 44 en 52).
De eerste twee gelijkenissen vormen zowel qua vorm als qua inhoud een paar. In de eerste gelijkenis wordt het Koninkrijk Gods vergeleken met een schat die verborgen ligt en gevonden wordt. De vreugde is groot. In de tweede parabel over de koopman en de parel, gaat het over zoeken, onderscheiden en vinden. Het Koninkrijk Gods is kennelijk in het verborgene aanwezig en wordt zichtbaar voor wie ernaar zoekt. De kern van beide gelijkenissen ligt in de overeenkomstige reactie van de mannen: wat zij vinden is in hun ogen zo waardevol dat zij daar alles wat zij bezitten voor over hebben. Ze maken een rigoureuze keuze. Daarmee laten zij zien dat er in hun leven een nieuwe prioriteit is ontstaan, waaraan alles wat voorheen belangrijk was ondergeschikt wordt gemaakt.
In de derde gelijkenis wordt het Koninkrijk Gods vergeleken met een sleepnet – een net dat tussen twee vissersboten werd ingehangen waarmee vissers al varend alle vis bijeenbrengen en uiteindelijk insluiten. In aanvulling op de parabel zelf (masjal proper), geeft Jezus nu ook de uitleg wat het verhaal betekent (nimsjal). De parabel wil iets duidelijk maken over de eindtijd, de voltooiing van de wereld: dan volgt er een proces van onderscheiding tussen de rechtvaardigen (goede vissen) en de kwaadwilligen (slechte vissen). Alleen de eerstgenoemden zullen bewaard worden, behouden voor het Koninkrijk Gods. De gelijkenis met een sleepnet maakt duidelijk dat er sprake is van een gebeuren dat zich uitstrekt in de tijd en dat het moment van onderscheiding pas aan het eind plaatsvindt. Het Koninkrijk Gods sluit niet bij voorbaat mensen in of uit. Allen worden verzameld. Deze parabel sluit aan bij de parabel van de man die goed zaad zaaide in zijn akker eerder in het hoofdstuk (vv. 24-30. 37-43). Daarin spreekt Jezus op vergelijkbare wijze over het onderscheid en scheiding bij de voltooiing van de wereld. Daar heeft Jezus al duidelijk gemaakt wie tot de kwaadwilligen worden gerekend: diegenen die anderen ten val brengen en onrecht plegen (v. 41). De herhaling van de thematiek maakt duidelijk hoe belangrijk Jezus het vindt dat de leerlingen dit aspect van het Koninkrijk Gods begrijpen. Zij zullen immers in navolging van Jezus de zaaiers en vissers worden.
De laatste gelijkenis vormt onderdeel van de afsluiting van het leergesprek dat Jezus met zijn leerlingen heeft. Jezus specificeert hier een groep binnen een groep. Hij spreekt over schriftgeleerden – kenners van de Schriften, dat wil zeggen de Schriften van de Hebreeuwse Bijbel – die tevens geleerd hebben over het Koninkrijk der hemelen, de blijde boodschap die Jezus brengt. Deze schriftgeleerde vergelijkt Hij met een heer des huizes die de zeggenschap heeft over de voorraadkamers, de plek waar de rijkdommen van het huishouden worden bewaard. Het is de heer des huizes die bepaalt wat daarvan op welk moment wordt gebruikt. Jezus benadrukt dat zowel oud en nieuw ertoe doen. De schriftgeleerde moet zich van beide bedienen in zijn onderricht, met andere woorden niet enkel het oude, maar ook niet enkel het nieuwe. Beide zijn kostbaar en maken deel uit van de schat van de openbaring Gods.
Literatuur
Nitsche, Martin. “Salomo” in: Das wissenschaftliche Bibellexicon im Internet (www.wibilex.de), 2017.
Ottenheijm, Eric, Nikki Spoelstra en Martijn Stoutjesdijk. Parabels van wijsheid: Parabels, fabels en gelijkenissen in de wereldliteratuur. Leeuwarden: Adveniat 2024.
Weren, Wim. Matteüs: Belichting van het Bijbelboek. ’s-Hertogenbosch: Katholieke Bijbelstichting, 1994.
Preekvoorbeeld
Jezus kon goed verhalen vertellen. Hij vertelde kleine voorbeeldvertellingen, waarmee Hij de grote geheimen van Gods koningschap kon uitleggen. Elke vertelling laat weer een ander aspect zien van die alomvattende boodschap van Jezus. In het evangelie kunnen we met onze oren zijn woord beluisteren. In de eucharistie worden we uitgenodigd zijn goedheid te proeven. Met ons hart mogen we zijn nabijheid beleven.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het evangelie van vandaag biedt ons drie korte vertellingen die alle drie met dezelfde woorden beginnen: het Rijk der hemelen gelijkt op… Wat is dat Rijk, dat koninkrijk der hemelen eigenlijk? We komen dit begrip in de eerste drie evangeliën regelmatig tegen, Jezus sprak er vaak over. Wij denken bij een rijk of een koninkrijk aan een land dat een koning als staatshoofd heeft en eventueel ook door hem bestuurd wordt. Maar hier gaat het over een heel bijzonder koninkrijk, geen aardse natie. Het wordt het koninkrijk der hemelen genoemd. Dat woord hemelen is eigenlijk een versluierde manier om de naam van God aan te duiden. Je kunt dus net zo goed zeggen: koninkrijk van God. Daarbij gaat het natuurlijk niet om een land. Dat woord koninkrijk kan ook weergegeven worden met koningschap. Dan krijgt u al een beetje een beeld van wat er bedoeld is. Jezus vertelt verhalen over hoe het is als Gods koningschap geen theorie blijft, maar echt uitgeoefend wordt, echt waar wordt. God is de koning over de wereld, het heelal, over heel de schepping. Hij draagt en bestuurt alles. Er zijn in de Bijbel heel wat psalmen die het koningschap van God bezingen en de oudtestamentische profeten hebben ook onderstreept dat God de eigenlijke koning blijft, ook als er een menselijke koning over het land heerst.
Jezus vertelt dus verhalen over Gods koningschap. Hij wil zijn toehoorders gevoelig maken voor het geheim van het koninkrijk. Het is iets geheimzinnigs. Je kunt niet altijd zien dat God koning is. Daarom gaan sommige van die verhalen ook over iets dat nauwelijks zichtbaar is: een zaadje of zuurdesem in het deeg. Het is kennelijk een proces, iets dat groeit en zich onzichtbaar ontwikkelt en waar mensen dan onderdeel van zijn. God is koning, maar als zijn koningschap niet erkend wordt, als mensen Hem als koning niet zien staan, niet met Hem meewerken, dan kun je er ook aan twijfelen of Hij wel echt koning is, dan blijft het een verborgen koningschap.
Zo is het bijvoorbeeld met die schat in de akker. Iemand is als landarbeider aan het ploegen op het land van zijn baas. Hij stoot dan op iets dat begraven is, zeg maar een houten kist. Hij graaft het uit en bekijkt het en snapt wat voor een geweldige vondst hij gedaan heeft. Een kist met geld en kostbaarheden. Hij is enorm blij en opgewonden van die ontdekking. Hij begraaft hem weer en gaat dan al zijn bezit te gelde maken en misschien ook wel geld lenen hier en daar om die akker te kunnen kopen, zodat die schat dan legaal van hem is. Gods koninkrijk is als een schat die je toevallig vindt en die je dan wilt hebben en houden.
Wat kun je hiervan leren? Mensen kunnen, soms zonder dat ze er bewust naar op zoek waren, overvallen worden door een besef van Gods aanwezigheid. Je ziet. tegenwoordig ook in ons klooster, wel mensen die geen gelovige opvoeding hebben gehad, maar toch ontdekt hebben dat er een goddelijke aanwezigheid is en dat ze daar iets mee willen. Ze gaan bidden en in de Bijbel lezen en de liturgie mee beleven. En stukje bij beetje gaan ze die schat leren kennen en ontdekken ze hoe het geloof in Gods koningschap je leven verrijkt en verdiept.
De tweede vertelling lijkt er wat op. Het gaat over een koopman die parels wil inkopen. Overal is hij op zoek naar mooie parels, de een nog ronder en groter en glanzender dan de ander. Maar op een dag komt hij bij een verkoper een parel tegen zoals hij die nog nooit gezien heeft. Wat een schitterend sieraad. Die moet en zal hij hebben, maar hij is natuurlijk haast onbetaalbaar. Hij gaat er helemaal voor, verkoopt alles wat hij in voorraad heeft, om die ene parel te kunnen kopen.
Dit verhaal is toch wel wat anders dan het eerste. De man die de schat vindt stootte toevallig op de kist, maar deze koopman doet niets anders dan zoeken naar het meest waardevolle. Er zijn inderdaad mensen die actief zoeken naar de waarheid en de zin van het leven. Ze vinden allerlei mooie en goede antwoorden, maar uiteindelijk vinden ze Gods koninkrijk zelf, de allermooiste parel, dan ontdekken ze hoe prachtig het is als God het in je leven voor het zeggen heeft. Dan willen ze alles wel achterlaten, alles opgeven, om met God te leven. Er staat echter in deze parabel niet bij wat de koopman met die mooie parel wil doen. Maar als je die parel ziet als symbool voor Gods wijsheid dan is duidelijk dat wij die wijsheid in praktijk moeten brengen. Er klinkt hier iets door van koning Salomo die bidt om wijsheid om een goede koning te zijn. Wijsheid is toch de grootste gave van God. Al het andere, rijkdom, een lang leven, de dood van zijn vijanden en een vreedzaam leven, dat alles wil hij wel opgeven, als hij die wijsheid maar krijgt. God geeft hem ook nog die andere gaven. Maar het gaat hem om die ene, die parel, die grootste gift van God waardoor Salomo in zijn rijk Gods vrede en gerechtigheid kan verwezenlijken.
Dan is er nog de derde parabel over het Rijk van God. Deze is heel anders. Nu gaat het over een sleepnet dat door vissers over de bodem van de zee getrokken wordt. Daarmee verzamelen de vissers goede, eetbare vissen, maar ook allerlei vissen waar ze niets aan hebben. Als het sleepnet vol is en opgetrokken wordt zie je duidelijk hoe verschillend de inhoud is. De vissers moeten nog werken om de slechte eruit te gooien. Er wordt geschift, scheiding gemaakt. Dit is natuurlijk een verwijzing naar het laatste oordeel. Eens worden de mensen geoordeeld; God maakt onderscheid tussen de mensen die het goede gedaan hebben, en de mensen die God en hun medemensen geminacht of benadeeld hebben.
Hier staat het koninkrijk God dus opeens voor de eindtijd, als God zal komen oordelen de levenden en de doden. Dat koninkrijk is dus iets dat in de toekomst zal komen, maar dat er ook nu al is. In de toekomst zal er recht gedaan worden, zal God als koning volledig heersen, zullen de gerechtigheid en de waarheid en de goedheid zegevieren en zal er een einde komen aan onrecht en leugen en slechtheid. Maar dat koninkrijk is er niet alleen in de toekomst, het is er nu ook al, alleen op een verhulde manier, als iets waar je naar zoekt, of als iets dat niet zichtbaar is en wat je of plotseling of geleidelijk aan gaat ontdekken. Ook nu weten wij dat God heerst, maar we zien het vaak niet, Hij heerst op een verborgen manier. We mogen erop vertrouwen, het is waar, Hij houdt de wereld in de hand, maar vaak is zijn macht verborgen omdat er zoveel kwaad is dat mensen elkaar aandoen, waardoor Gods macht wordt gehinderd.
God kan eigenlijk alleen koning zijn als wij zijn koningschap erkennen, als wij zijn wil en zijn wet gehoorzamen, als wij het goede doen dat Hij van ons vraagt. Zijn koningschap wordt zichtbaar als mensen echt zijn onderdanen willen zijn. Hij wil geen koning zijn zonder zijn mensen; Hij heeft ons nodig om zijn koninkrijk waar te maken. Hij geeft ons in het verborgene zijn grote gaven, de schat en de parel, waardoor wij het goede kunnen doen. En Hij verzamelt ons aan de eindtijd, in dat sleepnet, om bij Hem thuis te komen als zijn koninkrijk volledig bloeit. De apostel Paulus vat dit heel mooi, kernachtig samen: ‘God bevordert in alles het heil van hen die Hem liefhebben om uiteindelijk gelijkvormig te worden aan zijn Zoon’ zegt hij in de tweede lezing van vandaag.
Drie kleine vertellingen, over de schat, de parel en het sleepnet, vertellen ons over het geheim van Gods koninkrijk. Mogen ook wij die schat of die parel vinden en uiteindelijk bij de Eeuwige verzameld worden.
inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
preekvoorbeeld dr. Johan te Velde OSB
2 augustus 2026
Achttiende zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 55,1-3; Ps. 145; Rom. 8,35.37-39; Mat.14,13-21 (A-jaar)
Inleiding
Uit Matteüs lezen we vandaag het verhaal van het overvloedige brood. De verleiding is groot dit verhaal te lezen vanuit een eucharistisch perspectief. Zo’n lezing heeft goede papieren, maar we mogen niet voorbijgaan aan wat het meest aan de oppervlakte ligt: het gaat over delen van wat we hebben, ook als we vrezen dat dat niet genoeg is. We bidden trouw ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, maar vandaag klinkt het woord van Jezus: ‘Geven jullie hun te eten’ (Mat. 14,16). Daarin weerklinkt de profetische oproep van Jesaja: ‘kom, koop en eet zonder geld’ (Jes. 55,1). Dat woord is gericht tot de armen: ‘Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is?’ (Jes. 55,2). Ook bij Jesaja is er een groots heilshistorisch perspectief, maar het visioen is leugenachtig als wij niet hier en nu van onszelf delen.
Jesaja 55,1-3
In deze perikoop roept Jesaja tot de ballingen in Babel: ‘Kom, koop zonder geld’. Hier is water, koren, wijn en melk zonder betaling. Het zijn tekenen van de overvloed van het heil dat de Eeuwige aan zijn volk aanbiedt. Het is gratis, in de oorspronkelijke betekenis van het woord: met gratie, genadegave. Het is de enige manier waarop zij die niets hebben kunnen kopen. Vervolgens stelt Jesaja een vraag: ‘Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is… aan wat niet verzadigt?’ Het is een actuele vraag. Niet alleen omdat ‘wij rijken’ geld uitgeven aan nutteloze zaken, maar ook omdat we geld uitgeven aan knutselvoedsel dat niet voedt, maar wel duur is en het milieu overmatig belast.
Natuurlijk zijn water, koren, melk en wijn óók metaforen. Echt water, écht voedsel, dat is het woord van Tora. Maar de metaforische betekenis veronderstelt de letterlijke betekenis. Wie het woord van Tora onderhoudt zal vanzelf brood geven, koren, melk en wijn aan wie tekortkomen. Wie zo leeft zal geen geld verspillen aan dat wat niet voedt. Niet voor niets vervolgt Jesaja 56,1: ‘onderhoud het recht, beoefen de gerechtigheid’.
