Preek 26e zondag door het jaar, A jaar, 27-9-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 7
  • Bestandsgrootte 226.37 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 30 juli 2026
  • Laatst geüpdatet 30 juli 2026

Preek 26e zondag door het jaar, A jaar, 27-9-2026

27 september 2026
Zesentwintigste zondag door het jaar
 

Lezingen: Ezech. 18,25-28; Ps. 25; Fil. 2,1-(5)11; Mat. 21,28-32 (A-jaar)

Inleiding

Ezechiël 18,25-29
De afbakening van de lezing uit Ezechiël is opmerkelijk, want het is echt noodzakelijk om de passage aan het einde met één vers uit te breiden, want vers 29 hoort er echt bij. Dit vers vormt namelijk inhoudelijk de climax van de passage. Dat kun je op literair niveau ook zien aan de herhaling van de uitspraak waarmee deze literaire eenheid in vers 25 begint: ‘De weg van de Heer is onrechtvaardig.’ Zo vormt zich een prachtige inclusie, een perfecte omsluiting, van een kleine of grotere literaire eenheid, een procedé dat zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament heel vaak wordt gebruikt. Een opmerking over de vertaling van deze beide verzen volgt later.

Ouders en kinderen
Ezechiël 18 is een beroemde, direct aansprekende tekst. Het hoofdstuk opent met een verwijzing naar een klaarblijkelijk bekend spreekwoord; het wordt immers ook in Jeremia 31,29 geciteerd: ‘De ouders eten onrijpe druiven, de kinderen krijgen stompe tanden.’ In Klaagliederen 5,7 vinden we een soortgelijke uitspraak: ‘Onze voorouders hebben gezondigd; zij zijn er niet meer, nu dragen wij hun schuld.’ En dat het inderdaad een serieus vraagstuk betreft blijkt bijvoorbeeld ook uit de vraag die aan Jezus wordt gesteld door zijn leerlingen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ (Joh. 9,2).

In Ezechiël 18 wordt in een aantal rondes het gedrag van een vader beschreven (rechtvaardig – slecht; slecht – rechtvaardig), gevolgd door evenzovele rondes waarin het tegengestelde gedrag van zijn zoon en diens zoon (slecht – rechtvaardig; rechtvaardig – slecht) wordt geschetst. Dan volgt vanaf vers 19 een lange verklaring waarom het gedrag van een ouder niet op het kind mag worden verhaald: ieder is verantwoordelijk voor het eigen gedrag. Dat is ook wat bijvoorbeeld in Deuteronomium 24,16 wordt gesteld: ‘Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden.’

Formeel gezien heeft God zich de hele tijd (18,1-24) uitsluitend tot Ezechiël gericht, en zo via hem het gedrag van Israël beschreven. Vanaf vers 25 blijft dat in feite ook zo, maar spreekt God via Ezechiël een groep (‘jullie’) toe die het gedrag van God ter discussie stelt: ‘De weg van de Heer is niet op orde’ (vv. 25 en 29). Waar die uitspraak van Ezechiëls volk op gebaseerd is, blijft volstrekt onduidelijk, maar wordt wel onmiddellijk weerkaatst: jullie wegen zijn niet op orde. In Ezechiël 33,10-20 zal ditzelfde thema in soortgelijke bewoordingen nogmaals uitvoerig ter sprake worden gebracht. Bijbelvertalingen die met betrekking tot ‘de weg’ hier de termen ‘rechtvaardig/onrechtvaardig’ gebruiken gaan voorbij aan het gegeven dat het Hebreeuws hier een werkwoord gebruikt dat inzoomt op de toestand, het al dan niet in orde zijn, van de wegen. En ‘weg’ is in de Bijbel heel vaak een metafoor voor iemands gedrag, of in een mooi Nederlands woord ‘levenswandel.’
Het lijkt mij dat de formulering ‘Johannes bewandelde de weg van de gerechtigheid’ heeft geleid tot de keuze in het Lectionarium voor Ezechiël 18 met ‘de weg van de Heer is onrechtvaardig’ (18,25.29) heeft aangestuurd.

