- Versie
- Downloaden 9
- Bestandsgrootte 157.25 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 16 juni 2026
- Laatst geüpdatet 16 juni 2026
Preek 20e zondag door het jaar, A jaar, 16-8-2026
16 augustus 2026
Twintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 56,1.6-7; Ps. 67; Rom. 11,13-15.29-32; Mat. 15,21-28 (A-jaar)
Inleiding
Jesaja 56,1.6-7
De eerste lezing vormt de inleiding op het derde en tevens laatste deel van het boek Jesaja (56–66), ook Trito-Jesaja genoemd. Daarin staat de situatie na de ballingschap centraal. Van de teruggekeerde ballingen wordt verwacht dat ze een leven leiden dat in overeenstemming is met wat God van hen verwacht. Dat wordt al meteen in het eerste vers duidelijk gesteld: ‘Handel rechtvaardig, handhaaf het recht.’ Aansluitend bij teksten uit de vorige hoofdstukken (46,13; 51,6-8), wordt de lezer er in vers 1b vervolgens aan herinnert dat Gods redding nabij is en JHWH zijn gerechtigheid zal openbaren. In de Hebreeuwse tekst wordt voor ‘recht’ in vers 1a en ‘gerechtigheid’ in vers 1b dezelfde term (tsedaka) gebruikt. Het recht waartoe het volk wordt opgeroepen dient te sporen met Gods eigen gerechtigheid. De mens die zo handelt wordt in vers 2 zalig geprezen.
In de daaropvolgende verzen (3-8) staan twee groepen buitenstaanders centraal: de vreemdelingen en de eunuchen. Beide groepen waren om diverse redenen uitgesloten van de eredienst. De verzen 6 en 7 van deze eerste lezing gaan over de vreemdelingen, die niet tot Israël behoren. In vers 6 wordt gespecifieerd om welke vreemdelingen het gaat: zij die dienaar van JHWH willen zijn en daartoe de sabbat onderhouden en de Tora. Het gaat hier dus niet om de heidenen als groep, maar om individuen uit die groep. Zij zijn ook welkom in de tempel op Gods heilige berg (zie ook 1 Kon. 8,41vv) om er te bidden en te offeren. Daarom kan de tempel ‘Huis van gebed voor alle volken’ worden genoemd (Jes. 56,7).
Romeinen 11,13-15.29-32
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 15,21-28
In de evangelielezing gaat het eveneens om een vreemdeling en de relatie met het volk van Israël. Jezus komt haar tegen in ‘het gebied van Tyrus en Sidon’ (Mat. 15,21), twee steden die gelegen zijn aan de Fenicische kust ten noorden van Galilea. Deze steden werden al eerder in hoofdstuk 11 door Jezus genoemd in een verwijt aan zijn toehoorders: ‘als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn. Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dat dat van jullie’ (11,21b-22). Dat is een straffe uitspraak, want deze twee steden behoren tot de aartsvijanden van Israël die het land hebben geplunderd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit Joël 3,4vv.
De vrouw is afkomstig uit de streek, die door de inwoners zelf Kanaän wordt genoemd. De Kanaänieten hebben in het Oude Testament een slechte reputatie. Ze behoren tot de volkeren waar Israël geen banden mee mag hebben (zie bv. Gen. 24,3; Deut. 7,1-5), maar de omschrijving maakt hier vooral duidelijk dat de betreffende vrouw niet Joods is. Daarom is wat ze Jezus toeroept des te opmerkelijker: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon’ (v. 22). Deze woorden zijn opvallend, niet zozeer omdat ze Hem om hulp roept, maar omdat ze Hem ‘Zoon van David’ noemt. Op die manier werd Jezus eerder ook al toegeroepen door twee blinden in Matteüs 9,27: ‘Heb medelijden met ons, Zoon van David!’ (zie ook 20,30), en bij zijn intrede in Jeruzalem wordt Jezus door de menigte eveneens verwelkomd als Zoon van David: ‘Hosanna voor de Zoon van David. Gezegend hij die komt in de naam van de Heer’ (21,6). Maar in al deze gevallen ging het telkens om volksgenoten en deze vrouw is dat duidelijk niet.
Jezus reageert niet, maar de vrouw blijft roepen. Uiteindelijk komen zijn leerlingen tussen beide en dringen er bij Hem op aan om haar weg te sturen omdat ze zich ergeren aan haar geroep (v. 23). Hun reactie heeft dus niets te maken met haar identiteit of de inhoud van wat ze zegt, maar nu reageert Jezus wel. Hij doet een uitspraak die op het eerste gezicht ook niets te maken heeft met wat de vrouw of zijn leerlingen gezegd hebben. Het is ook niet meteen duidelijk tot wie zijn antwoord is gericht: tot de vrouw, de leerlingen, of allebei. ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël’ (v. 24). Hij verklaart op die manier dat zijn missie is afgebakend tot Israël en daarbinnen meer specifiek tot ‘de verloren schapen’ en het moge duidelijk zijn dat deze vrouw daar niet toe behoort. Met ‘verloren schapen’ verwijst Jezus hier immers naar zijn geloofsgenoten die van het rechte pad zijn afgedwaald. Deze voorstelling van zaken uit de landelijke sfeer van herders en schapen vinden we ook terug in het Oude Testament (zie Jes. 53,6; Jer. 50,6v; Mi. 2,12). Zijn antwoord is dus een indirecte afwijzing van haar vraag om hulp. Ze is misschien wel een verloren schaap, maar niet van Israël. Jezus legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij God, die Hem deze opdracht heeft gegeven.
