- Versie
- Downloaden 9
- Bestandsgrootte 242.61 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 16 juni 2026
- Laatst geüpdatet 16 juni 2026
Preek 21e zondag door het jaar, A jaar, 23-8-2026
23 augustus 2026
Eenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 22,19-23; Ps. 138; Rom. 11,33-36; Mat. 16,13-20 (A-jaar)
Inleiding
De eerste lezing en het evangelie zijn thematisch verwant: allebei gaan ze over een man die de sleutelmacht toebedeeld krijgt, en daarmee de mogelijkheid iemand ergens toe te laten of de toegang te weigeren. Matteüs leeft zeven tot acht eeuwen later dan Jesaja en lijkt zich door diens tekst te hebben laten inspireren.
Het beeld van Petrus die met een sleutel aan de hemelpoort staat en oordeelt of iemand naar binnen mag, is onder andere gebaseerd op het evangelie van deze zondag. Overigens wordt het beeld van een geopende of gesloten deur ook elders gehanteerd, zoals verderop in het evangelie van Matteüs, waar de schriftgeleerden en Farizeeën verweten wordt dat zij het koninkrijk van de hemel gesloten houden voor de mensen (Mat. 23,13v, parallel hieraan in Luc. 11,52: ‘U hebt de sleutel van de kennis gestolen’; zie verder ook bijvoorbeeld Mat. 7,13v; Luc. 13,23-30; Joh. 10,1-16; Apok. 3,7).
Jesaja 22,19-23 – Macht, of niet?
Het verhaal over Sebna en Eljakim staat temidden van de nodige onheilsorakels over andere volkeren, zoals over de Assyriërs (Jes. 14,24-27; 17,12-14) en de Filistijnen (14,28-32). Maar ook Juda zelf wordt, met een Godsspraak van de Heer in de verzen die aan deze lezing voorafgaan, zwaar bekritiseerd (22,1-14). Ze feesten erop los, vertrouwen op de macht van hun wapentuig, eten en drinken dat het een aard heeft (‘laat ons eten en drinken, want morgen zijn we dood’, v. 13), maar zijn de Heer geheel uit het oog verloren (vv. 11b-12). Een volgend orakel treft de toekomst van Sebna. Hij heeft een functie als ‘hofmaarschalk’, waarschijnlijk vergelijkbaar met de functie die Jozef had als onderkoning aan het hof van Egypte: een machtig man die gaat over het paleis, bestuur, de goederen, het geld en de veiligheid. Kennelijk is zijn hoge positie Sebna naar het hoofd gestegen, want hij laat, met een hang naar Egyptische gewoonten, voor zichzelf alvast een praalgraf uithouwen, wat een teken had moeten worden van zijn bijna koninklijke waardigheid. Hoogmoed, want hij zal omkomen in de vlakte (v. 18).
Met de woorden van de Heer dat Hij Sebna uit zijn ambt zet en vervangt door Eljakim start de lezing. Het lijkt een hoopvol teken voor het volk van Juda, dat aan alle kanten bedreigd wordt. Immers, het is de Heer zelf die deze verandering bewerkstelligt. Eljakim wordt een knecht, dienaar (ebed) genoemd en letterlijk, met een gewaad en gordel, met de waardigheid van hofmaarschalk bekleed. De ‘sleutel van het huis van David’ die op zijn schouder wordt gelegd drukt zijn macht uit, en dat hij als een vader voor Jeruzalem en Juda zal zijn biedt een veilig perspectief (vv. 20-21). Door de Heer zelf wordt hij verankerd met een stevige pin in de muur. Zijn macht lijkt onwrikbaar en oneindig. Maar schijn bedriegt, zoals zal blijken uit de verzen die na deze gebeurtenis van de lezing zijn ‘afgeknipt’ (vv. 24-25). De pin raakt los, en alles wat eraan opgehangen was valt eraf…
Romeinen 11,33-36
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 16,13-20 – Wie ben Ik, volgens jullie?
