- Versie
- Downloaden 8426
- Bestandsgrootte 483.70 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 31 mei 2018
- Laatst geüpdatet 30 juli 2026
Nummer 5– 98ste jaargang 2026 – september/oktober
TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING
UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN
6 september 2026 Drieëntwintigste zondag door het jaar
Inleiding G. van Buul OFM
Preekvoorbeeld drs. J. Rademakers
13 september 2026 Vierentwintigste zondag door het jaar
Inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
Preekvoorbeeld P. Heysse
20 september 2026 Vijfentwintigste zondag door het jaar
Inleiding drs. T. van Adrichem OFM
Preekvoorbeeld drs. E. Smeets
27 september 2026 Zesentwintigste zondag door het jaar
Inleiding prof. dr. P. Beentjes
Preekvoorbeeld prof. dr. H. Rikhof
4 oktober 2026 Zevenentwintigste zondag door het jaar
Inleiding dr. S. Mangnus OP
Preekvoorbeeld H. Brouwers
11 oktober 2026 Achtentwintigste zondag door het jaar
Inleiding H. Janssen OFM
Preekvoorbeeld dr. J. Hulshof SM
18 oktober 2026 Negenentwintigste zondag door het jaar
Inleiding drs. M. van der Post
Preekvoorbeeld drs. K. Touwen
25 oktober 2026 Dertigste zondag door het jaar
Inleiding dr. Y. v.d. Akker-Savelsbergh
Preekvoorbeeld prof. dr. J. de Lange
Homiletische hulplijnen 122 drs. K. Touwen
6 september 2026
Drieëntwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Ezech. 33,7-9; Ps. 95; Rom. 13,8-10; Mat. 18,15-20 (A-jaar)
Inleiding
Ezechiël 33,7-9
Ezechiël behoorde tot een priestergeslacht en werd mogelijk rond 590 vChr. mee in ballingschap naar Babel gevoerd. Enkele jaren na zijn aankomst daar werd hij geroepen om te profeteren. Hoe Ezechiël zich voelde voordat hij geroepen werd is niet duidelijk. In zijn roepingsverhaal lijkt het alsof hij zich neerlegt bij zijn trieste bestaan en nu de opdracht krijgt om stevig op zijn voeten te gaan staan (2,2). Dan hoort hij dat hij als profeet tot de Israëlieten in ballingschap gezonden wordt, tot het weerspannige volk dat zich tegen de Heer heeft gekeerd (2,3). Hier is echter een probleem. Volgens de NBV21 gaat het hier om het weerspannige volk Israël. De originele Hebreeuwse tekst geeft echter een meervoudsvorm. Wie zijn in dit geval de weerspannige volken? De profetenwoorden van Ezechiël zullen zeker niet altijd met enthousiasme ontvangen worden, maar hij hoeft daar niet angstig door te worden (2,6). Niet voor niets is zijn naam ‘Ezechiël’, dat willen zeggen ‘God zal kracht geven’.
In hoofdstuk 33, waaruit onze perikoop is genomen, wordt de profeet door God aangesteld als wachter of schildwacht voor het huis Israël (v. 7a). Vanaf zijn post op de stadmuren moet de schildwacht de omgeving in de gaten houden en het volk waarschuwen bij dreigend gevaar. Maar Ezechiël is geen schildwacht in de gewone betekenis van het woord. Zijn wachtpost is niet op de stadsmuren. In tegendeel: zijn plaats is te midden van het volk en vandaar moet hij de situatie van zijn volk onder ogen zien om zo de verkondiger van hun herstel te worden.
Als profeet moet Ezechiël Gods stem zijn en het volk oproepen tot waakzaamheid (v. 7). Zijn opdracht is het om zijn medeballingen aan te moedigen in de strijd om de gerechtigheid en om de verantwoordelijken voor het onrecht aan te klagen. De profeet mag niet zwijgen tegenover de veroorzakers van onrecht: ‘Als Ik tot de boosdoener zeg’: ‘Gij boosdoener, gij zult zeker sterven. En als gij dan niets zegt om de boosdoener van zijn weg af te houden, dan sterft die boosdoener wel door zijn eigen schuld, maar dan kom ik zijn bloed van u opeisen.’ De strijd om het recht is een kwestie van leven of dood. Voor de profeet bestaat er geen keuze. Om het leven te redden móet hij aanklagen. Als hij dat niet doet zal er geen herstel zijn voor het volk. De profeet moet een baken zijn in de strijd om het recht, want alleen zo zal het volk zijn leven in vrijheid herwinnen.
Psalm 95,1-2.6-7.8-9
In de verzen 1v en 6 roept Israël op tot lof aan God. De tussenliggende verzen (3-5) zijn die lofzang op God de Levende. In vers 7 zien we het motief voor die lofzang. Maar een lofzang alleen is niet genoeg. Het is een kwestie van ‘doe het nu, luister naar zijn woord.’ Vers 8 is een keerpunt waarin God zelf het woord neemt. Van mooie woorden heeft Hij genoeg. Laat niet weer gebeuren wat het geval was in de woestijn van Meriba waar de vaderen zich van God afkeerden ondanks het feit dat ze gezien hadden wat Hij gedaan had.
Romeinen 13,8-10
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 18,15-20
Wie in verschillende bijbeluitgaven zoekt naar een titel voor de perikoop van deze zondag komt een veelheid van suggesties tegen zoals: ‘onderricht aan de broeders’, ‘broederlijke terechtwijzing’, ‘gebed en vergeving’, ‘kerkelijke tucht’, ‘de broeder die zondigt’ om er maar enkele te noemen. Dat geeft wel aan dat deze tekst op verschillende manieren gelezen of geïnterpreteerd wordt. Zo vreemd is dat niet aangezien hier elementen aanwezig zijn die we ook elders aantreffen en die Matteüs mogelijk in meerdere of mindere mate geïnspireerd hebben. Spreken over de inspiratie van Matteüs geeft al aan dat het eerder gaat om uiteenzettingen van de evangelist dan van Jezus aan wie de auteur al deze uitspraken toeschrijft.
Terechtwijzing, vergeving en uitsluiting
Het begin van deze perikoop is een uitgebreidere versie dan we tegenkomen in Lucas 17,3-4, terwijl de Lucasversie veel sterker overeenkomt met de tekst in (de hypothetische bron) Q: ‘Indien één van je broeders of zusters zondigt, spreek die dan ernstig toe; en als ze berouw hebben, vergeef hun. En als ze zevenmaal op een dag tegen je zondigen en zevenmaal naar je terugkeren en zeggen ‘ik heb berouw’, dan moet je hun vergeven.’ Sommige manuscripten laten de vermelding ‘tegen je’ achterwege, blijkbaar om een verbinding te maken met de gemeenschap als geheel. Het is de gemeenschap die dan de zondaar als ‘heiden’ of ‘tollenaar’ aanmerkt en hem tenslotte uitsluit. Op deze manier geeft de auteur een handelswijze of praktijk in de christelijke gemeente aan, dus van ongeveer een halve eeuw na het optreden van Jezus. Mogelijk heeft de evangelist zich hier ook laten inspireren door bepaalde praktijken in de Yachad, de gemeenschap van Qumran, waar terechtwijzing en uitsluiting van zondaars door (de raad van) de gemeenschap bepaald en uitgevoerd werden.
De evangelist gebruikt hier het Griekse ekklèsia, de vertaling van het Hebreeuwse qahal, de plaatselijke gemeenschap van gelovigen. Hij beschrijft hoe die gemeenschap omging met personen die de eenheid van de gemeente op het spel zetten. Een titel als ‘kerkelijke tucht’ voor deze perikoop kan de lezer op een verkeerd spoor zetten en hem doen denken aan een kerkelijk rechtssysteem zoals zich dat in later tijden ontwikkeld heeft. Hier moeten we voor alles denken aan een meer democratische handelswijze en besluitvorming.
Heiden of tollenaar
Deze twee typen personen worden hier in een negatief daglicht gesteld, ofschoon zij niet zelden op bijzonder positieve wijze door Jezus bejegend werden. We kunnen hier denken aan de genezing van de knecht van de Romeinse honderdman (8,5-13), de roeping van de tollenaar Matteüs (9,9-13), de genezing van het dochtertje van de Kanaänitische vrouw (15,21-28). Voor de evangelist en zijn gemeenschap waren heidenen en tollenaars de prototypen van ongelovigen en zodoende mensen die niet tot de christelijke gemeente behoorden.
Binden en ontbinden
Volgens sommigen gaat het bij deze twee uitdrukkingen om het gezag om zonden te vergeven en vaak ook om een soort leergezag. Ongetwijfeld kunnen deze begrippen op deze wijze verstaan worden zoals we kunnen zien in 16,13-20 waar aan Petrus de autoriteit van binden en ontbinden wordt verleend.
In onze perikoop lijkt het echter op de eerste plaats te gaan om het gezag van de gemeente als geheel om een zondige broeder of zuster met zoveel autoriteit te vergeven of uit de gemeenschap te stoten, dat deze beslissing zelfs door de hemel gerespecteerd wordt.
Eensgezindheid van een twee- of drietal
‘Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’ (18,20). Dit is een duidelijke overtuiging van de gemeente van Matteüs na de verrijzenis en hemelvaart van Jezus. Ofschoon Hij lijfelijk niet meer aanwezig is, is de vereniging in zijn naam de garantie voor de gelovigen dat de Heer met hen is. Een overeenkomstige overtuiging bestond onder de Joden. Met de verwoesting door de Romeinen in het jaar 70 van de tempel van Jeruzalem, Gods woning op aarde, was ook voor hen het zichtbare bewijs van Gods aanwezigheid verloren gegaan. Volgens de rabbijnse traditie was de Sjechina, de goddelijke aanwezigheid echter gegarandeerd als twee leden van het Joodse volk zich samen toelegden op het lernen van de Tora.
Preekvoorbeeld
Moet ik over jou waken???
Wij mensen hebben elkaar nodig. Iemand die beweert: ik kan het wel alleen af, ik heb niemand nodig, realiseert zich nauwelijks hoe afhankelijk we zijn. Als we denken we aan onze eerste levensbehoeften, eten en drinken, een dak boven ons hoofd, kunnen we misschien beseffen wat mensen overkomt die ten gevolge van oorlog en natuurrampen alles kwijt zijn geraakt.
Dat wij mensen elkaar nodig hebben, raakt eigenlijk de kern van ons bestaan wanneer we ons als gelovige mogen zien zoals we door God bedoeld zijn: Gods evenbeeld om als man en vrouw steeds meer op de Eeuwige te gaan gelijken.
Bij dit verhaal over wie wij mensen zijn hoort ook het beroemde verhaal van de moord van Kaïn op zijn broer Abel. Wanneer daar de vraag van de Eeuwige klinkt: ‘Waar is je broer?’, dan luidt het antwoord: ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ Met deze vraag wordt eigenlijk aangegeven waarin Kaïn ten diepste heeft gefaald.
Want met deze vraag wordt duidelijk hoe wij mensen bedoeld zijn. U en ik. Hoe wij aangewezen zijn op elkaar, namelijk als mensen die waken over elkaar. Dan hoort bij menszijn, dat je durft te leven vanuit een verbonden zijn met elkaar. Dat je daarvoor opkomt.
Het verhaal roept op om onze verantwoordelijkheid serieus te nemen door daden van waakzaamheid. Dat wanneer we zien hoe mensen falen en de verkeerde weg inslaan, we daar ook een verantwoordelijkheid hebben. Dat hoort bij ons mens-zijn. Dat is geen vrijblijvende houding maar een oproep van de Eeuwige zoals we die mogen verstaan uit de woorden van de profeet Ezechiël uit de eerste lezing.
We worden daar namelijk geconfronteerd met de werkelijkheid dat mensen bewust kiezen voor geweld, voor al datgene wat in de ogen van God strijdig is met het echte welzijn van mensen. Dat mensen kiezen voor eigenbelang en eigen macht ten koste van medemensen. Dat mensen keuzes maken die uiteindelijk geen toekomst hebben.
In het bijbelwoord horen we dan dat de profeet als wachter aangesteld is, voor zijn volk,
voor zijn mensen. Een zware verantwoordelijkheid rust op hem: naar mensen toegaan en wijzen op wat wegen ten leven zijn en welke wegen daarvan afwijken.
God laat mensen, U en mij, vrij om te kiezen welke weg te gaan. Maar de profeet – evenals iedere medemens – heeft de taak, de opdracht, te waken, als antwoord op de vraag van Kaïn: ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’
De profeet maakt duidelijk dat deze opdracht niet gering is, je kunt hem niet zomaar naast je neerleggen. De lotsverbondenheid met je medemens is niet vrijblijvend maar raakt je tot in je kern, waar je antwoord mag geven op de vraag van de Eeuwige. Alleen wanneer je die waakzaamheid serieus neemt is er toekomst.
Geen eenvoudige opdracht, ga er maar eens aanstaan, hoe gemakkelijk krijg je niet te horen: ‘Waar bemoei je je mee. Dat maak ik zelf wel uit.’ Iemand van het kwade afhouden is niet zonder risico, denkend aan de vele voorbeelden van zinloos geweld, waarbij juist degene, die waakzaam over zijn medemens wil optreden het slachtoffer wordt.
Hoe afschuwelijk ook, het mag er niet toe leiden dat je het kwade geen halt toeroept. Het waken over je medemens geldt overal waar mensen leven en mens willen zijn.
Ook in onze kerkelijke gemeenschap. Het evangelie laat ons vandaag duidelijk verstaan wat dat waken over elkaar dan kan betekenen. Niet voor niets staat er ‘wanneer je broeder of zuster zondigt’, met andere woorden wanneer de gemeenschap als gemeenschap in diskrediet wordt gebracht. Een kerk van mensen zal steeds de kenmerken van mensen blijven houden: mensen met hun eigen wensen, met goede en minder goede kanten. Waar het dienstbaar zijn aan het geheel niet altijd gemakkelijk verloopt als eigen belang in het geding komt.
En dan horen we hoe de jonge kerk in het evangelie daarmee omgaat: wanneer een broeder of zuster zondigt, moet je die daarop onder vier ogen aanspreken. Zo krijgt het waken over elkaar gestalte. Dat is heel wat anders dan meteen het praatjescircuit opgaan met: ‘Heb je gehoord wat hij/zij heeft gezegd? Dat is toch…’
Onder vier ogen wordt er ruimte geboden. Als dat niet lukt, probeer dan pas een of twee anderen mee te nemen, die eveneens in vertrouwen aangeven wat dit voor de gemeenschap betekent. Ook hier wordt weer ruimte gegeven. Paulus’ woorden ‘Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde…’ (Rom. 13,8) en ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ (Lev. 19,18) blijven leidend.
Pas als de persoon in kwestie volhardt in het kwaad, ontstaat er een nieuwe situatie. Dan heeft deze broeder of zuster zich in feite zelf buiten de gemeenschap geplaatst.
Wanneer in een geloofsgemeenschap het waken over elkaar zorgvuldig gebeurt, heeft dat consequenties die verder reiken. Daar is toekomst. Dat heeft in Gods ogen betekenis. ‘In de hemel gebonden of ontbonden’ gaat niet zozeer over een of andere plaats, maar over hoe God ons wil zien. Hemel als een ander woord voor God. Een God die ons de ruimte wil geven om in vrijheid te kiezen voor Hem of desnoods tegen Hem.
Gods uitnodiging blijft staan: om te kiezen voor het goede, en om terug te keren. Jezus heeft dat in zijn leven maar al te duidelijk laten zien. In woord en daad bood Hij nieuwe kansen als verkondiger van Gods barmhartigheid en mildheid en blijvende menslievendheid.