Jesaja kijkt trouwens verder dan onze perikoop lang is. De overvloed van Tora is niet gereserveerd voor de eigen groep: ‘Een volk dat u niet kent roept u op en een volk dat u niet kent snelt op u af’ (55,5). Bij Jesaja zijn geen hekwerken en pushbacks om de eigen overvloed te verdedigen. Het is immers de overvloed van de Eeuwige.
Romeinen 8,35.37-39
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 14,13-21
Het verhaal van het overvloedige brood klinkt in het Nieuwe Testament een paar maal. Lucas en Johannes hebben het (Luc. 9,10-17; Joh. 6,1-13). Marcus en Matteüs vertellen het zelfs tweemaal, eerst rond ‘de vijfduizend’ (Mar. 6,32-44; Mat. 14,13-21), vervolgens rond ‘de vierduizend’ (Mar. 8,1-10; Mat. 15,32-38). Onze perikoop is deel van een samenhangend geheel rond het thema brood (Mat. 14,1–16,12). Behalve de ‘de vijfduizend’ (14,13-21) en ‘de vierduizend’ (15,29-39) vinden we hier ook het handenwassen voor het eten (15,1-20), de Kanaänitische en de broodkruimels (15,21-28) en het zuurdesem (16,1-13).
De situatie is dat Jezus net heeft gehoord van de executie van Johannes en nu uitwijkt voor de lange arm van koning Herodes. ‘Uitwijken’ is een belangrijk woord: Jezus wijkt in de loop van het evangelie steeds verder uit. Eerst zijn het de wijzen die uitwijken voor Herodes (2,12), daarna wijkt Jozef met zijn gezin uit naar Egypte (2,14) en naar Galilea (2,22). Jezus wijkt uit naar Galilea als Hij hoort dat Johannes gevangengenomen is (4,12). Als Jezus vermoedt dat Hijzelf aan de beurt is, wijkt Hij verder uit (12,15). Vandaag wijkt Hij nog verder uit naar een eenzame plaats (14,13). Uiteindelijk wijkt Hij uit naar het buitenland (15,21). Daar, in de confrontatie met de Kanaänitische, wordt een keerpunt bereikt. De richting keert om, terug naar Jeruzalem, het gevaar weer tegemoet (16,21).
Dat ‘uitwijken’ is een boeiend woord. Het lijkt op vluchten, maar er zit bij Matteüs ook een positief aspect aan: het maakt dingen mogelijk. Als Jezus uitwijkt na de gevangenneming van Johannes (4,12), neemt Hij de rol van Johannes op zich door zich zijn woorden eigen te maken: ‘bekeer u want het koninkrijk der hemelen is ophanden’ (3,2; 4,17). Nu, na de executie van Johannes, ligt het voor de hand dat Jezus ook dit aspect op zich gaat nemen, een eerste stap op weg naar zijn eigen executie. Dat het verhaal van het overvloedige brood al doet denken aan het laatste avondmaal is dan ook niet vreemd.
De reactie van Jezus, als Hij de menigten ziet, is die van de Barmhartige: Hij ‘wordt met ontferming bewogen’ (14,14). Het Griekse werkwoord hiervoor, splangchnizomai, bevat de basis splangchnon. Dat zijn je ingewanden, je buik of je baarmoeder. Jezus ziet de menigte en wat Hij ziet voelt Hij in zijn binnenste. De priester Zacharias (Luc. 1,78) heeft het over de splangchna eleous van onze God, zijn ‘innige barmhartigheid’ (WV95), of ‘de innerlicke bewegingen der barmhertigheyt onzes Godts’ (SV1637). Door Huub Oosterhuis is dit vertaald als ‘een schoot van ontferming’, waardoor ook het baarmoederlijke aspect meekomt. Diepgevoelde ontferming kan iets nieuws voortbrengen. Dat zien we ook hier bij Matteüs. Waar bij Marcus Jezus reageert met onderricht, zien we bij Matteüs dat Jezus hen geneest die geen verweer meer hebben (14,14). Het woord dat Matteüs hier gebruikt (het komt bij Matteüs alleen hier voor), betekent ook ‘geestelijk zwak’ of ‘krachteloos’. Diepgevoelde bewogenheid kan kracht geven aan wie krachteloos is.
Vijfduizend mensen worden genoemd, maar feitelijk zijn het er nog een paar duizend meer, want vrouwen en kinderen zijn niet meegeteld (14,21). Ze waren er dus wel en het is opmerkelijk Matteüs ze noemt, want bij Marcus – de bron van Matteüs – is het een echte mannenzaak. Bij Marcus worden al die mannen in tafelgroepjes, symposia, bij elkaar gezet (Mar. 6,39), alsof het een soort ‘tafels’ zijn in een sociëteit. Bij Matteüs gaan allemaal ‘aanliggen’ (14,19), terwijl hij de groepjes weglaat. Door zo te gaan aanliggen grijpen ze, als een soort prefiguratie, vooruit op de messiaanse maaltijd waar zij allen aan één tafel zitten.
Het is lastig betekenis toe te kennen aan de verschillende getallen. Zulke betekenissen zijn meestal hypothetisch. De getallen vijf en twaalf lijken echter wel goed verklaarbaar vanuit het verhaal van 1 Samuel 21, waar David, op de vlucht voor koning Saul, van de priester Achimelek vijf broden vraagt ‘of wat er is’, waarop hij vijf van de twaalf toonbroden – twaalf voor de twaalf stammen – meekrijgt. Het blijkt genoeg. In Matteüs 14 blijken vijf broden genoeg, zozeer dat ze aan het ‘overvloedige van de gebroken stukken’ twaalf manden vol overhouden (14,20).
Matteüs’ bewerking van Marcus versterkt de verwijzingen naar het avondmaal (vgl. Mat. 26,20-29): ‘het is laat geworden’ (14,15), Jezus neemt brood, zegent, breekt en geef, terwijl de vis niet meer genoemd wordt. Samen met de idee van een messiaanse maaltijd werkt dit een eucharistische interpretatie in de hand. Toch ligt het accent hier op het delen door de leerlingen: ‘jullie moeten hun te eten geven’ (14,16). De leerlingen zitten nog in de gedachte dat iedereen voor zichzelf moet zorgen (14,15). Maar hoe zouden vele duizenden mensen bij het vallen van de avond nog in de dorpen rondom eten kopen? Met de schijn van redelijkheid maskeren de leerlingen hun eigen gebrek aan vertrouwen dat de messiaanse toekomst nu al kan zijn. Het is dan ook geen ‘wonderbare’ spijziging (de titel die NBG51 erboven zet). Het is ook niet zo dat Jezus vijfduizend mensen te eten geeft (de titel die WV95 erboven zet). Jezus geeft niet te eten, de leerlingen doen het. Het zijn er geen vijfduizend, maar wel tienduizend. En het is geen wonder, maar een kwestie van het doen van Tora: deel van wat je hebt. De titel die NBV21 erboven zet raakt nog het meest het punt: ‘brood in overvloed’. Dwars tegen onze moderne economie van gedoseerde schaarste blijkt de bijbelse economie van delen tot voldoende te leiden voor zulke grote hongerige menigten.
In deze passage komt veel bij elkaar. Het keerpunt in het uitwijken nadert, waarmee ook het besef van het lijden nadert. De profetische belofte van het heil voor alle volken nadert, zichtbaar in de menigten. Diepgevoelde ontferming maakt je deel van de menigte, zodat het antwoord alleen maar kan zijn: genezing en delen van jezelf. Daar zien we de contouren van het Koninkrijk al verschijnen. Je mag dat gerust eucharistisch noemen, mits je die kleine stukjes brood deelt uit die oprechte en diepgevoelde bewogenheid waarmee je deelt van jezelf. Het gaat niet aan om uit te blijven wijken: na het keerpunt keren we terug naar wat moet, kome wat komt.
Preekvoorbeeld
Jezus boeit mensen en maakt hen nieuwsgierig. Steeds weer brengt Hij grote menigten op de been. Vandaag gaat het om duizenden mensen die luisteren naar zijn onderwijs over het Koninkrijk. Feitelijk spreekt Jezus over Gods heerschappij en zijn onvoorwaardelijke liefde. De toehoorders zijn mensen zoals wij. Mensen die intens verlangen naar liefde, geborgenheid en geluk. Zieke mensen die op zoek zijn naar genezing. Eenzame mensen met een diep verlangen naar menselijk contact. Maar ook mensen op zoek naar een woord van troost of vergeving.
Velen hebben vragen over de identiteit van Jezus. Wie is Hij? Een profeet of een nieuwe leider die Israël uit de greep van de Romeinen kan bevrijden? Maar voorlopig zijn dat alleen nog maar dagdromen. Ondertussen zijn er heel andere zorgen. Een maag die knort. En de spannende vraag is hoe al die monden gevoed kunnen woorden. Waar is voedsel voor zoveel mensen. De leerlingen hebben er niet al te veel vertrouwen in. En dat is ook niet zo verwonderlijk. Er zijn maar vijf broden en twee vissen. Een druppel op een gloeiende plaat. Jezus neemt vandaag het initiatief maar Hij betrekt direct zijn leerlingen erbij. De mensen moeten gaan zitten. De maaltijd kan beginnen. Na een dankgebed breekt Hij brood en vis en laat daarna zijn leerlingen ronddelen. Wij mogen delen van wat wij hebben, ook als wij vrezen dat dat niet genoeg is. En dan blijkt er voor iedereen meer dan voldoende te zijn. Iedereen wordt verzadigd.
Welke betekenis kan het evangelie voor ons hebben? Hoe reageert u op dit verhaal van het broodteken? Ik kan mij indenken dat sommigen van u het verhaal met een glimlach zullen aanhoren. Anderen vinden het misschien wel een mooi verhaal maar kunnen niet direct aangeven wat het betekent voor ons leven van vandaag. Wij mogen het evangelie horen als een echo van de eerste lezing. Jesaja roept tot de ballingen in Babel dat ze kunnen kopen zonder geld. Er is water, koren, wijn en melk zonder betaling. Tekenen van gratis overvloed die God aan zijn volk aanbiedt.
Al in de eerste eeuwen is het evangelie ook gelezen als een verhaal over de Eucharistie. En dat is natuurlijk ook niet zo verwonderlijk. Wij horen immers over handelingen en woorden die ook bij het Laatste Avondmaal terugkomen. Na zijn onderwijs neemt de Heer het brood in zijn handen. Hij slaat de ogen ten hemel, dankt zijn Vader in een gebed. Vervolgens volgt het breken en delen. Wij raken hier de kern van iedere Eucharistie. Het gaat om het vieren van het levensoffer van de Heer tot onze verzoening maar ook om de maaltijd van het nieuwe en altijddurende verbond.
Christus wil ook vandaag onze gastheer zijn. Hij voedt ons met het brood van deze Eucharistie. De Heer wil ons voedsel zijn op onze reis door het leven. En hoezeer kunnen wij dat voedsel gebruiken! Ieder van ons heeft vroeg of laat te maken met allerlei hobbels en kuilen in het leven. Ik denk aan een langdurige ziekte, aan de dood van een dierbare, aan ontrouw, werkeloosheid of arbeidsongeschiktheid. Christus wil bij ieder van ons zijn om ons te voeden en te dragen.
Als wij het evangelie goed beluisteren, horen wij over een gave maar ook een opdracht, een appèl. Jezus zegt immers: Geef gij hen maar te eten. Je door Christus laten voeden, maakt niet passief en is zeker niet vrijblijvend. Wij worden door Christus ingeschakeld om de handen uit de mouwen te steken. Wat God ons in Christus schenkt, mogen wij niet krampachtig voor onszelf houden. Er is een nauwe band tussen de Eucharistie en de diaconie. Als wij in deze Heilige Mis tijdens de communie het Lichaam van Christus ontvangen, moeten wij ook zelf steeds meer Lichaam van Christus worden. Ik bedoel daarmee: een warme, open en gastvrije gemeenschap. Onze parochies moeten gemeenschappen zijn waar armen hulp ontvangen, mensen die hongeren naar contact andere mensen kunnen ontmoeten en waar daklozen en andere mensen in de marge niet in de steek worden gelaten. De Eucharistie vormt een oproep tot wat de Franse filosoof Levinas la petite bonté heeft genoemd. Het gaat om de kleine goedheid zoals een luisterend oor, een bevestigend woord, een glimlach of een vriendelijke blik. Christus deelt zijn brood met ons als teken van zijn solidariteit. In de kracht van Gods Geest zijn wij geroepen om te delen wat ons geschonken wordt en zo solidair te zijn met de kleinen en de kwetsbaren. Het brood dat wordt gebroken en uitgedeeld wil ons daartoe kracht geven.
Broeders en zusters, het delen van het brood toont ons Gods solidariteit met ons maar tegelijk vormt het een oproep om Christus en de leerlingen na te volgen. Alle gaven die wij van de Heer ontvangen mogen wij delen. Opdat niemand verloren loopt.
inleiding dr. Ari Troost
preekvoorbeeld mgr. dr. Gerard de Korte
9 augustus 2026
Negentiende zondag door het jaar
Lezingen: 1 Kon. 19,9a.11-13a; Ps. 85; Rom. 9,1-5; Mat. 14,22-33 (A-jaar)
Inleiding
1 Koningen 19,9a.11-13a;
De Evangelielezing heeft de keus voor de Eerste lezing uit het Oude Testament bepaald. Maar de verhouding tussen beide lezingen is niet vanzelfsprekend. In de Evangelielezing lijkt het er over te gaan dat Jezus als ‘Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God’, over de natuurkrachten heerst, zoals we horen in de slotzin. In de eerste lezing blijkt de ervaring van Elia, dat zijn God jhwh juist niet in de sterkere natuurkrachten te vinden is. Althans niet in de krachten die mensen overweldigen als de zware storm, de aardbeving en het vuur – van de bliksem. Deze zijn eerder levensbedreigend. Is er dan een tegenstelling bedoeld tussen beide lezingen?
Of is er eerder een overeenkomst? In de Evangelielezing is Jezus levensreddend aanwezig in de woelige wateren op het meer van Galilea en de tegenwind voor de apostelen. In de eerste lezing is de Heer voor Elia ook meer herkenbaar in de zachte kracht van een briesje, dat hem niet bedreigt, maar adem biedt. In het geheel van de Elia-verhalen is koning Achab voor hem levensbedreigend. Elia moet voor hem vluchten. Vanuit het Karmelgebergte in het Noorden van Israël helemaal naar het zuiden, naar de Horeb, in de Sinaiwoestijn. En de Heer jhwh is voor Elia een toevlucht die hem nieuwe levensmoed schenkt om zijn taak te vervullen. Elia moet zijn gezicht bedekken, net als Mozes’ gezicht bedekt werd – Exodus 33,18vv – als de Heer jhwh voorbijkomt. Deze God van Elia is niet adembenemend, maar meer een verademing die zijn dienaar Elia niet overweldigt, maar in leven houdt.
