Openbaring des Heren, jaar B, 7-1-2024

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 47
  • Bestandsgrootte 181.32 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 4 december 2023
  • Laatst geüpdatet 4 december 2023

Openbaring des Heren, jaar B, 7-1-2024

7 januari 2024
Openbaring des Heren

Lezingen: Jes. 60,1-6; Ps. 72; Ef. 3,2-3a.5-6; Mat. 2,1-12 (B-jaar)

 Inleiding
 Met het feest van de Openbaring van de Heer of Epifanie wordt de bekendmaking van Christus aan de wereld gevierd. De magiërs, die volgens het verhaal in het evangelie van Matteüs de pas geboren Jezus in Betlehem bezoeken, staan voor alle niet-Joden die opgenomen zijn in de christelijke beweging. Dat Jezus Messias na zijn dood en verrijzenis ook voor niet-Joden betekenis heeft gekregen en dat dat door de jonge Kerk geaccepteerd is, was misschien wel de grootste revolutie in de eerste decennia van het christendom. Het geloof in Jezus Christus geldt niet alleen voor de joden, maar voor iedereen.

Het is niet vreemd dat joden en christenen ook in oudtestamentische teksten die openheid naar de niet-Joodse wereld gingen terugvinden. De lezing uit Jesaja van vandaag is daarvan een prominent voorbeeld.

Jesaja 60,1-6
Een mooie tegenstelling: het begin van hoofdstuk 60 vergeleken met het begin van hoofdstuk 47. ‘Sta op en schitter’, wordt gezegd tegen Jeruzalem, waar in hoofdstuk 47 tegen Babel staat: ‘Kom van je troon af en zet je neer in het stof’. Het onbetekenende Jeruzalem heeft voor God een radicaal andere betekenis dan de hoofdsteden van de grote rijken, zoals Babel. Dat wordt bevestigd in het beeld dat de verzen 1 tot 3 omvat: Jij, Jeruzalem, komt in het licht te staan, terwijl de naties, de rest van de wereld door duisternis bedekt worden. Iedereen gaat als vanzelf kijken naar die ene plek die verlicht is: Jeruzalem. Overigens valt de naam ‘Jeruzalem’ nergens in dit hoofdstuk, maar er is geen twijfel mogelijk over wie de vrouw is tot wie dit visioen gericht is: de ‘Stad van de ene’, ‘Sion, van de heilige van Israël’ (v.14).

De naties komen toestromen, op weg naar dit licht, dat niet zomaar licht is, maar de glorie van God. Het woord kabod wordt in vers 1 gebruikt en betekent niet alleen glorie, maar ook gewicht. Het gaat hier dus, zou je kunnen zeggen, over het soortelijk gewicht van God, over zijn energie. Het licht waardoor iedereen aangetrokken wordt, is met energie geladen.

In het boek Jesaja wordt vaak gesproken over de naties die toestromen naar Sion (vgl. 2,2v; 11,12vv; 25,6vv; 66,19vv). Het heeft dan steeds betrekking op het Jeruzalem van na de ballingschap. De beelden van aangetrokken worden van verre zijn in die context verrassend, want Jeruzalem was toen een onaanzienlijke stad in een onbetekenende, afgelegen provincie van het grote Perzische rijk. Er was weinig aantrekkelijks aan. Maar de profeet ziet wat de meeste mensen niet zagen, en hij spreekt namens God. In Jeruzalem valt iets op te bouwen: een nieuw samenleven van het volk Israël met zijn God, bevrijd van z’n onderdrukkers. Het kan een samenleving worden waar plaats is voor iedereen, waar de hele diaspora welkom is, waar godsvrucht en gerechtigheid heersen als twee kanten van dezelfde medaille.

De naties die toestromen zijn de Joden die her en der in de diaspora, ‘onder alle naties’, wonen, maar nu inzien dat het beter toeven is in Jeruzalem. Dat was het visioen van de profeet. In werkelijkheid woonde vanaf de val van Samaria in 722 en daarna die van Jeruzalem in 586 v Chr. een toenemend aantal Joden in de diaspora, bij elkaar opgeteld veel meer dan in Palestina zelf. Maar de overtuiging dat alleen in het eigen land, in de nabijheid van de Tempel in Jeruzalem het joodse geloof ten volle beleefd kon worden, leefde sterk. Het boek Jesaja drukt die overtuiging uit.