Zo wordt ook duidelijk, dat de basis waaruit we steeds opnieuw mogen leven, ligt in de fundamentele belofte: ‘Waar twee of meer in mijn naam bijeen zijn daar ben Ik in hun midden.’
Deze belofte, deze fundamentele trouw wordt hier uitdrukkelijk uitgesproken Die blijft aan de basis liggen om het waken over elkaar steeds opnieuw vorm te geven.
Dit mag ook gelden wanneer we samen als kerk op weg gaan om te zien welke plaats we gaan innemen in onze veranderende maatschappij. Bidden we dat Gods geest ons daarbij steeds mag blijven inspireren.
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld drs. John Rademakers
13 september 2026
Vierentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Sir. 27,30–28,7; Ps. 103; Rom. 14,7-9; Mat. 18,21-35 (A-jaar)
Inleiding
Hoe kun je samen volk van God zijn? Wat betekent dit voor je handelen jegens de ander, je medemens? En wat als er dan iets scheefloopt in de relatie? Als er een misstap wordt begaan door jou of door de ander? Als er onrecht is gedaan aan jou, aan de ander of aan God? In de schriftlezingen van vandaag wordt dit vraagstuk vanuit verschillende perspectieven belicht.
Sirach 27,30–28,7 (Vulgaat 27,33–28,9)
Wijsheid van Jezus Sirach wordt gerekend tot de deuterocanonieke boeken van de canon in de katholieke en christelijk-orthodoxe kerken. De in het Grieks geschreven tekst maakt deel uit van de Septuagint. De proloog stelt dat het een Griekse vertaling betreft van de Hebreeuwse tekst van de hand van Ben Sirach, gemaakt door de kleinzoon voor de Griekssprekende diaspora in Egypte. Pas aan het eind van de 19e eeuw en in de loop van de 20ste eeuw zijn fragmenten van dit oorspronkelijke Hebreeuwse geschrift teruggevonden. De Hebreeuwse tekst van Ben Sirach wordt gedateerd in het eerste kwart van de 2e eeuw vChr. en de Griekse vertaling in het derde kwart van de 2e eeuw vChr. Het boek behoort tot de Wijsheidsliteratuur in de Bijbel, waartoe ook Spreuken, Prediker, Job en Wijsheid van Salomo worden gerekend. Het taalgebruik is kenmerkend voor het genre poëzie en de tekst bevat tal van wijsheidsuitspraken in de vorm van spreuken, gezegden, gelijkenissen, etc.
Het tekstgedeelte uit de lezing van vandaag over het koesteren van wrok en woede (KBS 1975: gramschap) maakt deel uit van een langere passage waarin allerhande gedragingen worden besproken die de harmonie in de gemeenschap verstoren. Het tekstgedeelte bespreekt twee mogelijke reacties op situaties waarin de ene mens onrecht is aangedaan door de andere. Deze situaties veroorzaken een disbalans in de relatie, er staat als het ware een schuld uit. Deze openstaande schuld vraagt om een reactie die gericht is op het vereffenen van die schuld, zodat de disbalans wordt opgeheven. Sirach geeft advies over twee mogelijke reacties: wraak (kwaad met kwaad vergelden) en vergeving (kwijtschelden). Hij plaatst beide opties lijnrecht tegenover elkaar. De eerste wijst hij in de stelligste bewoordingen af: wrok en woede zijn afschuwelijk! (v. 30); waarna hij aanspoort tot de tweede: ‘Vergeef…!’ (v. 2).
Sirach verbindt de manier waarop de persoon reageert naar zijn medemens met de wijze waarop God op hemzelf zal reageren: Wie wraak neemt, kan Gods wraak verwachten (v. 1); wie vergeeft, zal – wanneer hij daarom bidt (!) – door God vergeven worden (v. 2). Sirach onderbouwt deze stellingen niet argumentatief, maar maakt gebruik van een retorisch hulpmiddel om de lezer te overtuigen: hij stelt drie retorische vragen die ‘nee’ als antwoord impliceren, waarmee de onderliggende logica als het ware door de lezer zelf wordt beaamd. Als mens kun je van God niet iets verwachten, dat jij zelf niet betracht in jouw eigen handelen naar je naaste toe. Een denkwijze die twee eeuwen later opnieuw klinkt in de woorden van het ‘Onze Vader’ dat Jezus zijn leerlingen leert: ‘En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben (in het Grieks staat een perfectum) aan onze schuldenaren’ (6,12). Een principe dat kennelijk zo belangrijk is voor Jezus, dat Hij het direct na de woorden van het gebed onderstreept: ‘Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven’ (6,14v).
Na drie keer ‘wat niet’ te hebben onderstreept, eindigt Sirach zijn betoog met een viervoudig ‘wat wel’, namelijk met wat je wel voor ogen moet houden en wat het daaruit voortvloeiende gewenste gedrag is: ‘houd op met haten’, ‘volhard in de geboden’, ‘haat je naaste niet’ (verg. Lev. 19,18) – en ‘zie voorbij aan de onwetendheid.’
Sirach gaat met zijn inzet op vergeving in plaats van vergelding in zijn ethische denken over rechtvaardigheid nog een stap verder dan de Lex talionis, dat is de wet gericht op herstel van recht middels proportionele vergelding (‘oog om oog, tand om tand’, zie Ex. 21,23vv; Lev. 24,19v, Deut. 19,21), waarmee de toenmalige praktijk van onbegrensde vergelding werd ingeperkt.
Romeinen 14,7-9
De verzen uit tweede lezing vormen een onderdeel van een tekstpassage die gaat over het eigen handelen en dat van een ander gericht op het onderhouden van Gods geboden. In het eerste deel van de perikoop (vv. 1-13a) staat het beoordelen of veroordelen van de ander op zijn of haar gedrag centraal (vv. 1-23: 8x krinoo; 1x diakrinoo; 1x katakrinoo). De geadresseerden worden gemaand om geen oordeel over de medegelovige in Christus te vellen op grond van diens interpretatie van de spijsvoorschriften en feestdagenkalender en diens inspanningen om daaraan te voldoen; met andere woorden over de wijze waarop de ander zijn of haar religiositeit vormgeeft. Want: ‘Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of het wel of niet goed is wat hij doet, bepaalt alleen zijn eigen heer.’ (v. 4). Ergo: dit oordeel is niet aan de jou!
De verzen uit de lezing (vv. 7-9) lichten dit standpunt toe. Achter de verschillende handelswijzen van de gelovigen, ligt een vergelijkbare zorg, eenzelfde intentie: de wil om de eigen heer te eren. We zijn op ‘hetzelfde’ of beter gezegd op Dezelfde gericht: de Heer, Christus. Ons hele leven en sterven draait om Hem. In Hem zijn we verenigd. Jij, die andere gelovige en ik, Paulus, staan niet tegenover elkaar, maar vormen een wij: wij zijn broeders en zusters van elkaar. Vanuit dit besef dat er een gedeelde intentie achter de verschillende handelingswijzen schuilgaat én dat er een gedeelde relatie is tot die ene zelfde Heer, vloeit de vermaning van Paulus voort om geen oordeel te vellen over de ander. Het is aan de Heer aan wie het oordeel toekomt. Ieder komt uiteindelijk voor Zijn rechterstoel te staan, zal tegenover Hem verantwoording afleggen. Daarmee haakt de tweede lezing aan bij de laatste verzen (Sir. 28,6v) van de eerste lezing, die eveneens het eschaton en de eigen sterfelijkheid in herinnering brengt en in het licht daarvan maant om voorbij te zien aan het gebrek aan inzicht, de onwetendheid die je bij de ander meent te bespeuren. Wat dat betekent voor je eigen handelen werkt Paulus uit in het tweede deel van dit hoofdstuk: niet de religieuze handelingen vormen de basis van het Koninkrijk Gods, maar de onderlinge vrede.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 18,21-35
De Evangelielezing betreft een leergesprek tussen de leermeester Jezus en zijn leerlingen. Eén van zijn leerlingen stelt Jezus een vraag over hoe een voorschrift uit de Tora concreet moet worden toegepast – in de rabbijnse traditie wordt dit een ‘halachische vraag’ genoemd. De vraag luidt: ‘Hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven?’ Direct gevolgd door een tweede vraag, waarin al een mogelijk antwoord op de eerste vervat zit: Klopt het dat je iemand tot zeven keer toe – een getalswaarde die in de Bijbel staat voor volheid – zou moeten vergeven? Het antwoord van Jezus luidt: Nee, een veelvoud van zeven (70x7!). Het gaat om een zodanig veelvoud dat het een overtreffende trap lijkt te zijn van wat naar menselijke maat nog kan worden verwacht. Dit antwoord sluit aan bij de hoge lat die Jezus eerder in de Bergrede heeft gelegd met zijn interpretaties van de geboden.
Jezus licht zijn antwoord toe met behulp van een gelijkenis (ingeleid met de werkwoordsvorm homoiooo = gelijkstellen/vergelijken; verg. Mat. 7,24.26; 11,16; 13,24; 22,2 en 25,1; Luc. 7,31; 13,18.20; Mar. 4,30), een didactisch instrument om in de vorm van een voor een mens herkenbare werkelijkheid iets te zeggen over de goddelijke werkelijkheid die het menselijk begrip te boven gaat. De gelijkenis bestaat uit twee delen. De uitwerking van de gelijkenis in de vorm van een verhaaltje (vv. 32-34), een parabel. Gevolgd door de ethische toepassing van de gelijkenis (houtoos kai = zo ook…). De gelijkenis maakt duidelijk dat de schuld die een mens bij God heeft vele malen groter is dan de schuld van mensen onder elkaar. Als God een mens zo’n grote schuld kwijtscheldt als hij daarom smeekt, dan zou dat moeten betekenen dat de mens op zijn beurt de per definitie veel kleinere schuld van zijn broeder of zuster zou moeten kwijtschelden als deze daarom smeekt. Met andere woorden: vergiffenis van God ontvangen brengt een verwachting met zich mee ten aanzien van je eigen houding tegenover je medemens; deze verwachting is niet enkel de verwachting van je medemensen, ook God verwacht dit van jou.
De parabel laat zien dat het relationeel handelen tussen God en de mens enerzijds en tussen de mens en zijn medemens anderzijds op elkaar betrokken zijn. Hoe de Heer omgaat met de mens heeft consequenties voor hoe de mens dient om te gaan met zijn medemens. De mens dient zo te handelen naar de ander, zoals hij behandeld is door de Heer. Het mededogen dat hij krijgt, moet hij ook geven aan de ander als die daar een beroep op doet.
Het dubbel gebod van de liefde
De relatie tussen God en mens (verticale relatie) is niet los te zien van de relatie van mens tot mens (horizontale relatie). Daarover gaat het dubbelgebod (Deut. 6,5 & Lev. 19,18), waarover de verschillende Evangeliën spreken (Mar. 12,28-31; Luc. 10,25-27):
Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.
(Mat. 22,37-40 – zie in dit nummer ook blz. 34)
De drie lezingen laten alle drie hun licht schijnen op de verschillende relaties waarover dit dubbelgebod spreekt. Sirach start vanuit de verhouding van de mens tot zijn medemens, zijn naaste, om iets uit te zeggen over de verwachting die de mens mag koesteren richting God; Paulus laat in de brief van de Romeinen het licht vallen op de relatie tussen medemens-God om iets te zeggen over de relatie tussen de mens en zijn medemens. Matteüs tenslotte laat Jezus aan het woord die een parabel vertelt. In deze parabel vertrekt Jezus vanuit de houding van God jegens de mens om iets te zeggen over diens verwachting ten aanzien van de houding van de mens jegens zijn medemens, zijn naaste.
Zo wordt zichtbaar hoe de dynamiek van het voornaamste gebod dat uit twee gelijkwaardige geboden bestaat, in elkaar steekt: de wederzijdse relaties tussen God en mens, God en de medemens en de mens en zijn medemens, vormen samen als het ware een relationele driehoek, waarin de verschillende relaties onlosmakelijk op elkaar betrokken zijn. Een driehoek waarin alle relaties zich kenmerken door wederzijdse liefde: geliefd zijn en liefhebben. Een liefdesrelatie die bij mensen, feilbaar en onvolmaakt als wij zijn in een gebroken wereld, ontelbare keren om vergeving vraagt. Vergeving die God, als wij daarom bidden, in Zijn barmhartigheid telkens weer bereid is te schenken. Daarom: ‘Zegen de Heer, mijn ziel, en heel mijn hart zijn heilige Naam. Zegen de Heer, mijn ziel, en vergeet al zijn weldaden niet’ (Ps. 103,1v).
Literatuur
Skehan, Patrick W. and Di Lella, Alexander A. O.F.M. The Wisdom of Ben Sira, Anchor Bible. Vol. 39. New York: Doubleday, 1987.
Preekvoorbeeld
Als iemand ons kwaad heeft berokkend, grijpt dat ons sterk aan. We zijn enorm ontgoocheld en gekwetst, we voelen ons gekrenkt en we haten de persoon die ons dat heeft aangedaan. Maar zolang we in gekwetste gevoelens blijven ronddolen, hebben we nog niet echt een stap naar vergeving gezet. De stap naar vergeving zetten betekent immers de dader niet langer alleen maar veroordelen, maar hem opnieuw benaderen als een mens die niet alleen slechte maar ook goede kanten heeft. Daarbij kan helpen dat we niet uit het oog verliezen dat wijzelf mensen zijn die ook tot kwaad in staat zijn, en dus meer dan eens ook vergeving nodig hebben.
Dan raakt Petrus wel een heel gevoelige snaar wanneer hij aan Jezus vraagt: ‘Heer, hoe dikwijls moet ik vergeving schenken?’ (Mat. 18,21). Sommige mensen vinden het heel moeilijk iemand te vergeven. Ze vinden het zelfs een teken van zwakte. Maar dat is het hoegenaamd niet. De zwakke kan niet vergeven. Vergeving is een eigenschap van de sterke (Gandhi). Om dat duidelijk te maken vertelt Jezus het verhaal van een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden (vgl. Sir. 27,30–28,7). Daarmee wil Hij ons aan het denken zetten en onze verbeelding prikkelen. In het koninkrijk van God – de manier van samenleven waar de Liefde van God alle kansen krijgt – nemen degenen die zeggen in God te geloven het op zich om zelf ook barmhartig te zijn. Dat is de logica van heel de bijbelse boodschap. Hoe kan een mens die geen erbarmen heeft met zijn medemens, bidden om vergeving voor zijn eigen zonden? (vgl. Sir. 28,4) hoorden we daarnet in de Schriftlezing. Gods goedheid wordt zichtbaar in onze vergevende houding tegenover een ander.
Mensen zeggen dan wel eens: ‘Het is allemaal vergeten en vergeven.’ Maar vergeven betekent niet dat je ook vergéét. Als je gekwetst bent, vergeet je dat niet zomaar. Nee, vergeven is geen manier van vergeten. Integendeel, het is een speciale manier van onthouden: je voelt nog heel goed wat je werd aangedaan en je ziet het opnieuw onder ogen. En wat doe je ermee? Je laat het los, je laat ook de dader gaan en je maakt hem het leven niet zuur; maar je geeft hem een nieuwe kans. Iemand vergeven betekent immers dat je de ander die zijn fout bekent, niet pakt op zijn bekentenis. Je erkent dat de dader meer is dan wat hij misdeed. Hij wordt niet voor altijd op zijn daad vastgepind. Hij blijft een mens en een medemens. Het kwaad dat hij heeft aangericht is misschien onherroepelijk en onherstelbaar, maar daar stopt het niet. Je wilt niet dat het kwaad het laatste woord heeft.