Psalm 85
De antwoordpsalm betreft een deel, de verzen 9-13, het slot van deze psalm. Het is een antwoord op de eerste lezing. De bidder leeft in het vertrouwen op God als zijn Heer. De vorm is die van een aanzegging, een belofte van heil. In vers 11 worden heilzame – vrede, gerechtigheid, goedheid en trouw als het ware gepersonifieerd. Het zijn eigenschappen van God de Heer. Maar het woord ‘gerechtigheid’ komt 3 maal voor als een slagwoord. Gerechtigheid is in het bijbelse denken een abstract woord. Het is de intentie van de Tora, dat waar het eigenlijk om gaat in de Tora, de Wet die aan Mozes gegeven is. Deze Tora is geen stok om te slaan, maar een staf om te gaan! Om volk van God te kunnen zijn in het beloofde land. Het is een heilzame kracht die hemel en aarde omvat. Als het volk/de mens trouw is aan Gods Woord, zal Gods gerechtigheid samengaan met voorspoed, elkaar kussen, zoals mensen die van elkaar houden elkaar omhelzen. Het is een antwoord van de vierende gemeenschap op de eerste lezing. Ze kan zich zo met het geloof van Elia verenigen.
Romeinen 9,1-5
De tweede lezing is een soort intermezzo in de Brief aan de Romeinen. Deze kerk/gemeente van Rome is niet door Paulus gesticht, maar krijgt wel een brief van hem. Hierin zet hij zijn theologie in zekere zin in een systeem. In de hoofdstukken 1–8. Zo komt hij bij het probleem dat hij veel van zijn mede-joden niet heeft kunnen overtuigen van zijn visie op de betekenis van Jezus voor de mensheid. Dat doet hem verdriet. Hij gebruikt termen die bijna bezweringen lijken: ‘Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet.’ Hij zegt zelfs plaatsvervangend van Christus gescheiden te willen zijn, als hij zijn mede joden – broeders en stamverwanten – zou kunnen helpen. Hierin wil Paulus wel lijken op Mozes die hetzelfde aan jhwh aanbiedt om zijn volk te redden (Ex. 32,32). Dan somt hij zeven voorbeelden van voorrechten die Israël heeft boven andere volken en als achtste bovenal Christus naar het vlees. Hij bedoelt dat Jezus als jood geboren is - uit een joodse moeder. Maar bovenal Zoon van God is, de Gezegende tot in eeuwigheid. Het lijkt welhaast een liturgische formule met het bevestigende Amen, als slotwoord.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 14,22-33
De Evangelielezing is het vervolg van de vorige zondag. Na de broodvermenigvuldiging volgt het verhaal van de storm op het meer. Jezus is de berg op gegaan om te bidden, in afzondering. En de apostelen zitten in een boot. Op de terugweg na de broodvermenigvuldiging. Ze worden bedreigd door grote golven en tegenwind. En dan komt ‘tegen de morgen’ – letterlijk: in de vierde nachtwake – Jezus hun tegemoet, wandelend over het golvende water. De leerlingen menen een spook te zien en schreeuwen van angst, maar Jezus bezweert hun angst: ‘Heb moed, Ik ben, vrees niet’. Hier lijkt een directe toespeling te klinken op Gods Naam: ‘Ik ben die ben’ zoals geopenbaard aan Mozes volgens Exodus 3,14. Jezus heeft dus deel aan Gods macht om te redden van dood en doodsdreiging.
Matteüs heeft de verzen 28-33 ingevoegd in het verhaal dat hij van Marcus heeft overgenomen. Lucas heeft dit verhaal van ‘de stilling van de storm’ helemaal niet. De invoeging past in een trend van Matteüs om Petrus een prominente rol te geven, zoals ook in Matteüs 16,17vv (over de rots waarop de Kerk gebouwd zal worden) en 17,24-27 over de tempelbelasting. Tradities die alleen Matteüs heeft. Petrus is ook hier een voorbeeld van een mens met intense liefde en geloof dat gemengd is met twijfel. Vergelijk ook Johannes 20,28 en 29. Als Petrus in dit verhaal roept: ‘Heer, red mij!’ grijpt Jezus hem bij de hand en Jezus vraagt nogal kritisch: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Als Jezus met Petrus in de boot stapt met de andere apostelen, gaat de bedreigende wind liggen. Het verhaal sluit met de geloofsbelijdenis: ‘Waarlijk, Gij zijt de zoon van God’.
Dit verhaal heeft een diepere laag. De dreiging van doodsnood van de apostelen is ‘tegen de morgen’, dus ’s nachts voor zonsopgang. In het Scheppingsverhaal van Genesis 1 is de volgorde ook ‘het werd avond en morgen, de eerste dag… de tweede dag’ en zo verder. Het leven is gericht op het licht. De nacht is ook beeld van de dood. Jezus heerst dus ook in de nacht, over de dood. Voor wie dan ook bidden kan, ‘Heer, red mij’ ook als ‘kleingelovige’, kan die ook de geloofsbelijdenis bidden: ‘U bent de Zoon van God?’
Preekvoorbeeld
Het is zomertijd. Midden in het kerkelijk jaar. Tijd voor verstilling en verdieping.
De Evangelielezing zet de toon. De drukte van de 5000 mannen, met hun vrouwen en kinderen ebt langzaam weg. Het was flink aanpoten voor de leerlingen om allen te eten te geven.
Vreemd, dat ze onmiddellijk weg moeten gaan. Weg uit die afgelegen plaats, het schip in. Waarom die haast? Er staan straks weer mensenmassa’s te wachten, weten we. Moeten ze die niet te lang laten wachten? Het ligt meer voor de hand om het dichterbij (in de tekst) te zoeken: dat ze snel wegmoeten omdat Hij alleen wil zijn.
Onverwacht doemt een berg op in het verhaal. Was die er al? Misschien is dit type ‘berg’ overal, waar mensen afzondering zoeken, verstilling en verdieping.
Dan komt alles op je af. De nacht valt. Dat is de tijd van de duisternis. Die diepe duisternis over de oervloed. Zal er een nieuwe dag komen als het licht geroepen wordt? Is er hoop voor de wereld, die telkens weer ‘woest en ledig’ dreigt te worden. De nacht drukt zwaar op de wereldsamenleving, op de natuur, op de eigen kring. Het is crisis. Hij die het licht zelf is, kan er niet aan ontsnappen. Vanuit Pasen gelezen, want ná Pasen ontstaan, dringen de beelden zich op van zijn eenzame bidden in de hof van de olijven, Getsemane, kort voor zijn dood.
Tegen het begin van de nieuwe dag: ‘in alle vroegte’ komt Hij in beweging, de beweging-naar-hen-toe. Naar zijn vrienden, en de hele wereld, in grote nood! Natuurlijk over het water, dat staat voor ‘dood’ in alle dimensies. Hij kan dat. Niet over de befaamde ‘paaltjes’ vlak onder het water. Evenmin als wonder van gewichtloosheid. Het is vanuit Pasen, omdat Hij alles aankan. Hij belichaamt onafscheidelijke Nabijheid. Zijn gaan is altijd gaan over het water van de duistere vloed.
Zie het als plotselinge confrontatie met de nieuwe wereld van God. Daar hoop je op, maar als het op je af komt is het even wennen. Er is moed voor nodig om dat uit te testen. Alleen Petrus durft zoiets, maar zelfs hij verzinkt. Helpt bescheiden te blijven. Als hij het niet kan, dan kan de hele kerk het niet. Niemand haalt de overkant zonder de uitgestoken Hogerhand. Dat moesten we zo zachtjes aan toch weten. Goddank: die hand is er. Was er, en zal er zijn.
Dat ervaart de profeet Elia. Niet geheel toevallig op de berg. Direct na zijn triomf op de Karmel, moet hij maken dat hij wegkomt. Het grote gevaar mag wel zwaar geraakt zijn, maar is niet uit de wereld geholpen. Het is nacht. Dreigende duisternis alom, hij gaat een grot binnen, verborgen voor mensen. Maar niet voor God. Die vindt de profeet al snel. Al zie je het niet, Hij is er. De Stem ‘klinkt’ niet maar ‘gaat’. Als persoon. Als mens onder mensen.
Elia krijgt de oude vraag te horen: ‘mens, waar ben je’.
Een heel relaas volgt. Over wat er fout is gegaan, over wat niet verbeterd is na de Karmel.
Alsof de Operatie Desert Storm niets heeft opgeleverd. En hij is ‘als de dood.’ De grot is zijn plek, een begraafplaats zijn rustplaats.
Daar wil God niets van weten. Bergen splijten, rosten slaan aan stukken. Boosheid druipt ervan af. Heftig ademen wordt verwoestende storm. Dan nog wat vernietigend vuur er achteraan. Dan moet het gedaan zijn met het tuig dat zijn mooie wereld verwoest. Zou je denken.
Zo denken velen, dat het zou moeten. Maar dat is vergissing: daarin is God niet. Geen overmacht, geen krachtdadig optreden helpt de wereld verder, maar suizen van een zachte stem.
Als in de hof van het begin. Daarin komt het Woord van God weer aangewandeld. Om in gesprek te gaan met de profeet. Over de hele wereld en wat Hij daarin kan betekenen.
De uitgestoken hand van de Meester-boven-de-vloed heeft hier de gestalte van een vriend die een arm om de schouder legt. Goed luistert. Aanwijzingen geeft voor ‘hoe verder’.
Psalm 85 vult dat intieme beeld aan tot het kussen van gerechtigheid en vrede. De zachte krachten die hard vallen bij de machten van de duisternis. Ze hoeven niet sterker te zijn om het kwaad te overwinnen. Ze halen het kwaad onderuit. Staan er onaantastbaar boven. Als de Stem in de storm op het meer. In gerechtigheid en vrede is Wet en Profeten samengevat.
Tora doen baant een weg door de woestijn naar beloofd land. De Tora geeft elke dag weer wonderlijk voedsel uit de hemel in de onherbergzaamheid van de levensreis. De profeten slaan op de harde rotsen van de werkelijkheid, waardoor die hun water laten stromen.
De psalm hoor je als beurtzang. Dat is nodig. Het elkaar toezingen van het goede, de hoop.
Samen uit de grot naar voren komen om als profeten van God aan te treden.
In de Romeinenbrief maakt Paulus de lezers deelgenoot van zijn felle verdriet. Dat is om het falen van zijn eigen volk. De schuld voor hoe het gaat, schuift hij niet af op daders. Zijn hart breekt als hij schetst hoe de vrienden van God het erbij hebben laten zitten. Ze zijn afgedwaald. Hebben ontzettend gefaald. Terwijl ze zulke goede mogelijkheden hebben gekregen. Tel uw zegeningen: zijn nabijheid, zijn trouwe bondgenootschap, de bevrijdende verhalen, de heilzame tempelriten, het perspectief.
De boetedoening wordt loflied, het kyrie een gloria. God is boven alles verheven. Dat geven de heilige verhalen ons mee. Geprezen zij God in eeuwigheid.
inleiding drs. Henk Berflo
preekvoorbeeld ds. Ad Alblas
15 augustus 2026
Maria Tenhemelopneming
Lezingen: Apok. 11,19a; 12,1.3-6a.10a; Ps. 445; 1 Kor. 15,20-27a; Luc. 1,39-56 (A-jaar)
Inleiding
Het Hoogfeest van Maria Tenhemelopneming viert de voltooiing van Maria in de hemel. Een oude traditie in de Kerk zegt dat ze na haar overlijden – de ontslaping van Maria – met lichaam en ziel in de hemel is opgenomen. Ze deelt nu al volledig in de verrijzenis van haar Zoon. Het Hoogfeest van Maria Tenhemelopneming is een feest van hoop: Maria’s opname in de hemel mogen we zien als onze hoopvolle toekomst. God voltooit wat bij ons nog onvoltooid is gebleven. In de Schrift komen we Maria voor het laatst tegen als ze vlak voor Pinksteren met de leerlingen bidt om de komst van de heilige Geest. Eensgezind wijdden ze [de apostelen] zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers (Hand. 1,14). De lezingen van deze dag kunnen daarom niet anders dan via een indirecte wijze dit geloofsgeheim benaderen.
Openbaring 11,19a; 12,1-6a.10a
Het boek Openbaring is een raadselachtig boek met allerlei visioenen, rampspoed en schildering van een vredige toekomst. Het is een boek van strijd tussen goed en kwaad, God en de duivel. De beslissende strijd is al gevoerd, door het Lam (Jezus) is het kwade uiteindelijk overwonnen, maar oefent voorlopig zijn verderfelijke invloed nog uit. Waarschijnlijk is het boek een troostboek geweest voor Christenen in de vervolging. Het is soms ook gelezen als een spoorboekje voor de afloop van de geschiedenis, maar die interpretatie wordt nu afgewezen. Het boek behoort tot de apocalyptische literatuur: het openbaart hoe God uiteindelijk de uitzichtloos lijkende geschiedenis tot een goed einde zal brengen. De redding komt niet van mensen, maar van God. Het mysterieuze karakter is mede veroorzaakt doordat niet alles bij name genoemd kan worden en daarom versleuteld wordt. Zo staat bijvoorbeeld Babylon voor Rome.
De lezing vertelt over een teken aan de hemel. Daarin is een vrouw zichtbaar met mythische trekken: ‘bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren’ (Openb. 12,1). Zij staat op het punt een zoon te baren. Onmiddellijk is er ook de dreiging van een grote vuurrode draak die het kind dreigt te verslinden. De vrouw staat ongetwijfeld voor dochter Sion of Israël en daarmee ook voor degenen die zich in Christus met Israël verbonden hebben, de Kerk. De draak is de satan, die zich uit in de vervolgers van de gelovigen. Dit wordt uitvergroot tot een kosmische strijd.
Het kind van de vrouw zal alle volkeren weiden met een ijzeren staf. Hiermee wordt met een verwijzing naar Psalm 2,7-9 de Messias bedoeld. Het kind en de vrouw genieten bescherming van God.
De traditie heeft in de vrouw Maria gelezen en in het kind Jezus. Ook al is de invulling met Maria twijfelachtig, er kan wel gezegd worden dat ook Maria meer is dan de vrouw uit Galilea. Zij heeft ook trekken van dochter Sion bij Lucas in de groet van de engel (vergelijk Lucas 1,28.30 met Sefanja 3,14vv). Gabriël begroet Maria met woorden die lijken op de aansporingen aan het adres van dochter Sion. Bij Johannes is opvallend dat Maria nergens bij name genoemd wordt, maar de Vrouwe is. Met name bij de bruiloft te Kana lijkt dat te verwijzen naar een personificatie met het volk Israël.