In de jonge christelijke gemeenschappen kregen de teksten in Jesaja over het toestromen van de naties naar Jeruzalem een bredere betekenis. Niet-Joden traden immers ook toe tot het christelijk geloof, en wel in snel toenemende mate. De woorden van de profeet werden nu gelezen als een aankondiging daarvan, en deze ruimere interpretatie is onder christenen altijd gemeengoed gebleven.

Efeziërs 3,2-3a.5-6
Een belangrijk thema in de eerste helft van de brief aan de Efeziërs is de intrede van de heidenen in het verbond van God met Israël. De Jood Jezus leefde en werkte onder zijn eigen volk, eerst alleen in Galilea, daarna ook in Judea en Jeruzalem. De hem kenmerkende volstrekte openheid in houding en handelen inspireerde na zijn dood en verrijzenis de leerlingen om zich open te stellen voor heidenen die door de levende Heer geraakt werden. De christelijke beweging stelde zich open voor gelovigen van niet-Joodse afkomst. In de loop van de eerste eeuw werd het niet-Joodse deel van de christenen steeds groter. Dit ging niet zonder spanningen. Aanvankelijk werden de heiden-christenen door hun joodse broeders en zusters als tweederangs beschouwd. De apostel Paulus was de grote voorvechter van een gelijke positie voor alle christenen.

In de brief aan de Efeziërs, geschreven vermoedelijk aan het eind van de eerste eeuw door een leerling van Paulus, wordt het thema van de opname van de heidenen in het volk Gods geplaatst binnen het hoofdthema: het mysterie van het eeuwige raadsbesluit van God omtrent de verlossing van de mens in Christus. Bij die verlossing zijn ook de heidenen betrokken geraakt, en wel ten volle. Dat wordt in deze verzen ondubbelzinnig bevestigd. Vermoedelijk gebeurt dit zo expliciet, omdat hierover nog altijd sprake was van discussie. Onder andere dankzij het gezag dat de brief aan de Efeziërs spoedig kreeg, werd deze discussie weldra beslecht.

Zie: Rik Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Matteüs 2,1-12
Het evangelie van Matteüs is ontstaan in joods-christelijke kringen, waarschijnlijk de meest wetsgetrouwe van alle christelijke gemeenschappen. Met ‘wetsgetrouw’ bedoel ik trouw aan de Tora, aan het leven volgens de Wet van Mozes zowel in z’n schriftelijke als mondelinge overlevering. Nergens anders hebben christenen zo krachtig het conflict tussen joden en christenen gevoeld als in de gemeenschappen waaruit Matteüs afkomstig was. Bij hen sneed het ‘t diepst dat vele van hun joodse broeders en zusters Jezus niet accepteerden als de Messias naar wie iedereen uitkeek. Al direct in het eerste verhaal van het evangelie, dat we vandaag lezen, komt het thema ter sprake. De magiërs uit het Oosten zijn heidenen. Zij komen van verre, op zoek naar de pas geboren Messias. De Joodse gezagsdragers: koning, hogepriesters en schriftgeleerden, zitten er bovenop, in Jeruzalem, op een steenworp afstand van Betlehem, maar ze komen niet in beweging.

In een notendop wordt hier het conflict weerspiegeld dat de gemeenschappen van Matteüs aan het eind van de eeuw beleefden. De eigen Joodse autoriteiten laten zich niet raken door alle overtuigende tekenen dat de Messias in de persoon van Jezus van Nazaret nu werkelijk verschenen is. In het verhaal van vandaag brengen zelfs de plaatsen in de boeken der profeten die de schriftgeleerden zelf aanvoeren niemand op andere gedachten.

In vers 3 staat dat koning Herodes hevig schrok van het bericht dat de nieuwe koning der Joden geboren was. Dat is in zijn geval niet verwonderlijk, want koning Herodes de Grote was erom berucht dat hij in iedereen een mogelijke concurrent voor zijn koningschap zag en die mededingers zo snel mogelijk ombracht, ook al waren het z’n eigen vrouw of kinderen. Wel wekt het enige verbazing dat er in datzelfde vers 3 staat dat heel Jeruzalem met hem schrok. Zag niet iedereen uit naar de komst van de Messias? Jeruzalem wordt door Matteüs echter rigoureus in het kamp van Herodes geplaatst. Dat zou weleens meer de ervaring van de gemeenschap van Matteüs kunnen weerspiegelen, die in de tijd dat het evangelie ontstond en bloc afgewezen werd niet alleen door de Joodse autoriteiten, maar ook door een groot deel van het Joodse volk.

