Preek 25e zondag door het jaar, A jaar, 20-9-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 10
  • Bestandsgrootte 211.29 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 30 juli 2026
  • Laatst geüpdatet 30 juli 2026

Preek 25e zondag door het jaar, A jaar, 20-9-2026

20 september 2026
Vijfentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 55,6-9; Ps. 145; Fil. 1,20c-24.27a; Mat. 20,1-16a (A-jaar)

Inleiding

Gelijkwaardigheid, elkaar het goede/wat billijk is en het leven gunnen is niet vanzelfsprekend in het samenleven van mensen. Gemakkelijk kan er een aandrift opkomen om zichzelf te (laten) verheffen boven anderen. Dat zien we in het evangelie bij de leerlingen en speelt wellicht ook in de geloofsgemeenschappen waar de evangelist Matteüs zijn evangelie voor schrijft.
De lezing uit de profeet Jesaja verkondigt een hoopvolle boodschap door te verwijzen naar: de voortdurende kansen tot ommekeer én de ruimhartige vergevingsgezindheid van onze God.

Jesaja 55,6-9
De hoofdstukken 49–55 van de profeet Jesaja gaan over de wederopbouw van Sion na de periode van ballingschap en hoe daar een vernieuwingsproces onder het volk plaatsvindt.
In de vijf verzen voorafgaand aan onze lezing horen we hoe God als een marktkoopman mensen oproept om aandachtig naar Hem te luisteren en zich met Hem te verbinden. Dan zullen zij eten wat goed is en zij zullen leven in een eeuwig verbond met de Heer, waar ook andere volken zich bij mogen aansluiten.
En dan horen we in de daaropvolgende verzen – onze eerste lezing van vandaag - de aansporing om God te zoeken, nu Hij te vinden is. We horen een oproep om terug te keren naar Hem, van wie gezegd wordt dat Hij rijkelijk vergeeft. God is uitermate vergevingsgezind, Hij geeft steeds weer kansen tot bekering. En dat is een geweldige bron van hoop. Kansen tot omkeer en vergevingsgezindheid vormen wezenlijk bouwstenen van het eeuwig verbond. In dit verbond is het aan de mens om de schepping te vervolmaken en God koning te laten zijn.

Filippenzen 1,20c-24.27a
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95

Vooraf: Matteüs 19,13-30
Het evangelie bevat een gelijkenis over het koninkrijk der hemelen. Die gelijkenis komt niet zomaar uit de lucht vallen, maar speelt in op het voorafgaande gedeelte van het evangelie waarin Jezus het heeft over het binnengaan in het koninkrijk der hemelen.
Wanneer de leerlingen kinderen weghouden van Jezus, reageert Hij met de woorden: ‘Verhinder niet dat ze bij Me komen, want van zulke kinderen is het koninkrijk der hemelen’ (Mat. 19,13-15).
Daarna volgt de ontmoeting tussen Jezus en iemand, die achteraf zeer vermogend blijkt te zijn. Die vraagt Jezus wat voor goeds hij moet doen om het eeuwig leven te krijgen? En Jezus geeft hem als antwoord, dat hij als hij onverdeeld goed wil zijn, zijn bezit moet verkopen en de opbrengst aan de armen moet geven. Ontgoocheld trekt deze persoon zich terug.
Dan zegt Jezus tot zijn leerlingen hoe moeilijk het is voor een rijke om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. En dat brengt een enorme schok teweeg bij die leerlingen
(Mat. 19,25)
Petrus neemt vervolgens het woord en zegt tot Jezus: ‘Kijk wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Wat zullen wij dan krijgen?’ De leerlingen zijn al met Jezus op weg gegaan, ze hebben alles al achtergelaten, maar is dat voldoende? Jezus spreekt hen bemoedigend toe.
Bij de wedergeboorte, dat wil zeggen het einde der tijden, zullen zij met de Mensenzoon tronen op twaalf zetels als helpers bij het oordeel. Maar deze belofte aan de leerlingen mag geen reden zijn voor hen om zich boven anderen te plaatsen of er bepaalde voorrechten aan te ontlenen. Want, zo vervolgt Jezus, ieder die alles achterlaat omwille van Hem, zal het honderdvoudig terugkrijgen en deelhebben aan het eeuwig leven. En bovendien: Vaak zullen de eersten de laatsten zijn en de laatsten de eersten.

Matteüs 20,1-16a
En op deze laatste uitspraak volgt dan de parabel van deze zondag, die van de arbeiders in de wijngaard. Deze parabel valt uiteen in twee delen.
Het eerste deel gaat over een Heer des huizes, een landeigenaar, die op verschillende uren verspreid over de dag er op uit gaat om dagloners aan te werven: vroeg in de morgen, op het derde uur, het zesde en het negende uur en zelfs nog ter elfder ure.
De nadruk ligt op de rechtmatigheid waarmee de landeigenaar omgaat met de dagloners. Hij maakt in alle openheid een afspraak over het loon dat zij zullen krijgen. Alleen met de eersten spreekt hij een concreet bedrag af, een denarie voor de hele dag. Dat is een goede prijs. Met degenen die hij later in dienst neemt komt hij overeen wat billijk is. Degenen, die hij later aanwerft zijn geen werkweigeraars, maar mensen die nog door niemand zijn ingehuurd.