De vrouw herhaalt echter haar bede: ‘Heer, help mij!’ (v. 25), terwijl ze zich voor Hem neerwerpt (NBV), knielt (WV), een houding die haar bede kracht bijzet en aangeeft dat ze Jezus’ gezag erkent. Nu richt Jezus zich wel tot haar. Hij gebruikt daarbij een ander beeld, deze keer uit de huiselijke sfeer: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren’ (v. 26). Zoals in het vorige beeld verwijst Jezus opnieuw naar dieren, maar in tegenstelling tot het vorige beeld, komen in deze voorstelling twee groepen voor: de kinderen en de hondjes (in het Grieks staat hier een verkleinwoord). In dit geval verwijzen de ‘kinderen’ naar het volk van Israël en de ‘hondjes’ naar de heidenen. Jezus zegt dus met zoveel woorden dat het niet goed is om wat door God voor Israël bedoeld is, aan de heidenen te geven. Hij herhaalt dus eigenlijk wat Hij al eerder suggereerde, maar doet dat nu meer expliciet.
De vrouw geeft echter niet op. Ze gaat op zijn antwoord in. Ze spreekt Hem niet tegen, maar bevestigt allereerst wat Hij zegt: ‘Zeker, Heer’ (v. 27). Daar blijft het evenwel niet bij. Ze maakt vervolgens gebruik van het beeld van de hondjes om haar visie te verwoorden: hondjes eten de kruimels die van de tafel van hun bazen vallen. Ze erkent dus enerzijds de hiërarchie tussen kinderen en hondjes, maar bepleit dat er ook voor de hondjes iets te rapen valt. Jezus is onder de indruk van haar repliek en antwoordt (letterlijk vertaald): ‘O vrouw, groot is uw vertrouwen/geloof’ en voegt daaraan toe: ‘Wat u verlangt, zal ook gebeuren’ (v. 28). Dat wordt vervolgens bevestigd: ‘En vanaf dat moment was haar dochter genezen.’
Dit verhaal resoneert met andere verhalen in de Bijbel waarin een vreemdeling wordt verhoord. Zo is er het verhaal over de profeet Elia, die zijn intrek neemt bij een weduwe in Sarefat, wat in de buurt van Sidon ligt, en haar zoon opnieuw tot leven wekt (1 Kon. 17, 8-24). Ook hier wordt het kind van een vrouw uit die streek gered door een profeet en eerder in het evangelie van Matteüs, staat het verhaal over de genezing van de slaaf van de centurio, die eveneens door Jezus geprezen wordt: ‘Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden’ (8,10), en dat terwijl Hij elders in het evangelie zijn eigen leerlingen verwijt ‘kleingelovigen’ te zijn (6,30; 8,26, 14,31; 16,8).
De Romeinse centurio en de Kanaänitische vrouw zijn dus door hun onvoorwaardelijk geloof in Jezus voorbeeldige leerlingen. Zij maken de weg vrij voor de zending onder de heidenen door de verheerlijkte Jezus waarmee het Matteüsevangelie afsluit: ‘Maak alle volken tot mijn leerlingen’ (28,19). De eerste lezing uit Jesaja en de lezing uit het evangelie volgens Matteüs zijn dan ook goed nieuws voor hen die niet tot het volk van Israël behoren.
Literatuur
H. Basser en M.B. Cohen, The Gospel of Matthew and Judaic Traditions: A Relevance-based Commentary Account (Leiden: Brill, 2015).
E. Wainwright, Women Healing/Healing Women: The Genderization of Healing in Early Christianity (London: Routledge, 2014).
Preekvoorbeeld
Ieder kind ervaart dat het niet fijn is om buitengesloten te worden en toch doen we het allemaal. Onderscheid is nodig: Wie is betrouwbaar en wie niet? Bij wie zijn we veilig en bij wie niet? We hopen dat onze jeugd ‘niet in het criminele circuit’ terechtkomt, maar denken daarbij meer aan mensen met donker haar en donkere ogen dan aan blauwe pakken, witte overhemden en fraaie stropdassen.
Maken wij wel het goede onderscheid? Oordelen we niet te snel op uiterlijke kenmerken en zijn we bereid ons vooroordeel te herzien?
Het schaamrood trok onze dorpsbewoners in het gezicht, toen op het schoolfeest een vossenjacht was georganiseerd. Juf, als zwerver verkleed, lag op een bankje in het park. Toen kwam er verstoring: een bewoner van het AZC zag haar liggen, kwam naar haar toe en bezwoer haar in gebroken Nederlands dat het veel te koud was en dat hij wel een warme plek wist waar ook eten voor haar was (het AZC). Degene, waar iedereen omheen liep, toonde zich de meelevende, de zorgzame. Een bijzondere wending op het feest.