1 Korintiërs 15,20-27a
Paulus verkondigt in 1 Korintiërs 15 de verrijzenis van Christus, nadat hij gesproken heeft over de verschijningen van Christus, ook aan hemzelf (vv. 5-8). Vervolgens betoogt hij dat ons geloof zonder de verrijzenis waardeloos is. In de perikoop van dit Hoogfeest gaat het om de overtuiging dat wij allen zullen delen in de verrijzenis. Paulus stelt dood en verrijzenis tegen elkaar. De dood associeert hij met Adam en de verrijzenis met Christus. In Genesis 3 lezen we hoe de dood zijn ‘intrede’ doet in het mensenbestaan nadat Adam en Eva hebben gegeten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Met de verrijzenis van Christus is de dood vernietigd. Overigens gaat het dan niet om de aardse dood, maar om het uiteindelijk leven bij God dat begint bij de wederkomst van Christus. Paulus meende dat deze wederkomst snel zou aanbreken. We lezen deze passage op het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming omdat Maria als eerste nu al volledig deelt in de opstanding van haar Zoon.
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56
Lucas 1,39-56
Voor het evangelie heeft de Kerk het Magnificat genomen waarin Maria Gods grote daden prijst. Het wordt in zijn context, namelijk het bezoek van Maria aan Elisabet geplaatst. Onmiddellijk nadat de engel Gabriël Maria de boodschap brengt dat zij zwanger zal worden van de Zoon van God en zij daarop haar ja-woord geeft, bezoekt Maria haar familielid Elisabet die ook zwanger is. Nadat de vrouwen elkaar begroet hebben en in zekere zin ook Johannes de Doper in de schoot van zijn moeder Elisabet Jezus in de schoot van Maria begroet, spreekt of zingt Maria een lofzang uit.
De lofzang is voor een groot gedeelte samengesteld uit citaten uit de Schrift. Er is met name een grote gelijkenis met de lofzang van Hanna de moeder van Samuel (1 Sam. 2,1-10). Met de aartsengel Gabriël interpreteert Maria de geboorte van haar Zoon als een ingrijpen van God voor zijn volk Israël. God is trouw aan het verbond dat Hij met Abraham heeft gesloten. Kenmerkend daarbij is Gods vergelding: de kwaden worden bestraft en de goeden beloond. Trotsen van hart slaat Hij uiteen (Luc. 1,51), heersers ontneemt Hij de troon (1,52), rijken zendt Hij heen met lege handen (1,53) en daartegenover staat dat Hij de geringen verheft (1,52) en hongerigen overlaadt met gaven (1,53). Hier toont zich God die aan de kant staat van de zwakkeren en armen. Leitmotiv in het Magnificat is Gods barmhartigheid. In de parabel van de barmhartige Samaritaan (Luc. 10,30-37) zal Lucas dit verder uitwerken.
Barmhartigheid wil zeggen: je laten raken door het lot van de naaste en daar onmiddellijk met hulp op reageren.
Ook Zacharias zal in zijn lofzang Gods barmhartigheid roemen: dankzij de innige barmhartigheid van onze God, waarmee Hij uit de hemel op ons zal neerzien (Luc. 1,78). Aan het begin van het Magnificat brengt Maria zichzelf in haar verhouding tot God ter sprake: Hoog verheft mijn ziel de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn Heiland, omdat Hij neerzag op de lage staat van zijn dienstmaagd. Want zie, van nu af prijzen alle geslachten mij zalig, omdat Hij die machtig is, grote dingen aan mij deed en heilig is zijn Naam (Luc. 1,46-49). Ze eert God omdat Hij op haar neerzag. Ze ervaart haar uitverkiezing als moeder van Gods Zoon als een uitermate bijzondere daad.
Ook al zijn we wat Maria betreft hier nog ver verwijderd van haar tenhemelopneming. Het gaat ook daarbij om God die naar ons omziet en naar ons zal blijven omzien. Maria deelt als eerste in de verrijzenis. God zal ook ons niet in de dood laten.
Preekvoorbeeld
Maria wordt in de hemel opgenomen. In ieder rozenkransgebed wordt het door de bidders opgenoemd als het vierde van de glorievolle geheimen met daarna als vijfde geheim: Maria wordt in de hemel gekroond. De bekende theoloog en spiritueel leider Romano Guardini deed in zijn boekje Der Rosenkranz unserer Lieben Frau ooit het voorstel om deze geheimen te vervangen door twee ‘om zo te zeggen’ meer bijbelse geheimen, Jezus zal terugkeren in heerlijkheid en Zijn rijk kent geen einde. Toch werd deze verandering nooit doorgezet. Het overwegen van Maria’s opname in de hemel en haar gekroond worden door de Vader was het biddende Godsvolk te dierbaar om deze geheimen uit de rozenkrans te laten weghalen.
Liggen ze trouwens niet geheel in de lijn van de betekenis van het rozenkransgebed als Mariaal getint Jezusgebed? De Oosters Orthodoxe Kerk heeft haar Jezusgebed, zo inspirerend beschreven in het ‘Het verhaal van een Russische pelgrim.’ Ik herinner me nog goed hoe dit in de jaren zeventig van de vorige eeuw ook bij ons in Nederland een religieuze must was. Toch, heel overtuigend wist de Trierer theoloog en priester Rainer Scherschel te beschrijven hoe – naar de titel van zijn boek – Der Rosenkranz, (als) das Jesusgebet des Westens beschouwd kan worden. Een aanrader voor ieder die zich in deze materie zou willen verdiepen!
Jezusgebed, ja!! Immers de kern van ieder Wees Gegroet is ‘en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot’, centrum van de hele tekst! Het was de Zuid-Duitse dominicaan en mysticus de zalige Heinrich Seuse (1295-1366), die in de bijbeltekst ‘en gezegend is de vrucht van uw schoot’ (Luc. 1,42b) de heilige naam ‘Jezus’ liet invoegen zodat ieder weesgegroet ‘om Hem draait’!
Maar goed, het geheim van Maria’s Tenhemelopneming, dat we vandaag vieren, wat daarover te zeggen? Het was in 1950, dat paus Pius XII in samenspraak met heel het wereldepiscopaat, dit mysterie, op grond van een eeuwenlange traditie, teruggaande tot aan de Grieks-Oosterse wortels van de kerk, tot dogma verklaarde, dat wil zeggen als behorend tot het ene geheel van katholieke leerstellingen. De vraag is dan steeds weer: wat zijn de bijbelse wortels van dit feest? Nee, met zoveel woorden zal de Tenhemelopneming van de Moeder Gods in de Heilige Schrift niet te vinden zijn. Maar wat zegt de gelovige intuïtie van eeuwen?
Een patristische uitdrukking luidt ‘het Oude, Eerste, Testament is zwanger van Christus’ oftewel ziet uit naar zijn komst als de Messias op aarde. En welke vrouw, ‘gezegende onder de vrouwen’ (Luc. 1,42a) zal dan uiteindelijk in feite zwanger worden van Christus? In wier schoot zal het prilste begin van de menswording zich innestelen en gaan uitgroeien tot het kind en zijn leven tussen ‘kribbe en kruis?’ Het is Maria, die het kind negen maanden onder haar hart draagt na de aankondiging van de engel Gabriel: de Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Wat ter wereld zal komen zal Heilig genoemd worden, Zoon van God (Luc.1,35). Zo komt haar de titel toe Theotokos in het Grieks, letterlijk ‘Godbarende.’ Haar fysieke gestel gaat er helemaal naar staan om het nieuwe leven, Gods leven, in haar schoot op te nemen en te voorzien van al wat nodig is voor de ontwikkeling van een mensenkind, voor het vormen van diens unieke menselijk lichaam. Ieder beweginkje, dat de ‘vrucht van haar schoot’ in haar lichaam opwekt voelt Maria diep in zich, zoals iedere moeder in verwachting dat voelt en zoals Elisabet dat ervoer, toen de groet van Maria via haar oor binnenkomend de kleine Johannes in haar schoot deed opspringen!
In het Magnificat, de Evangelielezing van deze feestdag, zingt Maria het dan ook uit wanneer zij naar het bergland is gereisd en de ontmoeting plaatsvindt met haar nicht Elisabet, eveneens zwanger en wel van de Voorloper, Johannes de Doper. Beide zwangere vrouwen omhelzen elkaar en Maria zingt het Magnificat, een lofzang van dankbaarheid, voor een groot deel samengesteld uit citaten uit de Schrift. Ze kan er niet over uit, dat het aan haar, de eenvoudige vrouw uit Nazaret (‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’ horen we later mensen spottend zeggen), gegeven is om moeder te worden van diegene, die gezien mag worden als de Redder van Israël. En dan moeten we niet denken, dat zij de moeder zal zijn van een militair redder, een krijgsheer, die het kwaad gewapenderhand zal afstraffen, met name het kwaad van de toenmalige bezetting van het land. Nee, Jezus de Redder van Israël brengt de verrassende boodschap over de barmhartigheid en menslievendheid van de Vader, die rijken heenzendt met lege handen – ook in de zin van: zij komen tot bekering zoals Zacheüs na zijn ontmoeting met Jezus; een derde van zijn bezit geeft hij weg aan de armen! – die de geringen verheft, de hongerigen voedt, die aan de kant staat van de zwakkeren en de gewonden in de samenleving, zoals de barmhartige Samaritaan afboog van zijn weg en zich boog over de gewonde langs de kant van de weg. Priester en leviet waren doorgelopen.
Later mogen we zien, hoe Gods reddende werkzaamheid niet beperkt blijft tot Israël, ingekaderd binnen een nationalistische context, maar uiteindelijk heel het mensdom zal gaan omvatten! De vernederende dood van Jezus aan het kruis, waarvan Maria, staande onder het kruis, getuige was (hoe verscheurd moet haar hart geweest zijn!) voltrekt zich nog binnen een nationalistisch kader, maar – zo hoorden we in de tweede lezing uit de eerste brief aan de Korintiërs – die vernederende kruisdood zal niet het einde zijn. Zijn Vader zal Hem zal opwekken als eersteling van hen die ontslapen zijn. Verheven zal Hij worden om te leven bij God voor altijd. Zijn nieuwe leven zal er zijn voor ieder – uit welke natie of ras ook voortkomend – die zich in geloof tot Hem wendt en zich via Hem als de weg laat meevoeren naar de hemelse sfeer waar Hij gezeten is aan Gods rechterhand, zoals de H. Stephanus Hem mocht zien in zijn visioen vlak voor zijn dood door steniging.
Het is gewaagd om het te zeggen – en wie de bijbeltekst naar de letter volgt zal vast een opgeheven vingertje tonen – maar kunnen we ons voorstellen dat Jezus haar, die Hem zijn fysieke existentie gaf, zijn menselijke lichamelijkheid, en die haar op het einde vanaf het kruis als moeder van de gelovigen aan Johannes zorgzame liefde toevertrouwde – wanneer zij eenmaal zelf aan het einde van haar leven komt – niet zou laten delen in zijn goddelijke existentie, zijn hemelse bestaan, zijn ‘voor altijd wonen bij de Vader?’ Hij zal dit doen uit tedervolle liefde voor haar, voor wie zij voor Hem was in zijn aards bestaan en uit dankbaarheid voor wat Hij van haar had ontvangen: zijn menszijn als onmisbaar bestanddeel van zijn Godmenselijke natuur! Bij haar dood haalt Hij haar bij zich in de hemel binnen, niet slechts een bloedeloze ziel, maar met ziel en lichaam, zoals de kerk leert, en doet haar naast zich op de troon plaatsnemen zoals afgebeeld op het schitterende absismozaïek uit de 13de eeuw van de Franciscaanse kunstenaar Giacomo Torriti in de Santa Maria Maggiore basiliek in Rome (https://live.staticflickr.com/7082/7361102162_406f17f2c5_b.jpg).
De eerste lezing van deze feestdag houdt ons het grandioze visioen voor zoals de apostel Johannes dat zag op het eiland Patmos (Apok. 12,1-6): een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren, alles tegen de achtergrond van de geopende hemelkoepel. In deze vrouw kunnen we het volk Israël zien, - de twaalf sterren, de twaalf stammen – zwanger van de komende Messias, maar ook Maria die uiteindelijk in al zijn concreetheid het kind ‘de Zoon van de Allerhoogste’, Christus, heeft gebaard.
Eenmaal geboren en in de wereld gekomen doet de draak, die het kwaad, de vijandschap symboliseert, er alles aan om het kind te doden. Het zál worden gedood, de vernederende dood als misdadiger op het kruis, maar de draak, de ‘vijandschap’, zal niet kunnen juichen, want het kind wordt via de verrijzenis weggevoerd naar God en zijn troon, onbereikbaar voor welke kwade bedoelingen ook. De dood is gedood! De vrouw vlucht naar de woestijn, waar God haar een plaats heeft bereid. Zij is nu de vrouw van ná de verrijzenis en vertegenwoordigt het nieuwe Godsvolk (de Kerk). Haar woestijnsituatie duidt erop, dat zij als een pelgrim door de wereld gaat, zoals het volk Israël veertig jaar door de woestijn trok, gevoed met het manna, maar dan nu met het nieuwe manna, het Eucharistisch brood! (Apok. 12, 6b).
Twaalfhonderdzestig dagen (Apok. 12,6c) zijn toegemeten, een precieze, afgebakende tijd, de tijd dat de draak de kans krijgt zijn woede te koelen op de vrouw (ten dele gelukt, als we denken aan de vele martelaren in de kerk van de begintijd, maar ook nu nog; aan het kwaad van machtsmisbruik). Maar eens komt het definitieve ‘stop’! Tot hier en niet verder! Het einde is aangebroken, de 1260 dagen volbracht. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde nemen hun aanvang. Aan Christus de overwinning! Allen die trouw zijn blijven uitzien naar Zijn komst, zullen met ziel en verheerlijkt lichaam delen in het nieuwe leven, zoals dat in Maria en haar Tenhemelopneming al werkelijkheid was geworden, hoopvol uitzicht gedurende heel die lange tijd, dat de pelgrimstocht moest duren.
inleiding drs. Marc Brinkhuis
preekvoorbeeld Tiemen Brouwer OP
16 augustus 2026
Twintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 56,1.6-7; Ps. 67; Rom. 11,13-15.29-32; Mat. 15,21-28 (A-jaar)
Inleiding
Jesaja 56,1.6-7
De eerste lezing vormt de inleiding op het derde en tevens laatste deel van het boek Jesaja (56–66), ook Trito-Jesaja genoemd. Daarin staat de situatie na de ballingschap centraal. Van de teruggekeerde ballingen wordt verwacht dat ze een leven leiden dat in overeenstemming is met wat God van hen verwacht. Dat wordt al meteen in het eerste vers duidelijk gesteld: ‘Handel rechtvaardig, handhaaf het recht.’ Aansluitend bij teksten uit de vorige hoofdstukken (46,13; 51,6-8), wordt de lezer er in vers 1b vervolgens aan herinnert dat Gods redding nabij is en JHWH zijn gerechtigheid zal openbaren. In de Hebreeuwse tekst wordt voor ‘recht’ in vers 1a en ‘gerechtigheid’ in vers 1b dezelfde term (tsedaka) gebruikt. Het recht waartoe het volk wordt opgeroepen dient te sporen met Gods eigen gerechtigheid. De mens die zo handelt wordt in vers 2 zalig geprezen.