In het tweede deel van de parabel gaat het over de uitbetaling. De avond is het moment daarvoor. Je mag het dagloon niet vasthouden tot de volgende morgen (Lev. 19,13), zeker niet wanneer het een arme en behoeftige dagloner betreft (Deut. 24,15).
Op het moment van de uitbetaling komt naast de landeigenaar en de dagloners een derde persoon in beeld, die van de rentmeester. Deze helpt de landeigenaar om uit te voeren wat hij is overeengekomen met de dagloners.
De uitbetaling gebeurt in omgekeerde volgorde. Te beginnen met degenen die het laatste zijn begonnen. Die krijgen één denarie. En datzelfde gebeurt vervolgens met alle dagloners, ongeacht het aantal werkuren.
Met stijgende verbazing zullen de dagloners dat hebben waargenomen en ondergaan. Eenzelfde soort reactie zal er gekomen zijn van degenen die deel uitmaken van de gemeenschappen waarvoor Matteüs zijn evangelie schrijft.
Alle dagloners nemen de denarie aan, maar degenen die de hele dag gewerkt hebben, gaan zich beklagen bij de landeigenaar. Als voor de laatsten een denarie billijk is, komt dan aan degenen die langer werken niet meer toe, naargelang het grotere aantal arbeidsuren?
Hun klacht is: ‘De laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt?’ De werkers van het eerste uur hebben geen probleem met de grootte van het bedrag, het gaat hen om de gelijke behandeling van mensen die veel of weinig uren gewerkt hebben. De landeigenaar heeft de laatsten gelijk gemaakt aan de eersten. Daar protesteren zij tegen. Hebben zij dan geen recht op meer?

De landeigenaar rechtvaardigt zijn handelwijze op twee manieren. Allereest spreekt hij een van de klagers heel vertrouwelijk aan als vriend en zegt: Ik behandel je toch niet onrechtvaardig, we zijn toch één denarie overeengekomen? Neem dan wat je toekomt en ga.
En direct daaropvolgend geeft hij aan dat het zijn persoonlijke vrijheid is om met zijn geld te doen wat hij wil. Hij wil aan de laatste hetzelfde geven als aan de eerste. Mag hij met zijn geld niet doen wat hij wil?
Het probleem van de werkers van het eerste uur is dat zij niet in staat zijn anderen te laten delen in het goede dat hun zelf ten deel is gevallen. ‘Ben je jaloers – letterlijk staat er: is jouw oog kwaad – omdat ik goed ben?’
Daarmee herneemt de landeigenaar woorden van Jezus in gesprek met de rijke jongeling, die vroeg wat voor goeds hij moest doen om het eeuwige leven te verkrijgen? Waarom vraagt u mij naar het goede, zegt Jezus. ‘Eén is er goed.’ Uiteindelijk gaat het om de goedheid van God. Dat is de bron en de oorsprong waar ieder in mag delen.

In de regel van de minderbroeders wordt deze gedachte als volgt uitgewerkt: ‘Laten we al het goede teruggeven aan de allerhoogste en verheven Heer God en erkennen dat al het goede van Hem is en voor alles dankzeggen aan Hem van wie al het goede voortkomt… Hij van wie al het goede is, die alleen goed is’ (1 RegMB 17,17-18).

Vraag bij deze parabel is: tot wie is deze gericht? Matteüs heeft bij deze woorden van Jezus wellicht de actuele situatie voor ogen van de geloofsgemeenschappen van zijn dagen. Daarin is er sprake van spanningen tussen joden-christenen, die zich de eerst geroepenen weten en heidenchristenen, die later geroepen zijn.

De eerst geroepenen wanen zich meer waard dan de laatst geroepenen, Zij voelen zich boven hen verheven en creëren daarmee een ongelijkwaardige verhouding. Dat is een spanningsveld in de christelijke gemeenschappen van toen en nog steeds. De parabel eindigt dan ook met een herhaling van een eerdere quote (19,30), maar nu beginnend met de laatsten: ‘Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.’ De rangorde die mensen zelf aanbrengen wordt doorbroken en we worden op het spoor gezet van een gelijkwaardige omgang.


Preekvoorbeeld

Stelt u het zich ‘ns voor, dat de koning op Prinsjesdag plechtig had afgekondigd: ‘Leven en geluk voor iedereen!’ en dat hij daar een enorme zak geld bij had gedaan die we met z’n allen zouden mogen verdelen. Zou dat leiden tot vreugde alom, of zou dat eerder een hoop heibel opleveren over hoe dat geld dan wel niet verdeeld zou moeten gaan worden? Ik vrees... ‘Eerlijk zullen we alles delen: ik ‘n beetje meer dan jij...!’ Enfin, leg de doorsnee betogen van de Algemene Beschouwingen van de week maar ‘ns allemaal naast elkaar!

Eigenlijk roept Jezus vandaag in het evangelie inderdaad ‘Leven en geluk voor iedereen’ en er komt ook een enorme zak geld tevoorschijn. Maar inderdaad, daar komt dan ook heibel van...!