De evangelielezing waarin Petrus de sleutel van het koninkrijk van de hemelen krijgt, alleen bij Matteüs op deze manier verteld, is vol van namen en titels. De leerlingen zijn net tot het inzicht gekomen, na een waarschuwing van Jezus, dat zij moeten oppassen voor wat de Farizeeën en Sadduceeën leren. Die hadden Jezus op de proef gesteld door om een teken uit de hemel te vragen (Mat 16,1-12). Jezus antwoordt daarop dat zij geen ander teken zullen krijgen dan dat van Jona, waar Hij eerder al over uitlegde dat, zoals Jona drie dagen en nachten in de walvis zat, de Mensenzoon drie dagen en nachten zal verblijven in de aarde (12,38-41).
Het lijkt erop dat Jezus dit nieuwe inzicht over de leer van de Farizeeën en Sadduceeën van de leerlingen wil testen. Hij stelt twee vragen: ‘Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?’ en ‘En jullie, wie ben Ik volgens jullie?’. Vergelijken we deze vragen met de parallelteksten bij Marcus en Lucas dan zien we dat Matteüs de enige is die in deze passage de term ‘Mensenzoon’ gebruikt (vgl. Mar. 8,28-29; Luc. 9,18-21). ‘Mensenzoon’ is een titel die door Matteüs met name gebruikt wordt voor de rechter die uiteindelijk oordeelt (zie bijvoorbeeld Mat.13,41 en zeker 25,31-46).
Op de eerste vraag antwoorden de leerlingen met ‘Johannes de Doper’ en ‘Elia’, en ook andere, niet met name genoemde profeten, waarbij ze bij Matteüs als enige ook Jeremia noemen.
De tweede vraag vertoont kleine, subtiele veranderingen ten opzichte van vraag één. Allereerst wordt hij veel directer gesteld, aan de leerlingen zelf: ‘jullie.’ Ten tweede gaat het niet meer over de ‘Mensenzoon’, maar plaatst Jezus zichzelf centraal: ‘Wie ben Ik?’ Simon Petrus antwoordt: ’U bent de Messias, de Zoon van de levende God.’ Petrus geeft Jezus hier de titel die de evangelist Hem in de geslachtslijst in het begin van het evangelie geeft: ‘Messias’ (1,16; in beide gevallen heeft de Griekse tekst ‘Christus’). Hij voegt nog toe: ‘Zoon van de levende God’, wat in dit evangelie alleen nog uit de mond van de hogepriester zal klinken bij het verhoor van Jezus (26,63).
Vervolgens noemt Jezus op zijn beurt Petrus ‘Simon Barjona’, dat ‘zoon van Jona’ betekent en we, gezien het eerdergenoemde ‘teken van Jona’, kunnen verstaan als veronderstelling dat Petrus aan het teken van Jona genoeg heeft (16,4).
Als een rots zo sterk?
De naam ‘Petrus’ reserveert Jezus voor het vervolg. De naam betekent in het Grieks ‘steenrots’ en Jezus gebruikt die naam om er het fundament van zijn ‘ekklesia, kerk’ mee aan te duiden. Hier gaat het om de gemeenschap, de beweging van leerlingen die Jezus in gang heeft gezet, niet om concrete instituten en gebouwen. Van deze gemeenschap krijgt Petrus symbolisch te sleutel, en de macht te binden en de ontbinden. Met (ont)binden moeten we denken aan het onderzoeken en wegen van gebruiken en voorschriften, gelegd langs de (joodse) wetten, de halacha. Het dodenrijk, de dood, zal die gemeenschap er niet onder krijgen.
Het geheel is als het ware een onderonsje tussen Jezus en zijn leerlingen, want Jezus verbiedt zijn leerlingen bekend te maken dat Hij de Messias (Christus) is (v. 20).
Met het beeld van Eljakim in het achterhoofd is een blik op de volgende verzen niet verkeerd. Net als bij Eljakim de pin uiteindelijk bezweek door alles wat eraan opgehangen werd, geldt ook voor Petrus dat zijn macht kwetsbaar is. Onmiddellijk volgend op deze lezing zien we een andere kant van Petrus. Zo sterk als zijn door de Vader ingegeven belijdenis ‘U bent de Messias’ is, zo pijnlijk is ook zijn door satan ingegeven raad aan Jezus om niet zijn dood in Jeruzalem tegemoet te gaan. Jezus laat hem en de leerlingen zien dat Hem volgen niet eenvoudig is, maar dat uiteindelijk de Mensenzoon als Koning zal komen (vv. 21-28).
