- Versie
- Downloaden 8037
- Bestandsgrootte 483.70 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 31 mei 2018
- Laatst geüpdatet 10 april 2026
Nummer 3– 98ste jaargang 2026 – mei/juni
TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING
UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN
3 mei 2026 Vijfde zondag van Pasen
Inleiding H. Janssen OFM
Preekvoorbeeld drs. H. Schoorlemmer
10 mei 2026 Zesde zondag van Pasen
Inleiding dr. Y. v.d. Akker-Savelsbergh
Preekvoorbeeld drs. F. Broekhoff
14 mei 2026 Hemelvaart van de Heer
Inleiding drs. M. van der Post
Preekvoorbeeld A. Jansen OFM
17 mei 2026 Zevende zondag van Pasen
Inleiding G. van Buul OFM
Preekvoorbeeld H. Boerkamp
24 mei 2026 Pinksteren
Inleiding dr. P. Kevers
Preekvoorbeeld drs. P. van Mansfeld
31 mei 2026 Drie-eenheid
Inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
Preekvoorbeeld prof. dr. E. Borgman OP
7 juni 2026 Sacramentsdag
Inleiding prof. dr. M. Poorthuis
Preekvoorbeeld prof. dr. J. Wissink
14 juni 2026 Elfde zondag door het jaar
Inleiding dr. E. Ottenheijm
Preekvoorbeeld drs. F. van der Knaap MA
21 juni 2026 Twaalfde zondag door het jaar
Inleiding dr. M. van de Wiel OCSO
Preekvoorbeeld drs. K. Touwen
28 juni 2026 Dertiende zondag door het jaar
Inleiding drs. H. Tacken
Preekvoorbeeld G. Martens
Homiletische hulplijnen 120 drs. K. Touwen
3 mei 2026
Vijfde zondag van Pasen
Lezingen: Hand. 6,1-7; Ps. 33; 1 Petr. 2,4-9; Joh. 14,1-12 (A-jaar)
Inleiding
Gezegend de lezer,
gezegend die horen wat God voor ogen staat,
dat wij ter harte nemen
wat hier klinkt, want de tijd dringt.
(Andries Govaart)
Helaas wordt er tussen Pasen en Pinksteren niet uit het Oude Testament voorgelezen. Daarom is het aan te bevelen om Psalm 33 als antwoordpsalm te bidden of te zingen.
Handelingen 6,1-7
De evangelist Lucas heeft een tweedelig werk geschreven: Het evangelie volgens Lucas, en de Handelingen van de apostelen. Het bijbelboek Handelingen is het verhaal van een serie bewegingen: van Jeruzalem naar Rome, van de Joden naar de heidenen, van Petrus naar Paulus. De auteur spreekt van de middelpuntvliedende dynamiek die het jonge christendom voortbeweegt.
De apostelen getuigen van Jezus die gekruisigd is en door God weer tot leven gewekt is. Hij zit nu aan Gods rechterhand en is door God tot leidsman en redder verheven om Israël tot inkeer te brengen en het zijn zonden te vergeven (2,29-32). Het succes van de apostelen roept verzet op.
Eerst worden Petrus en Johannes gearresteerd, de beide voormannen van de gemeente die in het eerste deel van Handelingen (1–12) de hoofdrol spelen. Later worden alle apostelen gevangengenomen omdat de hogepriester en zijn bondgenoten jaloers zijn. Tot regelrechte vervolging komt het pas nadat zeven helpers zijn gekozen voor de zorg en bediening van het evangelie onder Griekssprekenden.
In onze perikoop (6,1-7) komt er een conflict in de gemeente aan het licht. De onderlinge band zoals die bedoeld was blijkt toch ook broos: ‘Allen die tot geloof gekomen waren, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten hun eigendommen en bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde (2,43-47).
De Griekstaligen verwijten de Hebreeuwssprekenden dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning achtergesteld worden (6,1). De apostelen treden kordaat op: zij roepen heel de gemeente van leerlingen bijeen en komen met een voorstel. De zorg voor de weduwen (exemplarisch voor de verarmden) gaat hun ter harte: ‘van weduwen mag u het overkleed niet in pand nemen’ (Deut. 24,17-21; Jes. 10,1-3). Om de verkondiging van Gods woord niet in gevaar te brengen, dienen de leerlingen zeven wijze mannen met goede faam uit te kiezen om de zorg van de weduwen op zich te nemen. Alle leerlingen stemmen met dit goede voorstel in.
Met gebed en handoplegging worden de zeven mannen aangesteld.
1 Petrus 2,4-9
Zie: P. van Veldhuizen, ‘In de wereld staan. De eerste brief van Petrus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103.
Johannes 14,1-12
Onze perikoop (Joh. 14,1-12) vormt een onderdeel van 14,1–16,33 waarin Jezus meerdere afscheidsredes spreekt. Jezus geeft aan zijn leerlingen een nieuwe opdracht: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn’ (13,34v). Jezus’ liefdesleven is het voorbeeld en criterium voor de onderlinge liefde van zijn leerlingen, het is hun handelsmerk (vgl. de lezing uit Handelingen). Nu Jezus afscheid is aan het nemen, bemoedigt Hij zijn leerlingen. Zij hoeven niet ongerust te zijn, vertrouw op God en op Mij. In het gastvrije huis van Jezus’ Vader is volop plek, daar zal Jezus een plaats voor hen gereedmaken, en zullen zij met Hem zijn (Joh. 2,16: de tempel).
Op een vraag van Tomas, waar Jezus naartoe gaat, antwoordt Jezus: ‘Ik ben de weg, de betrouwbare ten leven’ (14,6). Jezus is de toegang naar de Vader, wie Jezus ziet, ziet de Vader, want Jezus en de Vader zijn één. Zij vormen een liefdesgemeenschap.
‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ benadrukt een punt dat door het hele evangelie weerklinkt: de enige manier om in een verbondsrelatie met God te kunnen staan, is door het geloof in Jezus als Gods Zoon en Israëls messias. Deze tekst is daardoor inclusief: hij sluit alle gelovigen in Christus in, maar benadrukt ook dat degenen die Christus niet belijden zijn uitgesloten van een relatie met God. Dit aspect wordt bijvoorbeeld ook benadrukt in de liefdesgeboden’ (13,34; 14; 15,21; 15, 12-17). Dergelijke uitspraken bevestigen nadrukkelijk het geloof in Jezus’ centrale en essentiële rol in Gods reddingsplan dat in dit evangelie tot uiting komt; volgens dit evangelie bestaat er geen andere weg naar het heil. Daarmee wordt ook de solidariteit binnen de groep benadrukt, verenigd in dit geloof tegenover alle anderen die niet in dit geloof delen (Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, 219).
Al is Hij opgenomen,
houd in herinnering,
dat Hij terug zal komen,
zoals Hij van ons ging,
Wij leven van vertrouwen,
dat wij zijn majesteit
van oog tot oog aanschouwen
in alle eeuwigheid.
(J.W. Schulte Nordholt, Liedboek 234: 2.)
Literatuur
G.P. Freeman en H. Janssen, ‘Handelingen van de Apostelen, Wereldwijd’, in: De Bijbel spiritueel, Zoetermeer/Kapellen 2004, 60
A. Govaart, De weg die je goeddoet, 65, Middelburg 2022.
A-J. Levine/M.Z. Brettler, Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, NBV21, Haarlem/Antwerpen 2024.
Preekvoorbeeld
We hebben geluisterd naar een mooi maar ook wel moeilijk stuk uit het Johannesevangelie.
Het is een fragment uit Jezus’ afscheidsrede op de avond dat Hij gevangen wordt genomen. Woorden van Jezus, wanneer Hij voor het laatst met zijn leerlingen aan tafel zit. Het is de avond voor zijn lijden: Witte Donderdag.
Het zijn moeilijke woorden maar ook woorden, die aansluiten bij diepe verlangens in ons. Het eerste fragment van Jezus’ rede wordt nogal eens gekozen bij een uitvaart. Het stuk waar Jezus zegt: In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen…
Wat treft ons zo in Jezus’ woorden, waarom is dit zo’n geliefde tekst? Om verschillende redenen:
- omdat de man of vrouw van wie afscheid wordt genomen ervaren is als iemand, die echt ruimte had voor de kinderen en kleinkinderen, soms zo verschillend in denken en doen dan de overledene zelf. Hij of zij doet denken aan de Vader over wie Jezus het heeft.
- soms ook omdat het een lastige vader of moeder betreft. Het schriftwoord is dan een uitdrukking van een verlangen, dat ergens toch Iemand is bij wie deze vader of moeder thuis kan komen, aanvaard wordt. Een verlangen dat die vader of moeder diep in het hart wel gedeeld werd, maar waar deze ook mee worstelde… een vader of moeder, een partner, bij wie de kamer vaak te klein was.
Een verhaal: Freek de Jonge vertelt in het boekje Door de knieën over zijn vader die dominee was. Die vader had moeten dulden, dat zijn vader, Freeks opa, met verpletterende geloofszekerheid op zijn vingers keek als hij aan een preek werkte. Die vader verhinderde de geest bij de zoon te komen, zegt Freek. Voor sommigen van ons zal dit herkenbaar zijn. Een vader of moeder, die je zo dicht op de huid zit, dat er geen ruimte is, geen adem. Weinig ruimte voor geloof, vertrouwen, eigen ontwikkeling. De goede geest en ook ‘de heilige Geest’ krijgt het dan moeilijk.
Je kan ook schrikken, tot de ontdekking komen hoe jij je kinderen of de mensen in je omgeving op de huid zit. Je zegt ze alle ruimte te geven, vertrouwen, maar is dat ook zo!?...
Jezus zegt: ‘In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.’
Hij gaat heen om een plaats voor ons te bereiden bij die Vader.
Hij gunt zijn leerlingen, Hij gunt ons te verblijven in diezelfde ruimte waarin Hij verkeert, de ruimte van Gods barmhartigheid, zijn mildheid. Jezus belooft de leerlingen terug te komen en ze dan mee te nemen, naar de plaats, naar de ruimte, waarin en waaruit Hij leeft.
Het is wat de leerlingen altijd al gewild hebben. Als ze Jezus voor het eerst zien daar bij de doop aan de Jordaan, gaan ze Hem achterna. Jezus draait zich om en vraagt: ‘Wat verlangt gij?’ Ze antwoorden: ‘Verblijven, waar u verblijft.’ ‘Kom mee’ zegt Jezus, ‘om te zien.’
Het hele Johannesevangelie kun je lezen als een verhaal waarin de leerlingen Jezus achternagaan om te zien waar Jezus zich ophoudt, in welke ruimte Hij zich beweegt. Het gaat hier niet om een optrekje in Nazaret of Jeruzalem, maar om een geestelijke ruimte, een gebedsruimte en een ruimte waar je kracht, vrijheid en liefde ervaart.
Is dat ook ons verlangen? Een ruimte, waarin je op adem kan komen, de ruimte waarin je mag zijn zoals bent met je vermoeidheid, je vreugde, je vuile was, een ruimte waarin je je bemind en gekoesterd weet.
‘Hoe kunnen we daar komen?’, vragen de leerlingen. ‘Heer, we weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten we dan de weg kennen?’
‘Door Mij’, zegt Jezus. ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’…
In die ruimte kun je komen door Jezus’ weg te gaan: dat is door te durven vallen, te durven verliezen, los te laten, door je over te geven…
Door de Waarheid te laten zijn: de waarheid over onszelf en elkaar – dat die er moge zijn. Dat je ware verhaal verteld mag worden, dat je er mag zijn, ons verhaal, waar we soms met grote bogen om heen draaien, dat we in grote woorden wikkelen. Hoe bevrijdend als je er in alle openheid en eerlijkheid mag zijn!
Nou denk je misschien: het evangelie en ook die preek worden mij een beetje zweverig.
Voor Jezus is het verblijven in de ruimte van de Vader niet zweverig, niet iets vaags. Het uit zich in de werken, hoe we met elkaar omgaan.
Wie gelooft doet de werken, die Ik doe, zelfs grotere dan die Ik doe…
Geloven in Jezus uit zich uiteindelijk in woorden en daden…!
Woorden, in daden, waarom doen we het niet. Is ons hart nog te verontrust?
‘Laat uw hart niet verontrust worden…,’ zegt Jezus ons.
inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Hans Schoorlemmer
10 mei 2026
Zesde zondag van Pasen
Lezingen: Hand. 8,5-8 en 14-17; Ps. 66; 1 Petr. 3,15-18; Joh 14,15-21 (A-jaar)
Inleiding
Handelingen 8,5-8.14-17
De vandaag niet gelezen verzen uit Handelingen 8,1-4, die voorafgaan aan deze eerste lezing, vormen het slot van de beschrijving van het leven en de dood door steniging van Stefanus (6,8–8,4). Uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat Saulus het eens was met deze moord. Op die dag begon ook een hevige vervolging van de gemeente te Jeruzalem met als gevolg dat allen – met uitzondering van de apostelen – zich verspreidden over Judea en Samaria.
Saulus nam deel aan deze vervolging, hij probeerde de gemeente te vernietigen door mannen en vrouwen uit hun huizen te sleuren en in de gevangenis te laten opsluiten. Hoewel de vervolging beoogde de gemeente uit te roeien, werd het tegendeel bereikt. De gemeente verspreidde zich juist door de vervolging en als gevolg daarvan werd ook de goede boodschap wijd en zijd verspreid.
Zo kwam Filippus in Samaria waar hij Christus, de Messias, verkondigde. Met deze Filippus wordt niet de apostel bedoeld maar de diaken, die evenals bovengenoemde Stefanus en nog vijf anderen aangesteld werd om de Hellenisten te ondersteunen (6,1-7). Dat hij uitgerekend in Samaria de Messias preekte, is bijzonder omdat de verhouding tussen Joden en Samaritanen niet al te best was. De laatsten erkenden het religieuze gezag en de tempel in Jeruzalem niet, hun eigen tempel was ooit op de berg Gerizim. Zo beschrijft Lucas in zijn evangelie hoe Samaritanen weigeren, Jezus en de leerlingen door hun land te laten trekken (9,51-56). Anderzijds vertelt Lucas ook het verhaal van de barmhartige Samaritaan en de genezing van de tien blinden die zich aan de priester in de tempel moesten laten zien en waarvan er maar één, uitgerekend een Samaritaan, terugkwam om Jezus te bedanken (10,25-37; 17,11-19).
Filippus heeft veel succes met zijn verkondiging. De mensen luisteren aandachtig naar zijn woorden en zien (blepoo) de tekenen die hij doet: onreine geesten worden uitgedreven, verlamden en kreupelen worden genezen. De passage eindigt met de woorden dat er grote vreugde was in die stad.
In de evenmin gelezen verzen uit Handelingen 8, 9-13 maken we kennis met de magiër Simon en zijn geschiedenis wordt hervat in Handelingen 8,18-24. Deze Simon wist de mensen versteld te doen staan en noemde zichzelf (!) een groot man. Iedereen was ervan overtuigd dat hij de grote kracht van God was, juist omdat hij hen telkens weer verbaasde door zijn magische kunsten. Maar toen Filippus het koninkrijk van God en de naam Jezus Christus verkondigde, lieten mannen en vrouwen die tot geloof gekomen waren, zich dopen. Ook Simon geloofde en liet zich dopen en bleef bij Filippus omdat hij zelf versteld stond van de tekenen en grote krachten die hij zag (theaomai betekent ‘zien’ maar dan van de buitenkant, als toeschouwer, vgl. ons woord theater).
De lezing vervolgt in 8,14 met de mededeling dat de apostelen in Jeruzalem Petrus en Johannes naar Samaria stuurden, nu de mensen daar het woord van God hadden aangenomen. Was er in het bovenstaande sprake van onreine geesten die uitgedreven waren, nu bidden Petrus en Johannes om heilige geest over hen. Want de mensen waren weliswaar gedoopt in de naam van de Heer Jezus, maar nog op niemand was heilige geest neergedaald zoals bij de apostelen. Dit gebeurde pas na het gebed en de handoplegging.
Tot zover de lezing. Het verhaal van de magiër Simon gaat verder (8,18-24). Toen deze zag dat heilige geest geschonken werd door handoplegging van de apostelen bood hij Petrus geld aan om die macht te verkrijgen. Petrus was uitermate geërgerd, want Gods geschenk is niet te koop (8,21). De handoplegging is verbonden met gebed en God is de schenker van de geest. Zo blijft Simon de magiër aan de buitenkant staan, in tegenstelling tot de mensen in Samaria.
1 Petrus 3,15-18
Zie: P. van Veldhuizen, ‘In de wereld staan. De eerste brief van Petrus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103.
Johannes 14,15-21
Op de laatste zondag voor Hemelvaart lezen we een perikoop uit de afscheidsrede van Jezus, waarin de Geest een van de hoofdthema’s is (Joh. 13–17: 14,16-17.25-26; 15,26; 16,7-11.12-15). Jezus bereidt de leerlingen voor op zijn naderend afscheid, maar zoals steeds in het evangelie van Johannes spreekt Jezus op een dieper niveau dan de leerlingen. Dat blijkt al uit hun vragen. Simon Petrus bijvoorbeeld vraagt Jezus waar Hij naartoe gaat (13,36). Tomas zegt tegen Jezus dat ze niet eens weten, waar Hij naartoe gaat, hoe zouden ze dan de weg kunnen weten? Waarop Jezus antwoordt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ (14,5v). Filippus vraagt Jezus hun de Vader te laten zien (14,8). En aansluitend aan onze lezing vraagt Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus, waarom Hij zich wel bekendmaakt aan de leerlingen en niet aan de wereld? (14,22) Kortom, een en al onbegrip en misverstand van de kant van de leerlingen, wat Jezus op zijn beurt de kans geeft dieper in te gaan op hun vragen over zijn heengaan.
Onze evangelielezing vormt een eenheid en begint met de woorden: ‘Als je Mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden’ en eindigt aldus: ‘Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft Mij lief. Wie Mij liefheeft, zal de liefde van mijn Vader en Mij ontvangen, en Ik zal Mij aan hem bekendmaken (14,15.21). Wat deze geboden betreft: in Johannes 13,34-35 geeft Jezus de leerlingen een hernieuwd gebod: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn’. Voor de woorden liefde en liefhebben staat er in het Grieks steeds agape en agapao.
Ingebed tussen deze verzen over de gemeente die op ware liefde is gebaseerd, staat de komst van de parakleet, de helper, de advocaat, de trooster, de Geest van waarheid; want Jezus laat zijn leerlingen niet aan hun lot over, ook al kan Hij binnen afzienbare tijd niet meer lijfelijk bij hen aanwezig zijn (14,16.26). De Vader zal deze parakleet sturen op verzoek van Jezus, een hartverwarmende kracht voor de gemeente om de liefde te laten bloeien. ‘Hij is de nieuwe gestalte van de opgestane en doorlevende Jezus, diens voortgezette, maar vernieuwde, want verheerlijkte aanwezigheid. … Die herleefde, opgestane Jezus in de geschiedenis van zijn leerlingen en van zijn gemeente heet bij Johannes ‘geest’.’ Aldus Jan Nieuwenhuis (blz. 325).