In de daaropvolgende verzen (3-8) staan twee groepen buitenstaanders centraal: de vreemdelingen en de eunuchen. Beide groepen waren om diverse redenen uitgesloten van de eredienst. De verzen 6 en 7 van deze eerste lezing gaan over de vreemdelingen, die niet tot Israël behoren. In vers 6 wordt gespecifieerd om welke vreemdelingen het gaat: zij die dienaar van JHWH willen zijn en daartoe de sabbat onderhouden en de Tora. Het gaat hier dus niet om de heidenen als groep, maar om individuen uit die groep. Zij zijn ook welkom in de tempel op Gods heilige berg (zie ook 1 Kon. 8,41vv) om er te bidden en te offeren. Daarom kan de tempel ‘Huis van gebed voor alle volken’ worden genoemd (Jes. 56,7).
Romeinen 11,13-15.29-32
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 15,21-28
In de evangelielezing gaat het eveneens om een vreemdeling en de relatie met het volk van Israël. Jezus komt haar tegen in ‘het gebied van Tyrus en Sidon’ (Mat. 15,21), twee steden die gelegen zijn aan de Fenicische kust ten noorden van Galilea. Deze steden werden al eerder in hoofdstuk 11 door Jezus genoemd in een verwijt aan zijn toehoorders: ‘als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn. Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dat dat van jullie’ (11,21b-22). Dat is een straffe uitspraak, want deze twee steden behoren tot de aartsvijanden van Israël die het land hebben geplunderd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit Joël 3,4vv.
De vrouw is afkomstig uit de streek, die door de inwoners zelf Kanaän wordt genoemd. De Kanaänieten hebben in het Oude Testament een slechte reputatie. Ze behoren tot de volkeren waar Israël geen banden mee mag hebben (zie bv. Gen. 24,3; Deut. 7,1-5), maar de omschrijving maakt hier vooral duidelijk dat de betreffende vrouw niet Joods is. Daarom is wat ze Jezus toeroept des te opmerkelijker: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon’ (v. 22). Deze woorden zijn opvallend, niet zozeer omdat ze Hem om hulp roept, maar omdat ze Hem ‘Zoon van David’ noemt. Op die manier werd Jezus eerder ook al toegeroepen door twee blinden in Matteüs 9,27: ‘Heb medelijden met ons, Zoon van David!’ (zie ook 20,30), en bij zijn intrede in Jeruzalem wordt Jezus door de menigte eveneens verwelkomd als Zoon van David: ‘Hosanna voor de Zoon van David. Gezegend hij die komt in de naam van de Heer’ (21,6). Maar in al deze gevallen ging het telkens om volksgenoten en deze vrouw is dat duidelijk niet.
Jezus reageert niet, maar de vrouw blijft roepen. Uiteindelijk komen zijn leerlingen tussen beide en dringen er bij Hem op aan om haar weg te sturen omdat ze zich ergeren aan haar geroep (v. 23). Hun reactie heeft dus niets te maken met haar identiteit of de inhoud van wat ze zegt, maar nu reageert Jezus wel. Hij doet een uitspraak die op het eerste gezicht ook niets te maken heeft met wat de vrouw of zijn leerlingen gezegd hebben. Het is ook niet meteen duidelijk tot wie zijn antwoord is gericht: tot de vrouw, de leerlingen, of allebei. ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël’ (v. 24). Hij verklaart op die manier dat zijn missie is afgebakend tot Israël en daarbinnen meer specifiek tot ‘de verloren schapen’ en het moge duidelijk zijn dat deze vrouw daar niet toe behoort. Met ‘verloren schapen’ verwijst Jezus hier immers naar zijn geloofsgenoten die van het rechte pad zijn afgedwaald. Deze voorstelling van zaken uit de landelijke sfeer van herders en schapen vinden we ook terug in het Oude Testament (zie Jes. 53,6; Jer. 50,6v; Mi. 2,12). Zijn antwoord is dus een indirecte afwijzing van haar vraag om hulp. Ze is misschien wel een verloren schaap, maar niet van Israël. Jezus legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij God, die Hem deze opdracht heeft gegeven.
De vrouw herhaalt echter haar bede: ‘Heer, help mij!’ (v. 25), terwijl ze zich voor Hem neerwerpt (NBV), knielt (WV), een houding die haar bede kracht bijzet en aangeeft dat ze Jezus’ gezag erkent. Nu richt Jezus zich wel tot haar. Hij gebruikt daarbij een ander beeld, deze keer uit de huiselijke sfeer: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren’ (v. 26). Zoals in het vorige beeld verwijst Jezus opnieuw naar dieren, maar in tegenstelling tot het vorige beeld, komen in deze voorstelling twee groepen voor: de kinderen en de hondjes (in het Grieks staat hier een verkleinwoord). In dit geval verwijzen de ‘kinderen’ naar het volk van Israël en de ‘hondjes’ naar de heidenen. Jezus zegt dus met zoveel woorden dat het niet goed is om wat door God voor Israël bedoeld is, aan de heidenen te geven. Hij herhaalt dus eigenlijk wat Hij al eerder suggereerde, maar doet dat nu meer expliciet.
De vrouw geeft echter niet op. Ze gaat op zijn antwoord in. Ze spreekt Hem niet tegen, maar bevestigt allereerst wat Hij zegt: ‘Zeker, Heer’ (v. 27). Daar blijft het evenwel niet bij. Ze maakt vervolgens gebruik van het beeld van de hondjes om haar visie te verwoorden: hondjes eten de kruimels die van de tafel van hun bazen vallen. Ze erkent dus enerzijds de hiërarchie tussen kinderen en hondjes, maar bepleit dat er ook voor de hondjes iets te rapen valt. Jezus is onder de indruk van haar repliek en antwoordt (letterlijk vertaald): ‘O vrouw, groot is uw vertrouwen/geloof’ en voegt daaraan toe: ‘Wat u verlangt, zal ook gebeuren’ (v. 28). Dat wordt vervolgens bevestigd: ‘En vanaf dat moment was haar dochter genezen.’
Dit verhaal resoneert met andere verhalen in de Bijbel waarin een vreemdeling wordt verhoord. Zo is er het verhaal over de profeet Elia, die zijn intrek neemt bij een weduwe in Sarefat, wat in de buurt van Sidon ligt, en haar zoon opnieuw tot leven wekt (1 Kon. 17, 8-24). Ook hier wordt het kind van een vrouw uit die streek gered door een profeet en eerder in het evangelie van Matteüs, staat het verhaal over de genezing van de slaaf van de centurio, die eveneens door Jezus geprezen wordt: ‘Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden’ (8,10), en dat terwijl Hij elders in het evangelie zijn eigen leerlingen verwijt ‘kleingelovigen’ te zijn (6,30; 8,26, 14,31; 16,8).
De Romeinse centurio en de Kanaänitische vrouw zijn dus door hun onvoorwaardelijk geloof in Jezus voorbeeldige leerlingen. Zij maken de weg vrij voor de zending onder de heidenen door de verheerlijkte Jezus waarmee het Matteüsevangelie afsluit: ‘Maak alle volken tot mijn leerlingen’ (28,19). De eerste lezing uit Jesaja en de lezing uit het evangelie volgens Matteüs zijn dan ook goed nieuws voor hen die niet tot het volk van Israël behoren.
Literatuur
H. Basser en M.B. Cohen, The Gospel of Matthew and Judaic Traditions: A Relevance-based Commentary Account (Leiden: Brill, 2015).
E. Wainwright, Women Healing/Healing Women: The Genderization of Healing in Early Christianity (London: Routledge, 2014).
Preekvoorbeeld
Ieder kind ervaart dat het niet fijn is om buitengesloten te worden en toch doen we het allemaal. Onderscheid is nodig: Wie is betrouwbaar en wie niet? Bij wie zijn we veilig en bij wie niet? We hopen dat onze jeugd ‘niet in het criminele circuit’ terechtkomt, maar denken daarbij meer aan mensen met donker haar en donkere ogen dan aan blauwe pakken, witte overhemden en fraaie stropdassen.
Maken wij wel het goede onderscheid? Oordelen we niet te snel op uiterlijke kenmerken en zijn we bereid ons vooroordeel te herzien?
Het schaamrood trok onze dorpsbewoners in het gezicht, toen op het schoolfeest een vossenjacht was georganiseerd. Juf, als zwerver verkleed, lag op een bankje in het park. Toen kwam er verstoring: een bewoner van het AZC zag haar liggen, kwam naar haar toe en bezwoer haar in gebroken Nederlands dat het veel te koud was en dat hij wel een warme plek wist waar ook eten voor haar was (het AZC). Degene, waar iedereen omheen liep, toonde zich de meelevende, de zorgzame. Een bijzondere wending op het feest.
Ook in Israël heerste er een sterk besef van onderscheid. Teruggekeerd uit de ballingschap probeerde men als zuiver rechtvaardig godsvolk te leven – wars van heidense invloeden, dus wars van vreemdelingen. Dan klinkt het woord van de profeet: Allereerst de oproep aan Israël om zelf recht en rechtvaardigheid hoog te houden. Dan de belofte – en dat is revolutionair, dat had de vreemdeling niet verwacht en het vrome godsvolk al helemaal niet – dat ook de vreemdeling die zich aan Gods geboden houdt, zich thuis mag weten in het huis van God, ‘een huis van gebed voor alle volken’.
Dus niet ‘een zoete inval’, niet iedereen kan gedachteloos binnenstormen. Het is een huis van gebed voor allen, allereerst uit Israël waar ze vanouds Gods geboden gehoord hebben en eruit leven, maar ook voor allen die er niet mee zijn grootgebracht, maar er wel van gehoord hebben en er wél uit willen leven.
Waar heeft de Kanaänitische vrouw wat gehoord? Hoe komt zij tot haar roep ‘Zoon van David’?
Eigenlijk vind ik het evangeliegedeelte van vandaag een schokkend verhaal. Jezus, die een mens ‘als een hond’ afwijst, enkel omdat ze vreemdelinge is. Kanaänitische, vrouw uit een vanouds vijandig volk, maar Hij is er zelf naartoe gegaan!
Het schokt mijn beeld van Jezus. Niet de liefhebbende, bij wie iedereen welkom is, maar een Joodse rabbi allereerst gericht op het eigen volk en op wie daarin de weg kwijt is.
De held van dit verhaal is de vrouw! Zij erkent Jezus’ roeping, dat Hij allereerst gezonden is tot Israël, maar vasthoudend verruimt ze zijn blik. ‘De hondjes mogen eten van de kruimels die van tafel vallen’.
Wat een groot geloof: Door de weerstand heen, pleiten bij Hem, die zich door God gezonden weet. Doorzetten!
Wat een grote liefde voor haar dochter: Op je knieën vallen, de vernederende afwijzing ‘hondje’ dragen en volhouden, omdat je hier redding verwacht. Ook voor vreemdelingen!
Onderscheid maken doen we allemaal. Ook Jezus. Maar, met een beroep op zijn messiaanse roeping ‘Zoon van David’, wordt Hij uit zijn aanvankelijk oordeel gerukt. Jezus ‘bekeert zich’, komt tot beter inzicht, dat zijn roeping ook deze vreemdelinge geldt. Zij die Hem, met haar grote geloof een ruimere roeping onderricht.
Als Jezus al tot beter inzicht kan komen, hoeveel te meer wij.
Onderscheid is nodig, verschil tussen goed en kwaad, rechtvaardig en onrechtvaardig, zuiver en vals. Dankzij de inzet van de Kanaänitische vrouw, weten we, dat voor alle volken geldt: Zij die de rechtvaardigheid zoeken mogen bij God horen, worden gered.
Maar er is nog een aspect. Ooit liet ik in een bijbelgespreksgroep dit verhaal uitspelen. Iedereen kreeg een rol: schriftgeleerden, discipelen, de vrouw, de dochter. En de opdracht was: ‘Als Jezus nú binnen zou komen, wat zou je Hem dan willen vragen?
Menigeen vroeg Jezus uitleg van zijn gedrag, tot de vrouw aan de beurt was, die de rol van dochter toebedeeld had gekregen. Zij zei: ík zou Jezus willen vragen: ‘Ben ik het waard geweest?’ Enigszins verward vroeg ik als gespreksleider: ‘Hoe bedoel je dat?’ ‘Nou’, zei ze ‘ben ik het met mijn leven waard geweest dat Jezus zó in het nauw gedreven werd en zich moest omkeren. En dat mijn moeder zich zó vernederde om mij te redden?’
‘Ben ik het waard geweest?’. De vrouw die dit verwoordde kwam, zo realiseerde ik me, uit een buitenstaanders gezin. Het christelijke dorp keek wat op haar neer. Kon zij daardoor dit aspect zo aanvoelen? Een groot vertrouwen, een groot geloof, waardoor je wordt gered is niet vrijblijvend. Jezus’ reddend werk, dat alle volken gaat omspannen, is niet een zoete inval.
Ja, Jezus wordt door het aandringende geloof van de moeder bekeerd tot ruimer inzicht in zijn roeping. Als Jezus die omkeer al nodig heeft, hoeveel te meer moeten wij scherp zijn op ons beperkte onderscheidingsvermogen en bidden om inzicht in wat er werkelijk toe doet.
Ja, de dochter wordt genezen. Hoeveel te meer dienen wij te beseffen dat redding niet vrijblijvend is. ‘Ben ik het waard geweest?’
In dit verhaal hebben vrouwen voor veel inzicht gezorgd.
inleiding prof. dr. Caroline Vander Stichele
preekvoorbeeld ds. Rinske Nijendijk-Cnossen
23 augustus 2026
Eenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 22,19-23; Ps. 138; Rom. 11,33-36; Mat. 16,13-20 (A-jaar)
Inleiding
De eerste lezing en het evangelie zijn thematisch verwant: allebei gaan ze over een man die de sleutelmacht toebedeeld krijgt, en daarmee de mogelijkheid iemand ergens toe te laten of de toegang te weigeren. Matteüs leeft zeven tot acht eeuwen later dan Jesaja en lijkt zich door diens tekst te hebben laten inspireren.
Het beeld van Petrus die met een sleutel aan de hemelpoort staat en oordeelt of iemand naar binnen mag, is onder andere gebaseerd op het evangelie van deze zondag. Overigens wordt het beeld van een geopende of gesloten deur ook elders gehanteerd, zoals verderop in het evangelie van Matteüs, waar de schriftgeleerden en Farizeeën verweten wordt dat zij het koninkrijk van de hemel gesloten houden voor de mensen (Mat. 23,13v, parallel hieraan in Luc. 11,52: ‘U hebt de sleutel van de kennis gestolen’; zie verder ook bijvoorbeeld Mat. 7,13v; Luc. 13,23-30; Joh. 10,1-16; Apok. 3,7).