Maar iemand vergeven is niet hetzelfde als je met iemand verzoenen. Als je denkt dat je door te vergeven je weer met de dader zult moeten verzoenen, kan het gebeuren dat je ervoor terugdeinst te vergeven. Vergeven betekent niet dat je je verzoent en dat je weer de beste vrienden wordt. Soms kan dit, soms kan dit echter niet; en heel uitzonderlijk is het zelfs niet wenselijk (bijvoorbeeld als de veiligheid van het slachtoffer in gevaar komt). Dat betekent niet dat verzoening onbelangrijk zou zijn. Ze voltooit de vergeving, maar je kan niet zeggen dat de vergeving pas echt is als er een verzoening op volgt. Hoe dan ook, elkaar vergeven, elke keer opnieuw, zeventigmaal zevenmaal, is een hele opdracht. We zijn dan wel beeld van God, maar we zijn toch ook nog altijd maar mensen.
En als ik van God vergeving verlang, word ik uitgenodigd in gebed naar mijn onmacht te kijken vanuit Gods liefdevolle blik. Het gaat niet alleen om een schuldbelijdenis, maar vooral om een geloofsbelijdenis: ik mag geloven dat Gods Liefde me vergeeft en me in staat stelt anderen te vergeven. Maar de aandacht gaat niet zozeer naar concrete daden, wel naar fundamentele levensoriëntaties. Niet langer: wat heb je mispeuterd? Hoe? Met wie? Waar? Hoeveel keer?... Centraal staat waarop je in je leven ten diepste gericht staat, zoals: ik leef mezelf en God voorbij, ik heb te weinig oog voor de ander naast mij, ik laat onrecht bestaan. Zonde wordt dan een woord om verschillende verstoorde relaties aan te duiden: mijn verhouding tot God, tot mezelf, mijn medemens en andere levende wezens. Dat laat toe aandacht te hebben voor ons bredere levensverhaal: voor wie wij als persoon zijn, en niet zozeer voor wat we al dan niet gedaan hebben; ook al blijken onze grondhoudingen natuurlijk altijd uit concrete daden. En vergeving van Godswege is dan de beweging waarin God zich telkens opnieuw naar mensen toewendt, ons bevrijdt uit onze verstarring en het mogelijk maakt dat wij nieuwe levengevende verhoudingen aangaan.
inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
preekvoorbeeld Paul Heysse
20 september 2026
Vijfentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 55,6-9; Ps. 145; Fil. 1,20c-24.27a; Mat. 20,1-16a (A-jaar)
Inleiding
Gelijkwaardigheid, elkaar het goede/wat billijk is en het leven gunnen is niet vanzelfsprekend in het samenleven van mensen. Gemakkelijk kan er een aandrift opkomen om zichzelf te (laten) verheffen boven anderen. Dat zien we in het evangelie bij de leerlingen en speelt wellicht ook in de geloofsgemeenschappen waar de evangelist Matteüs zijn evangelie voor schrijft.
De lezing uit de profeet Jesaja verkondigt een hoopvolle boodschap door te verwijzen naar: de voortdurende kansen tot ommekeer én de ruimhartige vergevingsgezindheid van onze God.
Jesaja 55,6-9
De hoofdstukken 49–55 van de profeet Jesaja gaan over de wederopbouw van Sion na de periode van ballingschap en hoe daar een vernieuwingsproces onder het volk plaatsvindt.
In de vijf verzen voorafgaand aan onze lezing horen we hoe God als een marktkoopman mensen oproept om aandachtig naar Hem te luisteren en zich met Hem te verbinden. Dan zullen zij eten wat goed is en zij zullen leven in een eeuwig verbond met de Heer, waar ook andere volken zich bij mogen aansluiten.
En dan horen we in de daaropvolgende verzen – onze eerste lezing van vandaag - de aansporing om God te zoeken, nu Hij te vinden is. We horen een oproep om terug te keren naar Hem, van wie gezegd wordt dat Hij rijkelijk vergeeft. God is uitermate vergevingsgezind, Hij geeft steeds weer kansen tot bekering. En dat is een geweldige bron van hoop. Kansen tot omkeer en vergevingsgezindheid vormen wezenlijk bouwstenen van het eeuwig verbond. In dit verbond is het aan de mens om de schepping te vervolmaken en God koning te laten zijn.
Filippenzen 1,20c-24.27a
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95
Vooraf: Matteüs 19,13-30
Het evangelie bevat een gelijkenis over het koninkrijk der hemelen. Die gelijkenis komt niet zomaar uit de lucht vallen, maar speelt in op het voorafgaande gedeelte van het evangelie waarin Jezus het heeft over het binnengaan in het koninkrijk der hemelen.
Wanneer de leerlingen kinderen weghouden van Jezus, reageert Hij met de woorden: ‘Verhinder niet dat ze bij Me komen, want van zulke kinderen is het koninkrijk der hemelen’ (Mat. 19,13-15).
Daarna volgt de ontmoeting tussen Jezus en iemand, die achteraf zeer vermogend blijkt te zijn. Die vraagt Jezus wat voor goeds hij moet doen om het eeuwig leven te krijgen? En Jezus geeft hem als antwoord, dat hij als hij onverdeeld goed wil zijn, zijn bezit moet verkopen en de opbrengst aan de armen moet geven. Ontgoocheld trekt deze persoon zich terug.
Dan zegt Jezus tot zijn leerlingen hoe moeilijk het is voor een rijke om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. En dat brengt een enorme schok teweeg bij die leerlingen
(Mat. 19,25)
Petrus neemt vervolgens het woord en zegt tot Jezus: ‘Kijk wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Wat zullen wij dan krijgen?’ De leerlingen zijn al met Jezus op weg gegaan, ze hebben alles al achtergelaten, maar is dat voldoende? Jezus spreekt hen bemoedigend toe.
Bij de wedergeboorte, dat wil zeggen het einde der tijden, zullen zij met de Mensenzoon tronen op twaalf zetels als helpers bij het oordeel. Maar deze belofte aan de leerlingen mag geen reden zijn voor hen om zich boven anderen te plaatsen of er bepaalde voorrechten aan te ontlenen. Want, zo vervolgt Jezus, ieder die alles achterlaat omwille van Hem, zal het honderdvoudig terugkrijgen en deelhebben aan het eeuwig leven. En bovendien: Vaak zullen de eersten de laatsten zijn en de laatsten de eersten.
Matteüs 20,1-16a
En op deze laatste uitspraak volgt dan de parabel van deze zondag, die van de arbeiders in de wijngaard. Deze parabel valt uiteen in twee delen.
Het eerste deel gaat over een Heer des huizes, een landeigenaar, die op verschillende uren verspreid over de dag er op uit gaat om dagloners aan te werven: vroeg in de morgen, op het derde uur, het zesde en het negende uur en zelfs nog ter elfder ure.
De nadruk ligt op de rechtmatigheid waarmee de landeigenaar omgaat met de dagloners. Hij maakt in alle openheid een afspraak over het loon dat zij zullen krijgen. Alleen met de eersten spreekt hij een concreet bedrag af, een denarie voor de hele dag. Dat is een goede prijs. Met degenen die hij later in dienst neemt komt hij overeen wat billijk is. Degenen, die hij later aanwerft zijn geen werkweigeraars, maar mensen die nog door niemand zijn ingehuurd.
In het tweede deel van de parabel gaat het over de uitbetaling. De avond is het moment daarvoor. Je mag het dagloon niet vasthouden tot de volgende morgen (Lev. 19,13), zeker niet wanneer het een arme en behoeftige dagloner betreft (Deut. 24,15).
Op het moment van de uitbetaling komt naast de landeigenaar en de dagloners een derde persoon in beeld, die van de rentmeester. Deze helpt de landeigenaar om uit te voeren wat hij is overeengekomen met de dagloners.
De uitbetaling gebeurt in omgekeerde volgorde. Te beginnen met degenen die het laatste zijn begonnen. Die krijgen één denarie. En datzelfde gebeurt vervolgens met alle dagloners, ongeacht het aantal werkuren.
Met stijgende verbazing zullen de dagloners dat hebben waargenomen en ondergaan. Eenzelfde soort reactie zal er gekomen zijn van degenen die deel uitmaken van de gemeenschappen waarvoor Matteüs zijn evangelie schrijft.
Alle dagloners nemen de denarie aan, maar degenen die de hele dag gewerkt hebben, gaan zich beklagen bij de landeigenaar. Als voor de laatsten een denarie billijk is, komt dan aan degenen die langer werken niet meer toe, naargelang het grotere aantal arbeidsuren?
Hun klacht is: ‘De laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt?’ De werkers van het eerste uur hebben geen probleem met de grootte van het bedrag, het gaat hen om de gelijke behandeling van mensen die veel of weinig uren gewerkt hebben. De landeigenaar heeft de laatsten gelijk gemaakt aan de eersten. Daar protesteren zij tegen. Hebben zij dan geen recht op meer?
De landeigenaar rechtvaardigt zijn handelwijze op twee manieren. Allereest spreekt hij een van de klagers heel vertrouwelijk aan als vriend en zegt: Ik behandel je toch niet onrechtvaardig, we zijn toch één denarie overeengekomen? Neem dan wat je toekomt en ga.
En direct daaropvolgend geeft hij aan dat het zijn persoonlijke vrijheid is om met zijn geld te doen wat hij wil. Hij wil aan de laatste hetzelfde geven als aan de eerste. Mag hij met zijn geld niet doen wat hij wil?
Het probleem van de werkers van het eerste uur is dat zij niet in staat zijn anderen te laten delen in het goede dat hun zelf ten deel is gevallen. ‘Ben je jaloers – letterlijk staat er: is jouw oog kwaad – omdat ik goed ben?’
Daarmee herneemt de landeigenaar woorden van Jezus in gesprek met de rijke jongeling, die vroeg wat voor goeds hij moest doen om het eeuwige leven te verkrijgen? Waarom vraagt u mij naar het goede, zegt Jezus. ‘Eén is er goed.’ Uiteindelijk gaat het om de goedheid van God. Dat is de bron en de oorsprong waar ieder in mag delen.
In de regel van de minderbroeders wordt deze gedachte als volgt uitgewerkt: ‘Laten we al het goede teruggeven aan de allerhoogste en verheven Heer God en erkennen dat al het goede van Hem is en voor alles dankzeggen aan Hem van wie al het goede voortkomt… Hij van wie al het goede is, die alleen goed is’ (1 RegMB 17,17-18).
Vraag bij deze parabel is: tot wie is deze gericht? Matteüs heeft bij deze woorden van Jezus wellicht de actuele situatie voor ogen van de geloofsgemeenschappen van zijn dagen. Daarin is er sprake van spanningen tussen joden-christenen, die zich de eerst geroepenen weten en heidenchristenen, die later geroepen zijn.
De eerst geroepenen wanen zich meer waard dan de laatst geroepenen, Zij voelen zich boven hen verheven en creëren daarmee een ongelijkwaardige verhouding. Dat is een spanningsveld in de christelijke gemeenschappen van toen en nog steeds. De parabel eindigt dan ook met een herhaling van een eerdere quote (19,30), maar nu beginnend met de laatsten: ‘Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.’ De rangorde die mensen zelf aanbrengen wordt doorbroken en we worden op het spoor gezet van een gelijkwaardige omgang.
Preekvoorbeeld
Stelt u het zich ‘ns voor, dat de koning op Prinsjesdag plechtig had afgekondigd: ‘Leven en geluk voor iedereen!’ en dat hij daar een enorme zak geld bij had gedaan die we met z’n allen zouden mogen verdelen. Zou dat leiden tot vreugde alom, of zou dat eerder een hoop heibel opleveren over hoe dat geld dan wel niet verdeeld zou moeten gaan worden? Ik vrees... ‘Eerlijk zullen we alles delen: ik ‘n beetje meer dan jij...!’ Enfin, leg de doorsnee betogen van de Algemene Beschouwingen van de week maar ‘ns allemaal naast elkaar!
Eigenlijk roept Jezus vandaag in het evangelie inderdaad ‘Leven en geluk voor iedereen’ en er komt ook een enorme zak geld tevoorschijn. Maar inderdaad, daar komt dan ook heibel van...!
Jawel, er zit iets onrechtvaardigs aan dat verhaal. De laatst ingehuurden krijgen hetzelfde als die zich de hele dag uit de naad hebben gewerkt. Er zijn mensen die zich met hart en ziel wijden aan hun taak, zich kwijten van hun verantwoordelijkheden, op wie je altijd een beroep kunt doen, met dienstbaarheid als levenshouding, en er zijn er die – in de ogen van die eerstgenoemden – er de kantjes vanaf lopen en niet komen of afhaken en tevreden zijn met een 5 ½ tot 6-. Daar win je geen oorlog mee. Maar in het evangelie worden ze wel aan het einde gelijkelijk beloond. Als je dat in ‘n vereniging of in ‘n bedrijf zo zou doen, dan weet je zeker dat de zaak binnen de kortste keren naar de knoppen gaat.
Jawel, er zit iets onrechtvaardigs in dit verhaal. Althans, als je het verhaal leest als begroting. Maar dit is geen sociaal plan of economie: dit is evangelie! ‘t Gaat hier niet om een rekensom of sociale zekerheid of verdeling van goederen of ‘n beloningsstructuur. Het gaat hier om pure genade. Dat wil zeggen: het gaat hier niet allereerst om wat wij moeten doen – o jawel, dat komt er dadelijk als vanzelf uitgerold! – maar het gaat hier allereerst om wat God doet, om hoe God is. En God telt niet, en God heeft weinig gevoel voor onze maat van rechtvaardigheid, God heeft niks met rangorden, maar God overtreft dat alles verre!
Het gaat hier louter om Gods goedheid, om Gods liefde. Zoals het daar trouwens ook al om ging in de evangelieverhalen die het onze vandaag voorafgaan: het werd eigenlijk al ingeleid toen Jezus zijn leerlingen tot de orde riep dat zij de kinderen niet bij Hem weg zouden houden. Economisch gezien heb je er inderdaad niks aan, het schuift niets, maar juist de kinderen staan voor de zwakken in de maatschappij die op bijzondere wijze Gods bescherming genieten en daarom zomaar mogen delen in zijn goedheid en liefde. Tussendoor kwam het evangelie van de rijke jongeling nog langs, waarin God goed genoemd werd, zowel door de man als door Jezus. En onmiddellijk voorafgaand aan vandaag beantwoordt Jezus Petrus’ vraag naar de uiteindelijke beloning dat God inderdaad goed is voor ieder die Hem naar best vermogen goedheid bewijst. Om al die vertellingen te kaderen en definitief af te kaarten volgt dan hier de gelijkenis van de werkers in de wijngaard, die aan duidelijkheid niets (meer) te wensen overlaat.
Die werkers van het elfde uur: voor hen heeft het leven eigenlijk geen zin meer. God weet waar ze hebben rondgehangen de hele dag en wat ze hebben uitgespookt, maar als ze niet gauw ergens aan de bak komen, dan heeft hun leven geen zin. Dat dagloon waar het om gaat, dat is waar een mens van leven moet. Zonder dat, zonder die gave, is er geen leven. God schenkt het leven aan die werkers van het eerste uur, maar God wil niet minder ook die te elfder ure nog leven schenken: ‘n zinvol leven, ’n bestendig leven, blijvend, het leven dat van God komt! ‘Te elfder ure’ betekent net op tijd, vlak voordat het doek van de duisternis valt. ‘Keer je tot God,’ zegt Jezus, ‘ga gauw naar zijn wijngaard, laat zien dat je een mens van God bent en ontvang daarom de gave van het leven!’