Jawel, er zit iets onrechtvaardigs aan dat verhaal. De laatst ingehuurden krijgen hetzelfde als die zich de hele dag uit de naad hebben gewerkt. Er zijn mensen die zich met hart en ziel wijden aan hun taak, zich kwijten van hun verantwoordelijkheden, op wie je altijd een beroep kunt doen, met dienstbaarheid als levenshouding, en er zijn er die – in de ogen van die eerstgenoemden – er de kantjes vanaf lopen en niet komen of afhaken en tevreden zijn met een 5 ½ tot 6-. Daar win je geen oorlog mee. Maar in het evangelie worden ze wel aan het einde gelijkelijk beloond. Als je dat in ‘n vereniging of in ‘n bedrijf zo zou doen, dan weet je zeker dat de zaak binnen de kortste keren naar de knoppen gaat.

Jawel, er zit iets onrechtvaardigs in dit verhaal. Althans, als je het verhaal leest als begroting. Maar dit is geen sociaal plan of economie: dit is evangelie! ‘t Gaat hier niet om een rekensom of sociale zekerheid of verdeling van goederen of ‘n beloningsstructuur. Het gaat hier om pure genade. Dat wil zeggen: het gaat hier niet allereerst om wat wij moeten doen – o jawel, dat komt er dadelijk als vanzelf uitgerold! – maar het gaat hier allereerst om wat God doet, om hoe God is. En God telt niet, en God heeft weinig gevoel voor onze maat van rechtvaardigheid, God heeft niks met rangorden, maar God overtreft dat alles verre!

Het gaat hier louter om Gods goedheid, om Gods liefde. Zoals het daar trouwens ook al om ging in de evangelieverhalen die het onze vandaag voorafgaan: het werd eigenlijk al ingeleid toen Jezus zijn leerlingen tot de orde riep dat zij de kinderen niet bij Hem weg zouden houden. Economisch gezien heb je er inderdaad niks aan, het schuift niets, maar juist de kinderen staan voor de zwakken in de maatschappij die op bijzondere wijze Gods bescherming genieten en daarom zomaar mogen delen in zijn goedheid en liefde. Tussendoor kwam het evangelie van de rijke jongeling nog langs, waarin God goed genoemd werd, zowel door de man als door Jezus. En onmiddellijk voorafgaand aan vandaag beantwoordt Jezus Petrus’ vraag naar de uiteindelijke beloning dat God inderdaad goed is voor ieder die Hem naar best vermogen goedheid bewijst. Om al die vertellingen te kaderen en definitief af te kaarten volgt dan hier de gelijkenis van de werkers in de wijngaard, die aan duidelijkheid niets (meer) te wensen overlaat.

Die werkers van het elfde uur: voor hen heeft het leven eigenlijk geen zin meer. God weet waar ze hebben rondgehangen de hele dag en wat ze hebben uitgespookt, maar als ze niet gauw ergens aan de bak komen, dan heeft hun leven geen zin. Dat dagloon waar het om gaat, dat is waar een mens van leven moet. Zonder dat, zonder die gave, is er geen leven. God schenkt het leven aan die werkers van het eerste uur, maar God wil niet minder ook die te elfder ure nog leven schenken: ‘n zinvol leven, ’n bestendig leven, blijvend, het leven dat van God komt! ‘Te elfder ure’ betekent net op tijd, vlak voordat het doek van de duisternis valt. ‘Keer je tot God,’ zegt Jezus, ‘ga gauw naar zijn wijngaard, laat zien dat je een mens van God bent en ontvang daarom de gave van het leven!’

Het gaat over ons, over ons leven, dat we als geschenk uit Gods hand mogen ontvangen. En als je je daarvan bewust bent, dan sta je niet alleen heel anders in het leven, maar kijk je ook heel anders naar elkaar. Als mensen niet meer beoordeeld worden op wie ze zijn, maar enkel op hun nuttigheid of op wat ze schuiven of opleveren, daar is geen menselijkheid meer... Waar we het leven ervaren – ieders leven en elk leven – als geschenk uit Gods hand, daar wordt het leven zinvol en rijk aan betekenis, daar nemen we het voor elkaar op en beschermen we elkaar, daar dragen we elkaar, omdat we allemaal samen
en ieder voor zich van God zijn...

Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden,’ zo opent de eerste lezing deze zondag. Wij hebben het huis van de Heer gevonden op deze zondagmorgen! God denkt en ziet niet als wij mensen, Hij kijkt naar ons met louter liefde, barmhartig en vergevingsgezind. En wie zijn wij dan als de werkers in zijn wijngaard, dat wij zijn liefde niet naar best vermogen zouden beantwoorden met wederliefde, jegens Hem en elkaar? Al worden we misschien alle kanten opgetrokken zoals Paulus het schetst in de tweede lezing, we zijn geroepen een leven te leiden dat het evangelie waardig is. Dat wil vandaag zeggen: zo goed als God.

 

inleiding drs. Theo van Adrichem OFM
preekvoorbeeld drs. Ed Smeets