Het verhaal van het bezoek van de magiërs uit het Oosten aan het pasgeboren kind in Betlehem staat dus bol van de politiek-religieuze spanningen uit de tijd dat het evangelie geschreven werd. Daarin identificeert de jonge joods-christelijke gemeenschap waartoe Matteüs behoorde zich met het kwetsbare, pasgeboren kind, dat afgewezen wordt door zijn volksgenoten en dat moet vrezen voor de straffe vervolgingen van de kant van de hoogste autoriteiten.

De verrassende verschijning van de magiërs is een boeiend aspect van het verhaal. Niemand had hen verplicht op zoek te gaan naar de pasgeboren koning van een vreemd volk en hem eer te bewijzen. Bovendien gaan ze behoedzaam en intelligent om met de spanningen waarin ze terechtkomen, daarbij onopvallend maar effectief de kant kiezend van waar hun hart ligt. Ze zijn in het hele spel rond de komst van de Messias het meest vrij en onbevooroordeeld. Hun behoefte aan verzoening en verlossing lijkt helemaal uit henzelf te komen. Het is duidelijk dat zij, die een voorafspiegeling zijn van de toetreding van de christenen van heidense afkomst, welkom waren in de gemeenschap van Matteüs. Ze brachten nieuw elan en nieuw bloed in de christelijke beweging.

 

Preekvoorbeeld
Op zomeravonden kun je verwonderd zitten turen naar insecten die rond een lamp vliegen. Nachtvlinders, muggen, vliegen en al die andere beestjes – waarom leven ze in het donker, als ze zo onweerstaanbaar toegetrokken worden naar het licht? De wetenschappelijke verklaring hiervoor is nogal ontnuchterend: de insecten gebruiken de lamp om zich te oriënteren, maar in werkelijkheid worden ze door kunstlicht op het verkeerde been gezet. In die wetenschap kijk je in plaats van verwonderd eerder medelijdend naar die doelloos rondcirkelende diertjes.

In de eerste lezing vormt Jeruzalem – hoewel die naam zelf niet valt – een lichtbron die allerlei volkeren aanlokt. De Tempel, het aardse huis van God en het brandpunt van de joodse godsdienst, straalt zoveel licht uit dat de hele omringende wereld in beweging komt. Als nachtinsecten komen de volkeren erop af. En ze komen niet met lege handen. Koningen putten zich uit in het aanvoeren van kostbare geschenken: kamelen, goud en wierook. Een onafzienbare mensenstroom krijgt deel aan het licht van Gods heerlijkheid, dat niet in het verborgene blijft maar de wereld in vuur en vlam zet. Geen kunstlicht dus dat door mensen is ontstoken, geen strooilicht dat hen misleidt, maar licht waarop mensen zich kunnen oriënteren omdat het hen samen bundelt tot Gods gemeenschap.

En dat terwijl Jeruzalem niet wat je noemt de navel van de wereld was. Integendeel, kort daarvoor was het nog een stad in zak en as, die omringd werd door vijanden en met de ondergang werd bedreigd. En dan ineens klinken die woorden: ‘Sta op, laat het licht u beschijnen, want de zon gaat over u op en de glorie van de Heer begint over u te schijnen.’ In die goddelijke zonsopgang krijgt de stad zelf uitstraling. Niet alleen Joden van heinde en ver, ook niet-Joden vinden in de Tempelstad een thuis. Wie zou daar nu níet naartoe willen gaan? Wie zou er níet willen wonen in die stad, waar het licht van de God van alle volkeren op elke straathoek brandt?

Van het overweldigende licht van de eerste lezing vinden we in het evangelie maar een sprankje terug. Er komen magiërs bij koning Herodes, die naar eigen zeggen op zoek zijn naar de pasgeboren koning van de Joden. Het zijn waarschijnlijk astrologen: nachtdieren, vertrouwd met de donkere hemel vol sterren, waaraan je de loop van de dingen op aarde zou kunnen aflezen. Geleid door zo’n ster zijn ze in Jeruzalem aanbeland.