Ook al is Jezus er na zijn dood niet meer, op een andere wijze is Hij wel degelijk blijvend aanwezig, een wijze die voor de leerlingen en voor ons niet te vatten is, als parakleet (14,16v; vgl. 1Joh. 2,1). Terecht merkt Jan Nieuwenhuis op dat parakleet geen eigennaam is, maar een functie, een beroep (blz. 326). Hij onderricht en brengt de leerlingen alles in herinnering (14,26), hij zorgt ervoor dat zij tot de volle waarheid komen (16,13), hij zal getuigen van Jezus (15,26).
Er bestaat een tegenstelling tussen ‘jullie’ (de leerlingen van Jezus) en de ‘wereld’ die de geest van de waarheid, de parakleet, niet kan ontvangen. Tot de wereld behoort ieder die zich afkeert van de Vader en van Jezus en die daarom niet kan ‘zien’ (14,17.19.19) en niet ‘weet’ in tegenstelling tot de leerlingen die wél zien en weten (14,17.17.20).
Literatuur
Jan Nieuwenhuis, Johannes de Ziener, Kampen 2004
Preekvoorbeeld
Jezus zegt in de evangelielezing: ‘Als gij Mij liefhebt, zult u mijn geboden onderhouden.’ Jezus liefhebben vraagt dus iets van ons: ‘zijn geboden onderhouden.’ Nu hebben geboden in onze tijd geen goede naam. Veel mensen beginnen te protesteren als ze iets wordt opgelegd. We maken het liever zelf uit. Ook sommige politici doen daaraan mee. Als een besluit dat op democratische wijze tot stand is gekomen, hen niet zint roepen ze mensen op om te protesteren. En die protesten kunnen behoorlijk uit de hand lopen.
Zijn de geboden van Jezus dan anders? Eerder in het evangelie van Johannes geeft Jezus een nieuw gebod: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie ook elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’ Jezus zegt dit nadat Hij de voeten van zijn leerlingen heeft gewassen. De voetwassing is het teken van zijn dienstbaarheid. Hij liet op die manier zien dat wij dienstbaar moeten zijn aan elkaar.
Het Griekse woord voor ‘liefde’, zoals dat in het evangelie gebruikt wordt, laat dat ook zien. Het is agape en dat betekent een liefde die gericht is op de ander. Een liefde die zoekt wat het beste is voor de ander. Het gebod van Jezus houdt dus in dat we ons niet richten op onszelf, maar juist op de ander. En gaat dat altijd vanzelf? Nee, dat kunnen we overal zien. Je moet voor jezelf opkomen is iets wat we vaak horen. En daar is op zich niets mis mee. We hoeven niet als makke schapen van alles te ondergaan. Je bewust zijn van je eigen rol en je eigen plaats in de wereld is belangrijk. Als je niet voor jezelf zorgt, dan kun je ook niet voor anderen zorgen. Zorgen voor een ander is niet alleen geven. Het is ook ontvangen. We kunnen door te zorgen voor anderen zelf een beter mens worden. Dat geldt voor de zorg voor mensen vlak om ons heen: onze kinderen, onze ouders en allen met wie we nauw verbonden zijn. Maar de liefde en zorg voor elkaar, zoals Jezus bedoelt, beperkt zich niet tot onze directe omgeving. Het verrijkt ons ook als we verbonden zijn met mensen die verder van ons afstaan.
We zien dat ook in de eerste lezing: de diaken Filippus wordt erop uitgestuurd om Jezus als de Messias, de Christus te verkondigen en hij kan rekenen op grote belangstelling. De mensen zijn geraakt door zijn woorden. Filippus doet dat in Samaria en dat is niet zomaar. Samaritanen en Joden hadden een moeizame verhouding. Zo hoorden we in het evangelie van Lucas dat Samaritanen weigeren om Jezus en zijn leerlingen door hun land te laten trekken. En in de parabel van de barmhartige Samaritaan wordt verteld dat het juist een Samaritaan is die echt helpt. Filippus gaat dus op weg naar de ander. Een groep die anders is dan de groep waar hij uit voorkomt.
Wij kunnen ook op weg gaan naar de ander. In meerdere plaatsen zijn er initiatieven om mensen met elkaar in contact te brengen. Een gezamenlijke maaltijd, een spelletjesmiddag of -avond samen met mensen uit andere landen en andere culturen of geloven. Een manier om niet als vreemden naast elkaar te leven in stad of dorp, maar om elkaar te leren kennen en van elkaar te leren. In plaats van de ander op afstand te houden kunnen we ook proberen elkaar te ontmoeten. Het klinkt simpel, maar is het ook zo eenvoudig? Tegenstellingen worden vaak opgeklopt. Er is veel onrust in ons land, in de wereld en soms ook in ons eigen hart. We voelen ons niet altijd zeker en veilig genoeg om echt naar andere mensen toe te gaan. Jezus weet dat, daarom belooft Hij een helper, de geest van de waarheid. De geest die ons helpt om te kiezen voor wat echt belangrijk is. Nu is die geest geen geheimzinnige kracht die ons influistert wat we wel of niet zouden moeten doen. Het is niet iets buitenaards. We zeggen weleens dat we handelen in de geest van bijvoorbeeld vader of moeder als die er niet meer is. We denken ons dan in: wat zouden zij doen als ze in dezelfde omstandigheden waren. Ik denk dat we op dezelfde manier kunnen praten over de geest van waarheid, die God ons via Jezus geeft. Wat zou Jezus zeggen of doen als Hij in deze omstandigheden was.
En wat Hij doet, leren we uit dat nieuwe gebod: ‘Heb elkaar lief. Zoals Ik jullie heb liefgehad. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’ Dat is de geest van waarheid die God ons geeft. Hoe kunnen we elkaar tot steun zijn. En dat geldt natuurlijk voor onze directe omgeving, onze familie, onze buren. Maar Jezus trok zich niet alleen het lot aan van zijn directe naasten. Zijn aandacht ging uit naar mensen die verder van Hem afstonden. Hij ging op zoek naar mensen buiten zijn eigen kring. Net als Filippus deed in de eerste lezing. Wij zien Jezus niet meer in levende lijve. Niet als mens die tussen ons in loopt, maar zijn geest kan in ons tot leven komen. De geest die ons leert om op zoek te gaan naar elkaar.
Als we het gebod van Jezus om elkaar lief te hebben volgen, dan groeien we in menszijn. We groeien in menselijkheid, we worden er betere mensen van.
inleiding dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld drs. Frans Broekhoff
14 mei 2026
Hemelvaart van de Heer
Lezingen: Hand. 1,1-11; Ps. 47; Ef. 1,17-23; Mat. 28,16-20 (A-jaar)
Inleiding
Op het feest van Hemelvaart, veertig dagen na Pasen (vgl. v. 3), wordt ieder jaar, zowel in de A-, B- als C-cyclus, de lezing Handelingen 1,1-11 gelezen, de andere lezingen variëren. Het verhaal over de opname van Jezus in de hemel staat dus centraal en verdient daarom in deze inleiding het eerst de aandacht.
Handelingen 1,1-11
Het evangelie van Lucas sluit af met een kort verslag van het einde van de dag dat Jezus uit de dood werd opgewekt en zich opnieuw verenigde met zijn leerlingen. In vers 24,51 staat: 'Terwijl Hij hen zegende ging Hij van hen heen en werd Hij in de hemel opgenomen'.
Bij het begin van het boek Handelingen wordt deze scene hernomen en uitgewerkt in het verhaal dat de lezing van vandaag vormt. Deze herhaling hangt samen met het feit dat Lucas-Handelingen als een dubbelwerk geconcipieerd is. De gebeurtenis van de hemelvaart is daarbij het scharnierpunt geworden, wat het belang ervan aangeeft. Ik wijs in het volgende op enkele aspecten die dat belang accentueren.
In Handelingen 1,1 staat in het Grieks dat Lucas in zijn eerste boek (het evangelie) heeft verteld over wat Jezus begon te doen en te onderwijzen vanaf het begin tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen. In de vertalingen valt dat woordje ‘beginnen’ veelal weg, wat jammer is. Het woord ‘beginnen’ suggereert namelijk dat Jezus na zijn hemelvaart verdergaat met handelen, en dat is eigenlijk precies wat er in het boek Handelingen verteld wordt en al in het evangelie is voorbereid. Met de gave van de heilige Geest, die hier wordt aangekondigd (v. 5) en met Pinksteren daadwerkelijk plaatsvindt, zet Jezus nu in de leerlingen, in de groeiende Kerk, zijn werk voort.
Dat werpt een speciaal licht op de hemelvaart. Dat is dus geen breuk of afscheid, maar eerder een moment van besef van een nieuwe relatie. De verrijzenis is de ervaring van de voortgezette aanwezigheid van Jezus. Hij is levend onder ons, en Lucas doet alle moeite om te benadrukken dat we dat heel concreet moeten opvatten (vgl. Luc. 24,37-43 en hier v. 3). Maar er is tegelijk iets veranderd, iets anders geworden in die aanwezigheid. In het verhaal van de hemelvaart wordt dat geaccentueerd; de hemelvaart symboliseert die verandering: ‘een wolk onttrok Hem aan het gezicht.’ De leerlingen moeten wennen aan de nieuwe relatie, ze staren naar de hemel, totdat de twee mannen in het wit hen wakker schudden. ‘Hij komt terug zoals Hij is weggegaan’, zeggen ze. Omdat Hij niet echt is weggegaan, hoeven we ons ook geen zorgen te maken over zijn terugkomst.
De vraag van de leerlingen naar de komst van het Koninkrijk (v. 6) is het verlangen naar tastbaar resultaat, naar veranderingen die blijvend zijn. Dat zijn onze eeuwige, menselijke en waarschijnlijk wat ongeduldige verlangens bij alles wat we doen. Die worden bij de leerlingen ook na veertig dagen van voorbereiding niet gestild. Alleen God weet wanneer de voltooiing komt, maar wij zullen de heilige Geest, de kracht ontvangen om te doen wat we moeten doen.
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73
Matteüs 28,16-20
Aan het eind van het evangelie keert Jezus als Verrezene weer terug naar de berg in Galilea. Die plek refereert aan de berg van de Bergrede (5,1). Deze laatste woorden van Jezus aan zijn leerlingen kunnen we daarom in nauw verband zien met die uitgebreide toespraak waarmee Jezus zijn optreden begon. Die was in eerste instantie ook gericht tot de leerlingen. Als Jezus hier zegt: ‘Leer alle volken om alles te onderhouden wat Ik jullie geboden heb’, dan gaat het zeker om wat Hij die andere keer op de berg zijn leerlingen op het hart gedrukt heeft: ‘Doe wat je zegt, vervul de Wet op de speciale manier die Ik voordeed: vergeld kwaad met goed, wees bescheiden, verras met je goedheid.’
Het leggen van een direct verband tussen deze slotwoorden van het evangelie en de Bergrede haalt de verraderlijke angel uit de missionaire ijver waartoe Jezus hier oproept. Dat is namelijk een aspect dat misverstanden kan opwekken. Als je zozeer vervuld bent van het heil dat je uit te delen hebt, kan gebeuren wat meer dan eens gebeurd is in de twintig eeuwen die gevolgd zijn op deze zending van de allereerste christenen: dat het heil opgelegd wordt en daarmee verandert in onheil. Als je de volken wilt onderrichten in de geest van Jezus, onderricht je misschien nog het meest jezelf, of liever gezegd: laat je je onderrichten. De Bergrede wijst in de volle breedte op constante zelfcorrectie.
De woorden in vers 18: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde’, moeten we daarom in het licht zien van de kleine beweging die het christendom nog was op het moment dat Matteüs deze woorden schreef. Niet-christenen zullen toen bij het horen hiervan misschien gedacht hebben: wat kan de macht zijn van die gestorven man die volgens sommigen levend is? Er werd dus zeker niet de hegemonische macht bedoeld die er in later tijden vaak van gemaakt is. We moeten denken aan de macht van liefde, verzoening en vergeving, van de ene en de andere wang, van alles wat Jezus voorgeleefd heeft en waarin Hij levend aanwezig bleef bij zijn leerlingen alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.
Efeziërs 1,17-23
Wat in dit fragment uit de brief aan de Efeziërs gezegd wordt, kunnen we lezen als uitwerking van wat Jezus in Matteüs 28 wil dat de leerlingen leren aan alle volken. In het eerste deel van hoofdstuk 1 heeft de schrijver van de brief de lezers en toehoorders al een flink hart onder de riem gestoken: al van voor de grondvesting van de wereld heeft God ons in liefde uitgekozen om geheiligd en gereinigd voor Hem te staan (v. 4). Onze diepste bestemming is in liefdevolle relatie met God te leven. Christus wijst ons daarin de weg, we worden niet gegijzeld door onze beperktheid, zondigheid en mislukkingen. We zijn daarvan juist bevrijd!
Het gaat dan om dat we God zo beter leren kennen (v. 17), zijn overweldigende kracht, die zich niet aan ons opdringt, maar die er gewoon altijd is, die bij ons blijft en altijd mijn eenvoud, mijn transparantie en mijn volle menselijkheid wil.
Alle machten van de wereld zijn aan Christus onderworpen (vv. 21-22). Dat correspondeert direct met de macht waarover in Matteüs 28 werd gesproken. We weten dus dat het hier niet om grootspraak of triomfalisme gaat. In de tijd dat deze woorden geschreven werden (net als die van het evangelie van Matteüs ergens in de laatste twintig jaar van de eerste eeuw) was daar geen enkele aanleiding voor. De macht waar hier over gesproken wordt, heeft te maken met de wonderbaarlijke transformatie die mensen kunnen ondergaan wanneer ze zich gedragen weten door God en de levende Christus aanwezig weten in hun leven. Ogenschijnlijk kleine gemeenschappen kunnen zo, met Hem als hoofd, gezamenlijk de belichaming zijn van Gods macht en volheid.
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53
Psalm 47
Deze psalm is een van de koningspsalmen (net als bijvoorbeeld 2, 45, 93, 96, 97, 98, 99 en 110). Deze psalmen benadrukken de heerschappij van God en zijn gezalfde, de koning, en worden gebruikt in zowel de joodse als de christelijke traditie om de messiaanse heerschappij te verbeelden.
In Psalm 47 is God koning over alle volken en alle volken worden door Hem onderworpen aan het godsvolk. Dit koningschap zal pas aan het einde der tijden voor iedereen duidelijk zijn. Deze eschatologische lezing, die al oude, voorchristelijke papieren heeft, zet chauvinistische en nationalistische interpretaties buitenspel.
Het is op voorhand dus ook geen uitgemaakte zaak wie het godsvolk is, dat vanaf vers 4 aan het woord komt. Wij christenen kunnen aan onszelf denken, maar beseffen tegelijk dat dat gemakzuchtig en triomfalistisch is. Vruchtbaarder is het om het open te laten. God zelf nodigt ons uit om deel van het godsvolk te worden.
Het is een interessante gedachteoefening om bij het godsvolk in eerste instantie te denken aan de armen, vervolgden en uitgestotenen van deze wereld. Als zij het nu zijn bij wie, volgens vers 10, de vorsten van de volken zich aan zullen sluiten? Als de rijken en machtigen der aarde zich voegen naar de armen, dan zijn we waar we wezen moeten, in het rijk van recht en vrede, het Koninkrijk van God, waar Hij Koning is, Heer en Hoogste.
In het verband met de andere lezingen van Hemelvaart: deze psalm biedt ons een uiteindelijk perspectief. Dit vergezicht schonk de verrezen Heer aan zijn leerlingen toen Hij daar, ook weer op een berg (namelijk de Olijfberg), door een wolk aan het oog onttrokken werd.
Preekvoorbeeld
Slot van het evangelie van Matteüs
Vandaag een heel kort stukje evangelie, namelijk het slot van het evangelie van Matteüs. Een slot is toch altijd iets speciaals. Men wil daarin nog eens kort samenvatten waarover het ging en dus zich concentreren op de kern. In die tijd had men daar een speciale methode voor, de inclusio, letterlijk: insluiting. Dit wil zeggen, men verwijst nog eens naar het begin om zo de cirkel te sluiten. Daar zit ook iets logisch in. Men begint met iets te vertellen en op het einde van het verhaal laat men zien wat er ondertussen met dat begin of die beginsituatie uiteindelijk gebeurd is. Zo moeten we ook nauwkeurig deze enkele verzen van het slot van het evangelie van Matteüs lezen, met telkens aandacht voor het begin en de beginsituatie. En dan blijkt bijna ieder woord van het evangelie van vandaag belangrijk te zijn.
Galilea
In Galilea is Jezus zijn activiteiten begonnen en daar zal Hij ze als het ware ook afsluiten door zijn opdracht verder te geven aan zijn leerlingen. Voor Matteüs is de streek Galilea nog om een andere reden van bijzonder belang. Het is immers de plek van de heidenen en dat zegt hij uitdrukkelijk als Jezus begint te verkondigen. Hij citeert in dat verband de profeet Jesaja: ‘Galilea van de heidenen. Het volk dat in duisternis zit heeft een groot licht gezien, en over hen die in het land en in de schaduw van de dood zitten, over hen is een licht opgegaan’ (Mat. 4,13-17). Matteüs schrijft vooral joodse christenen die onder de heidenen leven. Dat wordt hier nog eens onderstreept. Trouwens enkele verzen verder wordt uitdrukkelijk gezegd: ‘maak alle volkeren tot mijn leerlingen.’
Op een berg
Ook dit woord doet onmiddellijk aan het begin denken, namelijk de berg die Jezus beklom om van daarop de bergrede of bergleer te verkondigen. In het begin van het evangelie lezen we: ‘Bij het zien van de menigte ging Jezus de berg op. Hij nam het woord en onderrichtte zijn leerlingen met deze toespraak’ (Mat. 5,1-2). Alleen al daardoor wordt duidelijk wat de leerlingen aan de volken moeten onderrichten, namelijk die bergleer met zijn zaligsprekingen.
Met deze bergleer is er indirect tevens een verwijzen naar de berg Sinai, waar Mozes de Tora ontvangen heeft. Matteüs heeft van begin af aan Jezus willen tekenen als een nieuwe en grotere Mozes. Op het einde van het evangelie krijgen we daarvan nog eens de bevestiging en ook de voltooiing. Als de verheerlijkte is Jezus de nieuwe en uiteindelijke Mozes, dé profeet bij uitstek die in de wereld moest komen.
