3e zondag dhj, jaar B, 21-1-2024

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 47
  • Bestandsgrootte 142.29 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 4 december 2023
  • Laatst geüpdatet 4 december 2023

3e zondag dhj, jaar B, 21-1-2024

21 januari 2024
Derde zondag door het jaar

Lezingen: Jona 3,1-5.10; Ps. 25; 1 Kor. 7,29-31; Mar. 1,14-20 (B-jaar)

Inleiding
In eerste instantie geeft Jona geen gevolg aan de roep van de Heer om naar het oosten, naar Nineve te gaan. Hij gaat weliswaar op weg, maar precies de andere kant uit, naar Tarsis, richting het westen, waar de zon ondergaat, symbool voor duisternis en Godverlatenheid. Hij reist dus zijn eigen ondergang tegemoet (Jona 1).
In tweede instantie gaat Jona wel, maar hij loopt er bij wijze van spreken de kantjes van af (3,1-4). Bovendien geeft hij niet de woorden van de Eeuwige weer (hun verdorvenheid is doorgedrongen tot Mij (1,2), maar kondigt hij het oordeel aan (3,4).
Wanneer Jezus daarentegen in het evangelie Simon en Andreas roept, stoppen zij onmiddellijk met alle werkzaamheden om Hem na te volgen. Hetzelfde doen de zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes, zij laten hun vader in de boot achter en ook zij gaan stante pede achter Jezus aan.

Jona 3,1-5.10
Het verdient zonder meer aanbeveling om het boek Jona dat maar uit vier hoofdstukken bestaat, in zijn geheel te lezen. Het woord ‘profeet’ komt er niet in voor maar Jona vertoont wel een aantal kenmerken die typisch zijn voor profeten. Zo wijst Jona zijn roeping (sta op, ga … zeg… 1,2) af. Verder vindt hij Gods opdracht weinig zinvol vanwege het feit dat God toch wel weer zal terugkeren op zijn schreden, want U bent een genadige en barmhartige God, toegevend en rijk aan liefde, U hebt altijd berouw over onheil (4,2; Ex. 34,6).

Al in de eerste twee verzen van het boek Jona horen we wat er aan de hand is:
Het woord van de Heer werd gericht tot Jona, de zoon van Amittai:
Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en zeg haar,
dat hun verdorvenheid is doorgedrongen tot Mij.

Nineve, tegenwoordig omsloten door de stad Mosul in Noord-Irak en gelegen aan de oostelijke oever van de Tigris, was de machtige, ommuurde hoofdstad van aartsvijand Assyrië. Dat Jona niet veel zin had om uitgerekend naar die stad te gaan, is best invoelbaar. Zijn reactie was dan ook: En Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van de Heer… (1,1-3a).
De Heer willen ontvluchten, dat is een contradictio in terminis, een onmogelijkheid zoals Jona door schade en schande zal leren.
Zodra hij de boot naar Tarsis heeft genomen, waant hij zich veilig, zo veilig dat hij afdaalt tot het onderste deel van het schip en daar in diepe slaap valt.
Maar er steekt een zware storm op en de bemanning vreest schipbreuk te lijden (1,4; Mat. 8,24-25). Uiteindelijk wordt Jona door het lot aangewezen als de schuldige voor deze ramp. Hij wordt overboord gegooid en de storm gaat liggen: de mannen werden met grote vrees voor de Heer vervuld; ze brachten een offer aan de Heer en deden geloften (Jona 1,16).
Deze heidense mannen zijn tot het inzicht gekomen dat het de Heer is die hen heeft gered.
Met Jona zal het wonderlijk aflopen, want ondanks zijn ongehoorzaamheid tegenover God verdrinkt hij niet. De Heer stuurt een grote vis op hem af die hem verzwelgt. Drie dagen en drie nachten is Jona in de buik van de vis en nu neemt hij zijn toevlucht tot de Heer en bidt in grote nood. Onze lezing volgt direct op zijn gebed in de vis, dat eindigt met de woorden:

Maar ik, ik wil onder lofgezang
offers aan u brengen,
ik wil mij houden aan mijn gelofte.
Bij de Heer is redding (2,10).

Jona’s gebed wordt verhoord, op last van de Heer spuwt de vis hem op het droge. Dit tekent de Eeuwige: Hij is barmhartig en vergevingsgezind (3,9).
Opnieuw draagt de Heer Jona op, om op te staan, naar Nineve te gaan en zijn woorden (zie boven 1,2) aan haar inwoners door te geven. Deze keer gaat Jona daadwerkelijk naar Nineve, al geeft hij niet precies de woorden van de Eeuwige weer en vertaalt deze tot een oordeel.