Ook in Israël heerste er een sterk besef van onderscheid. Teruggekeerd uit de ballingschap probeerde men als zuiver rechtvaardig godsvolk te leven – wars van heidense invloeden, dus wars van vreemdelingen. Dan klinkt het woord van de profeet: Allereerst de oproep aan Israël om zelf recht en rechtvaardigheid hoog te houden. Dan de belofte – en dat is revolutionair, dat had de vreemdeling niet verwacht en het vrome godsvolk al helemaal niet – dat ook de vreemdeling die zich aan Gods geboden houdt, zich thuis mag weten in het huis van God, ‘een huis van gebed voor alle volken’.
Dus niet ‘een zoete inval’, niet iedereen kan gedachteloos binnenstormen. Het is een huis van gebed voor allen, allereerst uit Israël waar ze vanouds Gods geboden gehoord hebben en eruit leven, maar ook voor allen die er niet mee zijn grootgebracht, maar er wel van gehoord hebben en er wél uit willen leven.
Waar heeft de Kanaänitische vrouw wat gehoord? Hoe komt zij tot haar roep ‘Zoon van David’?
Eigenlijk vind ik het evangeliegedeelte van vandaag een schokkend verhaal. Jezus, die een mens ‘als een hond’ afwijst, enkel omdat ze vreemdelinge is. Kanaänitische, vrouw uit een vanouds vijandig volk, maar Hij is er zelf naartoe gegaan!
Het schokt mijn beeld van Jezus. Niet de liefhebbende, bij wie iedereen welkom is, maar een Joodse rabbi allereerst gericht op het eigen volk en op wie daarin de weg kwijt is.
De held van dit verhaal is de vrouw! Zij erkent Jezus’ roeping, dat Hij allereerst gezonden is tot Israël, maar vasthoudend verruimt ze zijn blik. ‘De hondjes mogen eten van de kruimels die van tafel vallen’.
Wat een groot geloof: Door de weerstand heen, pleiten bij Hem, die zich door God gezonden weet. Doorzetten!
Wat een grote liefde voor haar dochter: Op je knieën vallen, de vernederende afwijzing ‘hondje’ dragen en volhouden, omdat je hier redding verwacht. Ook voor vreemdelingen!
Onderscheid maken doen we allemaal. Ook Jezus. Maar, met een beroep op zijn messiaanse roeping ‘Zoon van David’, wordt Hij uit zijn aanvankelijk oordeel gerukt. Jezus ‘bekeert zich’, komt tot beter inzicht, dat zijn roeping ook deze vreemdelinge geldt. Zij die Hem, met haar grote geloof een ruimere roeping onderricht.
Als Jezus al tot beter inzicht kan komen, hoeveel te meer wij.
Onderscheid is nodig, verschil tussen goed en kwaad, rechtvaardig en onrechtvaardig, zuiver en vals. Dankzij de inzet van de Kanaänitische vrouw, weten we, dat voor alle volken geldt: Zij die de rechtvaardigheid zoeken mogen bij God horen, worden gered.
Maar er is nog een aspect. Ooit liet ik in een bijbelgespreksgroep dit verhaal uitspelen. Iedereen kreeg een rol: schriftgeleerden, discipelen, de vrouw, de dochter. En de opdracht was: ‘Als Jezus nú binnen zou komen, wat zou je Hem dan willen vragen?
Menigeen vroeg Jezus uitleg van zijn gedrag, tot de vrouw aan de beurt was, die de rol van dochter toebedeeld had gekregen. Zij zei: ík zou Jezus willen vragen: ‘Ben ik het waard geweest?’ Enigszins verward vroeg ik als gespreksleider: ‘Hoe bedoel je dat?’ ‘Nou’, zei ze ‘ben ik het met mijn leven waard geweest dat Jezus zó in het nauw gedreven werd en zich moest omkeren. En dat mijn moeder zich zó vernederde om mij te redden?’
‘Ben ik het waard geweest?’. De vrouw die dit verwoordde kwam, zo realiseerde ik me, uit een buitenstaanders gezin. Het christelijke dorp keek wat op haar neer. Kon zij daardoor dit aspect zo aanvoelen? Een groot vertrouwen, een groot geloof, waardoor je wordt gered is niet vrijblijvend. Jezus’ reddend werk, dat alle volken gaat omspannen, is niet een zoete inval.
Ja, Jezus wordt door het aandringende geloof van de moeder bekeerd tot ruimer inzicht in zijn roeping. Als Jezus die omkeer al nodig heeft, hoeveel te meer moeten wij scherp zijn op ons beperkte onderscheidingsvermogen en bidden om inzicht in wat er werkelijk toe doet.
Ja, de dochter wordt genezen. Hoeveel te meer dienen wij te beseffen dat redding niet vrijblijvend is. ‘Ben ik het waard geweest?’
In dit verhaal hebben vrouwen voor veel inzicht gezorgd.
inleiding prof. dr. Caroline Vander Stichele
preekvoorbeeld ds. Rinske Nijendijk-Cnossen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,