Complicaties
De boodschap die in Ezechiël 18, en ook in Ezechiël 33, naar voren wordt gebracht – iemand die rechtvaardig is zal zeker in leven blijven, wie zondigt zal sterven – kan in zijn uiteindelijke doordenking best wel tot moeilijke vragen aanleiding geven. Ze zal herhaaldelijk fel in botsing (kunnen) komen met de feitelijke ervaring. Het boek Job is er een ingrijpend voorbeeld van. Hetgeen Job overkomt (onheil, ziekte, dood) botst volkomen met deze traditionele vergeldingsleer die door zijn vrienden fel wordt verdedigd: het kan niet anders dan dat Job iets heel zondigs moet hebben gedaan, anders word je niet zo ernstig gestraft. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger: het goede blijkt niet altijd te worden beloond, het kwaad niet altijd te worden gestraft. In prachtige gesprekken bevrijdt God Job van de fundamentele overtuiging dat de wereld volledig verklaarbaar moet zijn. God heeft het recht om het geheim van de kosmos te beheren en voor de mens verborgen te houden.

Matteüs 21,28-32 – Zeggen en doen
De lezing uit Matteüs maakt deel uit van een reeks discussies tussen Jezus en verschillende groepen: hogepriesters, oudsten van het volk, farizeeën, sadduceeën, schriftgeleerden. Deze gesprekken vinden plaats na Jezus’ intocht in Jeruzalem en worden als één geheel gesitueerd in de tempel (21,23–23,66). Terwijl Matteüs, Marcus en Lucas deze drie hoofdstukken vrij parallel en homogeen ter sprake brengen, valt onmiddellijk op dat de passage van vandaag uit Matteüs bij de andere twee evangelisten ontbreekt. We stoten hier naar mijn mening op een motief dat Matteüs na aan het hart ligt. Het maakt namelijk ook al deel uit van zijn Bergrede:

‘Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, maar alleen wie de wil doet van mijn vader in de hemel’ (7,21). Ook deze tekst vinden we bij geen van de andere evangelisten. Iets zeggen en iets doen zijn twee verschillende wegen.

Tegelijkertijd verbindt Matteüs de gelijkenis van de twee zonen met het voorafgaande (21,23–27) waar de vraag wordt gesteld in wiens opdracht Johannes doopte, een passage die wél bij Marcus en Lucas voorkomt. In zijn gelijkenis van de twee zonen grijpt Matteüs duidelijk terug op het begin van zijn evangelie waar toegestroomde mensen zich door Johannes lieten dopen en hun zonden beleden (3,6), terwijl ‘farizeeën en sadduceeën die op de doop van Johannes afkwamen’ (3,7) door Johannes terecht worden gewezen. De mensen die hun zonden beleden worden nu geïdentificeerd als ‘tollenaars en hoeren’, terwijl degenen die door Jezus – nota bene in de tempel – worden toegesproken geconfronteerd worden met hun ongeloof.

Filippenzen 2,1-(5)11 – De brief van Paulus in zijn context
Paulus heeft huisarrest, meest waarschijnlijk in of bij het hoofdkwartier van het Romeinse leger in Rome, waar hij tenminste twee jaar heeft doorgebracht. De Griekse tekst heeft het in 1,13 alleen over ‘het pretorium’, meestal de aanduiding van het garderegiment van de keizer dat in Rome gelegerd was. Vandaar dat de Nieuwe Bijbelvertaling ‘van het Romeinse leger’ heeft toegevoegd. Theoretisch gesproken zou het ook over het pretorium van Efeze kunnen gaan, maar dat laat zich moeilijk rijmen met de gevangenschap van de apostel.

Hij zit daar in afwachting op een rechtszaak, omdat hij als Romeins staatsburger een beroep had gedaan op de keizer toen Joden in Jeruzalem een zaak tegen hem hadden aangespannen (Hand. 21,27–28,30). Vanuit zijn huisarrest schrijft hij een brief aan de christenen van Filippi, een stad in Macedonië, in het noorden van Griekenland die hij eerder had bezocht en waar hij mensen had gedoopt (Hand. 16,11–40).