Het gaat over ons, over ons leven, dat we als geschenk uit Gods hand mogen ontvangen. En als je je daarvan bewust bent, dan sta je niet alleen heel anders in het leven, maar kijk je ook heel anders naar elkaar. Als mensen niet meer beoordeeld worden op wie ze zijn, maar enkel op hun nuttigheid of op wat ze schuiven of opleveren, daar is geen menselijkheid meer... Waar we het leven ervaren – ieders leven en elk leven – als geschenk uit Gods hand, daar wordt het leven zinvol en rijk aan betekenis, daar nemen we het voor elkaar op en beschermen we elkaar, daar dragen we elkaar, omdat we allemaal samen
en ieder voor zich van God zijn...
Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden,’ zo opent de eerste lezing deze zondag. Wij hebben het huis van de Heer gevonden op deze zondagmorgen! God denkt en ziet niet als wij mensen, Hij kijkt naar ons met louter liefde, barmhartig en vergevingsgezind. En wie zijn wij dan als de werkers in zijn wijngaard, dat wij zijn liefde niet naar best vermogen zouden beantwoorden met wederliefde, jegens Hem en elkaar? Al worden we misschien alle kanten opgetrokken zoals Paulus het schetst in de tweede lezing, we zijn geroepen een leven te leiden dat het evangelie waardig is. Dat wil vandaag zeggen: zo goed als God.
inleiding drs. Theo van Adrichem OFM
preekvoorbeeld drs. Ed Smeets
27 september 2026
Zesentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Ezech. 18,25-28; Ps. 25; Fil. 2,1-(5)11; Mat. 21,28-32 (A-jaar)
Inleiding
Ezechiël 18,25-29
De afbakening van de lezing uit Ezechiël is opmerkelijk, want het is echt noodzakelijk om de passage aan het einde met één vers uit te breiden, want vers 29 hoort er echt bij. Dit vers vormt namelijk inhoudelijk de climax van de passage. Dat kun je op literair niveau ook zien aan de herhaling van de uitspraak waarmee deze literaire eenheid in vers 25 begint: ‘De weg van de Heer is onrechtvaardig.’ Zo vormt zich een prachtige inclusie, een perfecte omsluiting, van een kleine of grotere literaire eenheid, een procedé dat zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament heel vaak wordt gebruikt. Een opmerking over de vertaling van deze beide verzen volgt later.
Ouders en kinderen
Ezechiël 18 is een beroemde, direct aansprekende tekst. Het hoofdstuk opent met een verwijzing naar een klaarblijkelijk bekend spreekwoord; het wordt immers ook in Jeremia 31,29 geciteerd: ‘De ouders eten onrijpe druiven, de kinderen krijgen stompe tanden.’ In Klaagliederen 5,7 vinden we een soortgelijke uitspraak: ‘Onze voorouders hebben gezondigd; zij zijn er niet meer, nu dragen wij hun schuld.’ En dat het inderdaad een serieus vraagstuk betreft blijkt bijvoorbeeld ook uit de vraag die aan Jezus wordt gesteld door zijn leerlingen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ (Joh. 9,2).
In Ezechiël 18 wordt in een aantal rondes het gedrag van een vader beschreven (rechtvaardig – slecht; slecht – rechtvaardig), gevolgd door evenzovele rondes waarin het tegengestelde gedrag van zijn zoon en diens zoon (slecht – rechtvaardig; rechtvaardig – slecht) wordt geschetst. Dan volgt vanaf vers 19 een lange verklaring waarom het gedrag van een ouder niet op het kind mag worden verhaald: ieder is verantwoordelijk voor het eigen gedrag. Dat is ook wat bijvoorbeeld in Deuteronomium 24,16 wordt gesteld: ‘Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden.’
Formeel gezien heeft God zich de hele tijd (18,1-24) uitsluitend tot Ezechiël gericht, en zo via hem het gedrag van Israël beschreven. Vanaf vers 25 blijft dat in feite ook zo, maar spreekt God via Ezechiël een groep (‘jullie’) toe die het gedrag van God ter discussie stelt: ‘De weg van de Heer is niet op orde’ (vv. 25 en 29). Waar die uitspraak van Ezechiëls volk op gebaseerd is, blijft volstrekt onduidelijk, maar wordt wel onmiddellijk weerkaatst: jullie wegen zijn niet op orde. In Ezechiël 33,10-20 zal ditzelfde thema in soortgelijke bewoordingen nogmaals uitvoerig ter sprake worden gebracht. Bijbelvertalingen die met betrekking tot ‘de weg’ hier de termen ‘rechtvaardig/onrechtvaardig’ gebruiken gaan voorbij aan het gegeven dat het Hebreeuws hier een werkwoord gebruikt dat inzoomt op de toestand, het al dan niet in orde zijn, van de wegen. En ‘weg’ is in de Bijbel heel vaak een metafoor voor iemands gedrag, of in een mooi Nederlands woord ‘levenswandel.’
Het lijkt mij dat de formulering ‘Johannes bewandelde de weg van de gerechtigheid’ heeft geleid tot de keuze in het Lectionarium voor Ezechiël 18 met ‘de weg van de Heer is onrechtvaardig’ (18,25.29) heeft aangestuurd.
Complicaties
De boodschap die in Ezechiël 18, en ook in Ezechiël 33, naar voren wordt gebracht – iemand die rechtvaardig is zal zeker in leven blijven, wie zondigt zal sterven – kan in zijn uiteindelijke doordenking best wel tot moeilijke vragen aanleiding geven. Ze zal herhaaldelijk fel in botsing (kunnen) komen met de feitelijke ervaring. Het boek Job is er een ingrijpend voorbeeld van. Hetgeen Job overkomt (onheil, ziekte, dood) botst volkomen met deze traditionele vergeldingsleer die door zijn vrienden fel wordt verdedigd: het kan niet anders dan dat Job iets heel zondigs moet hebben gedaan, anders word je niet zo ernstig gestraft. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger: het goede blijkt niet altijd te worden beloond, het kwaad niet altijd te worden gestraft. In prachtige gesprekken bevrijdt God Job van de fundamentele overtuiging dat de wereld volledig verklaarbaar moet zijn. God heeft het recht om het geheim van de kosmos te beheren en voor de mens verborgen te houden.
Matteüs 21,28-32 – Zeggen en doen
De lezing uit Matteüs maakt deel uit van een reeks discussies tussen Jezus en verschillende groepen: hogepriesters, oudsten van het volk, farizeeën, sadduceeën, schriftgeleerden. Deze gesprekken vinden plaats na Jezus’ intocht in Jeruzalem en worden als één geheel gesitueerd in de tempel (21,23–23,66). Terwijl Matteüs, Marcus en Lucas deze drie hoofdstukken vrij parallel en homogeen ter sprake brengen, valt onmiddellijk op dat de passage van vandaag uit Matteüs bij de andere twee evangelisten ontbreekt. We stoten hier naar mijn mening op een motief dat Matteüs na aan het hart ligt. Het maakt namelijk ook al deel uit van zijn Bergrede:
‘Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, maar alleen wie de wil doet van mijn vader in de hemel’ (7,21). Ook deze tekst vinden we bij geen van de andere evangelisten. Iets zeggen en iets doen zijn twee verschillende wegen.
Tegelijkertijd verbindt Matteüs de gelijkenis van de twee zonen met het voorafgaande (21,23–27) waar de vraag wordt gesteld in wiens opdracht Johannes doopte, een passage die wél bij Marcus en Lucas voorkomt. In zijn gelijkenis van de twee zonen grijpt Matteüs duidelijk terug op het begin van zijn evangelie waar toegestroomde mensen zich door Johannes lieten dopen en hun zonden beleden (3,6), terwijl ‘farizeeën en sadduceeën die op de doop van Johannes afkwamen’ (3,7) door Johannes terecht worden gewezen. De mensen die hun zonden beleden worden nu geïdentificeerd als ‘tollenaars en hoeren’, terwijl degenen die door Jezus – nota bene in de tempel – worden toegesproken geconfronteerd worden met hun ongeloof.
Filippenzen 2,1-(5)11 – De brief van Paulus in zijn context
Paulus heeft huisarrest, meest waarschijnlijk in of bij het hoofdkwartier van het Romeinse leger in Rome, waar hij tenminste twee jaar heeft doorgebracht. De Griekse tekst heeft het in 1,13 alleen over ‘het pretorium’, meestal de aanduiding van het garderegiment van de keizer dat in Rome gelegerd was. Vandaar dat de Nieuwe Bijbelvertaling ‘van het Romeinse leger’ heeft toegevoegd. Theoretisch gesproken zou het ook over het pretorium van Efeze kunnen gaan, maar dat laat zich moeilijk rijmen met de gevangenschap van de apostel.
Hij zit daar in afwachting op een rechtszaak, omdat hij als Romeins staatsburger een beroep had gedaan op de keizer toen Joden in Jeruzalem een zaak tegen hem hadden aangespannen (Hand. 21,27–28,30). Vanuit zijn huisarrest schrijft hij een brief aan de christenen van Filippi, een stad in Macedonië, in het noorden van Griekenland die hij eerder had bezocht en waar hij mensen had gedoopt (Hand. 16,11–40).
Eensgezindheid
De lezing voor vandaag maakt deel uit van een groter geheel (1,27–2,18) dat uitstekend getypeerd wordt in de openingszin: Blijf leven in overeenstemming met het evangelie van Christus en laat je daarbij niet door je tegenstanders afschrikken.
Wanneer we ons vervolgens concentreren op deze epistellezing voor vandaag, moeten we vaststellen dat bijbelvertalingen ten aanzien van het openingsvers (2,1) nogal verschillen:
Het draait daarbij om het Griekse woord paraklèsis in het eerste deel van de zin dat zowel ‘vermaning’ als ‘troost’ kan betekenen. Je ziet dan ook dat bijbelvertalingen verschillende keuzes maken:
‘Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost …’ (NBV).
‘Als dus vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging … u iets zeggen (Willibrord 1995).
‘Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde’ (NBG 51).
‘Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde’ (Statenvertaling).
Omdat in het tweede deel van de zin (2,1) ook al het woord paramythion (‘bemoediging’, ‘troost’, ‘verzachting’) wordt gebruikt, heb ik een lichte voorkeur voor de vertaling ‘vermaning’ /‘beroep’ aan het begin van het vers. Het sluit heel mooi aan bij de openingszin van deze sectie in 1,27. Aan de andere kant kun je natuurlijk niet uitsluiten dat Paulus heel bewust een woord heeft gekozen dat beide mogelijkheden tegelijk toelaat.
Dat de apostel de gelovigen in Filippi heel uitdrukkelijk op het hart drukt om eensgezind te zijn, één in alles wat ze doen en voelen, komt op een bijzondere manier tot uiting in het laatste woord van 2,2 – sympsychos, ‘één van geest.’ Het woord komt nergens anders in het Nieuwe Testament voor, ook niet in de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint. Sterker nog: het is in de profane Griekse literatuur slechts één keer te vinden bij de Griekse filosoof Polemon van Laodicea (90–144); zie Polemon, Declamationes quae extant II, 54 (ed. Hugo Hinck; Leipzig 1873), 34. Dit unieke woord vormt vervolgens de poort tot een heel concrete invulling: houdt altijd rekening met de ander (2,3v). En dat is de directe link naar Christus Jezus, over wie Paulus dan, naar men aanneemt, een reeds bestaande hymne invoegt.
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95
Preekvoorbeeld
Je bidt zoals je gelooft, je gelooft zoals je bidt. Dat is een oude stelregel in onze traditie: lex orandi, lex credendi. Maar die stelregel is niet altijd gemakkelijk toe te passen, omdat de teksten van de liturgie ook vragen op roepen en wel allerlei verschillende vragen.
Vragen over de betekenis van woorden. Woorden die hier in onze liturgie kernwoorden zijn, functioneren in ons gewone spreken niet of nauwelijks: ‘genade’, ‘zonde’. Maar ook vragen over diepere betekenis: je kunt wel begrijpen wat een woord betekent, maar sluit het ook aan bij jouw ervaring, verheldert het ook iets van jouw leven? Soms zegt een tekst je wat en soms zegt diezelfde tekst je niets. En dan zijn er ook nog vragen die opkomen, omdat je het er niet mee eens bent, omdat zo'n tekst of lied niet strookt met je geloof.
Het gaat in die stelregel niet om een soort eenrichtingsverkeer: dit bidden we, dus daarom moet je dat ook maar geloven. Het gaat ook andersom. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. In de oude voorbeden van Goede Vrijdag werd over de onbetrouwbare Joden gesproken die schuldig waren aan de moord op Jezus. Die voorbede is verwijderd, omdat we als Kerk zeker na de Holocaust anders zijn gaan denken over Joden. In de dodenliturgie van voor het Tweede Vaticaans Concilie nam de sequentie Dies irae een voorname plaats in, een lied vol dreiging, veroordeling, wanhoop. De gregoriaanse melodie is door componisten- ook van filmmuziek - niet voor niets gebruikt om dreiging op te roepen. Vanwege die sfeer van dreiging en wanhoop is dat lied verwijderd uit de officiële liturgie, omdat het niet past bij ons geloof in de verrijzenis en bij de hoop die dat geloof ons geeft.
Vandaag hebben we in tweede lezing gehoord hoe Paulus die stelregel toepast. Om een aantal aanwijzingen voor het christelijk leven te onderbouwen, aanwijzingen die te maken met eenheid en eensgezindheid, aanwijzingen die vooral te maken hebben met de verhouding tot de ander. Om die aanwijzingen voor dat leven van gelovigen te onderbouwen doet Paulus een beroep op een lied. Die gezindheid, die mentaliteit, die Geest moet onder u heersen, die Jezus Christus bezielde en dan volgt dat lied.
Paulus onderbouwt die aanwijzingen voor eensgezindheid en saamhorigheid, voor zorg en oog voor de ander met dat lied. Maar dat is misschien toch niet helemaal correct geformuleerd. Het kan namelijk verkeerd uitgelegd worden, alsof Paulus dat lied erbij sleept. Dat gebeurt vaak: een mening staat al vast en dan moeten daarna alleen nog argumenten gevonden worden. Het lied volgt wel op die aanwijzingen, maar dat lied is er eerder dan die aanwijzingen. En wel eerder in een dubbele zin. Paulus heeft dat lied niet zelf gemaakt, maar gevonden in een biddende gemeenschap. Dat lied was er al. En, dat lied van die biddende gemeenschap is voor hem dan ook de inspiratie, de bron voor die aanwijzingen. Dat lied is niet een soort vroom sausje dat een aantal aanwijzingen aanvaardbaar moet maken. Dat lied is de basis, de aanleiding voor die aanwijzingen. Dat lied was ook in die zin eerder. Als je Christen wilt zijn, moet je Christus navolgen, moet je door dezelfde mentaliteit door dezelfde Geest bezield zijn. Wat die mentaliteit inhoudt, dat weet je al, suggereert Paulus, want je bidt en je zingt toch:
Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden en als mens verschenen, heeft hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan een kruis.
Ja, maar. Is dat zo vanzelfsprekend, zo natuurlijk? Nee. Niet wat daarin over Christus gezegd wordt en niet wat daaruit volgt voor ons. Het is toch helemaal niet natuurlijk dat iemand zijn eigen vastigheid en levenspatroon prijsgeeft, zichzelf niet vooropstelt. De wereldwijde chaos waarin we ons bevinden is precies veroorzaakt door mensen die trots hun eigen belang vooropstellen, die afspraken die de zwaksten moeten beschermen (soms letterlijk) aan hun laars lappen, die schaamteloos de macht van de sterkste preken.