Jesaja 22,19-23 – Macht, of niet?
Het verhaal over Sebna en Eljakim staat temidden van de nodige onheilsorakels over andere volkeren, zoals over de Assyriërs (Jes. 14,24-27; 17,12-14) en de Filistijnen (14,28-32). Maar ook Juda zelf wordt, met een Godsspraak van de Heer in de verzen die aan deze lezing voorafgaan, zwaar bekritiseerd (22,1-14). Ze feesten erop los, vertrouwen op de macht van hun wapentuig, eten en drinken dat het een aard heeft (‘laat ons eten en drinken, want morgen zijn we dood’, v. 13), maar zijn de Heer geheel uit het oog verloren (vv. 11b-12). Een volgend orakel treft de toekomst van Sebna. Hij heeft een functie als ‘hofmaarschalk’, waarschijnlijk vergelijkbaar met de functie die Jozef had als onderkoning aan het hof van Egypte: een machtig man die gaat over het paleis, bestuur, de goederen, het geld en de veiligheid. Kennelijk is zijn hoge positie Sebna naar het hoofd gestegen, want hij laat, met een hang naar Egyptische gewoonten, voor zichzelf alvast een praalgraf uithouwen, wat een teken had moeten worden van zijn bijna koninklijke waardigheid. Hoogmoed, want hij zal omkomen in de vlakte (v. 18).
Met de woorden van de Heer dat Hij Sebna uit zijn ambt zet en vervangt door Eljakim start de lezing. Het lijkt een hoopvol teken voor het volk van Juda, dat aan alle kanten bedreigd wordt. Immers, het is de Heer zelf die deze verandering bewerkstelligt. Eljakim wordt een knecht, dienaar (ebed) genoemd en letterlijk, met een gewaad en gordel, met de waardigheid van hofmaarschalk bekleed. De ‘sleutel van het huis van David’ die op zijn schouder wordt gelegd drukt zijn macht uit, en dat hij als een vader voor Jeruzalem en Juda zal zijn biedt een veilig perspectief (vv. 20-21). Door de Heer zelf wordt hij verankerd met een stevige pin in de muur. Zijn macht lijkt onwrikbaar en oneindig. Maar schijn bedriegt, zoals zal blijken uit de verzen die na deze gebeurtenis van de lezing zijn ‘afgeknipt’ (vv. 24-25). De pin raakt los, en alles wat eraan opgehangen was valt eraf…
Romeinen 11,33-36
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 16,13-20 – Wie ben Ik, volgens jullie?
De evangelielezing waarin Petrus de sleutel van het koninkrijk van de hemelen krijgt, alleen bij Matteüs op deze manier verteld, is vol van namen en titels. De leerlingen zijn net tot het inzicht gekomen, na een waarschuwing van Jezus, dat zij moeten oppassen voor wat de Farizeeën en Sadduceeën leren. Die hadden Jezus op de proef gesteld door om een teken uit de hemel te vragen (Mat 16,1-12). Jezus antwoordt daarop dat zij geen ander teken zullen krijgen dan dat van Jona, waar Hij eerder al over uitlegde dat, zoals Jona drie dagen en nachten in de walvis zat, de Mensenzoon drie dagen en nachten zal verblijven in de aarde (12,38-41).
Het lijkt erop dat Jezus dit nieuwe inzicht over de leer van de Farizeeën en Sadduceeën van de leerlingen wil testen. Hij stelt twee vragen: ‘Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?’ en ‘En jullie, wie ben Ik volgens jullie?’. Vergelijken we deze vragen met de parallelteksten bij Marcus en Lucas dan zien we dat Matteüs de enige is die in deze passage de term ‘Mensenzoon’ gebruikt (vgl. Mar. 8,28-29; Luc. 9,18-21). ‘Mensenzoon’ is een titel die door Matteüs met name gebruikt wordt voor de rechter die uiteindelijk oordeelt (zie bijvoorbeeld Mat.13,41 en zeker 25,31-46).
Op de eerste vraag antwoorden de leerlingen met ‘Johannes de Doper’ en ‘Elia’, en ook andere, niet met name genoemde profeten, waarbij ze bij Matteüs als enige ook Jeremia noemen.
De tweede vraag vertoont kleine, subtiele veranderingen ten opzichte van vraag één. Allereerst wordt hij veel directer gesteld, aan de leerlingen zelf: ‘jullie.’ Ten tweede gaat het niet meer over de ‘Mensenzoon’, maar plaatst Jezus zichzelf centraal: ‘Wie ben Ik?’ Simon Petrus antwoordt: ’U bent de Messias, de Zoon van de levende God.’ Petrus geeft Jezus hier de titel die de evangelist Hem in de geslachtslijst in het begin van het evangelie geeft: ‘Messias’ (1,16; in beide gevallen heeft de Griekse tekst ‘Christus’). Hij voegt nog toe: ‘Zoon van de levende God’, wat in dit evangelie alleen nog uit de mond van de hogepriester zal klinken bij het verhoor van Jezus (26,63).
Vervolgens noemt Jezus op zijn beurt Petrus ‘Simon Barjona’, dat ‘zoon van Jona’ betekent en we, gezien het eerdergenoemde ‘teken van Jona’, kunnen verstaan als veronderstelling dat Petrus aan het teken van Jona genoeg heeft (16,4).
Als een rots zo sterk?
De naam ‘Petrus’ reserveert Jezus voor het vervolg. De naam betekent in het Grieks ‘steenrots’ en Jezus gebruikt die naam om er het fundament van zijn ‘ekklesia, kerk’ mee aan te duiden. Hier gaat het om de gemeenschap, de beweging van leerlingen die Jezus in gang heeft gezet, niet om concrete instituten en gebouwen. Van deze gemeenschap krijgt Petrus symbolisch te sleutel, en de macht te binden en de ontbinden. Met (ont)binden moeten we denken aan het onderzoeken en wegen van gebruiken en voorschriften, gelegd langs de (joodse) wetten, de halacha. Het dodenrijk, de dood, zal die gemeenschap er niet onder krijgen.
Het geheel is als het ware een onderonsje tussen Jezus en zijn leerlingen, want Jezus verbiedt zijn leerlingen bekend te maken dat Hij de Messias (Christus) is (v. 20).
Met het beeld van Eljakim in het achterhoofd is een blik op de volgende verzen niet verkeerd. Net als bij Eljakim de pin uiteindelijk bezweek door alles wat eraan opgehangen werd, geldt ook voor Petrus dat zijn macht kwetsbaar is. Onmiddellijk volgend op deze lezing zien we een andere kant van Petrus. Zo sterk als zijn door de Vader ingegeven belijdenis ‘U bent de Messias’ is, zo pijnlijk is ook zijn door satan ingegeven raad aan Jezus om niet zijn dood in Jeruzalem tegemoet te gaan. Jezus laat hem en de leerlingen zien dat Hem volgen niet eenvoudig is, maar dat uiteindelijk de Mensenzoon als Koning zal komen (vv. 21-28).
Preekvoorbeeld
Een tijdje geleden heb ik een man ontmoet die heel beslist geen enkel vertrouwen had in: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’ Hij blijft me bezighouden. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo cynisch in het leven stond als hij. Hij zal er zijn redenen voor gehad hebben. Zo word je niet geboren, zo word je gemaakt.
‘Er wordt toch misbruik van je gemaakt. Je wordt genaaid. Ze nemen een loopje met je. Ze trekken profijt van je en even later lopen ze met de neus omhoog en kennen je niet meer.’
Deze man gelooft dat je altijd bedrogen uitkomt, dat ze misbruik maken van je goedheid: ‘Al te goed is buurmans gek,’ dat niemand te vertrouwen is, dat als het erop aankomt je er altijd alleen voor staat.
Dat is een geloof, een vast verankerd geloof, een geloof waarmee je leven en sterven kunt: het geloof in de onbetrouwbaarheid van de mens. En als je daarnaar leeft, geef je ook weer anderen alle reden om te geloven in de onbetrouwbaarheid van de mens. Homo homini lupus, de mens is voor de mens een wolf. We zien het elke dag: Iran, Gaza, Oekraïne, Soedan, het is lang geleden dat de wereld zo oorlogszuchtig was.
In de eeuwen van voorheen hoopte men naar de sleutel die op alle sloten past. Ridders, alchemisten, schone jonkvrouwen waren ernaar op zoek. Stel je voor: de sleutel die op alle sloten past, hoe zou hij eruit zien, waar is hij te vinden?
Wel, dít is de sleutel die op alle sloten past: het geloof in de onbetrouwbaarheid van de mens. Als je eenmaal besloten hebt zo naar het leven te zullen kijken, dan zul je het altijd zien: je roept het op, je trekt het aan.
Als je eenmaal besloten hebt dat dit je bril is, zal het ook altijd zo zijn. Als je met dit geloof leeft: dat je bedrogen uitkomt, zal dat de sleutel zijn die op alle sloten past, het wordt in elke situatie bewaarheid: je medemens is niet te vertrouwen. Hij dóet wel aardig, maar hij draait je een rad voor ogen. Het líjkt allemaal wel leuk, maar pas op, ze doen het puur uit berekening en eigenbelang.
Zo kun je kijken: cynisch en bitter.
Nu staat in het evangelie geschreven dat aan Petrus de sleutels van het koninkrijk zijn gegeven, het koninkrijk van de hemel, de sleutels van het geloof, het geloof dat hij zojuist beleden heeft: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God.’
Met deze belijdenis, en wat dat betekent (daar moet je in groeien), heeft Petrus de toegang tot het koninkrijk van de hemel in handen gekregen.
Wat verwacht je nu van die sleutelbos van Petrus? Men spreekt zelfs van de sleutelmácht: die sleutels symboliseren de kerk als máchtsinstituut. Lees Het Berninimysterie, met zijn sleutels tot geheime archieven en geheime gangen.
Maar Petrus, hij loopt wel te rammelen met zijn zojuist gekregen sleutels, maar die sleutels passen nergens op. En Petrus weet het. Die sleutels zijn het onderpand van het Rijk dat komt. Die sleutels beloven hem dat hij daar binnen mag, toegang heeft. Hij heeft de sleutels wel, maar dat Rijk is er nog niet: de hemel wel, en de aarde ook, maar geen nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.
Uw Koninkrijk kome, het is niet voorhanden, het is er pas als je erom bidt en zingt, en hoopt en huilt, ja, soms door je tranen heen zie je het.
Net zoals: uw wil geschiede, daar bid je om, omdat klaarblijkelijk de wil van God zich niet verwerkelijkt. Thy will be done, het wordt tijd dat Gods wil geëerbiedigd wordt.
En zo zijn die sleutels het onderpand van de belofte van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, ondertussen loop je ermee rond en ze passen niet.
Je levenshouding – hoe jij in het leven staat – is dus niet: handig met een loper – ongenood – overal naar binnen stappen met je evangelie en je pretenties, maar wachten, bescheiden en geduldig aankloppen aan de deur van het hart van je naaste. Zoals ook Christus zelf zegt: ‘Ik sta aan de deur en Ik klop aan tot iemand Mij hoort en Mij binnenlaat.’
En tegelijkertijd is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde en Hij zal al je tranen afwissen en Hij heeft de dood overwonnen, dat weet je en dat geloof je en daar doe je een beroep op. Maar niet jíj hebt alle macht en ondertussen heb je tranen genoeg.
En zo loop je rond met die raadselachtige sleutels die vooralsnog nergens op passen. Omdat het gelóóf niet past, niet inpasbaar is, het klopt niet. En God zelf laat zich niet bijzetten in ons wereldbeeld en dus zijn het geloof, de hoop en de liefde hoogst onpraktisch in deze wereld, niet vanzelfsprekend.
‘Wat zoek jij nou in de kerk?’ Daar sta je een beetje verlegen mee. Een hart vol geloof en hoop en liefde, en je staat ermee te schutteren.
Diezelfde Petrus met de belijdenis nog op zijn lippen is even later het spoor volkomen bijster, het voetspoor van Jezus, het spoor van de navolging, je eigen kruis op je nemen in zelfverloochening en zelfvergetelheid, de lange weg gaan naar Gods Koninkrijk.
Hij wijst Jezus op het korte weggetje binnendoor: zonder lijden, zonder dat ellendige kruis, pijnloos, alsof dat zou kunnen, succesvol vooral, zoals mensen in de reclamespotjes dat altijd zijn, het geloof als irrealis, luchtfietserij naar een luchtkasteel.
Jezus vaart tegen hem uit: Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen. En: ‘Ga terug, achter Mij!’ Je moet het léren: Christus niet voor de voeten te lopen maar Hem ná te volgen.
Er valt dus echt wat te kiezen. Je krijgt een sleutel in handen die op alle sloten past: de sleutel van het wantrouwen, een beproefd antwoord: zo zit het leven in elkaar. Je laat je niet raken, onaantastbaar ben je.
En je krijgt een sleutelbos in handen die nergens op past, toegang tot een Rijk waarvan je moet bidden dat het komt. Een sleutelbos waarmee je geen voet tussen de deur krijgt. De sleutel dat een mens zorg heeft te dragen voor een ander. De bos met zoiets onhandigs als een geloof dat het goed komt, misschien niet met jou, maar wel met de ander.
En kleine sleuteltjes waarvan je ook niet weet waar ze voor zijn. Het sleuteltje: wie goed doet, goed ontmoet. Het sleuteltje: wie vertrouwen geeft, wekt vertrouwen. Het sleuteltje van je kwetsbaarheid.
Nu lijkt het alsof je dat geloof hébt of je hebt het níet, je bent gelovig of ongelovig, maar zo eenvoudig ligt dat niet. Die grandioze Petrus met zijn rotsvaste belijdenis is dus even later weer het toonbeeld van iemand die er helemaal niets van begrepen heeft. Het loopt dwars door elkaar heen.
Het wordt te gemakkelijk gezegd: je bent een gelovige of je zou iemand zijn die niet gelooft. Alsof daartussen in je niet kunt zóeken en een béétje geloven of sóms. Nee, je kunt ook niet een beetje zwanger zijn, zo zegt men, het is het een of het ander, ja of nee, aan of uit, welles, nietes.
Maar dat is veel te plat gedacht. Want je kunt op oneindig veel wijzen zwanger zijn: zwanger terwijl je het niet weet; zwanger terwijl je het niet wil; zwanger van een tweeling; zwanger, nooit verwacht, toch gekregen; zwanger, voor de zoveelste keer; zwanger van een ander.
Zo kun je ook met oneindig veel wijzen geloven met geloof en ongeloof die misschien hand in hand gaan. En ondertussen: die gelovige kant, dat ben niet jij, dat is Christus die het geloof in je wekt.
Want dat verblijdt mij telkens weer. Een verbeten ongelovige spreekt Hij aan als: ‘Jij, kleingelovige.’ En van een kleingelovige roept Hij uit: ‘Groot is uw geloof!’ Hij weet altijd geloof in je te vinden, geloof dat je van jezelf nog niet wist. En Hij roept kracht in je vrij, die je van jezelf nog niet kende. En Hij wijst je een kwetsbaarheid, waarvan je zelf nog niet wist dat je die durfde voelen.
En ondertussen loop je rond met die sleutelbos, waarvan tot je vreugde soms toch een sleutel blijkt te passen op het hart van een mens, totdat hij komt, aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.
inleiding dr. Joke Brinkhof
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
30 augustus 2026
Tweeëntwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jer. 20,7-9; Ps. 63; Rom. 12,1-2; Mat. 16,21-27 (A-jaar)
Inleiding
Jeremia 20,7-9
Het boek Jeremia is een van de weinige profetenboeken die veel laten zien van het inwendige leven van de profeet. De desbetreffende tekstpassages, te weten 1,18-23; 12,1-6; 15,10-21; 17,14-18; 18,18-23 en 20,7-18, worden in de exegetische literatuur de ‘confessiones van Jeremia’ genoemd. De eerste lezing 20,7-9 is een gedeelte uit de laatste confessio.
Het inwendige gesprek van Jeremia gaat steeds over de spanning tussen de door de Heer toegezegde hulp bij zijn aanstelling tot diens profeet en de concrete ervaringen van bedreiging bij de verkondiging van het Godswoord. In hoofdstuk 1 stelt de Heer Jeremia aan tot zijn profeet. Nog voor Jeremia in de moederschoot ontvangen is, heeft God hem al geheiligd (v. 5). Hij behoeft nergens bang voor te zijn, omdat de Heer met hem zal zijn om hem te redden (v. 8). Maar in de ervaringen van de verkondiging van de profetische boodschap ziet Jeremia zichzelf steeds weer geconfronteerd met doodsbedreigingen. En zo is dat ook het geval in hoofdstuk 20.
Jeremia’s woorden van gericht en terechtwijzing zijn de hoogste religieuze autoriteiten niet onopgemerkt gebleven. Een zekere Paschur, priester van de tempel te Jeruzalem, komt in actie. Hij laat de profeet grijpen, hem stokslagen toedienen en in het blok vastzetten in een kamertje boven de Benjaminpoort van de tempel. De dag erop laat hij Jeremia weer gaan. De hele actie was alleen maar bedoeld om te intimideren – er lag blijkbaar geen rechtsreden aan ten grondslag. Maar de intimidatie heeft niet het gewenst effect; Jeremia richt nu zijn strafgericht vanwege de Heer tot Paschur persoonlijk, mede door hem een nieuwe naam te geven: Ontzetting-overal.
Zonder markering gaat dit verhaal in de verzen 1-6 over in de confessio in de verzen 7-18. Jeremia spreekt tot de Heer en deelt met hem zijn innerlijke tweestrijd. Met name het eerste woord, in het Hebreeuws het werkwoord p-t-h, trekt de aandacht. De grondbetekenis is misleiden; maar dat ervaart menigeen als te sterk en zwakt het daarom af tot verleiden. Het openingswoord wil echter in al haar scherpte de spanning oproepen tussen de heilvolle aanstelling tot profeet en de onheilsvolle concretisering ervan. Maar de profeet blijft trouw aan zijn profetenambt. Hij blijft spreken namens God, ook als hij bij zichzelf denkt om ermee te stoppen en niet meer in de Naam van de Heer te spreken (v. 9). Deze trouw blijft zelfs als de bedreigingen van Ontzetting-overal in de verzen 10-18 gewoon doorgaan (in de Willibrordvertaling wordt Ontzetting-overal de scheldnaam waarmee de profeet sarcastisch door zijn omgeving genoemd wordt).
Romeinen 12,1-2
Hoewel de tweede lezing in de tijd door het jaar een semi-continue lezing van een bijbelboek vormt, sluit Romeinen 12,1-2 in die zin aan bij de profetentrouw dat het een oproep bevat om niet gelijkvormig te worden aan de wereld, maar omgevormd te zijn door de vernieuwing van gezindheid van trouw aan de wil van God (v. 2).
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 16,21-27
Hoofdstuk 16 is een scharniertekst in het Matteüsevangelie. Vanaf hoofdstuk 16 gaat Jezus namelijk op weg naar Jeruzalem. Deze keuze de weg naar Jeruzalem te gaan, hoort bij zijn identiteit. In gesprek met zijn leerlingen wordt deze zichtbaar. Deze identiteit bestaat uit twee componenten: enerzijds is Hij de Gezalfde, de Zoon van de levende God (de verzen 13-20), anderzijds is Hij de Lijdende die zijn leven om Gods wil verliest teneinde het te winnen (vv. 21-27).
Met Jezus’ identiteit wordt ook de identiteit van Petrus, als pars pro toto voor de leerlingen, zichtbaar. De beaming van de eerste component van Jezus’ identiteit maakt dat Simon bar Jona van Jezus de nieuwe naam ‘Petrus’ krijgt. Jezus belijden als de Gezalfde maakt je tot een rots, stevig om de geloofsgemeenschap op te bouwen (v. 17). Maar de ontkenning van de tweede component, van Jezus als de Lijdende, verschaft deze Petrus een andere naam: Satan (v. 23). Hij is als de verleider die Jezus ervan probeert te weerhouden de weg van lijden en dood te gaan, en daarmee ook de weg van opstanding. Hij is Jezus een aanstoot.
Jezus werkt het een en ander voor zijn leerlingen in vers 25 uit in twee net niet volledig chiastische uitdrukkingen:
wie zijn leven wil redden, zal het verliezen
wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij, zal het vinden
Jezus laat zelf zien wat deze twee uitdrukkingen betekenen. Wat zou een mens immers kunnen geven om het leven niet te verliezen, om de dood te ontlopen? Psalm 49 verwoordt het vol ironie door een rijke man en een dier met elkaar te vergelijken. Een dier bezit niets en gaat op een gegeven moment dood. Die rijke man bezit van alles, maar ook voor hem blijkt te gelden dat gewoon een keer het moment aanbreekt waarop ook hij doodgaat. Met al zijn rijkdom heeft hij niets om dat te vermijden.
Toch ziet de Bijbel dat de mens in al zijn sterfelijkheid iets te geven heeft aan God: trouw. De optie van Petrus, niet naar Jeruzalem te gaan, maar de andere kant op te lopen, is een valse optie. Misschien kan je er je leven voor enige tijd mee rekken, maar uiteindelijk niet definitief. Je kunt je op die manier wel inspannen om het leven te behouden, maar je kunt er het leven niet mee winnen. Jezus wijst de optie van Petrus daarom af als een optie van ontrouw.
Veel mensen willen de profetische boodschap niet horen en zullen de profeten bedreigen, zoals bij Jeremia. Soms kiest men dan voor de meest radicale manier om die boodschap niet meer te horen: ze doden, vermoorden de boodschapper. Jezus overziet deze consequenties en gaat ze niet uit de weg. Hij zal het leven erdoor verliezen.
Maar Jezus weet ook dat het niet zomaar het leven verliezen is. Het is het leven verliezen omwille van de trouw van Godswege. Daarom kondigt Jezus zijn leerlingen niet alleen aan dat Hij moet lijden en gedood zal worden, maar voorzegt Hij zijn leerlingen eveneens dat Hij op de derde dag zal opstaan uit de doden.
Jezus zal het leven verliezen, en wel verliezen omwille van zijn trouw aan God. En juist daarom kan Hij geloven en aankondigen dat die trouw niet verloren gaat, hoezeer Hij het leven er ook mee verliezen zal. God heeft het laatste antwoord op de tot het einde toe doorleefde trouw, en dat antwoord luidt: opstaan uit de doden. Jezus, die het leven verliest, zal het leven juist winnen. En juist in deze weg van kruis en opstanding is Jezus een uitnodiging naar al zijn leerlingen: ‘Wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij, zal het vinden.’
Preekvoorbeeld
Hoe reageren wij als iemand zijn hart bij ons uitstort? Een vrouw beklaagde zich eens: ‘Weet u wel dat ik al maanden niet meer in de supermarkt ben geweest…!’ Dat had alles te maken met haar ziekte.
Ze was aan een chemokuur begonnen. Sindsdien vermeed ze het om mensen tegen te komen. Haar boodschappen deed ze in een ander dorp. Ze wilde al die vragen vermijden over ‘hoe het met haar ging.’ Dan moest ze steeds dat verhaal vertellen, vol onzekerheden en teleurstellingen. Dan kwamen ongewild haar tranen.
Nog moeilijker vond ze het om mensen te ontmoeten die haar wilden troosten. Die hadden allemaal wel een tante of oudoom gehad met dezelfde kwaal. En ‘het zou allemaal wel goed komen…’
Ze werd gek van de goedbedoelde adviezen. Het ergste waren de mensen die haar wilden doorsturen. ‘Kind, je moet eens naar Aken gaan.’ Of naar Amsterdam, ‘want daar zat toch een professor…’ Een nichtje van de achterburen was in Amerika genezen. ‘Ik word er wild van! Waarom luisteren de mensen niet eens gewoon naar míjn verhaal, zonder aan te komen dragen met het leed van anderen?’
In de Talmoed staan wijze verhalen van rabbijnen uit de oudheid. Elie Wiesel vertelt er één van. De grote leraar Jochanan was ontroostbaar verdrietig. Zijn zoon was na een ziekbed overleden. Leerlingen kwamen hem condoleren. Rabbi Eliëzer troostte hem met de woorden: ‘Gedenk dat ook Adam een zoon verloren heeft!’ Jochanan greep met beide handen naar
zijn hoofd en riep klaaglijk: ‘Ach, is mijn lijden niet groot genoeg dat ik dat van Adam erbij krijg?’ Dan komt rabbi Jehosjoea binnen en zegt: ‘Bedenk dat Job al zijn zonen en dochters verloren heeft.’ Opnieuw begint Jochanan te schreien: ‘Ach, is mijn pijn niet groot genoeg dat je die van Job er nog bij legt?’ Rabbi Jose treedt naar voren: ‘De priester Aäron verloor twee zonen op één dag.’ ‘Ach’, jammert Jochanan, ‘is mijn verdriet niet diep genoeg dat je dat van Aäron er nog naast legt?’ Rabbi Sjimon komt troosten: ‘De grote koning David heeft een zoon verloren.’ ‘Vind je dan dat ik niet genoeg te dragen heb, dat je mij ook nog met de pijn van David confronteert?’ En Jochanan begint hartverscheurend te wenen. Hij ontving veel bezoekers — en iedereen maakte zijn lijden alleen maar groter.
Jezus vertelt over wat Hem te wachten staat, zijn grootste angst. De leerlingen willen daar niet aan. Ze beginnen het te ontkennen. ‘Dat mag niet gebeuren!’, roept Petrus. Zijn ontboezeming komt voort uit vriendschap. Toch reageert Jezus met: ‘Weg, satan!’
Satan is de naam van degene die op de proef stelt, die de oprechtheid van het hart test. Petrus helpt Jezus niet door de werkelijkheid te ontkennen. Jezus voelt hoe zijn leven bedreigd wordt. Hij moet het onder ogen zien en zoekt daarin steun.
De mevrouw van de chemokuur raapte alle moed bij elkaar: ‘Ik moet ook niet zeuren. Het is ook niet eenvoudig om mij tegen te komen tussen de havermout en de hagelslag. Als ze niets zeggen, is het ook niet goed.
Als ze zeggen: ‘Kop op, over een jaar lach je weer!’, voel ik me onbegrepen. Als ze ernstig kijken en zeggen: ‘Wat een ramp!’, dan word ik helemaal depressief. In een ander dorp kennen ze me niet.
Jezus wil door Petrus serieus genomen worden. Het deed Hem pijn toen deze in de hof van Olijven in slaap viel; toen hij bij Pilatus deed alsof hij Hem niet kende; toen zijn reactie op Jezus’ angst was: ‘Dat mag niet gebeuren.’ Misschien had Petrus niets moeten zeggen. Gewoon naast Hem staan. En meelopen, samen erdoorheen.
Als een dierbare medemens ons slecht nieuws vertelt, verwacht hij geen lichtzinnige reactie alsof er eigenlijk niets aan de hand is. Hij verwacht ook geen verdubbeling van zijn twijfel. Hij is beducht dat de labiele balans van hoop en vrees in zijn hart door ons ruw wordt
verstoord. Dat kan al door een blik, een opgetrokken wenkbrauw of een opmerking.
Menigeen gaat daarom anderen uit de weg. Of stuurt nieuwsbrieven rond om
de directe confrontatie te vermijden. Eigenlijk zijn zij op zoek naar goede luisteraars.
Jezus zoekt Petrus — niet om door hem in een andere richting geduwd te worden, maar als een reisgezel die met Hem de weg meeloopt die Hij moet gaan. Jezus zoekt geen uitweg om zijn eigen hachje te redden, maar iemand die zwijgend nabij is. Iemand die zijn verbijstering en zijn angst en hoop kan delen.
Wie zichzelf verliest, zal ervaren dat hij in Gods liefde geborgen is. Tot die overgave wil Hij ook zijn leerlingen bewegen.
inleiding prof. dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld Harrie Brouwers
Homiletische hulplijnen 121
Gaza
In de Amerikaanse oorlogsretoriek speelt de Bijbel een bedenkelijke rol. Bekend is het voorbeeld van Pete Hegseth, de huidige minister van oorlog van de Verenigde Staten, die in een gebedsbijeenkomst Ezechiël 25,17 voorlas, althans dat gaf hij voor te doen. Hij las echter een fictieve versie, zoals die door Samuel L. Jackson in de film Pulp Fiction (1994) wordt uitgesproken. In de film luidt de tekst:
The path of the righteous man is beset on all sides by the inequities of the selfish and the tyranny of evil men. Blessed is he who, in the name of charity and good will, shepherds the weak through the valley of darkness, for he is truly his brother's keeper and the finder of lost children. And I will strike down upon thee with great vengeance and furious anger those who would attempt to poison and destroy my brothers. And you will know my name is the Lord when I lay my vengeance upon thee.
In werkelijkheid leest Ezechiël 25,17:
Ik zal mij meedogenloos op hen wreken, in mijn toorn zal ik hen straffen, en dan, als mijn wraak hen treft, zullen ze weten dat ik de Heer ben.
Hegseth had het citaat ook maar in handen gekregen. Hij was niet zelf in de Bijbel op zoek gegaan. Toen de aap uit de mouw kwam dat hij een niet bestaande bijbeltekst had gebeden, en uit welke bron, was hoongelach zijn loon. Zulk bijbelgebruik wordt als typerend beschouwd voor het Amerikaanse evangelicalisme.