Berg doet nog op een andere manier denken aan het begin, namelijk aan het bekoringsverhaal waar Satan vanop een berg Jezus alle koninkrijken laat zien en Hem dus alle macht beloofd. Jezus weigert uitdrukkelijk die macht. Dat feit is hier ook belangrijk omdat het verduidelijkt wat Jezus bedoelt met de woorden: ‘Mij is alle macht gegeven…’ Het gaat duidelijk niet om politieke, economische of wereldse macht. Het gaat alleen maar om de ‘kracht’ van Gods woord. Dat heeft zich nu kwetsbaar getoond in deze wereld. Jezus is omwille van dat ‘woord’ veracht, gekruisigd en gedood. Dat zal dus ook gelden voor zijn leerlingen die zijn leer verder zullen verkondigen. Zij zullen ook weerstand en vervolging ondervinden. Maar toch zal Gods Woord uiteindelijk het laatste woord hebben. Dat is de betekenis dat Hij zit aan de rechterhand van de Vader en allen zal oordelen. Zijn leer en leven zijn uiteindelijk dit laatste oordeel, dat is het criterium van waarheid en leugen, van boosheid en goedheid. Maar dit criterium is nu nog altijd broos en kwetsbaar in onze geschiedenis.
Dat Jezus het laatste woord zal spreken, was voor de eerste christenen een hoop gevende boodschap. Hier stond niet zozeer de angst voorop maar wel de hoop. Hij zal terugkomen om de waarheid aan het licht te brengen, om hen zo in hun recht en waardigheid te stellen tegen alle leugen en bedrog van deze wereld in. Matteüs schrijft voor een vervolgde gemeenschap, die standhield in de waarheid en verwachtte in die waarheid, in Gods waarheid bevestigd te worden. Dat is de diepe dynamiek achter de gelovige uitdrukking, die we formuleren in onze geloofsbelijdenis: ‘Hij zit aan de rechterhand van God, zijn almachtige Vader; vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.’
De leerlingen vielen op de knieën
Doorheen heel het evangelie van Matteüs zie je hoe de leerlingen voortdurend worstelen met de vraag: wie is die Jezus van Nazaret nu eigenlijk. Dat is de kernvraag, die heel evangelie draagt. Zo heb je eerst de belijdenis van Petrus: ‘je bent de Christus’ en onmiddellijk nadien blijkt hij er niets van begrepen te hebben en moet Jezus hem verwijten: ‘Ga weg, satan.’ En op het einde verloochent Petrus Jezus driemaal. In deze uitdrukking: ‘ze vielen op de knieën’ moet je dus het einde horen van een moeizaam leerproces van de leerlingen: ‘Al twijfelden enkelen.’ Wellicht wil Matteüs daarmee duidelijk maken dat dat altijd een moeizaam leerproces voor hen zal blijven. En dus ook voor ons, christenen van deze tijd.
Maak alle volkeren tot leerlingen en doop hen
Eerst en vooral staat er ‘alle volkeren’. Matteüs schrijft joodse christenen die onder de heidenen wonen. Alle volkeren zijn geroepen door God in Christus. De leerlingen krijgen in lijn daarvan de opdracht al de volkeren te verzamelen. Ook mag je hier een verwijzing in zien naar het begin zelf van de Bijbel, namelijk naar de uitverkiezing van Abraham. In Abraham zijn alle volkeren uitverkozen. Zo is de hele grote cirkel rond. Wij zijn dus opgenomen in een groots avontuur van God met de mensen. Paulus zal dat laatste vooral ontwikkelen in zijn verkondiging aan de volkeren.
Bij ‘leerlingen maken’ komt iets bij: ‘doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’. Ook hier weer een verwijzing naar het begin van het evangelie van Matteüs, namelijk de doop van Jezus in de Jordaan. Na de doop steeg Jezus op uit het water en zie, daar opende zich de hemel voor Hem en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Hem neerkomen. Er kwam een stem uit de hemel, die zei: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’ Christen worden is niet zomaar een leer aanhangen en zich aan regels houden. Het is opgenomen worden in het mysterie van God zelf en zelf in zekere zin Gods zoon worden en bezield worden door Gods Geest. Het is verankerd en geborgen zijn in God.
Ik ben met jullie
Hier weer een verwijzing naar het begin van het evangelie, namelijk waar de engel voor Jozef de profeet Jesaja citeert: ‘Zie de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en ze zullen Hem de naam Immanuël geven, wat betekent: ‘God met ons.’ Dat is Jezus geweest: Gods gelaat in onze mensengeschiedenis. Maar na zijn dood zal Jezus dat op een andere manier verwezenlijken. Hij zal zijn Geest zenden. Zo verwijst dit feest al direct naar het feest van Pinksteren.
Ook hier kunnen we nog verder teruggaan, naar het begin van het Hebreeuwse volk, waar God zelf aan Mozes zijn naam openbaart: ‘Ik ben er voor u.’ Dit heeft God uiteindelijk en ten volle verwezenlijkt in Jezus van Nazaret. En dat zal Hij blijven doen, maar nu in die Jezus, gezeten aan Gods rechterhand.
inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld André Jansen OFM
17 mei 2026
Zevende zondag van Pasen
Lezingen: Hand. 1,12-14; Ps. 27; 1 Petrus 4,13-16; Joh. 17,1-11a (A-jaar)
Inleiding
Handelingen 1,12-14
Met betrekking tot de hemelvaart van Jezus plaatst de evangelist Lucas zijn lezers voor enkele problemen. Aan het eind van zijn evangelie vertelt hij dat Jezus op de avond van de eerste dag van de week verscheen aan zijn leerlingen en hoe Hij een stuk geroosterde vis at. Vervolgens nam Hij hen mee de stad uit tot vlak bij Betanië waar Hij van hen heen ging en opgenomen werd in de hemel (24,36-51). Zij keerden terug naar Jeruzalem en verbleven voortdurend in de tempel waar zij God loofden (24,53).
In Handelingen vertelt de auteur dat Jezus samen met zijn leerlingen at en vervolgens opgenomen werd in een wolk (Hand. 1,4.9). Wolken zijn geen meteorologische fenomenen maar theofane elementen. Zo ging de Heer zijn volk in een wolk voor tijdens de uittocht (vgl. Ex. 14,19). In vers 12 bevinden ze zich plotseling op de Olijfberg. Dat kan overeenkomen met de mededeling in het evangelie dat ze richting Betanië, een dorp op de Olijfberg, waren gegaan. Volgens de evangelietekst was het al flink donker (vgl. Luc. 24,29) waardoor de visuele aspecten in Handelingen weer niet met het evangelie te combineren zijn. Een harmonisch relaas is zodoende uit de twee lucaanse teksten, evangelie en Handelingen, niet te verkrijgen.
De perikoop vermeldt vervolgens dat de leerlingen na aankomst in de stad naar het bovenvertrek gingen waar zij verblijf hielden. In Lucas 22,12 heeft de auteur al over een grote bovenzaal gesproken waar Jezus met hen het Pesachmaal gevierd had. Dat zij daar nog steeds vertoefden is eigenlijk zo vreemd niet. De ruimte was hen ter gelegenheid van het Paasfeest ter beschikking gesteld, en het Pesachfeest besloeg zeven dagen.
Vervolgens geeft Lucas de namenlijst van de elf apostelen (Judas Iskariot is intussen afgevallen). In vergelijking met de lijst in Lucas 6,14-16 heeft er een verandering in volgorde plaats gevonden waarvan het motief niet duidelijk is. Markant is eveneens dat de apostelen hier verblijven met de vrouwen, Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers. In het evangelie vermeldt de evangelist deze groepen over het algemeen los van elkaar. In Lucas 24,33 is bovendien nog sprake van ‘de anderen’. Waren dat de tweeënzeventig leerlingen die Jezus uitgezonden had om het Godsrijk te verkondigen (vgl. Luc. 10,1-24)? Met de elf apostelen, tweeënzeventig andere leerlingen, de vrouwen (Maria Magdalena, Johanna, Suzanna, Maria de moeder van Jacobus, Marta en Maria uit Betanië en nog tal van andere vrouwen), de vier broers van Jezus: Jacobus, Jozef, Simon en Judas (vgl. Mar. 6,3) en tenslotte Maria, de moeder van Jezus, komen we op een groep van rond de honderdtwintig. De suggestie dat we hier te doen hebben met de eerste christelijke huisgemeente lijkt overdreven en verraadt misschien dat de wens de vader van de gedachte is. Mogelijk hebben we in onze perikoop een ‘prefatie’ van de harmonische christengroep in Jeruzalem zoals beschreven in 2,43-47: ‘allen die die tot het geloof gekomen waren bleven bijeen… zij loofden God.’
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73
Psalm 27,1,4,7,8
Angst. Voor wie en waarom? Zo begint de psalmist dit lied waarin hij zijn vertrouwen uitspreekt dat de Heer hem bijstaat. Om die reden bidt hij dan ook te mogen wonen in het huis van de Heer, dat wil zeggen: de intieme en gelukkige relatie met God ervaren. Dat betekent voor hem het ‘aanschouwen van Gods luister.’
Tweede lezing: 1 Petrus 4,13-16
De perikoop handelt over enkele kernthema’s met betrekking tot het lijden. De auteur ontkent echter dat het leven één grote lijdensweg is (v. 14). Integendeel, tot driemaal toe vereenzelvigt hij het lijden met vreugde vanwege de deelname aan het lijden van Christus, vreugde om de openbaring van de heerlijkheid en wel ‘des te uitbundiger.’ Lijden in naam van Jezus betekent zo dat zijn Geest op de gelovige rust. Dit soort lijden is heel anders dan vervolging vanwege misdaden als moord, diefstal, kwaaddoenerij (tovenarij) of door zijn neus in andermans zaken te steken. Ook apologeten uit die tijd waarschuwen christenen voor dit soort motieven tot vervolging en lijden te vermijden.
Zie: P. van Veldhuizen, ‘In de wereld staan. De eerste brief van Petrus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103.
Evangelie: Johannes 17,1-11a
De grote afscheidsrede van Jezus tijdens een maaltijd (13,2) zoals vermeld in de hoofdstukken 13–16, wordt in hoofdstuk 17 afgesloten met het zogenaamde ‘Hogepriesterlijk Gebed.’ Eigenlijk een vreemde benaming, aangezien Johannes nergens Jezus hogepriester noemt. Deze komt wel voor in de Hebreeënbrief (vgl. Hebr. 7).
Het is veelzeggend dat de auteur van het evangelie Jezus laat spreken in de vorm van een gebed, en zo zijn eigen leven en dat van zijn leerlingen direct in verband brengt met God. We hebben hier niet te doen met een letterlijke weergave van Jezus’ woorden tijdens deze maaltijd, maar veeleer met een reflectie van de ‘gemeente van de Geliefde Leerling’ die Jezus deze woorden in de mond gelegd zou hebben.
Het gebed begint met de aanroeping ‘Vader’. Onder de Joden bestond zeker de gewoonte om God als vader van de koning en van het volk te beschouwen, maar zich in het gebed tot God richten als ‘(mijn) Vader’ was niet zo gewoon. Ook moeten we hier niet direct denken in termen van een conciliaire belijdenis van eeuwen later zoals ‘Zoon, vóór alle tijden geboren uit de Vader’, ook al zou de proloog van het evangelie de lezer daartoe aan kunnen zetten. Eerder lijkt het dat we hier moeten denken aan een belijdenis van de innerlijke verbondenheid tussen Jezus en God. Als de johanneïsche gemeente overtuigd was van de intieme gemeenschap, is het niet te verwonderen dat ze Jezus zo laten spreken.
Deze intieme relatie van Jezus met de Vader wordt zichtbaar in het feit dat Hij Gods grootheid heeft getoond door het werk te volbrengen dat God Hem opgedragen had. Deze relatie breidt zich uit naar de leerlingen. ‘Ik heb uw Naam aan hen bekend gemaakt.’ Geen theoretische kennis, maar een liefdesrelatie waarnaar ‘kennen’ in de Bijbel verwijst. Opdat deze intieme relatie van de leerlingen met God bestendig moge zijn, bidt Jezus voor zijn vrienden: ‘Ik bid voor hen’ (v. 9).
Opvallend in dit gebed is het feit dat er in hoofdstuk 17 van dit evangelie zo vaak gesproken wordt van ‘de wereld’. Alleen al in de perikoop van deze zondag komen we die uitdrukking al vijf keer tegen. Wat bedoelt de evangelist daarmee?
Omdat het vers ‘God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Joh 3,16), meer dan bekend is, kan dat de indruk wekken van een gunstige houding van Johannes ten opzichte van de wereld. De evangelist gebruikt de term ‘wereld’ echter vaker om diegenen aan te duiden die het licht verwerpen. In het Johannesevangelie lijken daar zelfs ook vaak de Joden (Judeeërs) en de leerlingen van Johannes de Doper zich onder te bevinden, terwijl de johanneïsche gemeente gevormd wordt door hen die het licht wel aannemen. De wereld is voor Johannes de plaats van ‘de kinderen van de duisternis (12,35v), zij die Jezus en zijn volgelingen haten (7,7; 16,20).’ Voor hen weigert Jezus te bidden (17,9). En als Jezus niet van deze wereld is, dan zijn volgelingen evenmin (vgl. 15,18v). De kwestie van wel of niet van de wereld zijn is beslissend voor de identificatie tussen Jezus en de zijnen. ‘Zij zijn van U, alles wat van Mij is, is van U, en alles wat van U is, is van Mij.’
Preekvoorbeeld
De zachte krachten
De laatste tijd wordt het woord hoop vaak uitgesproken en in vele boeken komt het naar voren. Het is niet verwonderlijk want we leven in bange tijden.
Als kleine mensen kunnen we niet op tegen de machten die ons breken en binden. Ook kleine landen staan machteloos tegenover grootmachten.
De vraag komt dan als vanzelf naar boven: Waar leven we van, is er nog hoop als het gaat om toekomst van ons zelf en onze wereld. Regelmatig hoor je dan woorden als: ‘De zachte krachten zullen overwinnen’. Dat is een mooie uitspraak, maar… wat wil je daarmee zeggen en waar kom je dat dan tegen dat zachte krachten overwinnen?
Het evangelie van vandaag geeft een richting aan.
De afscheidsrede van Jezus begint met de woorden: het uur is gekomen.
Het zijn niet zomaar vier woorden, nee… het is een beslissend moment,
Dat wil zeggen: nu gaat het echt gebeuren, nu komt de waarheid aan het licht.
Waar gaat het om?
Ik denk, en soms weet ik zeker dat de zachte krachten zullen winnen.
Het hele evangelie is vol zachte krachten in een harde werkelijkheid en in de afscheidsrede waar we uitgelezen hebben staat Jezus aan de vooravond van zijn arrestatie en kruisdood.
Ik wil graag een overzicht geven van de zachte krachten.
In het begin van het evangelie vraagt zijn moeder Hem om te helpen.
De bruiloft dreigt te verzanden: de wijn is op.
Jezus zegt ‘mijn uur is nog niet gekomen’, maar Hij is wel in staat om van water wijn te maken, om van iets eenvoudigs iets moois te maken. Om het met woorden van de dichter Remco Campert te zeggen,
Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
…
je zelf een vraag stellen
en dan die vraag aan een ander stellen…
Zo begint het proces om van water wijn te maken. Ik zeg wel eens: in het evangelie is delen vermenigvuldigen
Dat laat Jezus zien in het wonderlijk gebeuren op de berg.
In de woestijn van leven is het brood op en de mensen hebben nog een lange weg te gaan. Zijn leerlingen leggen het probleem bij Jezus en Jezus zegt: ‘begin maar, deel maar wat je hebt’ … en het wonder geschiedde, het wonder van de broodvermenigvuldiging. Het werd een feest op een groene vlakte.
Delen is een zachte kracht vol hoop
Ze brengen kinderen bij Jezus om ze te zegenen en Hij zegt tegen de grote mensen
‘Wordt als kinderen, als je niet wordt als kinderen begrijp je niets van God.’ Een vader of moeder vangt zijn of haar kind toch op als het valt. Het kostbaarste geschenk dat ouders aan kinderen kunnen meegeven is liefde en vertrouwen…daar begint Gods vertrouwen. Ook hier gaat het om zachte krachten die de hoop voeden, dat God je opvangt als je valt, als je denkt: waar doe ik het voor?
Gaan we verder. Wat moet je doen als de vijanden overheersen en je kunt niet tegen ze op?
Jezus zegt: keer ze ook de andere wang toe en als ze zeggen: draag mijn last twee kilometer verderop… maak er dan vier van en als klap op de vuurpijl zegt Hij: ‘Als de graankorrel niet sterft zal er geen nieuw leven ontstaan.’
Nu zeggen velen en soms denk ik dat zelf ook…dan laat je over je heen lopen.
Dan geef je de vijand de kans te doen en te laten wat hij wil, dan ben je weerloos in deze harde maatschappij.
Dat klopt en natuurlijk moet je je verdedigen maar waar je niet aan moet toegeven is je waardigheid verliezen, je menselijkheid, ook je vijand is een mens als jij….en voegt Jezus eraan toe ‘Wees niet bang.’
Nu komen we bij het evangelie van vandaag dat begint met de woorden: ‘Het uur is gekomen’, de zachte kracht van Jezus is zo sterk dat mensen Hem op handen dragen. Het volk komt in beweging en ze zien in Hem de messias.
Voor de machthebbers is dat zeer bedreigend en een dodelijke dreiging voor Jezus en zijn leerlingen.
Met andere woorden: het uur is gekomen.
Ze zijn samen, Jezus en zijn leerlingen, ook Judas is erbij. En dan bidt Jezus dat wonderlijke gebed waarin Hij als het ware zegt dat het kruis niet het einde is maar een teken van overwinning. God laat je niet vallen.
Met andere woorden:
- Jezus spreekt woorden van eeuwig leven over de dood heen.
- De zachte krachten winnen het uiteindelijk in een keiharde machtsstrijd.
- God onbedwingbaar, Vader voor eeuwig, koning van de vrede (Oosterhuis).
De leerlingen, wij dus, zitten erbij en kijken en luisteren ernaar. Maar het wonderlijke is als iemand een getuigenisgebed uitspreekt en zijn ziel op tafel legt dan wordt het stil, dan ontstaat er iets van een eeuwig moment, dan is het net of de hemel op aarde neerdaalt.
Zo’n moment wordt een kairos-moment genoemd, een heilig moment waarop alle vragen en alle ja-maars en alle onzekerheid als sneeuw voor de zon verdwijnen … wat de toekomst ook brenge moge … zelfs de dood wordt getrotseerd.
En op het eind van zijn gebed zegt Jezus ‘sta op laten we gaan’ en Hij gaat zijn heerlijkheid tegemoet, dood en opstanding.
Johannes heeft dit moment opgeschreven en het aan ons doorverteld.
Zijn leerlingen waren zo vol van de zachte kracht die van Jezus uitging dat er een beweging opgang kwam die tot de dag van vandaag niet te stuiten is.
De zachte krachten zullen overwinnen.
Dat is de hoop die ons gegeven wordt.