Maar de stad van die dagen lijkt in niets op de lichtbron die ze is in het visioen van Jesaja. Als de magiërs zich melden bij koning Herodes, is het alsof die wakker schrikt en met zijn ogen knippert tegen het licht – en heel de stad met hem. De pasgeboren koning van de Joden? Hier en nu? Maar zo gaat het vaker: wat het meest nabij is wordt niet gezien, laat staan erkend. Het enige licht dat Herodes opgaat is de gedachte dat deze koning van de Joden weleens een bedreiging voor hem zou kunnen vormen. Uit eigenbelang spoort hij daarom de magiërs aan om de nieuwe koning zo snel mogelijk te vinden.

Voor christenen gaat de profetie van Jesaja in vervulling als de magiërs de Jodenkoning vinden en hem eer brengen. In de gedaante van het kind van Betlehem strekt God zijn armen uit naar zijn eigen volk én naar de volkeren die het omringen. Ditmaal niet door een overweldigend licht dat hele volkeren aantrekt, maar door een innerlijk licht dat her en der in mensen opgaat. Juist in mensen die geen deel hebben aan Gods volk en dus niet vertrouwd zijn met zijn belofte, straalt dit licht zuiver en onverdacht. Niet op grond van een traditie, een wet of religieuze verplichting komen de magiërs in beweging, maar uit een innerlijk verlangen dat in hen gewekt is. Voor christenen staan zij dan ook model voor alle niet-Joden die de apostel in zijn brief aan de Efeziërs noemt: mensen die op grond van hun geloof in Christus Jezus mede-erfgenamen zijn van Gods belofte.

Op schilderijen die de geboorte van Jezus verbeelden, zien we het kind vrijwel altijd licht uitstralen. In de liturgie van de Kersttijd worden we als gelovigen voortdurend aangesproken op onze hang naar licht. Op Kerstavond hebben we Jesaja horen vertellen over een volk dat in het donker wandelt en een groot licht ziet, en lezen we in het Lucasevangelie dat de engelen Gods glorie laten stralen over de herders in het veld. Op het hoogfeest van Kerstmis hoorden we Johannes spreken over het ware licht dat in de wereld kwam, dat door de duisternis niet werd begrepen en zelfs door de zijnen niet werd aanvaard.

In het leven van alledag gedragen we ons niet zelden als nachtinsecten, die zich het liefst in het donker verschuilen en tegelijk niet zonder licht kunnen. We laten ons verblinden door allerlei vormen van kunstlicht, waardoor we gedesoriënteerd raken. Op zich niet zo verwonderlijk, want de wereld en ons eigen leven zijn soms zo door duisternis omgeven dat we elk sprankje licht gretig verwelkomen. Is het daarom dat de kerstverlichting elk jaar eerder lijkt te worden ontstoken?

Kenmerkend voor kunstlicht is – cryptisch geformuleerd – dat het geen gewicht heeft. We zijn niet in staat ons eigen leven te verlichten, daarvoor is het donker te nadrukkelijk aanwezig. Elke kaars brandt op, elke lamp heeft een beperkte levensduur, elk feest en elk lichtend moment is aan tijd gebonden. Het donker ligt altijd op de loer.

Het enige licht dat gewicht heeft, is Gods licht. Kabod heet het in het Hebreeuws van Jesaja, wat zowel glorie als gewicht betekent. Gods licht heeft gewicht omdat het geladen is met zijn mensenliefde. In het evangelie heeft die liefde het gewicht van een pasgeboren kind, dat ondanks zijn naam – Jezus, ‘God redt’ – en zijn titel – koning van de Joden – nog niets opzienbarends heeft. Toch is Gods licht dat in hem doorbreekt, in de harten van de magiërs opgegaan. En het zal vanaf de vroege christengemeenten blijven opgaan in talloze harten. Steeds meer gelovigen zullen hun hart afstemmen op Hem die het licht van de wereld wordt genoemd.

Laten we in gedachten met de magiërs meereizen en net als zij via een andere weg terugkeren naar ons bestaan. Een weg die begint en eindigt met het licht van Gods liefde, die ons bundelt tot zijn mensengemeenschap.

inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld drs. Victor Bulthuis