Eensgezindheid
De lezing voor vandaag maakt deel uit van een groter geheel (1,27–2,18) dat uitstekend getypeerd wordt in de openingszin: Blijf leven in overeenstemming met het evangelie van Christus en laat je daarbij niet door je tegenstanders afschrikken.

Wanneer we ons vervolgens concentreren op deze epistellezing voor vandaag, moeten we vaststellen dat bijbelvertalingen ten aanzien van het openingsvers (2,1) nogal verschillen:

Het draait daarbij om het Griekse woord paraklèsis in het eerste deel van de zin dat zowel ‘vermaning’ als ‘troost’ kan betekenen. Je ziet dan ook dat bijbelvertalingen verschillende keuzes maken:

‘Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost …’ (NBV).
‘Als dus vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging … u iets zeggen (Willibrord 1995).
‘Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde’ (NBG 51).
‘Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde’ (Statenvertaling).

Omdat in het tweede deel van de zin (2,1) ook al het woord paramythion (‘bemoediging’, ‘troost’, ‘verzachting’) wordt gebruikt, heb ik een lichte voorkeur voor de vertaling ‘vermaning’ /‘beroep’ aan het begin van het vers. Het sluit heel mooi aan bij de openingszin van deze sectie in 1,27. Aan de andere kant kun je natuurlijk niet uitsluiten dat Paulus heel bewust een woord heeft gekozen dat beide mogelijkheden tegelijk toelaat.
Dat de apostel de gelovigen in Filippi heel uitdrukkelijk op het hart drukt om eensgezind te zijn, één in alles wat ze doen en voelen, komt op een bijzondere manier tot uiting in het laatste woord van 2,2 – sympsychos, ‘één van geest.’ Het woord komt nergens anders in het Nieuwe Testament voor, ook niet in de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint. Sterker nog: het is in de profane Griekse literatuur slechts één keer te vinden bij de Griekse filosoof Polemon van Laodicea (90–144); zie Polemon, Declamationes quae extant II, 54 (ed. Hugo Hinck; Leipzig 1873), 34. Dit unieke woord vormt vervolgens de poort tot een heel concrete invulling: houdt altijd rekening met de ander (2,3v). En dat is de directe link naar Christus Jezus, over wie Paulus dan, naar men aanneemt, een reeds bestaande hymne invoegt.

Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95


Preekvoorbeeld

Je bidt zoals je gelooft, je gelooft zoals je bidt. Dat is een oude stelregel in onze traditie: lex orandi, lex credendi. Maar die stelregel is niet altijd gemakkelijk toe te passen, omdat de teksten van de liturgie ook vragen op roepen en wel allerlei verschillende vragen.

Vragen over de betekenis van woorden. Woorden die hier in onze liturgie kernwoorden zijn, functioneren in ons gewone spreken niet of nauwelijks: ‘genade’, ‘zonde’. Maar ook vragen over diepere betekenis: je kunt wel begrijpen wat een woord betekent, maar sluit het ook aan bij jouw ervaring, verheldert het ook iets van jouw leven? Soms zegt een tekst je wat en soms zegt diezelfde tekst je niets. En dan zijn er ook nog vragen die opkomen, omdat je het er niet mee eens bent, omdat zo'n tekst of lied niet strookt met je geloof.

Het gaat in die stelregel niet om een soort eenrichtingsverkeer: dit bidden we, dus daarom moet je dat ook maar geloven. Het gaat ook andersom. Daar zijn veel voorbeelden van te geven. In de oude voorbeden van Goede Vrijdag werd over de onbetrouwbare Joden gesproken die schuldig waren aan de moord op Jezus. Die voorbede is verwijderd, omdat we als Kerk zeker na de Holocaust anders zijn gaan denken over Joden. In de dodenliturgie van voor het Tweede Vaticaans Concilie nam de sequentie Dies irae een voorname plaats in, een lied vol dreiging, veroordeling, wanhoop. De gregoriaanse melodie is door componisten- ook van filmmuziek - niet voor niets gebruikt om dreiging op te roepen. Vanwege die sfeer van dreiging en wanhoop is dat lied verwijderd uit de officiële liturgie, omdat het niet past bij ons geloof in de verrijzenis en bij de hoop die dat geloof ons geeft.