Nee, het is niet natuurlijk of vanzelfsprekend wat daar over Christus gezegd wordt en in het verlengde dus ook niet vanzelfsprekend wat Paulus over ons zegt. Zouden we daarom die tekst maar weg moeten doen, zoals dat is gebeurd met die voorbede van Goede Vrijdag of de Dies irae, omdat ook dit lied niet strookt met ons geloof? Nee, dat kan niet. Hier gaat het om die andere richting. In dat lied dat Paulus heeft ontdekt in die gemeenschap wordt namelijk precies de kern van ons christelijke geloof verwoord. Als je dit bidt, is dat wat je gelooft met alle consequenties van dien. Het kruis is voor ons Christenen het symbool bij uitstek en dat staat voor die gezindheid, die mentaliteit die was in Jezus. Het kruis is daarmee een voortdurend vraagteken bij die haast natuurlijke reactie van voor jezelf zorgen en opkomen. Het kruis is en blijft een ongemakkelijk symbool. Het misbruik van dit symbool door predikers van geweld en haat moeten we dan ook luid en duidelijk aan de kaak stellen.
Wat Paulus ter inleiding zegt is misschien wel belangrijker dan ooit. Paulus wijst namelijk op saamhorigheid, eensgezindheid, zorgzaamheid. Dat zijn zaken die met al die verontrustende berichten wereldwijd ook onder druk komen te staan. Kunnen wij als christenen in elk geval weerstand bieden aan die druk met behulp van de Geest die Christus bezielde. Is het niet goed om vandaag daarvoor te bidden?
inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof
4 oktober 2026
Zevenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 5,1-7; Ps. 80; Fil. 4,6-9; Mat. 21,33-43 (A-jaar)
Inleiding
Jesaja 5,1-7
Jesaja 5 neemt het thema van het oordeel tegen Jeruzalem op dat al eerder in dit profetenboek geklonken heeft (1,1-31 en 3,1–4,1). Het doet dat in drie stappen: met het lied van de wijngaard (v. 1-7), een serie weespreuken (vv. 8-23) en een aankondiging van een buitenlandse invasie (vv. 24-30).
In het lied van de wijngaard is nog niet onmiddellijk duidelijk om wie het gaat: pas in vers 7 vernemen we dat het de profeet is die de relatie bezingt van ‘zijn vriend’ JHWH en diens geliefde ‘wijngaard’ Israël. Het lied begint als een liefdeslied: in de verzen. 1-2 tonen vooral de werkwoorden (spitte, verwijderde, beplantte, bouwde, kapte) de zorg van JHWH voor zijn wijngaard.
De liefde van JHWH blijkt niet belangeloos: zij gaat gepaard met een verwachting dat de wijngaard vruchten zal opbrengen, een verwachting echter die niet vervuld wordt. Het woord ‘verwachten’ komt tot drie keer terug in het lied (vv. 3, 4, 7, de laatste keer vertaald als ‘hoopte’), en tekent de omslag die in het lied gebeurt. Die omslag wordt voelbaar in de verzen 3-4 waar de zanger van het lied zijn teleurstelling uitzingt: er is iets helemaal misgegaan tussen JHWH en de wijngaard, de verwachting is niet uitgekomen.
In de verzen 5-6 wordt duidelijk wat de consequenties zijn van het niet uitkomen van de verwachting, en opnieuw zijn het de werkwoorden die kleur geven: weghalen, vernielen, tot wildernis maken, verbieden: alles wat JHWH heeft gedaan voor zijn geliefde wijngaard wordt ongedaan gemaakt.
In vers 7 volgt tenslotte de uitleg van het lied: de ‘goede vruchten’ die JHWH verwachtte van zijn wijngaard blijken te gaan over sociale verhoudingen, over recht en gerechtigheid. Twee woordspelingen maken de ommekeer duidelijk: in plaats van misjpat (recht) is er misjpah (bloedvergieten, dat wil zeggen het soort sociale en economische verhoudingen die armen verwonden en dood laten bloeden) gekomen, in plaats van tsedaqa (goede sociale relaties) is er tse’aqa (geschreeuw, het maatschappelijk protest van degenen die slachtoffer zijn geworden van onrechtvaardige sociale verhoudingen). Zo maken de woordspelingen, in het Nederlands mooi vertaald met ‘in plaats van betrachting verkrachting van recht’, de overgang van wijngaard-taal naar de taal van maatschappelijke relaties. In de Missaaltekst is dit woordspel verdwenen.
Filippenzen 4,6-9
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95
Matteüs 21,33-43
Het verband tussen de eerste lezing en het evangelie is duidelijk, deze zondag: Matteüs grijpt terug op het lied van Jesaja voor zijn eigen parabel. De inleiding op de parabel in Matteüs 21,33 is immers nagenoeg gelijk aan het begin van het lied in Jesaja 5,1-2.
Hij verandert ook iets aan het lied: waar het in Jesaja gaat om een conflict tussen de wijnbouwer (God) en de wijngaard (Israël), spreekt Matteüs over een conflict tussen een landeigenaar en wijnbouwers die het land van hem pachten. Dat was een bij iedereen bekend gebruik in Jezus’ tijd: in afwezigheid van de landeigenaar doen de wijnbouwers het werk in de wijngaard, en krijgen als beloning een deel van de opbrengst. Het grootste deel blijft naar de landeigenaar gaan, die op ieder willekeurig moment naar de wijngaard kan komen om zijn deel op te eisen.
Dat doet deze wijnbouwer echter niet: hij stuurt knechten om het voor hem te doen. Als de knechten geslagen, gedood en gestenigd worden, verwacht de lezer dat de landeigenaar zal komen om wraak te nemen. Dat doet hij echter niet: hij zendt een andere, grotere groep knechten, die hetzelfde lot ondergaan. Zo wordt de grote generositeit van de landeigenaar al zichtbaar: zelfs de moordzuchtige pachters krijgen een nieuwe kans. Als de tweede groep knechten hetzelfde lot ondergaat als de eerste, blijkt de landeigenaar vertrouwen te schenken tot op een punt dat menselijk gezien niet meer begrijpelijk is: hij stuurt zijn zoon, een duidelijke verwijzing naar Jezus zelf, die daarmee apart komt te staan van de knechten. Het ligt voor de hand om in de knechten de profeten te herkennen: Jezus als zoon is meer dan een profeet. Het plan van de pachters om ook de zoon te doden toont de diepte van hun perversiteit, en doet denken aan de broeders van Jozef in Genesis (37,3v).
De parabel is in alle drie de synoptische evangelies te vinden, maar waar bij Marcus de vraag ‘Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen?’ (Mar. 12,9) nog een retorische vraag is, heeft Matteüs de vraag omgewerkt tot een echte dialoog met de hogepriesters en oudsten van het volk met wie Jezus als sinds vers 23 in gesprek is. De tegenstanders van Jezus worden uitgedaagd hun eigen conclusies te trekken op basis van de parabel, op een manier die doet denken aan het verhaal dat de profeet Natan vertelt aan koning David in 2 Samuël 12,1-7. Uit het vervolg in Matteüs dat in de liturgie niet meer gelezen wordt (vv.45-46) blijkt dat de hogepriesters en farizeeën begrijpen dat het verhaal op hen slaat, maar waar koning David berouw toonde, zoeken zij naar een gelegenheid om Jezus vast te nemen.
Het belangrijkste punt van de parabel is om het lijden en sterven van Jezus in lijn te plaatsen met de mishandelingen van Gods boodschappers door de eeuwen heen. Vers 43 (‘Het koninkrijk van God zal u ontnomen worden en gegeven worden aan een volk dat de vruchten van het koninkrijk voortbrengt’) wordt door sommigen geïnterpreteerd als zou Jezus Israël afwijzen en in plaats daarvan de heidenen als zijn volk zou aannemen. Ook als Matteüs benoemt dat de verrezen Jezus aan het einde van het evangelie zijn leerlingen opdraagt om alle volkeren tot zijn leerling te maken (28,19) is deze interpretatie incorrect. De verwerping die de parabel benoemt is een verwerping van de leiders van het volk die Jezus niet erkennen. Het is niet de taak van christenen om uit te maken wie Jezus wel of niet kan volgen. Eerder is het onze taak om zoals de hogepriesters en de oudsten onszelf in de parabel te herkennen. Onszelf als christenen zien kan ons immers blind maken voor het gegeven dat we soms ook als deze hogepriesters en oudsten zijn geworden, bij wie het gevoel van verantwoordelijkheid voor de traditie is verworden tot trotse vooringenomenheid.
Matteüs laat ons zien dat wij Christus niet kunnen kennen zonder met vallen en opstaan zijn leerlingen te zijn. En wie bezig zijn met steeds meer leerling worden, hebben geen tijd voor speculatieve spelletjes over wie er wel en niet bij hoort.
Literatuur
W. Brueggemann, Isaiah 1-39, Westminster Bible Companion, Louisville KY, 1998
Daniel Harrington, The Gospel of Matthew, Sacra Pagina Series, Liturgical Press, Collegeville MN, 2007
Stanley Hauerwas, Matthew, Brazos Theological Commentary on the Bible, Brazos, Grand Rapids MI, 2006.
Craig S. Keener, The Gospel of Matthew, A Socio-Rhetorical Commentary, Eerdmans, Grand Rapids MI, 2009.
Preekvoorbeeld
Wie in Israël een wijngaard heeft aangelegd, kan daar zeer trots op zijn. Het klimaat is er droog, maar de wortels van de wijnstok kunnen wel twintig meter diep naar water zoeken. De wijngaard wordt beschermd met een muur en een wachttoren. Als de druiven rijpen, houdt hij de wacht. Een dak van loof beschermt hem tegen de zon. Na de oogst is er feest: het Loofhuttenfeest. De overnachting onder het loofdak roept het verhaal op van hun voorvaderen, hoe zij eens hun huizen in Egypte verlieten en op zoek gingen naar vrijheid en een nieuw land.
De oogst is de tijd van de liefde, van het Hooglied. Mannen en vrouwen werken en rusten samen; zij zingen en dansen met elkaar. Blij wordt een liefdeslied gezongen over de weelde van een wijngaard.
De profeet Jesaja gebruikt dit lied voor zijn boodschap. Zijn luisteraars mogen raden: wat zal de eigenaar doen als hij uiteindelijk een mislukte oogst krijgt en de schaarse druiven zuur blijken te zijn? Men heeft goed geluisterd: ‘Hij zal woedend tekeergaan in de wijngaard!’
‘Welnu,’ gaat Jesaja verder, ‘die eigenaar is God, en zijn boosheid treft jullie!’
Matteüs herneemt dit thema eeuwen later wanneer hij over Jezus vertelt. Jezus’ parabel begint eveneens met de zorg van een eigenaar voor zijn wijngaard — met Gods liefde dus voor zijn volk. Maar nu zijn het niet de vruchten die hem teleurstellen; het zijn de wijnbouwers naar wie hij de gezanten stuurt om zijn aandeel te innen. Dat loopt uit op een bloedbad.
Aan het slot van dit gewelddadige verhaal stelt Jezus onverwacht kalm vast: ‘De steen die de bouwers hadden afgekeurd, is hoeksteen geworden.’ De gezanten van de eigenaar zijn mishandeld en vermoord, en tenslotte treft eenzelfde lot zelfs zijn eigen zoon, de erfgenaam. Zij beseffen niet dat degene die zij verwierpen, door God was uitverkoren.
Zo dikwijls hadden de profeten het volk gewaarschuwd dat het de Tora moest volgen en God trouw moest blijven. Keer op keer werden die waarschuwingen in de wind geslagen, en telkens wachtte het volk zware tijden. Je kunt het ook andersom zeggen: telkens wanneer het volk gebukt gaat onder een gewelddadige bezetter, die gevangenen maakt en het volk belast met bijna ondraaglijke lasten, wordt dat ervaren als de afwezigheid van God. Zijn nabijheid wordt opnieuw ervaren waar mensen de wegen van gerechtigheid gaan.
Jezus vat het samen met een eenvoudig beeld uit de wereld van de bouw: ‘De steen die de bouwers afkeurden, is hoeksteen geworden.’
Bouwlieden zochten stenen in de groeve. Sommige werden bestemd om mee te bouwen; andere werden terzijde geworpen. Tussen dat afval bleek later een hoeksteen te liggen.
Huizen in die tijd werden doorgaans gebouwd met steen en hout. Timmerlieden, zoals Jozef en Jezus, werkten mee aan de bouw. Meestal lag er een stenen fundament onder de muren, en waarschijnlijk maakte de hoeksteen daarvan deel uit. ‘Fundament’ en ‘hoeksteen’ worden in de Bijbel vaak in één adem genoemd. Men denkt daarbij meestal aan de dragende steen op de hoek van het fundament. Die moest stevig zijn, anders zouden de samenkomende muren gemakkelijk uit elkaar vallen. Hij moest groot genoeg zijn om beide muurvlakken te dragen.
Let dus op — dat is de boodschap. Alles wat mensen afkeuren, wat lage verkoopcijfers heeft, vernietigende recensies krijgt, of weinig likes op Facebook ontvangt: daar kunnen juweeltjes tussen zitten. Sterker nog: misschien verkiest God wel het jonge meisje uit het verre, onaanzienlijke Nazaret boven een koningsdochter.
Het onaanzienlijke – de leerling die wat achterblijft, de baby die laag scoort bij bepaalde testen, de reisbestemmingen waar men de neus voor ophaalt, de buurtbewoner die met de nek wordt aangekeken, de vijftienjarige meisjes die spijbelend en rokend giechelen voor een etalage, de jongeman die maar geen werk kan krijgen, de tante die niemand mag omdat ze alleen over zichzelf praat en niet kan luisteren, de invalide die geen raad weet met zijn leven, zich anderen tot last voelt en liever doodgaat – noem ze maar op, die hele stapel afgekeurde stenen...
Juist te midden van hen is God op zoek naar bijzondere mensen, misschien wel naar zijn woordvoerder. Want bij de aangepaste, normale mensen is dikwijls weinig respect te vinden voor anderen. God zoekt elders.
Laten wij daarom met die ogen wat vaker naar de wereld kijken.
inleiding dr. Stefan Mangnus OP
preekvoorbeeld Harrie Brouwers
11 oktober 2026
Achtentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 25,6-10a; Ps. 23; Fil. 4,12-14.19-20; Mat. 22,1-(10)14 (A-jaar)
Inleiding
Profeten-lezing: Jesaja 25,6-10a
Na een uitvoerig oordeel over de aarde en haar bewoners (Israël en de volken) – zij hebben de aarde ontheiligd en het eeuwig verbond verbroken (Jes. 24) – klinkt er in Jesaja 25 een uitbundig danklied: ‘Barmhartige, U bent mijn God, hoog zal ik U prijzen, uw Naam loven. Want wonderbaarlijk zijn uw daden, sinds mensenheugenis hebt U uw plannen uitgevoerd, trouw en betrouwbaar’ (25,1).
U nodigt mij aan tafel voor het oog van de vijand,
U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. (Ps. 23,5).
De Barmhartige, die trouw en betrouwbaar is, bevestigt zijn liefdesband met alle volken door een uitbundig feestmaal op de berg Sion aan te richten. Het beste is niet goed genoeg: uitgelezen gerechten en wijnen die op dronk zijn. God blijkt een goede gastheer te zijn!
Bovendien ontsluiert Hij alle volken, vernietigt de dood, wist alle tranen en neemt Hij de smaad van zijn volk van de aarde weg.