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld Hans Boerkamp
24 mei 2026
Pinksteren
Lezingen: Hand. 2,1-11; Ps. 104; 1 Kor. 12,3b-7.12-13; Joh. 20,19-23 (A-jaar)
Inleiding
Handelingen 2,1-11
Pinksteren is van oorsprong een joods feest. Samen met Pesach (het Paasfeest) en Soekot (het Loofhuttenfeest) was Sjavoeot (het Wekenfeest) één van de drie jaarlijkse pelgrimsfeesten in het oude Israël. Het wordt zeven weken na Pasen gevierd, op de vijftigste dag. ‘Vijftigste’ is pentekostè in het Grieks, en daar komt de naam ‘Pinksteren’ vandaan. Het Wekenfeest was oorspronkelijk het agrarische feest van de tarweoogst; later werd het bovendien de herdenking van het Sinaiverbond en de gave van de Tora. De Tora is geen privébezit van Israël. Ze werd niet in het beloofde land, maar in de woestijn geschonken aan het ‘volk onderweg’, en volgens een rabbijnse legende weerklonk ze in zeventig talen, zodat alle volkeren op aarde haar kunnen verstaan. Lucas heeft daar ongetwijfeld aan gedacht toen hij in zijn ‘tweede boek’, de Handelingen, zijn pinksterverhaal schreef. Hij somt zeventien volkeren en groepen op, die de apostelen allemaal ‘in hun eigen moedertaal’ horen spreken (Hand. 2,8-11). Zeventien is, net als zeventig, samengesteld uit tien en zeven, getallen die volheid uitdrukken.
Lucas heeft dus niet zonder reden de nederdaling van de heilige Geest op de apostelen gesitueerd op de dag van het joodse Pinksterfeest. Het gedruis en het vuur in zijn verhaal (Hand. 2,2-3) herinneren aan het verhaal over het Sinaiverbond (zie Ex. 19,16-20), terwijl de hevige wind verwijst naar de Geest: het Hebreeuwse ruach betekent zowel ‘wind’ als ‘geest.’ Zoals in het joodse Pinksterfeest de gave van de Tora herdacht wordt, zo is dat in het christelijke Pinksterfeest de gave van de Geest, en in het beide gevallen is het een universalistisch feest van volheid en vervulling. Na zevenmaal zeven dagen wordt op de vijftigste dag het Paasfeest voltooid; allen worden ‘vervuld van de heilige Geest’ (Hand. 2,4).
Het meest opvallende resultaat van de werking van de Geest is dat de leerlingen ‘beginnen te spreken’ (Hand. 2,4): zij treden vrijmoedig naar buiten met hun paasboodschap (zie de redevoering van Petrus onmiddellijk volgend op het pinksterverhaal, Hand. 2,14-36). Dit spreken is een ‘spreken in talen’. Elders wordt met die uitdrukking de glossolalie bedoeld, het uiten van onverstaanbare klanken (zie 1 Kor. 14,2; vgl. Hand. 10,46). De woorden van sommige omstanders (‘Ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan’, Hand. 2,13, niet meer in de lezing opgenomen) zouden geïnterpreteerd kunnen worden als een spottende reactie daarop. Lucas stelt het verschijnsel hier echter voor als een ‘spreken in vreemde talen’: alle aanwezigen horen hen spreken in hun eigen taal. Zo ontstaat een ‘omgekeerd Babelverhaal.’
In Genesis 11 verstaan de mensen elkaars taal niet meer, waardoor ze verdeeld raken en verspreid worden over de aardbodem. In Handelingen 2 komen vertegenwoordigers van ‘alle volkeren onder de hemel’ (v. 5) in Jeruzalem samen, en hoe verschillend hun moedertaal ook is, allen verstaan het woord dat hier gesproken wordt.
Het Pinksterfeest markeert dus niet alleen een voltooiing, het is ook een nieuwe start. Het is het begin van de christelijke verkondiging. De apostelen worden gezonden, de wereld in: ‘Wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, en tot het uiteinde van de aarde’ (Hand. 1,8). Pinksteren is het geboortefeest van de Kerk.
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73
Psalm 104
Als antwoordpsalm voor het Pinksterfeest zijn enkele verzen uit Psalm 104 gekozen, en met name vers 30: ‘Zendt Gij uw geest, dan komt er weer leven, dan maakt Gij uw schepping weer nieuw.’ Psalm 104 is een loflied op Gods grootheid en wijsheid, zoals die tot uiting komen in de schepping. De verzen 29-31 brengen tot uitdrukking, dat al het geschapene afhankelijk is van de Schepper, in leven en in dood. De ‘levensgeest’ of ‘levensadem’ (ruach in het Hebreeuws) komt van God en wordt blijvend door Hem geschonken. Als Hij die weg zou nemen, zou alle leven omkomen. Schenkt Hij die, dan komt er weer leven. Gods levenwekkende Geest is een vernieuwende kracht.
1 Korintiërs 12,3b-7.12-13
In de hoofdstukken 12–14 van zijn eerste brief aan de Korintiërs handelt Paulus over de charisma’s of gaven van de Geest: de gaven van wijsheid, kennis en geloof; de gave om zieken te genezen of om wonderen te doen; de gave van de profetie, enz. De Korintiërs hechtten erg veel waarde aan sommige van die charisma’s. Paulus begint met te onderstrepen dat deze bonte veelheid van genadegaven het werk is van één Geest: men mag dus geen onderscheid maken tussen de mensen op grond van een of ander charisma. Eén God brengt alles in allen tot stand, en welke bijzondere gave iemand ook heeft, het gaat erom dat Jezus als de enige Heer beleden wordt. In de verzen 8-11 (niet opgenomen in de lezing) geeft Paulus dan een opsomming van de charisma’s, en welbewust zet hij daarbij het door de Korintiërs zo hooggeschatte ‘spreken in tongen’ (glossolalie, het uiten van onverstaanbare klanken) op de laatste plaats. Hij zal in hoofdstuk 14 nader ingaan op de eigen problematiek hiervan. Vanaf vers 12 past Paulus de klassieke vergelijking van het menselijk lichaam toe op de christelijke gemeenschap: alle charisma’s moeten samenwerken als de ledematen en organen van het éne lichaam van Christus.
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56
Johannes 20,19-23
Deze lezing verhaalt de verschijning van Jezus aan zijn leerlingen, in de avond van de ‘eerste dag van de week’, de zondag van zijn verrijzenis. Jezus maakt zich bekend door de littekens in zijn handen en zijde te tonen: daardoor wordt uitdrukkelijk de band gelegd met zijn lijden en dood. De Verrezene is niemand anders dan de gekruisigde. Hij begroet zijn leerlingen met de gewone vredewens, die hier echter een theologische diepte krijgt, net als de vreugde van de leerlingen. De littekens van Jezus’ wonden verwijzen naar zijn liefde tot het uiterste. Zo worden in dit verhaal de eerste drie ‘vruchten van de Geest’ volgens Galaten 5,22 zichtbaar: liefde, vreugde, vrede. De leerlingen worden gezonden en krijgen de macht zonden te vergeven of niet te vergeven. Dit betekent dat hun zending, net als die van Jezus, de mensen oproept tot een beslissing: wie gelooft wordt niet geoordeeld, maar vindt vergeving van zonden en eeuwig leven; wie zich in ongeloof opsluit, wordt geoordeeld en veroordeelt eigenlijk zichzelf (vgl. Joh. 3,18-19; 11,25; 16,8-11).
In het verhaal lezen we dat Jezus aan zijn leerlingen de heilige Geest schenkt door over hen te blazen. Gods Geest komt immers tot uiting in de levensadem, die door God aan elk levend wezen werd meegedeeld (zie de antwoordpsalm, Ps. 104). Anders dan Lucas, die de gebeurtenissen na Jezus’ lijden en dood spreidt over een periode van vijftig dagen (Jezus’ hemelvaart op de veertigste dag; de gave van de Geest op de vijftigste dag), concentreert de vierde evangelist alles in één moment. Bij Johannes is de kruisdood van Jezus tevens het moment van zijn verheerlijking (zie Joh. 12,23; 13,31-32; 17,1); op het moment dat Jezus sterft aan het kruis, ‘geeft Hij de geest/Geest’ (Joh. 19,30). Ook in deze evangelielezing van het Pinksterfeest vormen Goede Vrijdag (de littekens van Jezus’ wonden), Pasen (de verschijning van de Verrezene) en Pinksteren (de gave van de Geest en de zending van de leerlingen) samen één geheel.
Preekvoorbeeld
Inleiding
Vrede voor u, goed dat u gekomen bent op dit feest van Pinksteren, de verjaardag van de kerk. We mogen met vuur van gebeden en gloedvolle liederen bevestigen dat ondanks alle ellende, mensen elkaar kunnen verstaan en dat Gods Geest kracht geeft om het goede te doen.
Overweging
‘Kom Geest van God, zet ons in beweging, kom troost voor arme mensen, hier en nu.’
Vandaag roepen we intenser dan anders om de Geest van God.
Het is Pinksteren!
Oorspronkelijk een joods feest, de vijftigste dag na Pesach, het feest waarop herdacht wordt hoe Mozes op de berg Sinai de Tora van God ontving, de tien woorden om mee te leven.
Er was toen donder en vuur op die berg, net zoals volgens Lucas er gedruis was en wind en vuur toen de Heilige Geest over de leerlingen kwam.
Op ieder van hen kwam iets dat op vuur leek. Op ieder van hen, dat betekent dat de Geest aan ieder gegeven wordt, aan ieder mens, zoals hij is, met zijn eigen talenten en mogelijkheden of beperkingen. En dan gebeurt er een wonder.
Vanwege het feest in Jeruzalem op die vijftigste dag na Pasen waren er uit ieder volk op aarde mensen aanwezig. Ieder hoorde in zijn eigen moerstaal de leerlingen spreken over Gods grote daden! Voor ieder mens is er een goed woord, een uitnodiging om ten goede te keren. Een goed woord voor Russen en Amerikanen, voor opgejaagde vluchtelingen en militairen, mensen van welke gender dan ook. Op dit Pinksterfeest kan het gebeuren dat we elkaar verstaan! Niet alleen verstaan in de Nederlandse taal, maar ook elkaar verstaan met ons hart. Door een geestkracht die ons vervult bij het zingen hier vanuit ons hart, door het samen bidden vanuit ons hart! Het kan hier gebeuren dat we ons aangesproken voelen door de kracht van Gods Geest om elkaar genadig te zijn.
We lazen uit het evangelie, het goede woord, de blijde boodschap van vandaag.
Een krachtig beeld: Midden tussen de bange en onzekere leerlingen komt Jezus binnen. Vrede voor jullie! Hij blaast over hen. Ontvang heilige Geest! Zo blies God de eerste mens uit klei gemaakt, de levensadem in. Zo blies Jezus op Pinksteren zijn leerlingen moed en kracht in.
Zo mogen wij hier en nu elkaar geest inblazen. Ontvang hier Heilige Geest!
In deze viering kun je geraakt worden door Gods geest. Het is niet zeker dat de vonk overkomt, maar de kracht die in jou is kan aangeraakt worden.
Jezus liet zich raken door een doofstomme man. Hij neemt hem apart, concentreert zich intens, zucht dan diep, als om de kracht in Hemzelf naar boven te halen, raakt de man aan. Dan breekt de geestkracht van die mens naar buiten, hij kan weer vrijuit spreken. Een pinksterverhaal in het klein.
Wat raakt jou echt?
Word je geraakt door de ogen van iemand of door het levensverhaal dat jou wordt toevertrouwd? Ben je snel ontroerd of ben je meer koel?
(hier kun je vertellen hoe jijzelf werd geraakt door de inzet van mensen.)
Je kunt ook op een andere manier de kracht van Gods Geest voelen. Voel jij die kracht als je na een moeilijke tijd je rug recht, je hoofd omhoog heft? Of voel je die geestkracht als jij een klik hebt met een ander mens.
Lukt het jou om betrokken te raken bij mensen? Bij mensen die we goed kennen en van wie we houden, is dat niet zo moeilijk. Lastiger wordt het wanneer we in contact komen met vreemden. Wanneer we een zwerver tegen het lijf lopen, of als je nieuwe buren krijgt uit een vreemd land. Of wanneer we op de televisie de wanhoop zien van moeders en kinderen, die zoeken naar eten en drinken. Volgens Jezus kunnen we juist in deze kwetsbare mensen Gods geest herkennen.
Lieve mensen, vandaag kunnen we ons openen voor de kracht, die onze harten opent om elkaar tot zegen te zijn. Kracht om een weg te vinden naar een menswaardige en vreedzame samenleving, waarin iedereen mee kan doen.
Die kracht van Gods geest maakt steeds weer een nieuw begin. Zoals in de vredeswerkers in het vluchtelingenkamp op de Westelijke Jordaanoever, die blijven zoeken naar een dialoog tussen Joden en Palestijnen.
Zoals in de jonge en oude mensen uit ons midden, die naar de plekken gaan waar mensen in diepe armoede leven. Ze zijn geraakt door de nood, ze proberen te helpen door mensen te leren vertrouwen op eigen kracht! Precies in deze Pinkstertijd vraagt de organisatie voor Nederlandse Missionarissen om steun voor mannen en vrouwen die zich vanuit hun geloof inzetten voor het welzijn en de toekomst van mensen elders in de wereld (concrete voorbeelden in de folder).
Vandaag kunnen wij laten zien dat we ons verbonden voelen met deze werkers en vooral ook met mensen die een steuntje in de rug nodig hebben. Door ons gebed, onze morele steun en ons geld kunnen we steun geven.
Pinksteren. Ontvang heilige Geest! Een Goddelijke kracht, die ons uitdaagt en kracht geeft om te leven naar Gods Geest, open voor elkaar, die ons uitdaagt om uitsluiting om te vormen tot samenleven. Laat de Geest maar binnenkomen en we zullen nieuwe mensen worden in een open wereld.
inleiding dr. Paul Kevers
preekvoorbeeld drs. Paulus van Mansfeld
31 mei 2026
Drie-eenheid
Lezingen: Ex. 34,4b-6.8-9; Dan. 3,52-55; 2 Kor. 13,1-13; Joh. 3,16-18 (A-jaar)
Inleiding
Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig,
onder uw vleugels rusten wij.
(Liedboek 275)
Wie God ten volle is, blijft voor de mens een mysterie. In het spreken over dit mysterie wordt vaak teruggegrepen wordt op poëtische taal om iets te zeggen wat aan ons gewone spreken ontsnapt, of op theologisch-filosofische taal om dit op een abstracter niveau te doordenken. Het spreken over de Drie-eenheid, behoort tot dit theologisch-filosofisch taalveld. Het mysterie niet ten volle kunnen bevatten, is echter niet hetzelfde als zeggen dat God onkenbaar is. We kunnen God kennen in de wijze waarop God zich heeft laten kennen door zijn handelen in de tijd, de heilsgeschiedenis. De lezingen van vandaag laten iets zien over Gods aanwezigheid in de wereld en wie God wil zijn in relatie tot de mensen die bij Hem horen.
Exodus 34,4b-6.8-9
De eerste lezing start vandaag bij het moment waarop Mozes opstaat en opnieuw de berg Sinai beklimt om daar JHWH te ontmoeten. Aan deze episode is een heftige gebeurtenis voorafgegaan: het volk had in Mozes’ langdurige afwezigheid een gouden kalf gemaakt ‘als god die voor hen uit kan gaan’ (31,2) en dat kalf vereerd.
JHWH was woedend. Weliswaar had Hij door Mozes’ pleidooi afgezien van zijn plan om het volk te vernietigen (32,10-40), maar daarmee was de kous niet af. De relatie tussen het volk Israël en JHWH is ondanks de genomen maatregelen (32,26-29.30-32; 33,4-6.8-10) en een hernieuwde houding van eerbied van het volk voor JHWH zozeer beschadigd dat JHWH niet langer te midden van het volk aanwezig kan zijn. Mozes spreekt vanaf dat moment met JHWH in een tent – de ontmoetingstent – ver buiten het kamp. Mozes onderkent dat dit problematisch is voor zijn taak en kaart dit bij JHWH aan: ‘Als U niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken’ (33,15). Hij dringt aan op een persoonlijke ontmoeting waarin JHWH zijn heerlijkheid daadwerkelijk aan hem laat zien (33,18). JHWH honoreert zijn verzoek, zij het op een wijze waarop dit menselijkerwijs mogelijk is zonder te sterven (33,19-23). Nu is het zover.
Mozes heeft zich voorbereid zoals JHWH hem heeft gezegd (34,1-4) en bestijgt met een set nieuwe stenen tafelen in de hand de Sinai. Dan daalt JHWH af op een wolk, komt bij Mozes en maakt zich aan hem kenbaar door de naam ‘JHWH’ uit te roepen, precies zoals Hij Mozes gezegd had te zullen doen (33,19). Hij vult dit aan met een statement over Zichzelf een opsomming van eigenschappen – in het Joods middot genoemd – van Hemzelf als God: barmhartig (rachoem) en genadig (chanoen), geduldig (lankmoedig), groot (talrijk) in goedertierenheid (cheset) en trouw (emet); en hoe dit tot uitdrukking komt in zijn handelen: Hij is een God die goedertierenheid bewijst; tot in het duizendste geslacht (!) en die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft. Tegelijkertijd echter – voegt Hij toe – betekent dit niet dat ongerechtigheid onbestraft blijft; Hij is een God die het onrecht van de vader vergeldt tot in de derde of vierde generatie na hem.
Hoe moeten deze schijnbaar tegengestelde eigenschappen – JHWH's goedertierenheid die zich concretiseert in vergevingsgezindheid enerzijds en JHWH's rechtvaardigheid die vraagt om vergelding anderzijds – in relatie tot elkaar begrepen worden als ze elkaar niet uitsluiten? De getalswaarden verhelderen hoe beide eigenschappen in verhouding tot elkaar staan. Drie tot vier generaties is een aantal dat in een mensenleven is te overzien, het aantal generaties dat samenleeft, een huishouden vormt: kortom het is een menselijke maat. Duizend generaties daarentegen is van een grootte die het voorstellingsvermogen van de mens ver te boven gaat. JHWH's goedertierenheid is dus van een heel andere orde, een goddelijke maat: voor de mens niet te bevatten, zo groot!
JHWH heeft in vergelijkbare bewoordingen gesproken over zijn goedertierenheid en gerechtigheid tegen Mozes bij de gave van de Tien Geboden (20,5v). Toch gebruikt JHWH deze persoonlijke ontmoeting om juist dit wederom over zichzelf kenbaar te maken. Wat opvalt is dat de volgorde van JHWH's uitspraken deze tweede keer is omgekeerd! Bovendien vormen ze nu geen toelichting op JHWH's eigenschap van na-ijver, maar op die van zijn goedertierenheid. Beide zijn eigen aan wie JHWH als God is, als waren het twee zijden van dezelfde medaille, maar bij deze ontmoeting plaatst JHWH nadrukkelijk de andere kant van de medaille naar boven waarmee deze ten volle in het zicht komt te liggen.
Na deze woorden van JHWH valt Mozes haastig op zijn knieën en aanbidt JHWH. De persoonlijke ontmoeting waarin JHWH zich van een andere kant laat zien, heeft de laatste drempel om tot verzoening te komen beslecht. Vertrouwend op JHWH's woorden over wie Hij is, vraagt Mozes als deelgenoot van het volk (hij spreekt nu in de wij-vorm) namens zijn volk om vergeving en om volledig herstel van de relatie: ‘Trek dan met ons mee […] en beschouw ons als Uw eigen bezit’ (v. 9).
Daniël 3,52-55
Het responsorium is een loflied over de grootsheid van God. Het is geen psalmtekst maar een strofe uit het lied dat gezongen wordt Chananja (=JHWHbegenadigt), Misaël (= wie is als God), Azarja (= JHWH helpt). Dat zijn hun Hebreeuwse namen. Zij kregen Babylonische namen toen zij aan het hof van Nebukadnessar gingen werken: Sadrach, Mesach en Abednego (Dan. 1,7). Het loflied maakt deel uit van een tekstgedeelte uit het boek Daniël dat alleen in de Griekse tekst van de Septuagint overgeleverd is, daarom wordt het gerekend tot de Deuterocanonieke boeken van het Oude Testament (Toevoegingen aan Daniël).
Het verhaal waartoe het loflied behoort, speelt zich af in het Babylonische Rijk ten tijde van de ballingschap. Sadrach, Mesach en Abednego zijn drie joodse metgezellen van Daniël die als bestuursambtenaar werkzaam zijn aan het hof van Nebukadnessar, koning van Babylonië (605-562). Nebukadnessar heeft een gigantisch gouden beeld laten maken en roept alle vertegenwoordigers van de volkeren van zijn rijk bijeen om in een ceremoniële bijeenkomst voor het beeld te buigen.
Het drietal weigert en wordt op bevel van Nebukadnessar in een gloeiendhete vuuroven gegooid. Maar tot Nebukadnessars verbijstering verslindt het vuur hen niet, maar ziet hij ze vrij rondlopen in de oven, vergezeld door een vierde persoon. Wanneer zij op zijn bevel uit de vuuroven naar buiten komen, blijken ze volstrekt ongedeerd te zijn. Het Griekse tekstgedeelte beschrijft het gebeuren vanuit het perspectief van Chananja, Misaël en Azarja: zodra het drietal in de vuuroven belandt heft Azarja een smeekgebed aan tot JHWH; een engel verschijnt die op wonderlijke wijze van de oven een koele ruimte maakt. Als antwoord op deze redding van Godswege zingen de mannen een klinkend loflied tot zij gehoord worden door Nebukadnessar en hij hen beveelt naar buiten te komen.
Het responsorium beslaat de openingsverzen van dit loflied. JHWH wordt rechtstreeks geadresseerd in een zich herhalend ‘geroemd/gezegend ben jij…’ (eulogètos ei/benedictus es), gevolgd door superlatieven om de grootsheid van God uit te drukken (vv. 52-55). Het is een krachtige belijdenis die voortvloeit uit de aan den lijve gevoelde ervaring van Gods reddende handelen. Van lof overlopend, sporen zij vervolgens ook de gehele schepping aan om God te eren in de vorm van een meeslepende litanie waarin de elementen van de schepping één voor één worden aangeroepen (vv. 55-88); een litanie die uitmondt in een oproep tot dankgebed omwille van JHWH's barmhartigheid (vv. 89-90).
2 Korintiërs 13,11-13
De tweede lezing is de enige lezing vandaag waarin de heilige Geest wordt genoemd en wel in één adem met God en Jezus Christus. Het betreft de slotverzen van de brief, waarvan de tekst eindigt met woorden die heden ten dage zo vertrouwd in de oren klinken: ‘De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen.’ Deze woorden vormen de vaste formule van de openingsrite in de rooms-katholieke eucharistieviering uitgesproken door de priester nadat door de gehele gemeenschap een kruisteken is gemaakt met de woorden: ‘In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.’ Het kruisteken: het teken bij uitstek waarin het christelijk geloof in de Drie-Ene God tot uitdrukking wordt gebracht, een lichamelijk belijden van juist dat onuitsprekelijke mysterie in woord en gebaar.
Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68
Johannes 3,16-18
De evangelielezing uit Johannes volgt op het gesprek van de joodse leider en Farizeeër Nikodemus die ’s nachts naar Jezus is toegekomen (3,1). Nikodemus kan niet bevatten wat Jezus bedoelt wanneer Hij spreekt over het ‘opnieuw geboren’ moeten worden uit water en geest om het koninkrijk Gods binnen te kunnen gaan. Hoe zou Nikodemus ook? Het gaat immers om hemelse zaken en die liggen buiten zijn bereik. Maar niet buiten die van de Mensenzoon. Het vraagt dus om vertrouwen in de getuigenis die Jezus afgeeft, om geloof in wat Hij zegt, in wie Hij zegt te zijn.
In vers 14 probeert Jezus opnieuw te verhelderen wat zijn rol is in relatie tot het koninkrijk Gods, met behulp van een vergelijking met een oud beeld uit de Schrift, een beeld dat Nikodemus zeker gekend zal hebben: Mozes die een slang heeft verhoogd (Num. 21,4-9). De verhoogde slang is een teken van redding (Wijsh. 16,5-10). Ook de Mensenzoon moet verhoogd worden om te bewerkstelligen dat iedereen die gelooft in Hem, eeuwig leven zal hebben – zijn verhoging als teken van redding dus.
Wat dat ‘verhoogd worden’ precies betekent, legt Jezus verder niet uit – dat de evangelist hier vooruitwijst naar de kruisiging is alleen met kennis achteraf te begrijpen. Het gaat Jezus erom – in het hier en nu van de verteltijd – iets uit te leggen over wie Hij is en waartoe Hij is gekomen. Zijn komst is een Godsgeschenk aan de wereld, een uiting van Gods liefde voor de mensen. Een liefde van onvoorstelbare omvang: God schenkt zijn Zoon, zijn enige Zoon. Ook nu laat Jezus onbenoemd wat dat geven tot in zijn uiterste consequentie zal betekenen. De focus van zijn spreken blijft gericht op de bedoeling (telos): het gaat primair om redding van de wereld!
De intentie waarmee de Mensenzoon aan de wereld is gegeven, is om de wereld niet verloren te laten gaan, maar juist om eeuwig leven te geven; met andere woorden het gaat om het verschaffen van toegang tot het koninkrijk Gods. Is het dan niet de taak van de Mensenzoon om te beoordelen aan wie die toegang wordt verschaft? Nee, zegt Jezus bij de evangelist Johannes, dat oordeel ligt in wezen bij de mensen zelf, in hun besluit om wel of niet te vertrouwen/geloven in Hem, in Gods eniggeboren Zoon en zijn getuigenis. Of zoals Johannes de Doper in de daaropvolgende perikoop voor zijn leerlingen samenvat: ‘Wie in de Zoon gelooft, bezit eeuwig leven, maar wie niet naar de Zoon wil luisteren, zal het leven niet zien.’ (v. 31). Een keuze, bovendien, die ook blijkt uit de levenswandel (vv. 19-21).
Literatuur
Dietzfelbringer, Christian, Das Evangelium nach Johannes Teilband 1: Johannes 1-12. ZB. Zürich: Theologischer Verlag Zürich, 2004.
Dohmen, Christoph, Exodus 19-40, Freiburg: Herder, 2004.
Preekvoorbeeld
Gods mysterieuze nabijheid
1.
‘Verhevenheid’ is geen goed woord voor Gods onbevattelijkheid. Het is juist Gods nabijheid die God zo ongrijpbaar maakt. Een God die geestelijk is, geheel buiten ruimte en tijd staat, onaanraakbaar door pijn en woede en onbewogen op afstand van alles, die is om zo te zeggen in zijn onbegrijpelijkheid begrijpelijk. Dat er naast onze werkelijkheid van beperkingen en eindigheid nog een andere is, dat is voorstelbaar. Het heeft zelfs een logica en met die logica kun je je in verloren uurtjes bezighouden. Maar noodzakelijk is het niet - je kunt het doen, maar ook laten. Je hebt er een hobby bij, maar je leven verandert er niet echt door. Maar als God de God is die zich toont in Jezus’ leven, sterven en verrijzen, dan raakt God onmiddellijk ons leven. Dan is Hij daar actief en dat verandert alles.
Dit wordt in het Johannesevangelie duidelijk in het verhaal over de bruiloft te Kana. Gods aanwezigheid heeft het effect van wijn op een bruiloft: zij maakt het feest. Als Nikodemus naar Jezus toekomt – in de verborgenheid van de nacht, zoals de evangelist Johannes ons laat weten (Joh. 3,2) – dan lijkt hij iets bespeurd te hebben van Gods activiteit via Jezus. Want, zo zegt hij, ‘alleen met Gods hulp kan iemand de tekenen verrichten die U verricht.’ Maar met de voortvarendheid die Jezus in het Johannesevangelie soms tentoonspreidt, laat Deze hem onmiddellijk weten dat vrijblijvende nieuwsgierigheid hem niet zal helpen. Een God die ertoe doet leer je alleen kennen als je bereid bent je door deze God te laten raken. Er zal hem daarom geen licht opgaan als hij niet opnieuw geboren wordt (Joh. 3,3).
De God die zich in Jezus’ optreden toont, laat zich niet op afstand houden. Deze God zet je voorstelling van God en je voorstelling van je eigen bestaan op losse schroeven. Deze God laat de wereld niet over aan het kwaad en de vergankelijkheid die haar aankleven, noch aan de pijn en de treurnis die daarmee gegeven zijn. Deze God redt de wereld door zich met deze wereld te verbinden. Zoals mensen zich in een huwelijk met elkaar verbinden met de bedoeling elkaars leven tot een ruimte te maken van overvloeiende vreugde en geluk.
2.
Welke God zou dat doen? Alleen een God die bewogen wordt door een onbegrijpelijke liefde. God kan best zonder de wereld, maar wil niet zonder de wereld, omdat God de wereld liefheeft. Zozeer dat Hij in Jezus zichzelf aan de wereld geeft en met de wereld op het spel zet.
Gods betrokkenheid bij de wereld spreekt uit de hele Bijbel. Uit onbegrijpelijke vrijgevigheid schept God de aarde, maakt haar bewoonbaar en bewoond, en noemt haar ‘zeer goed’ (Gen. 1,18). Als de eerste mensen zich aan deze liefde proberen te onttrekken, stuurt God ze de weerbarstige wereld in, maar beschermt hen tegen kou en hitte (Gen. 3,21). God roept Sara en Abram weg om de voorouders van zijn volk te worden (Gen. 12) en bevrijdt dit volk uit slavernij (Ex. 14). Steeds weer zinken ze opnieuw weg in de onderdrukking, maar steeds weer richt God ze daaruit op.
In de eerste lezing van vandaag drukt God tegenover Mozes de mysterieuze liefde uit die schuilgaat in de naam die God Mozes ooit vanuit de brandende doornstruik onthulde: Ik-zal-er-zijn. Hoe? Liefdevol en genadig; geduldig, trouw en waarachtig; trouw tot in het duizendste geslacht; schuld, misdaad en zonde vergevend, maar kinderen en kleinkinderen tot in het derde en vierde geslacht ter verantwoording roepend voor het kwaad dat zij bedrijven (Ex. 34,6-7).
3.
God is dus niet verheven boven goed en kwaad en relativeert ze niet. God identificeert zich echter ook niet volledig met wat wij als goed beschouwen, zodat ieder en alles dat met kwaad verbonden blijkt te zijn, het bestaansrecht verliest. Gelukkig maar, want dit kan in de wereld zoals zij is, ons allemaal treffen.
Onze redding is dat God zich tot het oneindige blijft inspannen om ons op het spoor van het goede te zetten. ‘Ik veroordeel je niet’, zal Jezus volgens het Johannesevangelie (8,11) zeggen tegen een vrouw die op overspel is betrapt. ‘Maar zondig niet meer.’
Zijn leerlingen draagt Hij volgens het Matteüsevangelie (18,22) op om zo nodig zeventig maal zeven keer te vergeven.
Daarmee relativeert God het kwaad niet, maar maakt duidelijk hoe fundamenteel het goede voor Hem is. Als er ook maar enige kans bestaat dat het zich manifesteert, moet het die kans krijgen. Zelfs als het kwaad tot zijn eigen dood leidt, bidt Jezus volgens het evangelie van Lucas om vergeving voor de daders, ‘want ze weten niet wat zij doen’( 23,34). Dat komt pas bij zijn verrijzenis ten volle aan het licht als Hij voor zijn leerlingen definitief de Schriften ontsluit (Luc. 24,27).
Zo leven we dan in de ruimte van Gods nabijheid. De apostel Paulus vat samen wat dit betekent (2 Kor. 13,13). Door Gods onbegrijpelijke genade die in Jezus zichtbaar is geworden, die niet geïnteresseerd is in wat wij presteren en zelfs niet in wat wij zijn, maar zich naar ons toekeert omdat wij er zijn en met het oog op wat wij kunnen zijn, leven wij in onverbrekelijke verbondenheid met Gods liefde. Dit verbindt ons, in al onze verschillen en met de mogelijke conflicten die daar het gevolg van zijn, met elkaar. Gods toewending naar ons wekt in ons de aanwezigheid van de heilige Geest die voortaan onze geest verzekert dat wij kinderen van God zijn (Rom. 8,16).
4.
Gods Drie-eenheid wordt vaak als een ingewikkeld, nogal theoretisch deel van het christelijk geloof beschouwt. Zo gezien is het niet meer dan de uitdrukking dat God leeft en ons doet leven omdat Hij onherroepelijk van ons houdt. Dat is ingewikkeld noch theoretisch.
Gods betrokkenheid maakt het leven tot de lofzang die deze zondag in de woorden van Daniël opklinkt, zelfs al speelt het zich af in de brandhaarden van de geschiedenis. Dat dit mogelijk is blijft een mysterie, maar een mysterie dat ons meer nabij is dan wij onszelf nabij zijn, zoals de kerkvader Augustinus het ooit uitdrukte. Het is het mysterie dat God is en dat ons doet leven.
inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
preekvoorbeeld prof. dr. Erik Borgman OP
7 juni 2026
Sacramentsdag
Lezingen: Deut. 8,2-3 en14b-16a; Ps. 147; 1 Kor. 10,16-17; Joh. 6,51-58 (A-jaar)
Inleiding
Deuteronomium 8,2-3 en14b-16a
Het boek Deuteronomium herneemt de verhalen van de Exodus en zet ze in een theologisch didactisch verband. De aloude kwestie of Mozes de eerste vijf boeken zelf heeft geschreven werd in het eerste vers acuut: ‘aan de overkant van de Jordaan’, waarmee de schrijver zichzelf dus al in het land bevindt, terwijl Mozes dat land niet zou betreden. Ook aan het einde rijst een moeilijkheid waar de dood van Mozes wordt beschreven. Een middeleeuws-joodse auteur verklaart dat Mozes het dictaat van God opschreef, maar dat zijn tranen die laatste verzen uitwiste. Jozua schreef ze toen nog eens! Men mag vermoeden dat toen al de gedachte van meerdere auteurs tersluiks werd aangehangen. De theologische diepte van Deuteronomium blijkt ook uit onze perikoop. Het manna is niet zomaar brood dat miraculeus uit de hemel valt, maar er schuilt een belangrijke didactische dimensie in: kunnen wij mensen dankbaar zijn voor het brood ‘voor vandaag’ (Onze Vader) of willen wij garanties voor heel ons leven? Rabbijnse uitleg merkt op dat met voedsel voor heel de woestijntocht op je rug je niet vooruitkomt. Dat kunnen we verbreden tot de gedachte dat gebrek aan dankbaarheid ons kan verlammen.
In vers 8,2 valt een tweede woord dat we kennen uit het Onze Vader: op de proef stellen. Hier is het niet de mens die God op de proef stelt, maar God die de mens op de proef stelt. Het oude woord ‘verzoeken’ (Statenvertaling) wekt in ons tegenwoordige spraakgebruik misverstanden, alsof er een boosaardige opzet achter schuilt (vgl. ook Gen. 22,1). Ook het ons vertrouwde woord ‘bekoring’ kan misverstanden wekken en wel in twee opzichten: het suggereert mogelijk een diabolische opzet (zoals de gnosis de bijbelse scheppergod ziet), of juist ook iets aantrekkelijks, zoals een mooie vrouw bekoorlijk kan zijn. ‘Op de proef stellen’ benadert de grondtekst het beste, zij het dat een zelfstandig naamwoord hiervan lastig is af te leiden. Zelfs ‘beproeving’ raakt de betekenis maar gedeeltelijk.
Niettemin dienen we het ‘op de proef stellen’ van het volk door God niet al te licht op te vatten. De tocht door de woestijn is daarvan de concrete neerslag: de veertig jaren dienen om losgeweekt te worden van de afgoderij in Egypte en op de onzichtbare God te vertrouwen en diens geboden na te volgen. Hoe moeilijk deze paradoxale vrijheid is in vergelijking met de zekerheid van de vleespotten in Egypte blijkt wel uit het gouden kalf: dat was tenminste zichtbaar!
Het manna biedt dus zo bekeken niet enkel voedsel voor de maag, maar minstens evenzeer voedsel voor de geest of de ziel. ‘De mens leeft niet van brood alleen’ (8,3), waarvan we de echo horen in het verhaal van de beproevingen (!) in de woestijn (Mat 4,4). Het manna heeft als brood uit de hemel alle trekken van het Woord van God dat de mens opvoedt tot die moeilijke vrijheid (Levinas) die samenvalt met verantwoordelijkheid.
De keuze om pas bij vers 14b weer aan te halen heeft als nadeel dat de notie van luxe die God doet vergeten niet duidelijk uit de verf komt. Toch schuilt daarin een les die ook in onze tijd gemakkelijk is na te voltrekken. Gods zegen wordt in vers 8,16 beloofd, op voorwaarde dat de dankbaarheid voor de dagelijkse liefdevolle zorg van God niet wordt vergeten: dat is nu juist de zegen.
Psalm 147
Dat Psalm 147 de zorg van God bezingt sluit wonderwel aan bij de les van het manna, bedoeld of onbedoeld. God die ook de dieren van voedsel voorziet brengt de mens in gelukkige samenspraak met heel de schepping. Mooi om te bedenken hoe in sommige oude missalen een bede tegen veeziekte staat: ‘God die aan de mensenarbeid ook de dieren als hulp hebt geschonken, wij smeken u dat Gij de dieren die onze menselijke natuur voeden, niet laat omkomen door ziekte…’. Met deze psalm en dit gebed komen ook de dieren in het religieuze bewustzijn als bron van dank jegens God.
1 Korintiërs 10,16-17
Paulus noemt in zijn eerste Korintebrief (10,3) het geestelijke voedsel van het volk in de woestijn, kennelijk overtuigd dat het manna voor veel meer staat dan slechts materiële bevrediging. Vandaar ook dat hij verderop in dit hoofdstuk kan verwijzen naar het Laatste Avondmaal, waar Christus beker en brood (in die volgorde! zoals bij het joodse pesachfeest) aanbiedt als bron van onderlinge verbondenheid. ‘Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want we hebben allen deel aan dat ene brood’ (10,17). De context hier is het eten van vlees dat aan de afgoden is geofferd. Al wil Paulus niet de indruk wekken dat hijzelf vindt dat afgoden reëel bestaan en een werkelijke bedreiging vertegenwoordigen (zie 1 Kor. 8), hij waakt hier voor de eenheid van de christelijke gemeente, inclusief de joden-christenen die afgodenvlees radicaal afwijzen. Ook Paulus kiest uiteindelijk voor niet-eten om degenen die zijn vrijheid niet begrijpen niet in verwarring te brengen!