Vandaag hebben we in tweede lezing gehoord hoe Paulus die stelregel toepast. Om een aantal aanwijzingen voor het christelijk leven te onderbouwen, aanwijzingen die te maken met eenheid en eensgezindheid, aanwijzingen die vooral te maken hebben met de verhouding tot de ander. Om die aanwijzingen voor dat leven van gelovigen te onderbouwen doet Paulus een beroep op een lied. Die gezindheid, die mentaliteit, die Geest moet onder u heersen, die Jezus Christus bezielde en dan volgt dat lied.

Paulus onderbouwt die aanwijzingen voor eensgezindheid en saamhorigheid, voor zorg en oog voor de ander met dat lied. Maar dat is misschien toch niet helemaal correct geformuleerd. Het kan namelijk verkeerd uitgelegd worden, alsof Paulus dat lied erbij sleept. Dat gebeurt vaak: een mening staat al vast en dan moeten daarna alleen nog argumenten gevonden worden. Het lied volgt wel op die aanwijzingen, maar dat lied is er eerder dan die aanwijzingen. En wel eerder in een dubbele zin. Paulus heeft dat lied niet zelf gemaakt, maar gevonden in een biddende gemeenschap. Dat lied was er al. En, dat lied van die biddende gemeenschap is voor hem dan ook de inspiratie, de bron voor die aanwijzingen. Dat lied is niet een soort vroom sausje dat een aantal aanwijzingen aanvaardbaar moet maken. Dat lied is de basis, de aanleiding voor die aanwijzingen. Dat lied was ook in die zin eerder. Als je Christen wilt zijn, moet je Christus navolgen, moet je door dezelfde mentaliteit door dezelfde Geest bezield zijn. Wat die mentaliteit inhoudt, dat weet je al, suggereert Paulus, want je bidt en je zingt toch:

Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden en als mens verschenen, heeft hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan een kruis.

Ja, maar. Is dat zo vanzelfsprekend, zo natuurlijk? Nee. Niet wat daarin over Christus gezegd wordt en niet wat daaruit volgt voor ons. Het is toch helemaal niet natuurlijk dat iemand zijn eigen vastigheid en levenspatroon prijsgeeft, zichzelf niet vooropstelt. De wereldwijde chaos waarin we ons bevinden is precies veroorzaakt door mensen die trots hun eigen belang vooropstellen, die afspraken die de zwaksten moeten beschermen (soms letterlijk) aan hun laars lappen, die schaamteloos de macht van de sterkste preken.

Nee, het is niet natuurlijk of vanzelfsprekend wat daar over Christus gezegd wordt en in het verlengde dus ook niet vanzelfsprekend wat Paulus over ons zegt. Zouden we daarom die tekst maar weg moeten doen, zoals dat is gebeurd met die voorbede van Goede Vrijdag of de Dies irae, omdat ook dit lied niet strookt met ons geloof? Nee, dat kan niet. Hier gaat het om die andere richting. In dat lied dat Paulus heeft ontdekt in die gemeenschap wordt namelijk precies de kern van ons christelijke geloof verwoord. Als je dit bidt, is dat wat je gelooft met alle consequenties van dien. Het kruis is voor ons Christenen het symbool bij uitstek en dat staat voor die gezindheid, die mentaliteit die was in Jezus. Het kruis is daarmee een voortdurend vraagteken bij die haast natuurlijke reactie van voor jezelf zorgen en opkomen. Het kruis is en blijft een ongemakkelijk symbool. Het misbruik van dit symbool door predikers van geweld en haat moeten we dan ook luid en duidelijk aan de kaak stellen.

Wat Paulus ter inleiding zegt is misschien wel belangrijker dan ooit. Paulus wijst namelijk op saamhorigheid, eensgezindheid, zorgzaamheid. Dat zijn zaken die met al die verontrustende berichten wereldwijd ook onder druk komen te staan. Kunnen wij als christenen in elk geval weerstand bieden aan die druk met behulp van de Geest die Christus bezielde. Is het niet goed om vandaag daarvoor te bidden?

 

inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof