Preek 22e zondag door het jaar, A jaar, 30-8-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 11
  • Bestandsgrootte 210.95 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 16 juni 2026
  • Laatst geüpdatet 16 juni 2026

Preek 22e zondag door het jaar, A jaar, 30-8-2026

30 augustus 2026
Tweeëntwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jer. 20,7-9; Ps. 63; Rom. 12,1-2; Mat. 16,21-27 (A-jaar)

Inleiding

Jeremia 20,7-9
Het boek Jeremia is een van de weinige profetenboeken die veel laten zien van het inwendige leven van de profeet. De desbetreffende tekstpassages, te weten 1,18-23; 12,1-6; 15,10-21; 17,14-18; 18,18-23 en 20,7-18, worden in de exegetische literatuur de ‘confessiones van Jeremia’ genoemd. De eerste lezing 20,7-9 is een gedeelte uit de laatste confessio.

Het inwendige gesprek van Jeremia gaat steeds over de spanning tussen de door de Heer toegezegde hulp bij zijn aanstelling tot diens profeet en de concrete ervaringen van bedreiging bij de verkondiging van het Godswoord. In hoofdstuk 1 stelt de Heer Jeremia aan tot zijn profeet. Nog voor Jeremia in de moederschoot ontvangen is, heeft God hem al geheiligd (v. 5). Hij behoeft nergens bang voor te zijn, omdat de Heer met hem zal zijn om hem te redden (v. 8). Maar in de ervaringen van de verkondiging van de profetische boodschap ziet Jeremia zichzelf steeds weer geconfronteerd met doodsbedreigingen. En zo is dat ook het geval in hoofdstuk 20.

Jeremia’s woorden van gericht en terechtwijzing zijn de hoogste religieuze autoriteiten niet onopgemerkt gebleven. Een zekere Paschur, priester van de tempel te Jeruzalem, komt in actie. Hij laat de profeet grijpen, hem stokslagen toedienen en in het blok vastzetten in een kamertje boven de Benjaminpoort van de tempel. De dag erop laat hij Jeremia weer gaan. De hele actie was alleen maar bedoeld om te intimideren – er lag blijkbaar geen rechtsreden aan ten grondslag. Maar de intimidatie heeft niet het gewenst effect; Jeremia richt nu zijn strafgericht vanwege de Heer tot Paschur persoonlijk, mede door hem een nieuwe naam te geven: Ontzetting-overal.

Zonder markering gaat dit verhaal in de verzen 1-6 over in de confessio in de verzen 7-18. Jeremia spreekt tot de Heer en deelt met hem zijn innerlijke tweestrijd. Met name het eerste woord, in het Hebreeuws het werkwoord p-t-h, trekt de aandacht. De grondbetekenis is misleiden; maar dat ervaart menigeen als te sterk en zwakt het daarom af tot verleiden. Het openingswoord wil echter in al haar scherpte de spanning oproepen tussen de heilvolle aanstelling tot profeet en de onheilsvolle concretisering ervan. Maar de profeet blijft trouw aan zijn profetenambt. Hij blijft spreken namens God, ook als hij bij zichzelf denkt om ermee te stoppen en niet meer in de Naam van de Heer te spreken (v. 9). Deze trouw blijft zelfs als de bedreigingen van Ontzetting-overal in de verzen 10-18 gewoon doorgaan (in de Willibrordvertaling wordt Ontzetting-overal de scheldnaam waarmee de profeet sarcastisch door zijn omgeving genoemd wordt).

Romeinen 12,1-2
Hoewel de tweede lezing in de tijd door het jaar een semi-continue lezing van een bijbelboek vormt, sluit Romeinen 12,1-2 in die zin aan bij de profetentrouw dat het een oproep bevat om niet gelijkvormig te worden aan de wereld, maar omgevormd te zijn door de vernieuwing van gezindheid van trouw aan de wil van God (v. 2).

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 16,21-27
Hoofdstuk 16 is een scharniertekst in het Matteüsevangelie. Vanaf hoofdstuk 16 gaat Jezus namelijk op weg naar Jeruzalem. Deze keuze de weg naar Jeruzalem te gaan, hoort bij zijn identiteit. In gesprek met zijn leerlingen wordt deze zichtbaar. Deze identiteit bestaat uit twee componenten: enerzijds is Hij de Gezalfde, de Zoon van de levende God (de verzen 13-20), anderzijds is Hij de Lijdende die zijn leven om Gods wil verliest teneinde het te winnen (vv. 21-27).
Met Jezus’ identiteit wordt ook de identiteit van Petrus, als pars pro toto voor de leerlingen, zichtbaar. De beaming van de eerste component van Jezus’ identiteit maakt dat Simon bar Jona van Jezus de nieuwe naam ‘Petrus’ krijgt. Jezus belijden als de Gezalfde maakt je tot een rots, stevig om de geloofsgemeenschap op te bouwen (v. 17). Maar de ontkenning van de tweede component, van Jezus als de Lijdende, verschaft deze Petrus een andere naam: Satan (v. 23). Hij is als de verleider die Jezus ervan probeert te weerhouden de weg van lijden en dood te gaan, en daarmee ook de weg van opstanding. Hij is Jezus een aanstoot.
Jezus werkt het een en ander voor zijn leerlingen in vers 25 uit in twee net niet volledig chiastische uitdrukkingen:

wie zijn leven wil redden, zal het verliezen
wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij, zal het vinden

Jezus laat zelf zien wat deze twee uitdrukkingen betekenen. Wat zou een mens immers kunnen geven om het leven niet te verliezen, om de dood te ontlopen? Psalm 49 verwoordt het vol ironie door een rijke man en een dier met elkaar te vergelijken. Een dier bezit niets en gaat op een gegeven moment dood. Die rijke man bezit van alles, maar ook voor hem blijkt te gelden dat gewoon een keer het moment aanbreekt waarop ook hij doodgaat. Met al zijn rijkdom heeft hij niets om dat te vermijden.
Toch ziet de Bijbel dat de mens in al zijn sterfelijkheid iets te geven heeft aan God: trouw. De optie van Petrus, niet naar Jeruzalem te gaan, maar de andere kant op te lopen, is een valse optie. Misschien kan je er je leven voor enige tijd mee rekken, maar uiteindelijk niet definitief. Je kunt je op die manier wel inspannen om het leven te behouden, maar je kunt er het leven niet mee winnen. Jezus wijst de optie van Petrus daarom af als een optie van ontrouw.
Veel mensen willen de profetische boodschap niet horen en zullen de profeten bedreigen, zoals bij Jeremia. Soms kiest men dan voor de meest radicale manier om die boodschap niet meer te horen: ze doden, vermoorden de boodschapper. Jezus overziet deze consequenties en gaat ze niet uit de weg. Hij zal het leven erdoor verliezen.
Maar Jezus weet ook dat het niet zomaar het leven verliezen is. Het is het leven verliezen omwille van de trouw van Godswege. Daarom kondigt Jezus zijn leerlingen niet alleen aan dat Hij moet lijden en gedood zal worden, maar voorzegt Hij zijn leerlingen eveneens dat Hij op de derde dag zal opstaan uit de doden.
Jezus zal het leven verliezen, en wel verliezen omwille van zijn trouw aan God. En juist daarom kan Hij geloven en aankondigen dat die trouw niet verloren gaat, hoezeer Hij het leven er ook mee verliezen zal. God heeft het laatste antwoord op de tot het einde toe doorleefde trouw, en dat antwoord luidt: opstaan uit de doden. Jezus, die het leven verliest, zal het leven juist winnen. En juist in deze weg van kruis en opstanding is Jezus een uitnodiging naar al zijn leerlingen: ‘Wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij, zal het vinden.’

 

Preekvoorbeeld

Hoe reageren wij als iemand zijn hart bij ons uitstort? Een vrouw beklaagde zich eens: ‘Weet u wel dat ik al maanden niet meer in de supermarkt ben geweest…!’ Dat had alles te maken met haar ziekte.
Ze was aan een chemokuur begonnen. Sindsdien vermeed ze het om mensen tegen te komen. Haar boodschappen deed ze in een ander dorp. Ze wilde al die vragen vermijden over ‘hoe het met haar ging.’ Dan moest ze steeds dat verhaal vertellen, vol onzekerheden en teleurstellingen. Dan kwamen ongewild haar tranen.
Nog moeilijker vond ze het om mensen te ontmoeten die haar wilden troosten. Die hadden allemaal wel een tante of oudoom gehad met dezelfde kwaal. En ‘het zou allemaal wel goed komen…’
Ze werd gek van de goedbedoelde adviezen. Het ergste waren de mensen die haar wilden doorsturen. ‘Kind, je moet eens naar Aken gaan.’ Of naar Amsterdam, ‘want daar zat toch een professor…’ Een nichtje van de achterburen was in Amerika genezen. ‘Ik word er wild van! Waarom luisteren de mensen niet eens gewoon naar míjn verhaal, zonder aan te komen dragen met het leed van anderen?’

In de Talmoed staan wijze verhalen van rabbijnen uit de oudheid. Elie Wiesel vertelt er één van. De grote leraar Jochanan was ontroostbaar verdrietig. Zijn zoon was na een ziekbed overleden. Leerlingen kwamen hem condoleren. Rabbi Eliëzer troostte hem met de woorden: ‘Gedenk dat ook Adam een zoon verloren heeft!’ Jochanan greep met beide handen naar
zijn hoofd en riep klaaglijk: ‘Ach, is mijn lijden niet groot genoeg dat ik dat van Adam erbij krijg?’ Dan komt rabbi Jehosjoea binnen en zegt: ‘Bedenk dat Job al zijn zonen en dochters verloren heeft.’ Opnieuw begint Jochanan te schreien: ‘Ach, is mijn pijn niet groot genoeg dat je die van Job er nog bij legt?’ Rabbi Jose treedt naar voren: ‘De priester Aäron verloor twee zonen op één dag.’ ‘Ach’, jammert Jochanan, ‘is mijn verdriet niet diep genoeg dat je dat van Aäron er nog naast legt?’ Rabbi Sjimon komt troosten: ‘De grote koning David heeft een zoon verloren.’ ‘Vind je dan dat ik niet genoeg te dragen heb, dat je mij ook nog met de pijn van David confronteert?’ En Jochanan begint hartverscheurend te wenen. Hij ontving veel bezoekers — en iedereen maakte zijn lijden alleen maar groter.

Jezus vertelt over wat Hem te wachten staat, zijn grootste angst. De leerlingen willen daar niet aan. Ze beginnen het te ontkennen. ‘Dat mag niet gebeuren!’, roept Petrus. Zijn ontboezeming komt voort uit vriendschap. Toch reageert Jezus met: ‘Weg, satan!’
Satan is de naam van degene die op de proef stelt, die de oprechtheid van het hart test. Petrus helpt Jezus niet door de werkelijkheid te ontkennen. Jezus voelt hoe zijn leven bedreigd wordt. Hij moet het onder ogen zien en zoekt daarin steun.

De mevrouw van de chemokuur raapte alle moed bij elkaar: ‘Ik moet ook niet zeuren. Het is ook niet eenvoudig om mij tegen te komen tussen de havermout en de hagelslag. Als ze niets zeggen, is het ook niet goed.
Als ze zeggen: ‘Kop op, over een jaar lach je weer!’, voel ik me onbegrepen. Als ze ernstig kijken en zeggen: ‘Wat een ramp!’, dan word ik helemaal depressief. In een ander dorp kennen ze me niet.

Jezus wil door Petrus serieus genomen worden. Het deed Hem pijn toen deze in de hof van Olijven in slaap viel; toen hij bij Pilatus deed alsof hij Hem niet kende; toen zijn reactie op Jezus’ angst was: ‘Dat mag niet gebeuren.’ Misschien had Petrus niets moeten zeggen. Gewoon naast Hem staan. En meelopen, samen erdoorheen.
Als een dierbare medemens ons slecht nieuws vertelt, verwacht hij geen lichtzinnige reactie alsof er eigenlijk niets aan de hand is. Hij verwacht ook geen verdubbeling van zijn twijfel. Hij is beducht dat de labiele balans van hoop en vrees in zijn hart door ons ruw wordt
verstoord. Dat kan al door een blik, een opgetrokken wenkbrauw of een opmerking.
Menigeen gaat daarom anderen uit de weg. Of stuurt nieuwsbrieven rond om
de directe confrontatie te vermijden. Eigenlijk zijn zij op zoek naar goede luisteraars.

Jezus zoekt Petrus — niet om door hem in een andere richting geduwd te worden, maar als een reisgezel die met Hem de weg meeloopt die Hij moet gaan. Jezus zoekt geen uitweg om zijn eigen hachje te redden, maar iemand die zwijgend nabij is. Iemand die zijn verbijstering en zijn angst en hoop kan delen.

Wie zichzelf verliest, zal ervaren dat hij in Gods liefde geborgen is. Tot die overgave wil Hij ook zijn leerlingen bewegen.
 

inleiding prof. dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld Harrie Brouwers