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56
Johannes 6,51-58
Eigenlijk is in de voorgaande lezingen al alles gezegd: het brood uit de hemel is als het Woord van God dat de mens opvoedt tot dankbaarheid en onbezorgdheid voor de dag van morgen. Maar Johannes weet er nog heel wat aan toe te voegen. Allereerst schetst hij hoe de mensen de woorden van Jezus misverstaan. Jezus contrasteert het manna met het ware brood uit de hemel, met zijn eigen lichaam en bloed dat wordt gegeven voor de mensen. Zoals in heel het evangelie is er sprake van een goddelijke dimensie die telkens niet wordt begrepen. De polemische context is duidelijk: het zijn de Joden die de spirituele dimensie van het lichaam en bloed van Christus niet begrijpen en menen dat het hier om een soort kannibalisme moet gaan! Overigens hebben we al in eerdere lezing gezien dat de gedachte van een symbolische dimensie van het manna als ‘brood uit de hemel’ (zie ook Ex. 16,3) het Jodendom niet vreemd was. Maar de polemiek met het Jodendom spitst zich hiertoe op de betekenis van de Mensenzoon zelf, Jezus Christus. Dat brood geeft eeuwig leven aan wie dit eet. Een gelijksoortige gedachtegang inclusief misverstaan zien we in Johannes 4,14 waar het gaat om levend water waarna er nooit meer dorst zal zijn.
In het vervolg blijkt dat Johannes ook de leerlingen insluit in het algemene onbegrip voor Jezus’ woorden. Het gaat dus om iets diepers dan slechts een anti-Joodse uitval: Jezus’ woorden worden steeds raadselachtiger met als gevolg dat zelfs veel leerlingen zich van Hem afwenden. Intussen spreekt Jezus over de Vader als degene die Hem alles heeft geschonken. De gezondene ontleent heel zijn gezag aan degene die hem zendt, zo luidt ook de juridische regel. Hier wordt die in christologische zin toegepast: Christus leeft door de Vader. Deze opmerkelijke paradox van hoogheid en nederigheid is kenmerkend voor de johanneïsche christologie.
Opmerkelijk is de discussie in wetenschappelijke kring dat het evangelie van Johannes misschien niet het laatste evangelie is, zoals algemeen werd gedacht, maar het vroegste. Behalve de grote kennis van de Joodse feestdagen zou ook een zeker dualisme tussen geest en vlees hiervan getuigen: ‘de Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets’ (Joh. 6,63). Toch vermijdt het Johannesevangelie een zodanig dualisme dat Christus louter als hemelwezen gezien zou worden (docetisme). Christus eet met zijn leerlingen, ook na de verrijzenis. Het zouden Marcion en de gnosis zijn voor wie Christus niet langer lichamelijk gezien kan worden. Het is echter geen toeval dat juist het Johannesevangelie door de gnosis met graagte werd geciteerd en (mis)verstaan).
Preekvoorbeeld
De dichter Hans Andreus zegt in een van zijn liefdesgedichten heel puntig tot zijn geliefde: ‘Ik heb je liever dan brood.’ Dat is natuurlijk niet het platte: ik heb liever een vrouw dan een boterham. Dan houd je alles in één sfeer, die van de consumptie. Dan kun je op een rijtje zetten, wat je allemaal aardig vindt en wat nog aardiger: gehaktballen, computers, je geliefde en eventueel komt er na die geliefde nog iets, bijvoorbeeld: een boek lezen of een gedicht maken. Neen, de geciteerde regel is het vervolg op: ‘Ik heb je lief, ik heb je zo lief.’ Daarmee is de geliefde al uitgetild boven alles.
Maar er moet nog meer gezegd worden: ik heb je liever, ik heb je liefst. ‘Ik heb je liever, liever dan brood.’ Brood is broodnodig, zeker. Maar ik mis nog liever wat broodnodig is dan dat ik jou mis. Jij hoort tot een andere sfeer. Bij jou kan ik niet meer denken in termen van nut of aardigheid, bij jou kan ik niet meer rekenen. Als ik brood eet, als ik mijn leven verleng, dan doe ik dat omdat jij er bent. Liefde is geen optional, zoals je een auto kunt nemen met of zonder klokje, met of zonder cruise control. Wie liefheeft, heeft niet meer te kiezen. Kiezen doe je tussen middelen op weg naar een doel. Liefde is het doel en het doel aanvaard je of je weigert, maar er zijn geen alternatieven. Zolang er nog alternatieven zijn, is dat er een teken van dat er nog geen sprake is van liefde. Als een jongen me vraagt: ‘Zal ik verder gaan met Marietje of met Anneke?’, weet ik dat hij nog niet voor de bijl is gegaan. Het leven is nog steeds een supermarkt voor hem. Zal ik de was doen met Omo of met Persil? Nee, maak je ogen schoon met Hans Andreus.
In de eerste lezing van vandaag viel me een merkwaardige zin op. ‘God heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven, dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van voedsel alleen, maar van alles dat uit de mond van de Heer komt.’ Dat is toch vreemd: God heeft u honger en brood gegeven, om u te leren dat u niet leeft van brood alleen. De versregel van Hans Andreus kan er licht op werpen. Het volk krijgt van alles van God: het is bevrijd uit Egypte, het ontvangt de Wet als een goede en mooie leefregel, het ontvangt beproevingen en vernederingen, het krijgt manna en water uit de rots. Maar in dat alles gaat het erom, dat er gemeenschap ontstaat met de Gever. De liefde snijdt het brood, maar als ik het opschrok in mijn eentje, is er een vraag onbeantwoord gebleven en is er een kans misgelopen. Pas wanneer het brood samen gegeten wordt, wanneer het in dank aanvaard wordt, wordt er menselijk gegeten. Daarom heeft God die hele mix van omgang met het volk: er wordt vrijheid gegeven, anders kan er niet bemind worden. Er wordt vernedering gegeven: je moet leren dat je jezelf niet kunt redden, anders ga je de ander als een optie behandelen. Er wordt beproefd, want liefde legt de meetlat hoog. Er worden geboden gegeven, want in de liefde geef je elkaar je eigen gebruiksaanwijzing. Er wordt brood gegeven en water, want de liefde wil dat je leeft. Nog geen wijn daar: zonder liefde is wijn een afschuwelijke drank. Je kunt je er even mee van de wereld afdrinken, je kunt er ook je tong mee strelen. In beide gevallen gebeurt er niets feestelijks. Nee, de wijn is er voor later. Die zal er zijn, als het volk het land is ingetrokken, als de geliefden samenwonen. Dan zal het feest zijn. En ook dan niet altijd: want belangrijker dan het samen drinken is het ‘samen.’ Ook daar blijft gelden: ‘Ik heb je liever dan wijn.’
‘Ik heb je liever dan brood.’ De regel zegt ook dat in de liefde leven en dood op het spel staan. Zonder brood ga je dood. Maar: nog liever dood dan zonder jou. In het evangelie wordt de zaak van de liefde op de spits gedreven, omdat de Liefde er voor ons sterft. Ook Jezus geeft ons brood, zoals God eens het manna gaf. Maar dit brood is vlees en bloed: dit brood smaakt naar het kruis. Wij zijn bemind met een liefde die zich tot het uiterste toe gegeven heeft en geeft. ‘Ik kan je wel opeten’, zeggen we soms, als we gek zijn op iemand. We zeggen het meestal eerder van kleine kinderen, dan van onze partner, maar ook daar kan het gezegd worden. In het evangelie zegt de Liefde: ‘Eet me en drink me.’ En als de ander dan niet liefheeft, maar egoïstisch is of zelfs van haat vervuld, dan gaat die klauwen en verscheuren, vreten. Maar de Liefde laat zich nog liever verscheuren dan dat ze ophoudt te beminnen.
‘Liefde is sterker dan de dood’, zegt het Hooglied. Dat is een zin die aan de ene kant helder waar is: er is liefde die de dood voor lief neemt, als de ander maar leeft. Dat is voorgekomen en het komt nog voor. De Dwaze Moeders, of ze nu uit Argentinië kwamen of uit Afghanistan of de Soedan komen of uit Syrië, bewijzen het. Aan de andere kant is het een zin die niet helder waar is. Liefde wil eeuwigheid, maar of ze die kan geven? Ik bedoel: als iemand uit liefde voor je sterft, is hij wel dood. De weduwen en weduwnaars geloven het niet zo gemakkelijk. Het evangelie sluit met zijn centrale boodschap aan bij het oerverlangen van de liefde: de boodschap van Pasen zegt dat liefde niet alleen zo krachtig is dat ze de dood voor lief neemt, maar dat Gods Liefde zelfs krachtiger is dan de dood zelf. Daarom kan onze Heer niet slechts zeggen: ‘Eet me en drink me’ en daarna volgt de dood. Hij kan zeggen: ‘Blijf me eten en drinken.’ Mijn liefde is onverwoestbaar, onveranderlijk, zelfs door de dood heen. Wie Hem haatte en na zijn dood dacht: opgeruimd staat netjes, die is nog niet van Hem af. Zijn aanbod blijft. Wie hem egoïstisch opgevreten heeft en daarna denkt dat hij in leven lang met schuld en schuldgevoel moet blijven leven, krijgt Hem opnieuw: onveranderlijke liefde is een blijvend aanbod tot vergeving. En wie Hem liefheeft, die eet en drinkt natuurlijk met vreugde, met liefde. En nu is er niet slechts brood en water, maar brood en wijn. Als de dood gestorven is, dan kan er ook gefeest worden.
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de jongste dag. Ja, want het eeuwig leven, wat is dat anders dan: met Hem verbonden zijn in een leven dat niet meer stuk kan, omdat de dood dood is. Zijn vlees eten en zijn bloed drinken: we doen niet anders, hier aan de tafel van de Heer. We doen het nog onder tekenen. Er blijft nog te verlangen over: eens, als we leven van aangezicht tot aangezicht, zal de liefde andere gestalte aannemen. In die zin blijft ook ten aanzien van de Eucharistie de versregel van Andreus waar: Ik heb u nog liever dan uw brood en uw wijn. Tegelijk: de tekenen zijn niet leeg, ze verwijzen niet naar een afwezige, ze zijn gevuld met Hem zelf. Daarom vervang ik bij de Eucharistie de dichtregel van Andreus maar door de prachtige verzen van Psalm 16:
Jou zal ik erven, jou mag ik drinken,
Jij bent mijn lot, vruchtbare grond ...
Onder jouw ogen leef ik op.
Koesteren zul je mij in je hand.
inleiding prof. dr. Marcel Poorthuis
preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink
14 juni 2026
Elfde zondag door het jaar
Lezingen: Ex. 19,2-6a; Ps. 100; Rom. 5,6-11; Mat. 9,36-10,8 (A-jaar)
Inleiding
Exodus 19,2-6a
Exodus 1–19 onthult bijbelse Verbondstheologie: een farao ‘die Jozef niet meer kende’ onderwerpt een volk dat vluchtte voor een hongersnood, aan slavernij en, uiteindelijk, aan moorddadige geboortebeperkingen. Pas wanneer deze slaven onder leiding van Mozes en geholpen door Gods bevrijdend handelen Egypte uittrekken, kunnen ze, met vallen en opstaan, leren wat het betekent een vrij volk te zijn. In de leegte en beproevingen van de woestijn verlangen ze naar oude ‘verslavingen’, de komkommers (Num. 11,5) en vleespotten (Ex. 16,3) van Egypte. Erger is de hang naar profetisch bekritiseerde ‘afgoderij’, het vereren van zichtbare illusies: niemand kan Gods gelaat zien en leven (Ex. 19,21; 33,20), deze God onthult zich in Zijn profeten en in Zijn Wet. Maar alleen in vrijheid kan Gods Tora worden gegeven en ontvangen. Die wet is bemiddeld door Mozes, haar kern is het soeverein spreken van de Eeuwige. JHWH instrueert Mozes daarover in Exodus 19,2-6. Tora omvat zowel instructie, verbod, als de daaraan ten grondslag liggende Wijsheid, een ethos van leven en politiek.
De berg, Sinai, is geen geografische constante maar de plaats waar de Verbondsgod zich mededeelt, zoals Mozes (Ex. 34) en Elia op de Horeb (1 Kon. 19) persoonlijk ervaren. ‘God voert het volk niet naar een bepaalde bestemming in de woestijn maar dicht bij zijn eigen wezen’ (Graham I. Davies, Exodus 1-18: A Critical and Exegetical Commentary, ICC, p. 493).
Bijbelwetenschappers wijzen op het literaire model van feudale contractsystemen uit Sumerische en Akkadische teksten, maar de vrijwillige aanvaarding van de goddelijke Wet wijkt hiervan af. Zo ook de intieme aanduiding van het volk als Gods segula, ‘kostbaar bezit’, gebruikt voor koningen (Deut. 7,6; 14,2; 26,18) maar hier gekoppeld aan Tora (Pred. 2,8). Mozes is middelaar en profeet, ook wetgever, maar zeker geen koning. De rabbijnse midrasj op Exodus 20,1 (‘Ik ben de Eeuwige, jullie God, die jullie uit Egypte heeft uitgeleid.’) duidt de vrijheid waarmee het volk Gods Tora aanvaardt met een parabel over een koning die pas dan erkenning vindt wanneer hij kan wijzen op zijn bevrijdende politiek. De Wet van God wordt nu grondwet van een volk, Gods koningschap wordt in haar zichtbaar. Met name in de ethische relatie is de mens getuige van dat Verbond, cultisch verzet tegen afgoderij weerspiegelt sociaal ethos. De Wet is de politieke constitutie van het volk Israël, haar grondslag en haar bestemming. Bijbelse religie is bij uitstek sociaal ethisch, dat wil zeggen, gericht op het marginale van de samenleving: wees, weduwe, vreemdeling, de economisch verarmde, onvrije, fysiek of mentaal beperkte (vgl. bijv. Ex. 22,20-26, Lev. 19,13v!).
Onze perikoop (Ex. 19,2-6) biedt de aanloop tot dat in de geopenbaarde Wet gewortelde contract van God en Zijn volk: de Israëlieten legeren zich op de derde maand bij (neged) de berg, die slechts door Mozes wordt bestegen. Later moet het volk zich legeren onderaan (tachat) de berg (Ex. 19,12.17.21-24), verder mogen ze niet komen. Alleen Mozes gaat heen en weer en bemiddelt zo het spreken van de Eeuwige. Mozes ging naar Elohim en JHWH riep tot hem vanaf de berg: Mozes stijgt op naar de universele natuurgod Elohim, maar het is de intieme Verbondsgod JHWH die tot hem spreekt (vgl. ook Ex. 34,5-7!).
Op arendsvleugels heeft deze God hen bevrijd en tot hier gevoerd, en ‘onder arendsvleugels’ als bescherming tegen pijlen en stenen (vgl. Ex. 14,19v), zo Rasji.
In Hebreeuws parallelisme moet Mozes die woorden overbrengen ‘tot het Huis van Jacob, de kinderen van Israël’, uitgelegd door Rasji als vrouw (‘Huis’) en man (‘Zonen’) omvattend. Natuurlijk is dit een poëtisch parallelisme, maar de uitlegtraditie ontvouwt een bijbelse krachtlijn: de Wet is zowel gericht op een collectief (‘Huis’) als op een persoon (‘Zonen’). Ze is objectief geldig, maar alleen werkzaam en zichtbaar dankzij persoonlijke studie, uitleg en praxis. Zo de Talmoedische rabbijnen en zo Mozes Mendelsohn, tijdgenoot van Kant.
Instemmen met de Wet gaat wel vooraf aan haar begrip, zo een lenige lezing van het Hebreeuwse parallelisme ‘zullen wij doen en horen’ (Ex. 24,7): menselijke autonomie rijpt in de ruimte van de wet. Gods wet dient jouw wet te worden wil het Wet zijn. De Wet heeft een duidelijke richting, ze bepaalt hoe de ‘zonen van Israël’ tot een heilig volk (am qadosj) worden, een ‘koninkrijk van priesters’ (mamlechet kohanim). Beide begrippen zijn bepalend voor de theologie van het Verbond. Niet omdat alle Joden priesters zijn, dat geldt alleen de Aäroniden, wel omdat ze apart moeten staan van de volkeren, zoals priesters eigen taken en rollen hebben waarmee ze niet volledig opgaan in het leefpatroon van andere volksgenoten. Heilig, qadosj, betekent apart stellen, separeren, onderscheiden van het dagelijkse. Zo is de sjabbat heilig tegenover weekdagen, het Land heilig tegenover landen, Jeruzalem heilig tegenover steden, en de Tempel heilig als verblijfplaats van God en zijn cultus. Dat ‘heilige’ vereist dan ook een passend gedrag en onderliggend ethos.
Romeinen 5,6-11
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 9,36–10,8
Onze perikoop koppelt twee hoofdstukken en biedt de opmaat naar de zogeheten Missierede (Mat. 10), de tweede van vijf redevoeringen in dit evangelie. Doel van die missierede is de leerlingen voor te bereiden om de presentie van het Koninkrijk van God te verkondigen onder de kinderen van Israël (vgl. Mat. 13). In dorpen waar men welkom is (Mat. 10,12-15), want wie een van deze leerlingen ontvangt, ontvangt de Meester zelf (Mat. 10,40). Vandaar ook dat de presentie van dat Koninkrijk genezing is, zoals Jezus dat liet zien: ‘Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit’ (v. 8). Bijzonder is de combinatie van handelingen die doet denken aan Jesaja 61,1-3. (Die samenhang verschijnt duidelijker in het antwoord van Jezus op de vraag van de leerlingen van Johannes in Luc. 7,22). De traditiegeschiedenis van Jesaja voegt het opwekken van doden toe. Dat hebben we ontdekt dankzij de parafrase op Jesaja 61 in de Arameese Apocalyps in Qumran (4Q521; fragment 2 ii + 4,1-3). Het Koninkrijk is volop gerealiseerd leven in de schepping. De handelingen maken het ‘Goede Nieuws’ van Gods Koningschap (Jes. 52,7-10; 61,1-3) zichtbaar, vanuit Israël naar de volkeren, niet omgekeerd. Matteüs begrijpt die realiteit als een binnenjoodse ontwikkeling. Het Griekse ecclesia (Mat. 18,17) is nog geen ‘kerk’ in de latere zin van dat woord, maar de LXX weergave van het Hebreeuwse Qahal Israël. Sociaalhistorisch gezien vormt de ecclesia een reformistisch sektarische beweging, intern strak gestructureerd maar in interactie met haar omgeving. Theologisch is zij een belichaming van Jesaja 61,6-9; 66,18-21, pars pro toto voor een ‘heilig volk’, met enkelingen uit de volkeren. Zo moet onder Joden en onder de volkeren Gods Koningschap zichtbaar worden. In de loop van de geschiedenis zijn die verhoudingen numeriek omgekeerd en is de relatie tot het Jodendom sterk verduisterd. Jodendom heeft haar eigen, particuliere en niet reduceerbare verhouding tot de Wet. Maar een ‘missie’ die zich richt op genezing van Kerk en wereld, voor iedereen ‘dichtbij en veraf’ (Jes. 57,19), toont het universele gezicht van Gods Koningschap.