Men heeft duidelijk ervaren dat ‘Hij onze God is!’ De Heer is onze hoop, Hij heeft ons gered. Daarom zijn wij blij en juichen, want de hand van de Barmhartige rust op de berg Sion (vgl. 26,1- 4).
De Heer richt op zijn berg een maaltijd aan,
van spijs en merg, van uitgelezen wijnen;
van heinde en ver zal men aan tafel gaan,
de Heer is gul en goed voor al de zijnen.
[W. Barnard, LvK 27,1]
Filippenzen 4,12-14.19-20
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95
Evangelie-lezing: Matteüs 22, 1-14
Als echte Zoon van zijn Vader houdt Jezus van feestelijke maaltijden. In zijn onderricht aan hogepriesters, oudsten en farizeeën vertelt Hij aan hen een gelijkenis: ‘het is met het koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.’
Jezus lijkt geïnspireerd te zijn door de woorden van de profeet Jesaja (25,6-10).
Wanneer alles voor het bruiloftsmaal gereed is worden de genodigden gevraagd om te komen, maar zij negeren de uitnodiging en gaan hun eigen bezigheden doen. Sommigen mishandelen de dienaren van de koning. In woede ontstoken laat de koning de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Hij geeft zijn dienaren de opdracht om bij de toegangswegen van de stad iedereen uit te nodigen die ze tegenkomen, zowel de goede als de slechte. Nu is de bruiloftszaal snel gevuld en komt de koning zijn gasten begroeten. Onder zijn gasten ontdekt hij iemand die geen bruiloftskleed draagt, daarom geeft de koning zijn hofdienaars de opdracht om hem in de uiterste duisternis te werpen, ‘waar men jammert en knarsetandt’. Geen bruiloftskleed aan hebben is blijkbaar een ernstig vergrijp. Wat bedoelt de koning met een bruiloftskleed? Zou het kunnen zijn dat bedoeld wordt dat je altijd met de Tora bekleed moet zijn? Dat de Tora je leven richting geeft op weg naar de Ander en de ander.
O, Heer, die onze koning zijt,
laat niets uw rijk verhinderen,
en open voor uw kindren
de poorten van uw woning wijd.
Laat, met uw feestkleed aan
ons tot uw bruiloft gaan.
[Pieter Dinus Kuiper, LvK 229,5].
Literatuur
A-J Levine / M.Z.Brettler, Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, Haarlem/Antwerpen 2024.
Preekvoorbeeld
Ik ben geen fanatieke bezoeker van festivals, maar omdat ik in Lievelde ben geboren, kijk ik wel eens naar de website van de Zwarte Cross. Ik zie dat het een gastvrij festival is. Gasten hoeven bij de entree geen Verklaring Omtrent Gedrag te laten zien. Iedereen is welkom, net als in de schriftlezingen van vandaag. In de parabel van het bruiloftsfeest vraagt de koning aan zijn dienaren zoveel mogelijk mensen van de straat te halen en binnen te brengen, ‘slechten zowel als goeden.’ Iedereen is welkom, zonder VOG.
Ook in de eerste lezing is sprake van een groot feestmaal. De profeet Jesaja schildert een pakkend visioen. ‘In die dagen’, dus wanneer alles tot voltooiing komt, laat God zien dat het leven bedoeld is als een feest voor iedereen, ongeacht huidskleur of paspoort. Als je leest wat er ‘in die dagen’ op tafel staat, loopt het water je in de mond, maar belangrijker zijn de drie woorden die er uitspringen. Het is een maaltijd ‘voor alle volken.’ Dat is wat anders dan wat de Amerikaanse vicepresident ons vorig jaar voorschotelde, toen hij zei dat naastenliefde begint bij eigen familie en eigen volk en dat de rest pas daarna komt: America first. God richt een feest aan voor alle volken, en wel op de berg Sion. Die berg Sion is trouwens iets anders dan de politieke hoofdstad Jeruzalem. Sion is waar God aanwezig is als bron van leven en toekomst voor alle mensen op aarde.
Het is vandaag dus ‘welkom’, wat de klok slaat. Maar ook op de Zwarte Cross kan niet alles. Ik lees op de sympathieke website van het festival tegelijk dat gasten die de zaak verzieken en bonje schoppen naar buiten worden gewerkt en zo nodig een festivalverbod krijgen. We vinden dit normaal. Op school, in een gezin en in een bedrijf gaat het niet anders. En telkens is de vraag: ‘Waar leg je de grens? Wat moet kunnen en wat is ontoelaatbaar?’
Die vraag komt in het tweede deel van het verhaal van vandaag aan de orde, dat van de man zonder bruiloftskleed. Toen Mattheüs zijn evangelie schreef, werden de eerste christenen geconfronteerd met juist die vraag: ‘Waar treken we de grens? Wanneer gaat iemand over de rode lijn? En wie bepaalt die rode lijn?’ En net zoals nu waren er ook toen ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’, vrijzinnigen en scherpslijpers. De rekkelijken vonden dat ze ruimhartig moesten zijn. Zij verwezen naar de parabel over de grenzeloze gastvrijheid van de koning. Maar de preciezen riepen: ‘Alles goed en wel, maar er zijn grenzen. Als we als kerk geloofwaardig willen zijn, moeten we ons distantiëren van mensen die de meest elementaire geboden aan hun laars lappen.’ Dus haalden mensen van de rigoureuze richting een andere parabel van Jezus tevoorschijn, die over de man zonder bruiloftskleren. Nu wilde Matteüs in zijn evangelie ieder misverstand uitsluiten. God is grenzeloos goed, maar dit wil niet zeggen dat we met het evangelie alle kanten op kunnen. God is goed en veeleisend. Het zijn twee kanten van één medaille. Om dat te onderstrepen maakte Matteüs van de twee parabels één verhaal. ‘God is oneindig goed. Maar dit betekent niet dat alles moet kunnen.’
Op die manier zitten wij wel met een probleem. Want wie de twee parabels als één verhaal leest, vraagt zich af hoe het kan dat dezelfde koning eerst schooiers binnenlaat - die waarschijnlijk niet in rokkostuum kwamen opdagen -, en vervolgens iemand die in vrijetijdskleding naar de bruiloft komt, de deur wijst. Dat probleem lost zich vanzelf op, wanneer je ziet dat het oorspronkelijk om twee verschillende parabels gaat. Samen maken die twee parabels duidelijk dat de boodschap van Jezus niet in één zin te vatten is. Hij heeft het over de smalle weg naar het leven, maar ook over de wijde deur van de bruiloftszaal. Hij scheldt schriftgeleerden en farizeeën de huid vol, maar zegt ook dat we vijanden moeten liefhebben. Hij heeft het over de man zonder bruiloftskleren, die buiten gegooid wordt, maar ook over tollenaars en prostituées, die de eersten zijn in het koninkrijk.
Ik hoorde iemand zeggen: ‘Predikanten hebben het tegenwoordig alleen nog maar over liefde en ze vergeten dat het evangelie ook veeleisend is.’ Maar juist de liefde is veeleisend. Wanneer Augustinus preekte in zijn kerk in Afrika, had hij zowel strenge als soepele gelovigen voor zich. Tegen iedereen zei hij: ‘Bemin en doe dan wat je wilt: wil je zwijgen, zwijg uit liefde, wil je schreeuwen, schreeuw uit liefde, wil je corrigeren, doe het uit liefde, wil je vergeven, vergeef uit liefde. Draag de bron van liefde in je hart, want uit liefde kan alleen het goede voortkomen.’ In die zin is de boodschap van Jezus toch een one-liner: ‘God is liefde!’ Liefde is altijd een smalle weg die offers vraagt. Dat zien we in de Eucharistie die we nu gaan vieren, de gedachtenis van het levensoffer van Jezus. De evangelist Johannes zegt dat Jezus op de avond voor zijn lijden klaar stond om in zijn liefde tot het uiterste te gaan. Moge Hij ons meenemen in zijn liefde, die tegelijk bevrijdend en veeleisend is.
inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld dr. Jan Hulshof SM
18 oktober 2026
Negenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 45,1.4-6; Ps. 96; 1 Tess. 1,1-5b; Mat. 22,15-21 (A-jaar)
Inleiding
De thematiek van de twee hoofdlezingen van deze zondag heeft betrekking op de verhouding tussen geloof en politiek. De tekst uit Jesaja is geschreven op een moment van ingrijpende politieke omwentelingen in het gehele Midden-Oosten. Het Perzische Rijk vormde zich en dat had grote consequenties voor Israël, dat toen nog in ballingschap verbleef in Babylonië.
Jezus trad op in een tijd van voortdurende politieke spanningen in Palestina. Het land was bezet door de Romeinen en tegelijk leefde het volk onder het juk van de tempelverplichtingen.
Hoe ervoer men de aanwezigheid en nabijheid van God in een tijd van zoveel verandering en pressie? Welke weg wees Jezus aan?
Jesaja 45,1.4-6
In oktober 539 vChr. versloeg de Perzische koning Cyrus bij Opis, een stad die lag aan de rivier de Tigris niet ver van het huidige Bagdad, de legers van de Babyloniërs. Het was een beslissende slag. De bevolking van Opis kwam hierop in opstand tegen haar eigen regering en zonder verdere gevechten veroverde Cyrus twee weken later Babylon. Het betekende de val van het Nieuw-Babylonische Rijk.
De verovering van Babylon was voor de Perzische vorst de kroon op een zeer succesvolle campagne in heel het Midden-Oosten, die nog verder zou gaan met de onderwerping van Egypte. Onder Cyrus ontstond zo het grootste wereldrijk dat tot dan toe ooit bestaan had.
Cyrus, bijgenaamd de Grote, was een uitzonderlijk bekwaam legerleider en bestuurder. Hij gold als wijs en tolerant, wat zich onder andere uitte in een soepele houding ten aanzien van de cultuur en religie van de verschillende volkeren in zijn rijk. Schatten die door de Babyloniërs waren veroverd en meegevoerd naar Babylon werden teruggegeven. Dat gold ook voor de tempelschatten die in 586 uit Jeruzalem geroofd waren. Bovendien kregen gedeporteerden uit allerlei windstreken de gelegenheid weer naar hun eigen gebieden terug te keren.
Deze opzienbarende nieuwe wereldleider heeft zich in korte tijd alom zeer populair gemaakt. Dat blijkt onder andere uit de manier waarop hij prominent in de hoofdstukken 44 en 45 van Deutero-Jesaja verschijnt. Hij wordt daar getekend als de uitverkorene, de gezalfde van de God van Israël. Cyrus maakte de terugkeer van de ballingen naar Jeruzalem mogelijk.
Het is interessant te zien hoe de nieuwe politieke situatie door de schrijvers van Deutero-Jesaja religieus geduid wordt. Cyrus is het instrument in Gods handen, niet alleen voor het Joodse volk, maar voor de hele toenmalig bekende wereld (45,1). In de verzen 44,24 tot 45,3 vinden we in enkele zinnen de succesvolle campagne van de Perzische koning verwoord op een manier die bevestigd wordt door buitenbijbelse bronnen uit die tijd (bijvoorbeeld op de zogenaamde Cyruscilinder).
Met de komst van Cyrus begon er een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Israël. De Babylonische ballingschap was geen eindpunt. Er zou weer toekomst mogelijk zijn in het van oudsher beloofde land. Jeruzalem en de Tempel zouden weer opgebouwd kunnen worden. En de ene, de God van Israël, liet zich op een nieuwe, verrassende wijze kennen, nota bene gebruikmakend van een vreemde, heidense vorst, zonder dat die zich daar bewust van was (45,5).
Het boekdeel Deutero-Jesaja laat meer verrassende aspecten van God zien: zijn nabijheid en tederheid en ook zijn vertrouwen in de toekomst met zijn volk, ondanks de enorme terugslag die Israël ervaren had na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel en het einde van de dynastie van David. Er wordt ook veel nadruk gelegd op de ene als enige God (vgl. 45,6). Deutero-Jesaja is een krachtig pleidooi voor een monotheïstisch geloof en wil definitief afrekenen met de verering van andere goden naast de ene, zoals dat gedurende de monarchie steeds gebruikelijk is geweest. Deutero-Jesaja wil dus het geloof van Israël vernieuwen, precies zoals dat past in een 'nieuwe tijd' met nieuwe mogelijkheden.
Psalm 96
In deze psalm wordt de lof gezongen op de ene, de God van Israël, die beslissend aanwezig is in de geschiedenis van alle volkeren. Zijn project van vrede en gerechtigheid met de mensheid (vgl. 96,10) heeft te allen tijde relevantie.
1 Tessalonicenzen 1,1-5b
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27
Matteüs 22,15-21
Het verhaal van Matteüs 22,15-21 maakt deel uit van de hoofdstukken die voorafgaan aan het lijden en de dood van Jezus en die vertellen over de laatste week van zijn leven. De intocht in Jeruzalem heeft plaatsgevonden en ook de uitdrijving van de handelaren uit de tempel. In één klap was Jezus in Jeruzalem een bekende en ook omstreden figuur geworden die van alle kanten luisteraars trok. Vanaf hoofdstuk 21,23 bevindt Jezus zich op het tempelplein om onderricht te geven. Hij weet zijn toehoorders te pakken met parabels en prikkelende uitspraken en heeft het gehoor op zijn hand (vgl. 21,46).
Maar er komen niet alleen mensen met positieve bedoelingen op Hem af; diverse groepen van tegenstanders proberen met Hem in discussie te treden en Hem te betrappen op tegenstrijdigheden of politiek riskante uitspraken. In de lezing van vandaag zijn het leerlingen van de Farizeeën en Herodianen.
Deze twee groepen samen zou je een monsterverbond kunnen noemen, want ze waren bepaald geen vrienden. Vandaar dat Jezus hen huichelaars noemt. De Farizeeën waren over het algemeen anti-Romeins en de Herodianen collaboreerden juist met de bezetters. Hun vraag aan Jezus gaat precies over loyaliteit aan de bezetters. Zou Jezus antwoorden dat je belasting moet betalen, dan zou Hem dat populariteit kosten onder het Joodse volk, waar velen zich verzetten tegen de bezetting door de Romeinen. Zou Hij zeggen dat je geen belasting moest betalen, zouden de Romeinsgezinde Herodianen Hem bij de autoriteiten kunnen aangeven wegens opruiing.
Het antwoord van Jezus is beroemd om zijn genialiteit. Hij relativeert de betekenis van belasting zonder weigering te bepleiten en stelt er een ander belang boven: doen wat God van ons vraagt. Dat kan wel degelijk inhouden tegen de Romeinse onderdrukking op te staan, maar dat zegt hij niet hardop. Zowel de Farizeeën als de Herodianen krijgen nul op het rekest.
Jezus' antwoord is meer dan een slimme uitweg uit een strikvraag. Je zou het ook een politieke filosofie in een notendop kunnen noemen of een aanzet daartoe. Hij stelt de vraag aan de orde hoe je je vanuit je geloof opstelt in de politieke realiteit. In zijn antwoord nu moet Hij eerst de val onklaar maken die zijn tegenstanders Hem bereid hadden, maar het zal voor iedereen duidelijk geweest zijn in welke richting Jezus verder denkt. Tijdens zijn leven had Hij namelijk allang stelling ingenomen: als je doet wat God van ons vraagt, gaat de nood van mensen altijd boven wetten en andere formele regelingen. Dit bracht Hem in direct conflict met de Joodse religieuze autoriteiten en uiteindelijk ook met de Romeinse overheid. Dat is een prijs die Hij heeft willen betalen.
Literatuur
Michael D. Coogan: A Reader of Ancient Near Eastern Texts, Oxford University Press 2013 p. 84-85: The Cyrus Cylinder.