Preekvoorbeeld
Een tijdje geleden heb ik een man ontmoet die heel beslist geen enkel vertrouwen had in: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’ Hij blijft me bezighouden. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo cynisch in het leven stond als hij. Hij zal er zijn redenen voor gehad hebben. Zo word je niet geboren, zo word je gemaakt.
‘Er wordt toch misbruik van je gemaakt. Je wordt genaaid. Ze nemen een loopje met je. Ze trekken profijt van je en even later lopen ze met de neus omhoog en kennen je niet meer.’
Deze man gelooft dat je altijd bedrogen uitkomt, dat ze misbruik maken van je goedheid: ‘Al te goed is buurmans gek,’ dat niemand te vertrouwen is, dat als het erop aankomt je er altijd alleen voor staat.
Dat is een geloof, een vast verankerd geloof, een geloof waarmee je leven en sterven kunt: het geloof in de onbetrouwbaarheid van de mens. En als je daarnaar leeft, geef je ook weer anderen alle reden om te geloven in de onbetrouwbaarheid van de mens. Homo homini lupus, de mens is voor de mens een wolf. We zien het elke dag: Iran, Gaza, Oekraïne, Soedan, het is lang geleden dat de wereld zo oorlogszuchtig was.
In de eeuwen van voorheen hoopte men naar de sleutel die op alle sloten past. Ridders, alchemisten, schone jonkvrouwen waren ernaar op zoek. Stel je voor: de sleutel die op alle sloten past, hoe zou hij eruit zien, waar is hij te vinden?
Wel, dít is de sleutel die op alle sloten past: het geloof in de onbetrouwbaarheid van de mens. Als je eenmaal besloten hebt zo naar het leven te zullen kijken, dan zul je het altijd zien: je roept het op, je trekt het aan.
Als je eenmaal besloten hebt dat dit je bril is, zal het ook altijd zo zijn. Als je met dit geloof leeft: dat je bedrogen uitkomt, zal dat de sleutel zijn die op alle sloten past, het wordt in elke situatie bewaarheid: je medemens is niet te vertrouwen. Hij dóet wel aardig, maar hij draait je een rad voor ogen. Het líjkt allemaal wel leuk, maar pas op, ze doen het puur uit berekening en eigenbelang.
Zo kun je kijken: cynisch en bitter.
Nu staat in het evangelie geschreven dat aan Petrus de sleutels van het koninkrijk zijn gegeven, het koninkrijk van de hemel, de sleutels van het geloof, het geloof dat hij zojuist beleden heeft: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God.’
Met deze belijdenis, en wat dat betekent (daar moet je in groeien), heeft Petrus de toegang tot het koninkrijk van de hemel in handen gekregen.
Wat verwacht je nu van die sleutelbos van Petrus? Men spreekt zelfs van de sleutelmácht: die sleutels symboliseren de kerk als máchtsinstituut. Lees Het Berninimysterie, met zijn sleutels tot geheime archieven en geheime gangen.
Maar Petrus, hij loopt wel te rammelen met zijn zojuist gekregen sleutels, maar die sleutels passen nergens op. En Petrus weet het. Die sleutels zijn het onderpand van het Rijk dat komt. Die sleutels beloven hem dat hij daar binnen mag, toegang heeft. Hij heeft de sleutels wel, maar dat Rijk is er nog niet: de hemel wel, en de aarde ook, maar geen nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.
Uw Koninkrijk kome, het is niet voorhanden, het is er pas als je erom bidt en zingt, en hoopt en huilt, ja, soms door je tranen heen zie je het.
Net zoals: uw wil geschiede, daar bid je om, omdat klaarblijkelijk de wil van God zich niet verwerkelijkt. Thy will be done, het wordt tijd dat Gods wil geëerbiedigd wordt.
En zo zijn die sleutels het onderpand van de belofte van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, ondertussen loop je ermee rond en ze passen niet.
Je levenshouding – hoe jij in het leven staat – is dus niet: handig met een loper – ongenood – overal naar binnen stappen met je evangelie en je pretenties, maar wachten, bescheiden en geduldig aankloppen aan de deur van het hart van je naaste. Zoals ook Christus zelf zegt: ‘Ik sta aan de deur en Ik klop aan tot iemand Mij hoort en Mij binnenlaat.’