Preekvoorbeeld
Op wie mag je rekenen?
Leven is reizen in de tijd. Het is éénrichtingsverkeer. Omkeren, anders dan in je herinnering, is er niet bij. De richting die je kiest is bepalend, dus wéét naar wie je luistert. Want er bestaat zoiets als misinformatie, fake news. Een betrouwbare richtingwijzer maakt het verschil tussen succes of ondergang, leven of dood. Hoe ziet ons levenspanorama er momenteel uit op het werk, bij studie, in familie en gezin? Op momenten dat ons evenwicht wankel is, hebben wij hulp nodig, Nogmaals, op wie mag je rekenen?
Op die vraag geven de lezingen vandaag een antwoord dat ook voor ons van belang is. Het begint bij Exodus, waar het volk van Israël herstellende is van een aanval door Amalek (Ex. 17), het nomadenvolk dat zwierf tussen Egypte en het Beloofde Land, tussen ‘vroeger en straks’. Op verraderlijke wijze had Amalek de groep vluchtelingen, en dat wás het volk van Israël toen, bedreigd. Een veilige plek was het eerste dat nodig was, maar ook voedsel en drinken. Wie biedt hulp, bij wie ben je veilig? Mozes nu, leidt het volk naar de Sinai, die doorging voor Gods heilige berg. Daar zegt God dat Hij het volk heeft gered en op adelaarsvleugels draagt. Dus: God is betrouwbaar. Hij biedt aan: onderhoud het verbond met Mij en gij zult onder alle volken mijn oogappel zijn, mijn heilig volk! Dan kun je met recht zingen: De Heer is God, looft Hem, eeuwig duurt zijn trouw (Ps. 100)!
Eeuwen later schrijft Paulus in zijn brief aan de Romeinen dat Gods trouw gestalte krijgt in Jezus van Nazaret. In Hem wijst God aan álle mensen de weg. Let wel, dit is geen ‘praatje voor de vaak’, want Jezus staat met zijn leven borg voor Gods richting. Hij stierf immers voor alle schuldige mensen -wie is er in het leven de weg nooit kwijt? Christus heeft ons verzoend met God, die zijn hemel voor ons openstelt. Jezus is de weg en Paulus juicht dat wij mensen, in Jezus verzoend, gered worden door zijn leven. De weg die Jezus wijst, gaat niet naar een bepaalde plaats, maar naar een manier van leven. Bemin God en heb je naaste lief als jezelf.
‘Leven is reizen in de tijd, ‘éénrichtingsverkeer’, zo begonnen we. De weg die wij kiezen is belangrijk, ieder zoekt immers geluk. In het evangelie vandaag ziet Jezus een massa afgetobde mensen die bij Hem haar heil zoekt. Hij noemt ze ‘schapen zonder herder’ en zegt: de oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Jezus vraagt ons te bidden tot God om herders die de schapen naar sappige weiden leiden, hen beschermen tegen de wolven van hun tijd. Die hen ook genezen van alle kwalen en ziekten en hen bevrijden van angst en onwetendheid. Ja, God zoekt herders die zijn ‘oogst’ aan afgetobd volk binnenhalen. Jezus kiest twaalf gidsen die een weg van leven wijzen, twaalf apostelen. Schapen moeten alert ook blijven waar het de herders betreft, want waar God ‘gegarandeerd goed’ en ons vreugdevolle thuis is, kunnen de wegen van mensen fake zijn. Bij de naam Judas Iskariot, beseft ieder dat er ook ‘vals spoor’ bestaat. Daarom is, naast het uitdrijven van duivels, de onderscheiding van geesten (1 Kor. 12,10) bij het verkondigen van Gods koninkrijk van wezenlijk belang. Net als het genezen van zieken, reinigen van melaatsen en het opwekken van doden. ‘Juicht daarom voor de Heer heel de aarde, want wij behoren Hem toe; gaat met lofzang zijn voorhoven binnen en zegent zijn Naam’ (Ps. 100).
Op de Heer mag je rekenen!
inleiding dr. Eric Ottenheijm
preekvoorbeeld drs. Frank van der Knaap MA
21 juni 2026
Twaalfde zondag door het jaar
Lezingen: Jer. 20,10-13; Ps. 69; Rom. 5,12-15; Mat. 10,26-33 (A-jaar)
Inleiding
Onderlinge samenhang van de lezingen
‘Vreest niet’, ‘weest niet bang’ lijkt wel een thema in de lezingen van deze zondag te zijn. Zo krijgt Jeremia, na eerst over God te hebben geklaagd, in de eerste lezing de zekerheid dat zijn tegenstanders de ware vijanden zijn, en niet God die hem tegen hen heeft verdedigd. En in het evangelie wordt het vertrouwen uitgesproken dat de leerlingen in Gods handen geborgen zijn, en dat Hij hen door het lijden heen naar het eeuwig leven zal leiden.
Jeremia 20,10-13
Jeremia is medio 7e eeuw vChr. in een priesterfamilie geboren en behoorde tot de gevestigde orde binnen de samenleving. Het lag dan ook niet in de lijn der verwachting dat hij als profeet zou optreden. Profeten waren immers de grote critici van het establishment en traden als Gods woordvoerder op. Zij waren in staat om Gods visie op de maatschappij te vertolken. Men hoorde hun kritische woorden niet graag. Zo drukt Jeremia in Jeremia 20,7-18 een zeer intense pijn uit die bijna aan wanhoop grenst. Deze lange poëtische klaagzang bestaat in de eerste plaats uit twee jammerklachten, waarvan er een over jhwh gaat (20,7-9) en een over de vijanden van de profeet (20,10vv). Vervolgens treffen we in 20,13 een korte hymne aan, waarna Jeremia in 20,14-18 - in de vorm van een vervloeking - de wanhoop overbrengt die hij voelt als hij het onophoudelijke lijden in zijn eigen leven overdenkt.
Jeremia begint zijn klaagzang met een klacht over God. Dit klinkt opmerkelijk, maar is het niet. Jeremia is namelijk deels vrijwillig (hoewel door overreding) en deels onder dwang (door overweldiging) een profeet van God geworden. Het gevolg hiervan is dat men Jeremia, vanwege de kritische boodschap die hij met enige regelmaat verkondigt, met spot en hoon is gaan bejegenen. Zijn boodschap is altijd ‘geweld en verwoesting’ geweest (v. 8). Hierbij is het vaak onduidelijk of het nu gaat om een dreiging van Gods oordeel, de inhoud van de spot door het volk, een verslag van de zonden door het volk, of een verslag van wat hij uit hun handen (of zelfs uit Gods handen) heeft ontvangen.
Jeremia hoort – aldus de eerste lezing van deze zondag – de laster van het volk, die zijn woorden bespot. Ik hoor velen fluisteren’, aldus Jeremia, ‘daar heb je: “Ontzetting-overal” (v. 10). Breng hem aan. Ja, we brengen hem aan.’ Misschien beschouwen zij Jeremia als een schrikbeeld voor iedereen. Hij predikt immers alleen maar rampspoed en ellende. Zij wachten op zijn val en nemen, in een ironische wending, de woorden van Jeremia over die beschrijven hoe God hem heeft overweldigd: ‘misschien laat hij zich misleiden; dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.’ Deze woorden klinken dreigend in de oren. En toch. Uiteindelijk zal Jeremia niet door zijn vijanden worden overwonnen. God is zijn heldhaftige strijder, zijn kampioen die hem verdedigt en al zijn vijanden verslaat. Daarom zullen de vijanden struikelen, en niet Jeremia. Zij zullen worden overwonnen en te schande worden gemaakt.
Jeremia sluit zijn poëtische klaagzang af met een lofzang. Misschien beeldt hij zichzelf af als de arme uit deze lofzang, die door de Heer uit de handen van de boosdoeners wordt bevrijd. Let op de verandering die heeft plaatsgevonden. Jeremia begon met een klacht over God. Maar toen hij overging op een klacht over zijn vijanden, kreeg hij de zekerheid dat zij – en niet God – de ware vijand waren. God was en is zijn machtige strijder en verdediger.
Literatuur
Barbara Bozak, ‘Jeremia’, in: Erik Eynikel, Ed Noort, Tjitze Baarda en Adelbert Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel Band 2, Kampen, Uitgeverij Kok, 2001, 1154-1198.
Peter G. Craigie, Page H. Kelley and Joel F. Drinkard, Jr., Jeremiah 1-25 (Word Biblical Commentary, Vol. 26), Grand Rapids, Zondervan, 1991.
Romeinen 5,12-25
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 10,26-33
In Matteüs 10,5b-42 houdt Jezus, vlak voordat Hij de twaalf apostelen uitzendt, een lange zendingsrede voor hen. De evangelielezing van deze zondag, die daar een onderdeel van is, roept de bemoedigingswoorden in herinnering die in het boek Jesaja aan de knecht Israël worden gegeven in de zogeheten ‘vrees niet’-spreuken (Jes. 35,4; 41,10). Overal waar de apostelen de blijde boodschap van het rijk Gods verkondigen, zal er tegenstand zijn. Wanneer die tegenstand tot openlijke vijandigheid escaleert, hoeven zij niet bang te zijn. Immers, omdat Jezus degene is die de apostelen uitzendt en omdat zij niet kunnen verwachten dat zij beter dan hun leraar worden behandeld, moeten zij hun natuurlijke angst voor hun tegenstanders overwinnen en trouw blijven aan hun roeping.
Weest dus niet bang voor hen, aldus Jezus aan het begin van de evangelielezing. De reden hiervoor is nauw aan Lucas 12,2 verwant, en verzekert de angstige apostelen ervan dat er niets verborgen is dat niet onthuld zal worden, en niets geheim dat niet bekend zal worden. Ofschoon Lucas hiermee naar het menselijk gedrag verwijst - ‘Want wat jullie in het donker zeggen, zal men in het licht horen’ (Luc. 12,3) - lijkt Matteüs het echter als een verwijzing naar het mysterie van Jezus’ messiasschap op te vatten, en verandert hij daarom de indicatieve uitspraak in een imperatief: ‘Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht.’ Wat, met andere woorden, tijdens Jezus’ aardse leven geheim moest blijven - denk bijvoorbeeld aan het zwijggebod na bepaalde woorden en wonderen van Jezus -, moet na Pasen van de daken worden verkondigd. Hierbij vormen de platte daken, die toenmalige gebouwen doorgaans hadden, een ideaal platform voor verkondiging aan een grote groep mensen.
Het zijn dus niet de tegenstanders die de apostelen moeten vrezen, maar veeleer God zelf. God kan hen tot de eeuwige dood veroordelen. Maar de medaille heeft twee kanten: God de Vader, die over de mussen waakt en het aantal haren op ieders hoofd kent, zal voor zijn leerlingen zorgen bij alles wat zij in dienst van het evangelie moeten doorstaan. Deze ietwat overdreven uiting is effectief. God zal de apostelen niet tegen het lijden beschermen - want zelfs Jezus moest het lijden ondergaan - maar Hij die zij Vader noemen, zal zijn kinderen door het lijden heen naar het eeuwige leven leiden.
Hiermee is het verhaal nog niet ten einde. De relatie die iemand met Jezus heeft, is van het grootste belang. Immers, een relatie met God is alleen mogelijk door een relatie met Jezus, en hem verwerpen is in feite God verwerpen. Dit zien we ook terug in de verzen 32-33, waarin we lezen dat ieder volgeling die Jezus bij zijn medemensen erkent of verloochent, ook door Jezus bij zijn Vader zal worden erkend respectievelijk verloochend. Sommige exegeten nemen aan dat dit geen authentieke uitspraak (logion) van Jezus is. Volgens hen zouden deze verzen naar de bekentenissen en ontkenningen in de toenmalige rechtbank verwijzen, en daarmee een situatie na Pasen weerspiegelen. Anderen zien dit geheel anders. Zij betogen dat de werkwoorden ‘erkennen’ en ‘verloochenen’ veelal in een niet-juridische context worden gebruikt, bijvoorbeeld bij Petrus’ verloochening van Jezus in 26,69-75.
Literatuur
Donald A. Hagner, Matthew 1-13 (Word Biblical Commentary, Vol. 33A), Grand Rapids, Zondervan, 2000.
Douglas R.A. Hare, Matthew (Interpretation. A Bible Commentary for Teaching and Preaching), Louisville, John Knox Press, 1993.
Preekvoorbeeld
Inleiding op de lezingen:
De profeet Jeremia schreeuwt het uit dat het Woord van de Heer te groot voor hem is, hij kan zich er niet tegen verzetten. Hij moet het uitspreken, hij kan het niet stilzwijgen, het brandt hem op de lippen.
De mensen om hem heen verklaren hem voor gek, ze papagaaien hem na. Ze zetten hem te kijk.
In het evangelie zegt Jezus dat je niet bang moet zijn om dat wat als inzicht, als overtuiging in jou gegroeid is, te delen, uit te spreken. Laat je niet muilkorven. ‘Wat Ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken.
In het evangelie van vandaag (te lezen vanaf v. 16) komen allerlei dieren voor. Jezus zegt: ‘Ik zend jullie als schapen onder de wolven’ (v. 16). Dat was vroeger een scène uit een bijbels landschap, maar inmiddels heeft de wolf zich ook al lang en breed in Nederland gevestigd en we hebben er heel actuele beelden bij: van schapen en één wolf, om niet te denken van een hele roedel.
‘Wees dus scherpzinnig als een slang’ (v. 16), slim, wijs zelfs. Slangen zijn geheimzinnig en met dat ze vervellen en hun oude huid achter zich laten, dragen ze het mysterie van de wedergeboorte met zich mee.
En ‘Wees argeloos als een duif’ (v. 16), in een andere vertaling: ‘Behoud de onschuld van de duif”. Onschuld? Argeloosheid! Argeloos is iemand die niets kwaads verwacht of bedoelt.
Dek je niet van tevoren al in. Houd een open vizier. Wees niet bang, zoals de vredesduif die met zijn boodschap door oorlogsgebied vliegt, niet bang moet zijn. Wat hij te brengen heeft: vrede! Is groter dan zijn eigen levenslot.
Dit alles eindigt in iets heel teers in Jezus’ uitspraak over die twee mussen, te koop voor één stuiver, ze zijn er legio, in zwermen, en ze zijn niets waard.
Jezus spreekt van dat ene musje dat dood het dak afvalt. Een musje, daar kun je het aan aflezen wat het is om een schepsel Gods te zijn. In de Nieuwe Bijbelvertaling stond tot voor kort: ‘Er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil.’
Dat was een riskante vertaling, want in het Grieks staat ‘de wil van God’ er helemaal niet bij. ‘De wil van God’ wordt hier niet gethematiseerd. Toch was het wel een terechte vertaling, maar ook een vertaling die op haar beurt weer vertaald moest worden, dus een afdoende vertaling was het niet.
‘Er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil.’ Het laatste wat je hoort, de echo is: ‘niet wil!’ Dat is het goede aan die vertaling, dat je eraan hoort dat God de dood niet wil. Hij sluipt niet als magere Hein met zijn zeis achter je aan om je in een onbewaakt ogenblik neer te maaien.
Jezus zegt dat alles is gelegen in het niet willen van jullie hemelse Vader. Dat maakt het leven veilig, je kunt gerust leven en sterven.
Maar zoals gezegd, de wil van God is erin gefrommeld. Letterlijk staat er: Er valt niet één mus dood neer ‘zonder jullie Vader.’ Dat heeft de betekenis van: ‘zonder toestemming van’, ‘zonder medeweten van’, ‘buiten jullie Vader om’ of ‘buiten de wil van jullie Vader om.’
De nieuwste editie van de Nieuwe Bijbelvertaling heeft nu: ‘Maar er valt er niet één dood neer buiten jullie Vader om.’
De Bijbel in Gewone Taal leest – maar dat is meer een parafrase dan een vertaling: ‘Toch valt er dankzij de macht van God, jullie Vader, geen mus zomaar dood op de grond.’
Jezus maakt duidelijk dat geen enkele gebeurtenis – hoe klein of onbeduidend ook – zich buiten het bereik van God voltrekt.
De Nieuwe Bijbelvertaling had er dus voor gekozen dat weer te geven met behulp van die zwaarbeladen ‘wil van God.’ Bedoeld is: leven en dood van zelfs de meest onbeduidende vogels zijn in Gods hand, hoeveel te meer zal Hij jullie behoeden en bewaren!
Want nogmaals: het woord ‘wil’ staat er helemaal niet. Er staat alleen: het gebeurt niet ‘zonder’ jullie Vader of ‘buiten’ Hem om.
Ik zou dat niet via ‘de wil van God’ vertalen, want dan zet je de deur open naar: als God beschikt over leven en dood, heeft Hij dan ook de hand in ziektes, ongelukken, rampen, pandemieën? Komen al die vreselijke dingen ook van God?
Helemaal misgaat het als er een wetenschap van wordt gemaakt, een predestinatiekennis: dat God planmatig het ene musje hoog in boom laat nestelen en vastbesloten het andere musje dood neer laat vallen, de ene mens zegent met welvaart en gezondheid, de andere onder de tram laat omkomen.
Dan is het geloof geperverteerd tot een systeem van oorzaak en gevolg, van voorbedachte rade en wrede albeschikking. Dat is zoals in het fundamentalisme op een niet-religieuze wijze Bijbel wordt gelezen en de wil van God wordt verstaan als het hemels planbureau.
Het beste aan die oude Nieuwe Bijbelvertaling is dat in onze oren blijft echoën wat God ‘niet wil.’
De profeet Jeremia zingt: ‘Zing voor de heer, loof de heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.’
En Jezus dus vergelijkt de armen met al die dieren die Hij van stal haalt: ‘Ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.’ Hij wil zijn leerlingen een hart onder de riem steken, moed in spreken: ‘Wij zijn in Gods hand, in leven en sterven.’ ‘Wees dus niet bang.’
Juist aan dat tere van die veertjes, dat snaveltje, die paar pootjes, kun je het zien: ook dat schepseltje leeft en sterft van Gods goedheid omgeven, zou jij dan niet geloven = vertrouwen = blijven hopen?
Jezus heeft gezegd: ‘Jullie zijn meer waard dan een zwerm mussen.’ Tot Hem zijn wij hier gekomen als vogels van velerlei pluimage die neerstrijken in dit voederhuisje, als mussen die schuilen in het riet.
En wij bidden dat wij hier onze veren kunnen oppoetsen, onze verfomfaaide veren – want wat zijn we in de kreukels geraakt! – en dat wij voedsel vinden voor onze zielen. Tot wie zouden wij anders gaan?
Psalm 84 zingt van dit godshuis, dit altaar:
Het heil dat uw altaar omgeeft
beschermt en koestert al wat leeft.
De mus, de zwaluw vindt een woning.
Haar jongen zijn in veiligheid.