S.P. Dee en J. Schoneveld: Encyclopedie van het Oude en Nieuwe Testament, z.j. trefwoord 'Cyrus II'.
Susan Sierksma-Agteres: ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, op: Protestantse Theologische Universiteit > Bijbelblog (https://www.pthu.nl/bijbelblog/2025/10/)
Wim Weren: Matteüs, KBS 1994.
Preekvoorbeeld
Terwijl velen zich zorgen maken over de zoveelste dip in onze economie, lezen wij van Jezus en het geld. Het gaat niet om bonussen en het gaat niet over een crisis, het gaat over belasting betalen aan de bezetter, de jaarlijkse heffing van één denarie voor elke inwoner van Judea tussen 12 en 65 jaar oud, een belasting die in Romeinse munt moest worden betaald.
En wat is er op die munt te zien? Jezus – die zelf geen geld op zak had – vraagt het hen: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’ En ze lezen voor: ‘Keizer Tiberius, goddelijke zoon van de verheven god Augustus, hogepriester.’ Afbeelding en opschrift.
Daarmee wordt meteen duidelijk waarom op het tempelplein die tafels van de wisselaars stonden zodat je je verplichtingen jegens de tempel kon voldoen met geld waar dat allemaal niet op stond: ‘goddelijke zoon, verheven god Augustus,’ die blasfemie en heiligschennis.
De wisselaars maakten het je mogelijk om het gewone geld-dat-stom-is-maakt-recht-wat-krom-is – met dus de beeldenaar en dit opschrift van de keizer erop – in te wisselen tegen tempelvaluta, opdat je met schone handen de tempelheffing zou voldoen. Een kwestie van principes. Maar net een hoofdstuk eerder, hier in het evangelie, heeft Jezus die tafels omgegooid.
En nu gaat het niet over de tempelheffing – dus je religieuze verplichtingen – maar om de belasting die aan de keizer moet worden voldaan.
Daar uitspraak over te doen is gevaarlijk, die jaarlijkse heffing was een heikele kwestie. Zou Jezus ermee instemmen dat de Romeinen die belasting terecht heffen, dan zou Hij in de ogen van zijn eigen volk en zijn mede-Farizeeërs volkomen ongeloofwaardig zijn. Maar zou Hij zich uitspreken tegen de Romeinse fiscus, dan was Hij een oproerkraaier. Wat Jezus ook zegt, ja of nee, met deze vraag zetten ze Hem klem. Dus sturen ze een wonderlijk gezelschap op hun af: de Farizese leerlingen, die tegen die jaarlijks heffing waren en de Herodianen, de partijgangers van de dynastie van Herodes, die gemene zaak maakten met de Romeinen.
De vraag wordt ingeleid met stroop om de mond: ‘Meester, we weten dat U oprecht en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. U trekt u niets aan van het oordeel van anderen, want U ziet niemand naar de ogen.’
Maar dan moet en zal Jezus kleur bekennen: ‘Zeg ons dan wat U hiervan vindt: mag men belasting betalen aan de keizer of niet?’
Nu kún je zeggen dat Jezus zich hier handig uitdraait of dat Hij zich op de vlakte houdt: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Je kúnt dat lezen als een veilig antwoord waarmee Hij zijn hachje heeft gered. Maar laten we nog eens goed luisteren: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Die twee staan niet op hetzelfde plan. Die twee zijn volstrekt onvergelijkelijk. De één noemt zich wel ‘god’ maar de ander is God.
Die munt is klaarblijkelijk van de keizer, z’n tronie staat er op. Wat doet die munt hier? Kennelijk heeft de keizer hem verloren, dus geef hem die munt terug of breng hem naar de belastingen, die voor Jezus niets anders zijn dan een loket verloren voorwerpen.
Het geven waar Jezus het over heeft: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is’ is een teruggeven. En ‘Geef aan God wat van God is’, dat is ook een teruggeven, zoals de psalmen zingen: ‘Van God is de aarde en die haar bewonen!’ Dat over het opschrift.
En de beeltenis van God? Die staat in ieder mensenkind geprent: ‘geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.’
Dus nogmaals: Jezus zelf had geen geld op zak! Hij zegt: ‘Geef aan de keizer terug wat van hem is’, kop of munt, het is Jezus om het even. Maar jij, van wie ben jij?
Er wordt ons hier niet een twee rijkenleer uit de doeken gedaan, over hoe kerk en wereld zich tot elkaar verhouden, elk met hun eigen aanspraken.
Nee, het wordt toegesneden op jouzelf. Jijzelf moet in alles wat je overkomt, weten dat je beelddrager bent van God, tot de hoge roeping van Gods kinderen verheven, een zoon of dochter van Abraham en Sara.
Je bent geen belastingplichtige die de centen bij elkaar moet schrapen, uitgaande van schaarste en menselijk tekort. Nee, je deelt uit van de overvloed Gods, je bent een bevoorrecht mens. Gods oorspronkelijk evenbeeld ben jij!
Gemakkelijk gezegd. Aan de hand van dit evangelie laat zich geen theorie ontvouwen over hoe Gods regiment en het wereldlijk regiment zich tot elkaar verhouden.
Alle aandacht gaat hiernaar uit: dat de aarde is van God en dat jijzelf van God bent, zijn eigendom, zijn eigen kind, zo eentje aan Abraham en Sara beloofd, talrijk als de sterren aan de hemel en het zand aan de zee. Dat is naar Gods overvloed gerekend.
Laat dus niets of niemand anders jou opeisen, verslaven, beslag op je leggen. ‘Ik ben een kind, door God bemind en voor het geluk geschapen.’
Nu had ik het net over de tweerijkenleer alsof dat twee koninkrijken zijn die naast elkaar liggen, met enerzijds Gods regiment en anderzijds het wereldlijk regiment.
Maar de lutherse term ‘tweerijkenleer’ is pas rond 1930 gesmeed, is heel verwarrend en komt bij Luther dus überhaupt niet voor. Hij heeft het wel over het eeuwige Rijk van God en Gods tijdelijke wereldlijke regiment. Daaruit blijkt wel hoe ongelijk die rijken zijn. En het ene, het wereldlijke regiment, is niet slechts de overheid met zijn belastingen en het leger. Nee, het is het geheel van al onze samenlevingsvormen: partnerschap, familie, politiek, rechtspraak, kunst, wetenschap, belastingen, ja, die ook.
En Gods eeuwig rijk is dat je het evangelie bent toegedaan en dat je het erbij houdt dat er één is die regeert, de Opgestane, die regeert vanaf het kruis. Volgens Luther ben je slechts burger van dat ene rijk van God, dat is een waarborg van je vrijheid en autonomie en je durf om een afwijkend standpunt in te nemen.
Je bent vóór alles een burger van het Koninkrijk van God. En je leeft naar de mores van dat rijk! Niet eens of ooit of nooit, maar nu al! Je bent geroepen tot Gods manier van doen.
Maar juist dat – Gods manier van doen – , je mag het nooit vergeten, en toch is dat het eerste wat je telkens weer vergeet.
De liefde, de genade en de goedheid van God ben je zomaar kwijt, zoals een kind zijn sleutels, schoenen of die ene tas, en alles wat een kind ’s morgens vroeg als het toch al weer net te laat is, kwijt is: nee, die niet, die paarse schoenen! En als vader loop je mee te zoeken en holt met het pakje brood achter ze aan, want ook dat waren ze al weer vergeten.
Zo holt God achter ons aan en heeft bij zich wat we in de drukte en het gedoe al weer kwijt waren: zijn genade en goedheid. Hij heeft ze op geraapt en herkend: ‘Maar dat zijn de genade en goedheid die Ik bestemd had voor...’ en dan noemt Hij jouw naam, schiet zijn pantoffels aan en rent je achterna.
Voorop staat dat God regeert, de aarde en haar volheid, zijn van Hem, en dus van niemand anders, en dus van al Gods kinderen, en dus ook van jou: jij, door God verheven tot de waardigheid van het kindschap Gods.
Daar schakelt het dus. Op de munt staat de kop van de keizer, zijn beeltenis. Maar jij, wat is er van jou af te lezen? Jij, geschapen naar Gods beeld?
Wat betekent dat? Het is om te beginnen een eigendomskwestie, daar hebben we het net over gehad: je bent van God. Geef dan jezelf aan Hem terug!
Maar het is ook dat jij God zichtbaar maakt in deze wereld. Je bent een afspiegeling van Hem. Dat doet het geld ook, het maakt de keizer zichtbaar en zijn manier van doen: het geld dat stom is maakt recht wat krom is.
Maar jij bent niet stom, Je zingt Gods lof en Kyrieleis, ‘Heer ontferm u’, telkens weer. Je bent geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, je maakt God zichtbaar en hoorbaar en tastbaar in deze wereld.
Niet dat jij er alleen voor staat. Niet dat God zich teruggetrokken heeft en jij het nu allemaal op je eigen houtje moet doen. Dat ‘beeld en gelijkenis van God’ is je niet ingebakken en nu zoek je het zelf maar uit.
Nee, het is een weerspiegeling. Jij bent geschapen om de glimlach van God te weerspiegelen. Daar ben jij helemaal op aangelegd. De glans van Gods aangezicht glanst van je af, zoals de glans van Gods aangezicht ook afglanst van het aangezicht van al die andere kinderen van God, maar dan moet je wel goed kijken, met de ogen van je hart, want anders zie je er niets van: de weerspiegeling van Gods aangezicht in de onaanzienlijkste mens.
Hoe zeggen ze dat van Jezus? ‘U trekt u niets aan van het oordeel van anderen, want U ziet niemand naar de ogen.’ Iemand naar de ogen zien, dat is: berekenend, je aanpassend, je in likkend, om maar profijt te trekken van die ander, om maar beter te worden van de situatie.
Nee, van Jezus weten we dat Hij kijkt met de ogen van zijn hart. Die oogopslag zal Hij ons leren: dat wij de ander maar ook onszelf leren bezien als weerspiegeling van Gods milde glimlach over alles wat Hij gemaakt heeft.
Literatuur
M. Ruppert, Het Rijk Gods en de wereld, Kampen 1987
inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
25 oktober 2026
Dertigste zondag door het jaar
Lezingen: Ex. 22,20-26; Ps. 18; 1 Tess. 1,5c-10; Mat. 22,34-40 (A-jaar)
Inleiding
Exodus 22,20-26
Wie even terugbladert in de Schrift, merkt dat het volk Israël ook in Exodus 22 nog steeds bij de Sinaï in de woestijn bivakkeert, waar het de tien geboden ontvangen heeft (Ex. 19–20).
Mozes communiceert met de Eeuwige en bemiddelt tussen Hem en het volk. Het blijft niet bij de gave van de inzichtelijke en algemene tien geboden. In Exodus 21-24 volgen regels en wetten (misjpatiem) voor het dagelijkse leven van de Israëlieten: wetten over slaven en hun vrijlating, wetten bij het mishandelen en/of doden van mensen, wetten over diefstal, mededogen, rechtvaardigheid et cetera. Tot slot wordt het verbond met de Eeuwige ‘bekrachtigd, dat de Heer met u gesloten heeft door u al deze geboden te geven’ (24,8). Daarna gaat Mozes veertig dagen en veertig nachten de berg op, de wolk binnen bij de Heer (24,18).
Onze eerste lezing gaat over het laatstgenoemde item: mededogen en rechtvaardigheid. Om te beginnen het verbod om vreemdelingen uit te buiten of te onderdrukken. Het blijft niet alleen bij een regel, een wet, maar ook het ‘waarom’ wordt hier toegelicht: ‘want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte’ (22,20; 23,9; Lev. 19,33v).
Egypte, Mitsjraiem, staat voor alle denkbare kwaad. Het volk heeft zelf aan den lijve ervaren wat dat doet met een mens.
Deze toelichting is het fundamentele uitgangspunt en de onderbouwing van hoe de samenleving naar Gods hart met elkaar moet omgaan: God heeft de mensen naar zijn evenbeeld geschapen (Gen. 1,27). Dat betekent dat alle mensen gelijk zijn, vreemdelingen dus ook.
Het gaat niet alleen om de houding tegenover vreemdelingen maar ook tegenover weduwen en wezen die het zonder beschermer moeten doen. Naast de toelichting op de wet volgt nu ook de sanctie voor de overtreders ervan: wanneer de Heer om hulp wordt gesmeekt, zal Hij zeker luisteren en ingrijpen, de overtreders zullen gedood worden.
Al in het begin van het boek Exodus blijkt God steeds aan de kant van de armen, van de machtelozen te staan. Hij hoort hun jammerkreten en hulpgeroep én grijpt in (2,23-25). De Israëlieten weten dit maar al te goed, hun bevrijding uit Egypte hebben zij aan de Heer te danken, ze weten dus dat ze op de Eeuwige kunnen bouwen.
Dat de Eeuwige van zijn volk barmhartigheid en mededogen verwacht, blijkt ook uit de volgende regel (v. 24), die verbiedt, voor een lening rente te vragen van een volksgenoot. Stel dat de armlastige enkel een mantel heeft, dan moet je die elke dag vóór zonsondergang aan hem teruggeven zodat hij zich ‘s nachts met de mantel kan toedekken (vv. 25-26). In de praktijk is zo’n regel niet gemakkelijk uitvoerbaar, zodat je in feite geen onderpand of zekerheid van een arme mag verlangen. Voor de tweede maal in deze lezing horen we dat de Eeuwige zal luisteren, in dit geval als de arme Hem om hulp smeekt. De Eeuwige luistert, omdat Hij een genadige God is (22,22.26; 34,6).
Als God genadig is, moeten de mensen, naar het beeld van God geschapen, ook genadig zijn en net als Hij aan de kant staan van de mensen in de marge van de samenleving.
1 Tessalonicenzen 1,5c-10
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem OFM, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27
Matteüs 22,34-40
De spanning tussen Jezus en de verschillende bewegingen als de Farizeeën, Sadduceeën en Herodianen loopt steeds verder op. Ondanks of misschien wel juist vanwege het enthousiaste onthaal door de menigte dat Jezus bij zijn intocht in Jeruzalem ten deel viel, wordt de sfeer rondom Hem steeds grimmiger. Jezus’ antwoord op de vraag van de hogepriesters en oudsten naar zijn bevoegdheid (21,23-27) maakt het er niet beter op, zeker niet na het vertellen van de gelijkenissen over de twee zonen en de vruchten van de wijngaard (21,28-44). Want daarop besluiten de hogepriesters en de Farizeeën te zoeken naar een gelegenheid om Hem te arresteren, maar ‘ze waren bang voor de mensen die Hem voor een profeet hielden’ (21,46). Jezus gaat door, nu met het vertellen van de gelijkenis over het bruiloftsfeest (22,1-14). Dan beraden de Farizeeën zich om Hem in de val te lokken. Zij doen dat via hun eigen leerlingen en de Herodianen.
Deze spreken Jezus aan met ‘meester’ en stellen Hem de vraag over het al dan niet belasting betalen aan de keizer. De onderliggende vraag is van theologische aard en betreft de plaats van de Romeinse keizer en die van God. Vandaar de uitroep van Jezus: ‘Waarom stelt u mij op de proef, huichelaars’ (22,18). Uiteindelijk zijn deze leerlingen verbaasd over zijn antwoord op hun vraag en laten Hem verder met rust (22,15-22).
Vervolgens komen er ook enkele Sadduceeën op Jezus af, spreken Hem eveneens aan met ‘meester’ en stellen een vraag over een kinderloze weduwe. Na de dood van haar man trouwde zij achtereenvolgens met zijn zeven broers die allemaal stierven zonder kinderen te hebben verwekt. Uiteindelijk stierf ook de vrouw. Hun vraag nu was, wiens vrouw zij bij de opstanding zou zijn. Het antwoord van Jezus maakt diepe indruk op de omstanders (22,23-33).