En tegelijkertijd is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde en Hij zal al je tranen afwissen en Hij heeft de dood overwonnen, dat weet je en dat geloof je en daar doe je een beroep op. Maar niet jíj hebt alle macht en ondertussen heb je tranen genoeg.
En zo loop je rond met die raadselachtige sleutels die vooralsnog nergens op passen. Omdat het gelóóf niet past, niet inpasbaar is, het klopt niet. En God zelf laat zich niet bijzetten in ons wereldbeeld en dus zijn het geloof, de hoop en de liefde hoogst onpraktisch in deze wereld, niet vanzelfsprekend.
‘Wat zoek jij nou in de kerk?’ Daar sta je een beetje verlegen mee. Een hart vol geloof en hoop en liefde, en je staat ermee te schutteren.
Diezelfde Petrus met de belijdenis nog op zijn lippen is even later het spoor volkomen bijster, het voetspoor van Jezus, het spoor van de navolging, je eigen kruis op je nemen in zelfverloochening en zelfvergetelheid, de lange weg gaan naar Gods Koninkrijk.
Hij wijst Jezus op het korte weggetje binnendoor: zonder lijden, zonder dat ellendige kruis, pijnloos, alsof dat zou kunnen, succesvol vooral, zoals mensen in de reclamespotjes dat altijd zijn, het geloof als irrealis, luchtfietserij naar een luchtkasteel.
Jezus vaart tegen hem uit: Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen. En: ‘Ga terug, achter Mij!’ Je moet het léren: Christus niet voor de voeten te lopen maar Hem ná te volgen.
Er valt dus echt wat te kiezen. Je krijgt een sleutel in handen die op alle sloten past: de sleutel van het wantrouwen, een beproefd antwoord: zo zit het leven in elkaar. Je laat je niet raken, onaantastbaar ben je.
En je krijgt een sleutelbos in handen die nergens op past, toegang tot een Rijk waarvan je moet bidden dat het komt. Een sleutelbos waarmee je geen voet tussen de deur krijgt. De sleutel dat een mens zorg heeft te dragen voor een ander. De bos met zoiets onhandigs als een geloof dat het goed komt, misschien niet met jou, maar wel met de ander.
En kleine sleuteltjes waarvan je ook niet weet waar ze voor zijn. Het sleuteltje: wie goed doet, goed ontmoet. Het sleuteltje: wie vertrouwen geeft, wekt vertrouwen. Het sleuteltje van je kwetsbaarheid.
Nu lijkt het alsof je dat geloof hébt of je hebt het níet, je bent gelovig of ongelovig, maar zo eenvoudig ligt dat niet. Die grandioze Petrus met zijn rotsvaste belijdenis is dus even later weer het toonbeeld van iemand die er helemaal niets van begrepen heeft. Het loopt dwars door elkaar heen.
Het wordt te gemakkelijk gezegd: je bent een gelovige of je zou iemand zijn die niet gelooft. Alsof daartussen in je niet kunt zóeken en een béétje geloven of sóms. Nee, je kunt ook niet een beetje zwanger zijn, zo zegt men, het is het een of het ander, ja of nee, aan of uit, welles, nietes.
Maar dat is veel te plat gedacht. Want je kunt op oneindig veel wijzen zwanger zijn: zwanger terwijl je het niet weet; zwanger terwijl je het niet wil; zwanger van een tweeling; zwanger, nooit verwacht, toch gekregen; zwanger, voor de zoveelste keer; zwanger van een ander.
Zo kun je ook met oneindig veel wijzen geloven met geloof en ongeloof die misschien hand in hand gaan. En ondertussen: die gelovige kant, dat ben niet jij, dat is Christus die het geloof in je wekt.
Want dat verblijdt mij telkens weer. Een verbeten ongelovige spreekt Hij aan als: ‘Jij, kleingelovige.’ En van een kleingelovige roept Hij uit: ‘Groot is uw geloof!’ Hij weet altijd geloof in je te vinden, geloof dat je van jezelf nog niet wist. En Hij roept kracht in je vrij, die je van jezelf nog niet kende. En Hij wijst je een kwetsbaarheid, waarvan je zelf nog niet wist dat je die durfde voelen.
En ondertussen loop je rond met die sleutelbos, waarvan tot je vreugde soms toch een sleutel blijkt te passen op het hart van een mens, totdat hij komt, aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.
inleiding dr. Joke Brinkhof
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,