Mij is een schuilplaats toebereid
in het paleis van U, mijn Koning.
Heil hen die toeven aan uw hof
en steeds zich wijden aan uw lof.
inleiding dr. Max G.L. van de Wiel OCSO
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
28 juni 2026
Dertiende zondag door het jaar
Lezingen: 2 Kon. 4,8-11.14-16a; Ps. 89; Rom. 6,3-4.8.11; Mat. 10,37-42 (A-jaar)
Inleiding
‘Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is…’ – woorden van Jezus uit het evangelie die je voor vandaag heel goed kunt verstaan tegen de achtergrond van het eerder gelezen verhaal over het gastvrije onthaal van de profeet Elisa door de Sunammitische. Een profeet (m/v) is een gezondene die niet voor of namens zichzelf spreekt maar die het woord voert namens Hem door wie hij gezonden werd. Een profeet is iemand die vanuit het verleden het heden interpreteert met het oog op de toekomst. Het gaat dus om het duiden van een actuele situatie. Iemand opnemen die daartoe geroepen werd, is niets minder dan een blijk van openheid en ontvankelijkheid voor de boodschap die gebracht wordt. Als zodanig is de gezondene ook te waarderen.
‘De arbeider is zijn loon waard’ – het zijn andere woorden van Jezus maar ditmaal uit het Lucasevangelie (10,7), woorden die echter op hetzelfde neerkomen. Bij Matteüs is eveneens sprake van het loon van een profeet (10.41), dat wil zeggen: de waardering voor zo iemand mag er dan ook naar zijn. Het aanreiken van een beker koud water kan in dat verband al betekenisvol zijn (10,42).
2 Koningen 4,8-11.14-16a – moment van herkenning
De profeet Elisa geniet herhaaldelijk gastvrijheid bij een welgestelde vrouw uit de plaats Sunem. Het gaat zelfs zover dat er op instigatie van de vrouw een apart vertrek voor de profeet gerealiseerd wordt. Zij komt op die gedachte omdat zij in de profeet ‘een heilige man Gods’ (4,9b) herkent. Daarmee geeft deze vrouw blijk van het besef dat zij hier met een gezondene te maken heeft, een man met een zending van Godswege. Haar openheid en ontvankelijkheid blijven niet onbeantwoord want de vrouw ontvangt van de profeet een belofte voor de toekomst: zij zal een zoon ter wereld brengen. De onbaatzuchtige houding van de vrouw blijkt voor de tweede maal uit haar reactie op deze aankondiging (vgl. v. 13b met v. 16b). Overigens valt het met het oog hierop serieus te overwegen om dit bondige verhaal toch maar integraal te lezen, dus inclusief de weggelaten verzen 12-13 en de afsluitende verzen 16b-17 waarin het uitkomen van de belofte door Elisa verhaald wordt. Op die manier krijgt het verhaal immers meer reliëf in combinatie met de evangelielezing...
Romeinen 6,3-4.8.11 – doop en opstanding
In het vijfde hoofdstuk van zijn Romeinenbrief schrijft Paulus uitvoerig over de relatie tussen zonde, genade, rechtvaardiging en vrijspraak. Meerdere keren verwijst de apostel daarbij naar de eerste mens Adam waardoor de zonde en de dood in de wereld zijn gekomen en als gevolg waarvan alle mensen daarna veroordeeld werden (5,12.15vv.18v). In dit volgende hoofdstuk wordt de redenering voortgezet in de stijl van een diatribe, een socratisch retorisch stijlmiddel dat bestaat uit vragen en antwoorden dat in de Oudheid veel gebruikt werd door filosofen en redenaars. Daarbij is het Paulus vooral te doen om de gedachte te bestrijden dat de zonde noodzakelijk of onmisbaar zou zijn voor het verkrijgen van de genade (sterke ontkenning in 6,2). Om deze visie kracht bij te zetten interpreteert Paulus de doop nu als een vorm van sterven en opstanding. Zoals Christus uit de dood is opgestaan na de dood aan het kruis, zo is de gelovige uit de dood door de zonde opgestaan tot een nieuw leven.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 10,37-42 – Zendingsrede
Na de Bergrede (Mat. 5-7) vormt de Zendingsrede (Mat. 10,5–42) de tweede toespraak van Jezus in dit evangelie, gericht tot de twaalf apostelen die kort daarvoor aangesteld zijn (in 10,2 worden de leerlingen ook zo genoemd: ‘uitgezondenen’). De tekst als geheel is geladen met een sterk besef van grote verantwoordelijkheid, ingegeven door pastorale bewogenheid van de Heer (9,36-38). De apostelen zijn geroepen om mede uitvoering te geven aan het initiële programma van Jezus zelf: 'Het koninkrijk der hemelen is nabij!' (10,7 moet dus in verband gebracht worden met 4,17). De apostelen zijn niets minder dan medewerkers van de Heer.
We beluisteren nu de slotpassage van deze redevoering. De afbakening van de tekst is vatbaar voor enige discussie: waarom niet gelezen vanaf vers 34? Daar wordt immers gesteld dat het volgen van Jezus niet vrijblijvend kan zijn maar zelfs scheiding teweeg kan brengen tussen mensen die door bloedverwantschap nauw met elkaar verbonden zijn. Dit is in feite ook het thema in het beginvers van de lezing.
Een ander perspectief
De keuze om Jezus te volgen, en dus om zich als apostel te engageren met zijn programma, impliceert een relativering van natuurlijke familieverhoudingen. Bij Matteüs zijn de uitspraken van Jezus hierover minder scherp dan met name bij Lucas. Daar staat het woord miseô in 14,26 – enigszins verbloemd weergegeven met ‘verfoeien’ in de Willibrordvertaling, maar ook vaak niet onterecht vertaald met ‘haten’. Bij Lucas is dit niet de enige plaats waar de verhoudingen op scherp gezet worden, zie met name ook 9,61v. In onze lezing staat daarentegen slechts: ‘Wie meer houdt van vader of moeder dan van Mij…’ (philôn … huper eme) en dat komt toch iets anders bij ons over... Niettemin is de strekking van de gedachte min of meer identiek: de bereidheid om de consequenties van de navolging te aanvaarden, ook als deze op gespannen voet komen te staan met de familieverhoudingen. Gesteld voor de keuze zal de gezondene van de Heer trefzeker moeten kiezen tussen het engagement met een bloedverwant (vader of moeder, zoon of dochter) óf met een geestverwant: eerst met de Heer zelf maar in feite gaat het Jezus om ‘Hem die Mij gezonden heeft’ (10,40b). Iets verderop in 12,46-50 spreekt Jezus er zich ondubbelzinnig over uit: ‘Want wie de wil doet van mijn Vader in de hemel, die is mijn broer en zuster en moeder’. Daaruit blijkt dat Jezus in feite doelt op een ander perspectief dan de biologische banden van vlees en bloed: zijn volgelingen kan men wel beschouwen als kinderen van één Vader.
In verlegenheid?
Soms strijken de woorden uit de Bijbel je tegen de haren in. Misschien is dat met dit evangeliegedeelte ook wel het geval. Want een keuze (moeten) maken tussen het liefhebben van vader of moeder of het liefhebben van de Heer heeft zo ogenschijnlijk de trekken van een heus dilemma. Maar hoe zit het dan met het gebod om vader en moeder te eren, een goddelijke opdracht die we zó toch ook terugvinden in dit Matteüsevangelie (15,4-7)? Kan het er voor een volgeling van de Heer werkelijk zó om spannen? Er zijn echter wel meer van zulke krasse uitspraken van Jezus te vinden in het evangelie, uitspraken die je misschien wel in verlegenheid kunnen brengen. ‘Als je hand of je voet je ten valt brengt, hak hem dan af en gooi hem weg’ (Mat. 18,8), om slechts één ander voorbeeld te noemen. De vraag komt bij je op: Hoe moeten we dit nu eigenlijk begrijpen? Vraagt de Heer dit werkelijk van ons, tot aan zelfverminking toe?
Misschien komen we er iets verder mee als we deze uitspraken zien – modern uitgedrukt – als een sterk staaltje van communicatietechniek. Jezus ‘chargeert’ zogezegd, Hij zet de zaken op scherp om duidelijk te maken waar het Hem feitelijk om te doen is. Jezus was onmiskenbaar góed in het communiceren met mensen, Hij had duidelijk het talent om bijvoorbeeld met gelijkenissen en onverwachte uitspraken (iemand de andere wang toekeren na een slag op het gezicht) zijn gehoor aan het denken te zetten. Het doen van zulke krasse uitspraken heeft misschien wel dezelfde bedoeling. Zoals ook in het Marcusevangelie de herhaalde opdracht aan het adres van de leerlingen om te zwijgen over de ware identiteit van Jezus (zie bijv. 9,9). De nuance draagt niet veel bij aan de receptie van een belangrijke boodschap. Het zet ons daarmee misschien wel aan het denken, het schudt ons wakker én het roept ons weg uit een al te gezapig leventje…
Preekvoorbeeld
Ik hoop dat u nog bereid bent te luisteren… Want dit soort uitspraken van Jezus zoals aan het begin van het evangelie van vandaag zijn woorden waarbij mensen afhaken en de boel voor gezien houden. Wat Jezus hier zegt over de omgang met je familie en over je bestaan gaat te ver. Een reactie die ik herhaaldelijk gehoord heb op deze lezing… En ik begrijp daar ook wel iets van… deze vlijmscherpe woorden… zo ken je Jezus niet… Als ik kijk naar het hele evangelie hoe Jezus daarin naar voren komt, wat Hij zegt en wat Hij doet, dan is dit héél anders. Dan zijn het onbegrijpelijke woorden. Ze staan ook wel in een heel specifieke context. Deze passage is het besluit van wat in het Matteüsevangelie de ‘zendingsrede’ heet.
We kennen in het evangelie de veel beroemdere ‘Bergrede’ – de lange toespraak die Jezus houdt voor iedereen die op Hem af is gekomen. Hij legt daarin uit wat leven met God voor een mens inhoudt – en dat draait om liefde krijgen van de Vader die er altijd zal zijn voor ons en die liefde aan mensen door willen geven. En Jezus nodigt ieder uit daar in te stappen; zich eraan over te geven en in die Geest te leven en te handelen.
De zendingsrede ligt in het verlengde van de boodschap van de Bergrede.
In de zendingsrede geeft Jezus zijn leerlingen die Hij erop uitstuurt om de boodschap van Gods koninkrijk van liefde te gaan brengen in alle dorpen en steden, adviezen hoe op weg te gaan, hoe te handelen. Hij draagt ze op niets mee te nemen en letterlijk met lege handen op weg te gaan en overal binnen te komen met de groet ‘Vrede aan dit huis.’ Hij raadt ze aan bescheiden te zijn en niets te verwachten. Hij waarschuwt ze dat Hij hen ‘als lammeren onder wolven’ zendt en dat ze op weerstand moeten rekenen. Want de liefdevolle boodschap die Jezus voor iedereen heeft staat wel haaks op wat voor de wereld gewoon, gebruikelijk en vanzelfsprekend is en zoals dat in onze dagen weer opnieuw zo onverkort klinkt en schaamteloos gedaan wordt: ik eerst, ik eerst, ik eerst.
En dan – om de urgentie daverend te onderstrepen en de leerlingen goed te doordringen van alle gevaren, komen de woorden die zo zwaar vallen: om te beginnen zullen ze zichzelf totaal over moeten geven, over moeten leveren. Het zijn scherpe woorden. Woorden die je aanvankelijk helemaal niet wilt horen: ‘wie meer van vader of moeder of zoon of dochter houdt dan van Mij, is Mij niet waard’ en ‘Je leven verliezen omwille van Mij om het te behouden.’ Het is Jezus in zijn radicale stand van aanspreken en wakker schudden. Dit is een Jezus die tegen kan staan omdat Hij zo anders is als wat we als kern van zijn boodschap kennen: heb God lief en je naaste als jezelf. Toch moeten we accepteren dat deze harde woorden ook klinken uit Jezus mond en dat ze gesproken zijn uit zorg voor ons leven in Gods ruimte. Want in de gang van ons leven kunnen wij mensen, al van kleins af, beheerst raken door gewoontes en plichten die van ouder op kind worden doorgegeven en opgelegd – en dat kan vormen aannemen die mensen knechten en verslaven en afbrengen van de oorsprong en de vrijheid waar God iedere mens voor geschapen heeft en toe roept. Het gaat hier over de zonde waar Paulus in de tweede lezing uit de Romeinenbrief over spreekt. Paulus legt de gelovigen in Rome nog eens uit dat zij door de doop bij Jezus de Christus zijn gaan horen en met Hem mee de gang door dood en het doodse hebben gemaakt. Zij hebben de doorgang gemaakt naar een leven met God, zij mogen meebouwen aan zijn rijk .
Dat is de missie en de kern waar Jezus voor gaat en voor staat. Hij brengt het leven dat God geeft terug in contact met God – en daar mag en moet alles voor wijken – radicaal. En dat geldt zeker ook voor wie zijn boodschappers zijn.
En dan is er nog een tweede waarschuwing – en dat zijn de woorden waarmee Jezus de leerlingen op het hart bindt om mild te zijn voor de mensen die ze tegen zullen komen. Ze mogen de verwachtingen die ze hebben van die mensen en hun acceptatie van de boodschap niet te hoog opschroeven. We zijn immers niet allemaal zo – en zo welgesteld – als de vrouw over wie we in de eerste lezing hoorden, die een kamer bij liet bouwen voor de profeet Elisa omdat ze in hem een boodschapper van de Liefde(volle) herkende. De leerlingen van Jezus moeten zich realiseren dat overal waar ze ontvangen worden en waar ze de ‘normale gastvrijheid’ zullen ontmoeten – want daar gaat het over bij die beker koel water – de mensen al doen wat er van ze gevraagd wordt. Daar is al het begin van het koninkrijk van God. We mogen erin horen dat we de lat vooral niet te hoog moeten leggen – want dat rijk van God is misschien wel meer ‘onder ons’ dan we soms geneigd zijn te denken. En ook dat we misschien wel meer kunnen dan we geneigd zijn te denken
Schrik en bemoediging, zo schudt Jezus ons wakker voor zijn werk dat mede in onze handen ligt. En ieder mogen we het op onze manier aanpakken, groot of klein, dicht bij huis of op wereldschaal en iedere bijdrage wordt gezien en gewaardeerd. We mogen ervan uit gaan dat dat op een passende, maar misschien voor ons verrassende en onverwachte, manier zal gebeuren.
inleiding drs. Harry Tacken
preekvoorbeeld Gerard Martens
Homiletische hulplijnen 120
Hoe breng je geloof onder woorden?
In het Duits is Glaube een moeilijk te hanteren woord geworden, dat vooral doet denken aan Aberglaube, bijgeloof. Ook het Nederlandse ‘Geloof’ deelt in die problematiek. In de journalistiek wordt vooral ‘geloven dat’ gebezigd, nauwelijks ‘geloven in’ of geloven zondermeer. Moeten we het meer hebben over vertrouwen? Of over religie, spiritualiteit, contemplatief leven? In een column voor Red Light Jazz Radio vanuit Studio Taboe aan de Zeedijk liet ik het zelfstandig naamwoord ‘geloof’ los, maar deed ik verwoede pogingen om de luisteraars feeling te geven bij het werkwoord.
Geloven is als het aanleren van een vreemde taal, Pools of Fins. Niet gemakkelijk: grammatica, woordjes stampen, uitspraak leren.
En veel oefenen, zoals je een muziekinstrument langzamerhand in de vingers krijgt en erop leert spelen. Ook dat gaat niet vanzelf, het komt je niet aanvliegen, het vraagt om herhaling, toonladders leren.
Ik heb eens een man gedoopt die op hoog niveau aan karate deed: zwarte band, 5e dan. Hij begreep: geloven is afzien, oefenen, trainen. Geloven is te leren.
Geloven is niet allerlei rare dingen voor waar aannemen met het verstand op nul, een set onwaarschijnlijkheden onderschrijven: geloven dit en geloven dat, dingetjes, vermeende feiten. Dat is geen geloof maar fundamentalisme: geloven dát. Er is geen enkele kerkelijke geloofsbelijdenis die het heeft over geloven dat.
Geloven is: fiducie hebben ín, geloven ín. Geloven ín is hetzelfde als: vertrouwen op, bidden om, verlangen, uitzien naar, missen, blijven wachten. Het gaat niet meteen over allerlei diepe inhouden, geloven gaat allereerst een relatie aan met een ander, met de grote Ander.
Het gaat erom gevoeligheid en ontvankelijkheid te ontwikkelen voor wat nu eens niet van mijzelf maar van een ander uitgaat. Het woordje ‘God’ staat symbool voor die ander met zijn raadsels, een mysterie, en die raadsels mogen raadsel blijven, die hoef ik niet meteen op te lossen.
Geloven is bijvoorbeeld: met respect een daklozenkrant kopen. En dan gaat het wel om die drie euro, maar meer om menselijke waardigheid. Dat je elkaar even hebt aangezien.
Dat kun je ook je kind leren. Dat je iemand die zit te bedelen geen geld geeft, maar wel samen ergens een broodje te gaat eten.
Geloven is openstaan voor het geheim dat zich in ieder mens voordoet, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Jezus zegt dat je Hem vooral tegenkomt in ontmoetingen met armen, zieken, gevangenen, vreemdelingen.
Geloven is dat je eerbied hebt voor het leven, dat geldt zowel je lieve dochtertje als je ergste vijand.
Geloven maakt ook bescheiden. Ik weet bij God niet wie God is voor jou is, maar ik ben benieuwd. Misschien dat jij het mij kunt vertellen. Daar leer ik van: nieuwe inzichten, anders dan ik altijd al dacht.
Geloven is niet wat ik allemaal presteer, maar wat God in mij doet. Ergens in de Bijbel staat: ‘Geloof is een gave van God'. Dat geschenk kan je zomaar gegeven worden.
Geloof is dus niet het rugzakje waarin ik al mijn geestelijke bagage met me meedraag, alsof het mijn bezit is, maar een infuus dat nodig aangelegd moet worden, want ik met mijn lek en gebrek ben een vergiet. Het geloof loopt er aan alle kanten uit.
Ik heb het niet altijd in dezelfde vorm of sterkte bij me., Door alles wat gebeurt in het leven lekt geloof weg of voel ik soms een gebrek aan geloof. Maar door te bidden, te mediteren, te zingen, de sacramenten te vieren, blijf ik verbonden met de riten en mythen die ertoe doen en houd ik het even vast.
Vooral dat zingen, dat werkt bij mij echt als een infuus. Geloven is dat ik opensta voor wat God met mij doet.
Ik had het net over de geloofsbelijdenis, dat die het niet heeft over geloven dit en dat.
In het kerkelijk jargon heet een geloofsbelijdenis een symbolon, het is symbolische taal, en dat is toch echt iets anders dan één en één is twee, of wat doorgaans in de Telegraaf staat. Het is veeleer een gedicht dan een redenering, geloofsleer is poëzie, een geloofsbelijdenis bíd je.
drs. Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,