De evangelielezing van vandaag begint hier met de vaststelling dat Jezus de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht en de Farizeeën daarop bij elkaar kwamen … de sfeer wordt er niet beter op.
Een van de Farizeeën stelt een vraag om Jezus op de proef te stellen (22,35). Dit werkwoord (Grieks: peiradzoo) is een neutraal woord dat een goede of slechte afloop kan hebben. Hierboven kwamen we het al tegen in de mond van Jezus (22,18). Verder komt het in het begin van het evangelie van Matteüs voor, als de duivel Jezus op de proef stelt (4,1.3). Vervolgens zijn het de Farizeeën (19,1; in 16,1 samen met de Sadduceeën; de wetgeleerde in 22,35) die Jezus op de proef stellen.
Hier moet wel aangetekend worden dat het niet alleen gaat om een discussie tussen Jezus en de Farizeeën maar onderliggend speelt zeker ook een conflict van de gemeente van Matteüs met de Farizeeën een grote rol.
De wetgeleerde spreekt Jezus aan als ‘meester’ (Grieks, vocativus: didaskale), een aanspreektitel die in het evangelie van Matteüs alleen door buitenstaanders, met name door tegenstanders van Jezus wordt gebruikt (8,19; 12,38; 19,16; 22,16.24.36). De lezer is dus al bij voorbaat gewaarschuwd dat het hier geen onschuldige vraag betreft maar inderdaad een op de proef stellen is: ‘Wat is het grootste gebod in de wet?’
Het is ook geen gemakkelijke vraag wanneer je bedenkt dat er 248 geboden en 365 verboden, in totaal 613, waren. Geen wonder dat er discussies gevoerd werden over welke geboden belangrijk, zwaar of groot waren, of juist minder belangrijk, lichter of kleiner (vgl. Mat. 5,19; 23,23).
Over de leraar Hillel (rond het jaar 20 vChr.) wordt verteld dat een heiden die proseliet wilde worden, hem vroeg of hij de wet van God kon samenvatten, terwijl hij op één been stond. Hillel antwoordde hem: ‘Wat uzelf niet behaagt, doe dat ook uw naaste niet aan!’ (vgl. Mat. 7,12).
Jezus verbindt in zijn antwoord het gebod om God lief te hebben (Deut. 6,5) met het gebod om de naaste lief te hebben als jezelf (Lev. 19,18.34). Tweemaal staat hier het Griekse werkwoord agapaoo, liefhebben, dat de totale mens omvat, zijn verstand, zijn gevoel, zijn mogelijkheden en dat te maken heeft met respect, eerbied en commitment. Halfslachtigheid valt hier dus niet onder. Zo verbindt Jezus de verticale relatie van mensen tot God met de horizontale relatie van mensen onderling en vice versa.
Een reactie op het antwoord van Jezus blijft uit, waarschijnlijk waren de Farizeeën het met Hem eens. Onmiddellijk stelt Jezus op zijn beurt aan hen de vraag naar hun mening over de Messias (22,41-46).
Preekvoorbeeld
Discussie over het geloof
Het was in een wachtkamer, maar hoe het gesprek nou precies op de kerk kwam? In ieder geval het ging er opeens over. ‘Dus jij gaat naar de kerk?’, vroeg ze, ‘Dan ben je dus ook christen, toch?’ Ja, dat kon je niet ontkennen. ‘Oké’, vroeg ze verder, ‘maar wat geloof je dan éigenlijk? Enne… wat heb je eraan?’.
Andere situatie. ‘Ben je gelovig?’, vroeg iemand. ‘Dus dan geloof je in God?!’, ging het verder. Lastig, want dan blijkt die ander vaak alles al precies te weten: ‘Oh, dus dan geloof jij ook dat God …’
Wat geloof je eigenlijk? Hoe sta jij in het leven? Een vraag van alle tijden. Ook aan Jezus wordt zo’n vraag gesteld. Niet onlogisch, want in de dagen van Jezus waren er groepen met verschillende gedachten en visies. En ja, die botsten wel eens. Zo gaat dat in een levendige samenleving. Je wilt de ander wel eens horen: Waar sta jij? Hoe denk je hierover en hoe diep gaat dat bij jou? Dat is ons niet vreemd.
Zo komen Farizeeën, één van de groepen, bij Jezus met een vraag. Eigenlijk wilden ze Hem daarmee uit z’n tent lokken; kijken of ze Hem vast konden zetten. Voor ons klinkt hun vraag misschien wat vergezocht. ‘Wat is voor u het grootste gebod in de wet?’ Ik kan me voorstellen, dat iemand bij die vraag denkt: de wet?! Gaat het echt daarover? Is dát waar het om draait in het leven?
Nou, in de tijd van Jezus ging deze vraag wel degelijk ergens over. Daar zit voor ons iets verwarrends in. Wij denken bij het woord ‘wet’ al gauw aan het wetboek van strafrecht, aan wetsartikelen of zo. Maar dat is hier dus niet het geval. Nee, hier staat het woord ‘wet’ voor de eerste vijf boeken van de Bijbel. De Tora, heet dat in het Joodse geloof. Dat was immers het geloof waar Jezus deel van uitmaakte, waarin Hij opgroeide, dat Hem eigen was, waaruit Hij leefde. De Tora vormt de kern van het leven.
Dat woord tora is in onze Bijbel veelal vertaald met ‘wet’. Maar denk daarbij dan aan een woord als ‘levenswet’; aan regels van waaruit je leeft. ‘Wat is het belangrijkste waardoor u zich laat leiden in het leven? Zo gezien gaat die vraag dus echt ergens over. ‘Waar vindt u uw waarden en welke daarvan doet er dan het meeste toe? Het is bepaald een serieuze vraag.
Maar die serieuze vraag is dus meteen ook een soort testcase. In de Tora staan namelijk heel veel regels over hoe je je leven vorm kunt geven. Dit moet je doen. Dat kun je maar beter laten. Denk vooral hieraan. Enzovoort. Zou Jezus het wagen daar een rangorde in aan te brengen? Alsof de ene regel uit de Tora belangrijker is dan de andere … En daarom dus die ook vraag: Wat is nu het belangrijkste? Kunnen ze Hem daarmee pakken?
Jezus neemt de vraag op. Hij noemt niet één, maar sowieso twee regels. Ze staan beide in de Tora, maar Hij knoopt ze aan elkaar en maakt er als het ware één regel van. ‘Heb God lief en je naaste als jezelf’. Het gaat dus om de ander met een hoofdletter A en met de kleine letter a. En die twee horen bij elkaar. In die kleine letter a gaat het ook om de hoofdletter. Vaak schuiven die twee letters a zo maar over elkaar heen.
Wij, in de kerk, kennen die woorden vaak door en door. Ze zijn, voor wie met de kerk is opgegroeid, je soms met de paplepel ingegeven. Maar let op, in zijn antwoord -Heb de Heer, je God lief met alles wat in je is en je naaste als je zelf- schuilt iets bijzonders. Deze zin van Jezus correspondeert met de eerste twee vragen, die in de Tora gesteld worden. En zo gaat dit antwoord van Jezus meteen ook in op diepe menselijke vragen.
Die eerste twee vragen van de Bijbel worden gesteld in situaties waarin dingen echt goed fout gegaan zijn. Ze worden gesteld door God aan de mensen. Het zijn levensvragen. Elk mens -binnen maar ook buiten de kerk- probeert er wel een antwoord op te vinden. Want met die twee vragen begint ons mens-zijn. Het zoeken van een antwoord daarop vormt als het ware het vloertje onder je leven.
De eerste vraag die we in de Bijbel tegenkomen, wordt gesteld als het verkeerd is gegaan in het paradijs. Adam en Eva, ze hebben te hoog gegrepen en nu weten ze hun plek niet meer. Zijn hun verhouding tot de schepper kwijt en ze zijn hun verhouding tot de schepping, die hen gegeven was, kwijt. En God roept: ‘Mens, waar ben je?’ (Gen. 3, 9). Waar kan ik je vinden in de wereld? Wat laat je zien? Waar sta je voor?
Adam en Eva – mensen – verbergen zich, weten niet goed wat ze met God aan moeten. Willen liever zelf zijn plek innemen. Maar vergeten dat zij niet de Schepper, maar een onderdeel van de schepping zijn. Er is nog iets anders, groots, alomvattends. En Jezus zegt: ‘Het eerste en grote gebod is, heb de Heer, je God lief…’ Voor de Bijbel is dat heel wezenlijk. Het zegt, mens maak jezelf niet tot het centrum van het leven; maak jezelf niet tot het uitgangspunt van de wereld, want dan loopt de boel fout.
In het antwoord van Jezus ligt besloten, blijf bij het eerste begin, blijf bij respect voor God, de Eeuwige; bij wie het geheimenis van al het leven op aarde geborgen is; ‘Heb de Heer, je God, lief …’
Blijf vanuit de Schepper denken over het leven, vanuit de Eeuwige. Sta zó in het leven en weet dat er meer is, dan jij, mens! Geen mens weet alles. Geen mens overziet alles. Maar weten wij nog wat leven is? Géén bezit, maar een geschenk van de Schepper én een opdracht?! Laat ruimte voor God. Neem die ruimte niet zelf in.
De tweede vraag die in de Bijbel klinkt, is ook weer een vraag van God aan ons. Het is hopeloos fout gegaan tussen twee mensenkinderen, Kaïn en Abel. De één staat de ander naar het leven (Gen. 4, 9). En als er een dode gevallen is, luidt de vraag: ‘Mens, waar is je broeder?’ Waar je zuster, zeggen wij er nu achter. In de schepping van God is de ander niet anders dan jij. Opnieuw, ga niet van jezelf uit. Dan krijg je moord en doodslag. Jij bent niet de norm. En zo zegt Jezus: ‘Heb je naaste lief als: jezelf!’ Hij noemt dat het tweede gebod, maar het sluit haarfijn aan bij het eerste. Ga in je denken en doen uit van de Eeuwige, de Barmhartige. Jij bent niet het centrum. Het uitgangspunt is dat je er samen bent met de ander.
Die eerste twee vragen: Mens waar ben je? En: Mens, waar is je broeder/je zuster, zijn kernvragen in het leven. Fundamenteel, die eerste vragen in de Bijbel. Fundamenteel voor iedereen.
De woorden van Jezus zijn als het ware een antwoord op die vragen, als Hij zegt ‘Heb God, de Heer lief met alles wat jou maakt tot de mens die je bent’; jij, die in woorden en daden een antwoord wil zijn op ‘Mens, waar ben je?’ Waar sta je voor? En op die tweede regel, die Hij net zo belangrijk noemt: Zie de ander – net zo bijzonder als jij zelf.
Het zijn bijzondere regels, die Jezus hier noemt. Alles begint daar mee. Beide zinnen liggen in elkaars verlengde.
Het zijn geen eenvoudige regels, die je even af kunt vinken. Zo werkt het niet. Ze zetten ons op onze plaats. Het zijn uitgangspunten die je kunnen helpen bij het zoeken naar een waardevolle levenshouding. Als je ze meeneemt het leven in, zul je merken dat die leefregels je soms flink kunnen storen en kunnen dwarszitten, maar misschien hebben wij dat ook wel nodig. Want door alles heen houden ze ons ook op het spoor, helpen ze ons steeds op de goede weg. Ze kunnen een bron voor je zijn, steeds weer, een bron om meer mens te worden.
Terug, naar die discussies over het geloof van het begin van de preek. Wat geloof je nu eigenlijk? En wie is God dan voor jou? Als mensen dat soort vragen stellen is het soms alsof ze een pakketje antwoorden van je willen. Dat is natuurlijk ook het makkelijkst. Dat stop je zo in je binnenzak en misschien kijk je er later nog eens naar.
Maar wat, als je nu eens niet vanuit een pakketje denkt, maar veel eerder vanuit een zoektocht – want dat is het. In elke fase van je leven krijg je weer nieuwe vragen of oude vragen op een nieuwe manier en steeds zoek je naar een houding. Hoe moet ik in het leven staan?
Hier krijg je daar een handreiking voor. Je leert anders te kijken naar het leven; naar de diepte ervan, de hoogte en naar het geheim, het onuitsprekelijke geheim.
Heb God lief … en heb je naaste als jezelf. Leer anders kijken naar de A/ander.
Zo kunnen die regels een bron voor je worden. Maar dat gebeurt alleen als je de vragen die daarachter liggen ook aan jezelf blijft stellen. En dat is trouwens prima, want het is ook iets om je hele leven mee bezig te blijven, met heel je hart en heel je ziel en heel je verstand.
inleiding dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld prof. dr. Jaap de Lange
Homiletische hulplijnen 122
Preekinspiratie
Sinds het begin van dit A-jaar zijn de exegetische inleidingen en de preekvoorbeelden van Tijdschrift voor Verkondiging niet alleen te vinden op www.tijdschriftvoorverkondiging.org maar ook op www.preekinspiratie.nl, een website van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG). Dat blijft zo, ook als Tijdschrift voor Verkondiging aan het eind van dit A-jaar ophoudt met het aanbieden van nieuw materiaal.
Hoe werkt Preekinspiratie?
Deze website, die deel uitmaakt van www.debijbel.nl, voorziet sinds 2026 in twee sporen die de gebruiker kan bewandelen:
Thematische series
Op dit punt heeft het NBG al veel ervaring opgedaan. Te denken valt aan lectio continua, aan projecten in de Advents tijd en in de Veertig dagen en aan thematische clusters van vier tot zes weken.
ABC-jarigheid
Uit het Lectionarium ’69 hebben zich in Nederland twee andere lectionaria ontwikkeld, dat van de Oud-Katholieke Kerk (1993) en dat van de Protestantse Kerk in Nederland (1998). De lectionaria zijn onderling nauw verwant, vooral wat de evangelieperikopen betreft.
Tijdschrift voor Verkondiging komt als geroepen om dit tweede spoor te begeleiden. Ik citeer Matthijs J. de Jong, tot voor kort hoofd en vertalen bij het NBG en bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Meer dan op het eerste spoor is hier ‘aandacht voor de liturgische samenhang van het leesrooster. Vanuit Preekinspiratie kun je doorklikken naar een leesroosterpagina met de teksten van de zondag: OT-lezing, psalm, brieflezing en evangelielezing. Op de leesroosterpagina bieden we materiaal aan vanuit Tijdschrift voor Verkondiging (TvV). Dit tijdschrift is gespecialiseerd in uitleg bij de lezingen van het Romeins lectionarium. Naast een exegetische beschouwing die de verschillende lezingen van de zondag met elkaar verbindt, biedt het tijdschrift voor iedere zondag een preekvoorbeeld. Dit materiaal van TvV vormt een waardevolle aanvulling op de exegese van Preekinspiratie.’
Hij besluit: ‘In een tijd waarin bijbelse geletterdheid onder druk staat en kennis van de bijbelse traditie afneemt, is het van blijvend belang dat voorgangers kunnen beschikken over een degelijke exegetische basis. Prediking moet haar fundament in de tekst hebben.’
In het huidige A-jaar wordt het TvV-materiaal integraal op Preekinspiratie overgenomen. In de volgende B-, C- en A- jaren wordt telkens een keuze uit het TvV-archief gemaakt.
Matthijs de Jong, ‘Tussen tekst en kansel: de methode achter Preekinspiratie’, Met andere woorden XLV, 1 (juni 2026).
drs. Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,