Daar valt meer over te zeggen. Onder Amerikaanse evangelicals woedt een richtingenstrijd die zich het eenvoudigst als volgt laat uitleggen. De evangelist Billy Graham, een vooraanstaand evangelical, was de geestelijke die aan maar liefst negen presidentiële inauguraties deelnam. Die van Dwight D. Eisenhower (1953), Lyndon B. Johnson (1965), Richard Nixon (1969), Ronald Reagan (1981), George H.W. Bush (1989), Bill Clinton (1993 & 1997) en George W. Bush (2005). Hij was geen partizaan, hij leidde het gebed zowel bij Republikeinse als Democratische presidenten.
Zijn zoon Franklin Graham echter heeft alleen bij de inauguratie van Republikeinse presidenten gebeden: bij die van George W. Bush (2001) en Donald Trump (2017 & 2025). Hij is wel een partizaan en een rabiaat Trumpist.
Het Amerikaanse evangelicalisme is zich aan het hergroeperen langs deze waterscheiding die zich in de Graham-dynastie laat aanwijzen.
Daarbij hoort ook bezinning op bijbelgebruik. De media hebben zich wel smalend uitgelaten over Pete Hegseth’s Ezechiëllezing, maar hadden grondiger onderzoek kunnen doen. De betreffende Ezechiëltekst maakt deel uit van een perikoop (vv. 15-17) die zich richt tegen de Filistijnen:
Dit zegt God, de heer: De Filistijnen zijn wraakzuchtig geweest, ze hebben zich vol minachting gewroken; gedreven door een eeuwigdurende haat hebben ze verwoestingen aangericht. Daarom – zegt God, de heer – zal Ik mijn hand tegen de Filistijnen opheffen. Ik zal die Kretenzers uitroeien, en wie er van hen in de kustvlakte nog in leven is, richt Ik te gronde. Ik zal me meedogenloos op hen wreken, in mijn toorn zal Ik hen straffen, en dan, als mijn wraak hen treft, zullen ze beseffen dat Ik de heer ben.’
In fundamentalistische kringen worden de bijbelse Filistijnen en de huidige Palestijnen gemakkelijk vereenzelvigd – het gaat immers om dezelfde woordstam.
Het is schrikbarend wat bij gevolg wordt omarmd als zijnde ‘bijbelse’ profetieën. En paar voorbeelden:
Verhongering
Juich niet te vroeg, Filistijnen,
nu de stok die jullie sloeg is gebroken.
Want zoals uit een wortel een plant groeit,
zo baart de slang een adder
en die brengt een vliegende gifslang voort.
Zelfs de allerarmsten hebben genoeg te eten,
de behoeftigen vlijen zich rustig neer,
maar jullie nazaten laat Ik verhongeren
en wie er nog over is, wordt omgebracht.
Weeklaag, poorten,
steden, schreeuw het uit,
beef van angst, Filistijnen.
Want uit het noorden nadert rook,
een leger in gesloten gelederen.
(Jesaja 14,29vv)
Totale vernietiging
Want de dag is aangebroken
om alle Filistijnen uit te roeien,
om Tyrus en om Sidon te beroven
van hun laatste bondgenoot.
De heer vernietigt alle Filistijnen,
het volk dat ooit van Kreta kwam.
(Jeremia 47,4)
Rivièra van het Midden-Oosten
Gaza zal verlaten zijn, Askelon een woestenij, Asdod wordt midden op de dag ontvolkt, Ekron ontworteld. Wee jullie, bewoners van de kustvlakte, Kretenzers! De heer spreekt zich uit tegen jou, Kanaän, land van de Filistijnen! Ik zal je te gronde richten, met al je bewoners. De kustvlakte wordt grasland, met weidegrond voor herders en kooien voor schapen en geiten. Het gebied zal toevallen aan wie er van Juda overblijven. Zij zullen daar weiden en ’s avonds rusten in de huizen van Askelon, want de heer, hun God, zal naar hen omzien en hun lot ten goede keren.
(Sefanja 2,4-7)
Evangelicale heroriëntatie kan slechts dan tot een gezond krachtenveld leiden als hun leiders bereid zijn het onder hen gangbare bijbelgebruik te herzien. Zulks is niet eenvoudig. Vooroordelen en kwaadwillende identificaties moeten een voor een worden weggenomen. Er is bezinning nodig op wat als bijbelse profetieën mag gelden. Dat zijn geen voorspellingen als de Prophéties van Michel Nostradamus (1555). Profeteren is spreken in naam van de Ene: ‘zo spreekt de Heer’, en dat laat zich nooit fixeren op eenzijdige belangen of op vijandsbeelden vastleggen.
Protestanten – en zeker fundamentalistische protestanten – zijn – meer dan katholieke bijbellezers – geneigd geloof te hechten aan uiteenzettingen in de trant van ‘Wat zeg de Bijbel over…?’ Katholieken daarentegen menen: de Bijbel zegt helemaal niets! Maar door een gelovige lezing in liturgie, diaconaat en spiritualiteit kan de Bijbel tot spreken komen. Fundamentalisten zijn zich er niet van bewust dat zij na hun bijbellezing ‘dus’ zeggen. Hun lezing en de interpretatie ervan vallen samen: ‘Het staat er toch?’ Katholieken daarentegen zijn zich ervan bewust dat vruchtbaar bijbellezen slechts voort kan komen uit een attitude die zich door de lezing laat gezeggen (de hermeneutische cirkel). Marc-Alain Ouaknin zegt: ‘Interpretatie is in opstand komen tegen wat in de tekst niet ethisch is.’
Ik zoek naar een volgende bijbeltekst om in een bidstond Pete Hegseth aan te reiken. Een passage die ruimte biedt en bestaande verhoudingen ontregelt.
In het Nieuwe Testament komen geen Filistijnen voor. Gaza wel. Eénmaal volgens de Nederlandse, tweemaal volgens de Griekse concordantie.
De eerste maal is in Handelingen 8,26:
Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Ga tegen de middag naar de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza.’
Eén vers later valt nogmaals het Griekse woord gaza. Dat is uiteraard niet toevallig, gaza is een Perzisch leenwoord, het betekent: de koninklijke schat(kist):
Filippus deed wat hem gezegd werd en ging naar die weg toe. Net op dat moment was daar een Ethiopiër, een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, die belast was met het beheer van haar schatkist.
In heel het Nieuwe Testament komt het woord niet voor, behalve hier direct aansluitend aan de gelijkluidende plaatsnaam. Dat is kenmerkend voor plaatselijke legendes, ze hebben een etiologische en (volks)etymologische interesse.
In Handelingen wordt dus de etymologie van Gaza opnieuw bepaald. De naam die – in het Hebreeuws – oorspronkelijk gehoord werd als ‘versterking’, ‘vesting’, krijgt hier omwille van de uitbreiding van de reikwijdte van het evangelie een nieuwe herkomst. Gaza wordt nu afgeleid van de legendarische rijkdom van de kandake, van haar schat die wordt beheerd door deze bijbellezer, geloofsleerling en dopeling: een eunuch, een Ethiopiër – ook een minister, niet van oorlog, maar een die op de derde dinsdag van september het koffertje draagt. Onze aandacht wordt afgeleid van de militaire notie van de onneembare vesting, naar een oikonomia van rijkdom en overvloed.
De naam Gaza markeert een beslissende wending in het vroege christendom, toen het de dei-waarden begon te omarmen, die maga (Make America Great Again) recentelijk heeft uitgebannen:
diversity – diversiteit
equity – gelijkwaardigheid (eigenlijk kansengelijkheid)
inclusion – inclusiviteit
Als de heilige Paula van Rome (347-404) in 385 Gaza bezoekt, overdenkt zij bij zichzelf ‘hoe de Ethiopische eunuch als voorafschaduwing van de heidenvolkeren, “van huid was veranderd”, en bij zijn lezing van het Oude Testament de bron het Evangelie had gevonden’ (Hieronymus, Epistula 108 XI,1).
In haar bespiegelingen geeft dus vooral de huidskleur van de man haar te denken. De Ethiopiër is zwart. Desalniettemin betrekt zij hem bij de lieve christenheid, want – met een toespeling op Jeremia 13,23 – hij is ‘van huid veranderd’. Volgens Jeremia is dat onmogelijk: ‘Sal oock een Moorman sijne huyt veranderen? ofte een Luypaert sijne vlecken?’(Statenvertaling 1637 – in de kanttekeningen spreekt de Statenvertaling van een ‘Mooriaen’).
Diezelfde Statenvertaling heeft in Hooglied 1,5: ‘Ick ben swart, doch lieflick.’ Hetzelfde ‘desalniettemin’ dat Paula overpeinst. ‘Nigra sum sed formo(n)sa,’ vertaalt de Vulgaat. Zo klinkt het in de Vespro della Beata Vergine van Claudio Monteverdi: ‘Zwart, maar…’
De huidige Nieuwe Bijbelvertaling van Hooglied heeft een zelfbewust: ‘Donker ben ik, en mooi als de tenten van Kedar, als het doek van Salomo’s tenten.’ Maar ook hier weet de vrouw van achterstelling: ‘Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben, omdat de zon mij heeft gebrand’ (v. 6).
In Handelingen daarentegen speelt de huidskleur van de Ethiopiër geen rol. Kleur wordt wel gezien, denk aan ‘Simeon, die Niger werd genoemd’ (Hand. 13,1), maar maakt geen verschil. De heilige Paula daarentegen ziet hoe zwart de Ethiopiër is, maar redeneert de kleur weg: nu hij Christus volgt, is hij niet zwart meer. Met de beste bedoelingen – zij meent heel inclusief te zijn – ontkent ze hem zijn kleur: ‘hij is van huid veranderd’, hij heeft zich aangepast aan de witte norm.
Zoals gezegd, in Handelingen speelt kleur geen rol. De aandacht gaat veeleer uit naar het feit dat hij een eunuch is, een castraat. ‘Een Camerling,’ vertaalt de Statenvertaling verhullend, maar licht in de kanttekening toe: ‘dat is, gesnedene, gelijck sodanige meest voor Camerlingen by groote Princessen gebruyckt wierden’. Een kamerling bij die grote prinsessen, dat klinkt toch teveel als harembewaarder. Plutarchus schrijft in zijn Demetrius XXV,5: ‘Het was (onder koningen) gebruikelijk om eunuchen als schatbewaarders aan te stellen.’
Kan een eunuch in de gemeente worden opgenomen? Deuteronomium 23,2 is er duidelijk over: ‘Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, moet de toegang tot de gemeenschap van de heer worden ontzegd’.
De Ethiopiër echter – zo wil het verhaal – heeft zich in Jeruzalem bekend gemaakt als een niet-jood die God vereert, een ‘godvrezer’ (zie Hand. 10,2; 17,4.17; 18,7). Op de vraag wat een volgende stap voor hem zou kunnen zijn – hoe besnijd je een eunuch? zou hij proseliet kunnen worden? (Mat. 23,15; Hand. 6,5) – is hem een Jesajarol overhandigd. Daarmee reist hij nu naar huis. In de hele Hebreeuwse Bijbel is het namelijk alleen de profeet Jesaja die zich met kracht keert tegen uitsluiting van eunuchen:
De vreemdeling die zich met de heer heeft verbonden,
laat hij niet zeggen:
‘De heer zondert mij zeker af van zijn volk.’
En laat de eunuch niet zeggen:
‘Ik ben maar een dorre boom.’
Want dit zegt de heer:
De eunuch die mijn sabbat in acht neemt,
die keuzes maakt naar mijn wil,
die vasthoudt aan mijn verbond,
5hem geef Ik iets beters dan zonen en dochters:
een gedenkteken en een naam in mijn tempel
en binnen de muren van mijn stad.
Ik geef hem een eeuwige naam,
een naam die onvergankelijk is.
En de vreemdeling die zich met de heer heeft verbonden
om Hem te dienen en zijn naam lief te hebben,
om dienaar van de heer te zijn
– ieder die de sabbat in acht neemt en niet ontwijdt,
ieder die vasthoudt aan mijn verbond –,
hem breng Ik naar mijn heilige berg,
hem schenk Ik vreugde in mijn huis van gebed;
zijn offers worden op mijn altaar aanvaard.
Mijn tempel zal heten Huis van gebed voor alle volken.
(Jesaja 56,3-7)
Jesaja heeft niet in het luchtledig geprofeteerd. In de deuterocanonieke boeken klinkt in het boek Wijsheid zijn echo:
Gelukkig is de eunuch die geen zonde heeft begaan en geen kwaad heeft bedacht tegen de Heer: hij ontvangt een uitgelezen geschenk voor zijn trouw en een bijzondere plaats in de tempel van de Heer.
(Wijsheid 3,14)
Het verhaal wil dat – tegen deze intertekstuele achtergrond – de Ethiopiër in zijn reiswagen Jesaja 53 zit te lezen. Nog drie hoofdstukken en hij is bij de passage die hem verwelkomt en toegang verleent tot – waar het boek Deuteronomium hem van wilde uitsluiten – ‘de gemeenschap van de heer’.
Filippus is hem voor, loopt langs de wagen op en wordt verzocht in te stappen. De hardop gelezen – al het lezen in de Oudheid was oplezen – passage Jesaja 53 is een van de meest geciteerde hoofdstukken in het Nieuwe Testament. Met deze schrifttekst als uitgangspunt begon Filippus met hem te spreken over het evangelie van Jezus (Hand. 8,35). Dan gaat het snel, de eunuch wil gedoopt worden: ‘Kijk, water! Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?’ (v. 36). Te snel volgens sommige handschriften, die hem eerst een geloofsbelijdenis in de mond willen leggen. Zij voegen toe: ‘Filippus zei tegen hem: “Als u gelooft met heel uw hart, is het toegestaan.” Hij antwoordde: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is’’’ (v. 37). Dan is het ook het laatste beletsel weggenomen, ‘hij liet de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch, waarna Filippus hem doopte’ (v. 38).
In deze passage – en de overlevering ervan – blijken drie hindernissen de opname van de Ethiopiër in ‘de gemeenschap van de heer’ in de weg te hebben gestaan: het feit dat hij zwart is, het feit dat hij een eunuch is, het feit dat hij de geloofsbelijdenis niet kent. In het boek Handelingen van de apostelen worden deze hindernissen met gemak genomen. Huidskleur, seksuele identiteit en confessie bepalen en beperken ‘de gemeenschap van de heer’ niet, die wordt veeleer gekenmerkt door diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusiviteit.
Het woord waar Handelingen 8 dit alles aan ophangt is gaza, rijkdom, een schatkist aan kostbaarheden, de flonkering van gouden en zilveren munten, de staatskas. Dat is nieuw, voorheen werd Gaza militair gedefinieerd als vestingstad. Heel beslist echter onttrekt het boek Handelingen de stad aan het ministerie van oorlog. Dit is de kosmopolitische stad aan de oude handelsroute, waar culturen elkaar ontmoeten en wereldreligies met elkaar in vrede leven. Zo was het nog aan het begin van de twintigste eeuw.
Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,