Er is geen gebrek aan getallen in deze vertelling. We hebben al gezien dat Jona drie dagen en drie nachten in de vis verbleef (vgl. Mat. 12,40). Om door het uitgestrekte Nineve te gaan, waren drie dagen nodig. Jona ging de stad binnen, slechts één dagreis ver. En hij roept: ‘Veertig dagen nog en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!’ (3,4). Die boodschap stemt niet overeen met de woorden van de Heer (1,2). In die zin is hij dan ook geen profeet die spreekt namens God, eerder spreekt hij namens zichzelf.

Waarschijnlijk tot zijn eigen verbazing nemen de inwoners van Nineve en hun koning Jona’s woorden uitermate serieus. Er wordt een vasten uitgeroepen en iedereen trekt het boetekleed aan in de hoop dat de Heer op zijn besluit terugkeert.
En zo gebeurt het inderdaad. Zoals de Heer barmhartig en vergevingsgezind was geweest voor Jona, is Hij het ook voor de Ninevieten (vgl. Mat. 12,41). Dat wordt duidelijk in 3,10: God zag wat ze deden… en Hij deed het niet.
Dit tot grote ergernis van Jona die in het volgende en laatste hoofdstuk moet leren wat barmhartigheid werkelijk betekent, maar zover gaat onze lezing niet.

Tot slot, de naam Jona betekent ‘duif’, maar gezien het niet echt zachtmoedige karakter van deze Jona zou de naam misschien ook kunnen samenhangen met het werkwoord j n h dat vernietigen, onderdrukken, betekent.

 1 Korintiërs 7,29-31
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Marcus 1,14-20
De verzen 14 en 15 vervullen een brugfunctie: zij sluiten de voorafgaande perikoop (1,1-13) af en introduceren een nieuwe scène. Direct na de beproeving en de veertig dagen in de woestijn en de overlevering van Johannes (letterlijk: nadat Johannes was overgeleverd geworden) begint het openbare leven van Jezus in Galilea.
Het werkwoord overleveren (paradidomi) dat verder in Marcus praktisch alleen van toepassing is op Jezus, werpt een schaduw vooruit op zijn beginnende optreden. Zal het hem net zo vergaan als Johannes...?
Wat Galilea betreft, op het einde van het boek zegt een in het wit geklede jonge man tegen de vrouwen bij het lege graf: ‘Maar ga tegen zijn leerlingen en tegen Petrus zeggen: “Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft”’ (16,7). De cirkel is rond en de lezer wordt uitgedaagd om opnieuw het boek te lezen en achter Jezus aan te gaan.

Tot nu toe was alleen Johannes aan het woord, maar nu horen we voor het eerst Jezus spreken. Hij verkondigt de goede boodschap zoals Marcus al in het eerste vers van zijn evangelie over Jezus Christus aankondigde: De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer U! Heb geloof in de goede boodschap (1,15; 1,4).
Je bekeren, of zoals er letterlijk staat, anders gaan denken, is geen kwestie van een kleine aanpassing, een beetje bijsturen, maar, zoals uit het nu volgende roepingsverhaal van de eerste leerlingen blijkt, een complete verandering van richting. Anders denken betekent je toevertrouwen en geloven in de goede boodschap die Jezus brengt, een keuze ook voor de persoon en de weg van Jezus.

Goede boodschap, euaggelion in het Grieks, slaat niet op het literaire genre (wij spreken over de vier evangeliën) en komt steeds in het enkelvoud voor. Dit begrip is al bij Homerus in de Odyssee te vinden en komt in het profane Grieks vaak voor in verband met een boodschap over de keizer. Dat de keizer geboren wordt of de troon bestijgt is een goede boodschap.
In de Septuagint vinden we euaggelion als vertaling van het Hebreeuwse besorah, bijvoorbeeld in Deutero Jesaja, als de ballingen terugkeren uit Babel en God aan het hoofd staat van die lange stoet ballingen, op weg naar Sion.
De goede boodschap in het Nieuwe Testament ziet voorbij aan de keizer: God is koning in Sion/Jeruzalem (Jes. 52,7). Pas later is deze term toegepast op bepaalde boekjes waarin God aan het licht wordt gebracht door Jezus, voor het eerst door Justinus de Martelaar, en dat zijn er heel wat meer dan de ons bekende vier evangeliën.

 In 1,16-18 kiest of beter ‘ziet’ Jezus de broers Simon en Andreas en op dezelfde wijze ‘ziet’ Jezus in 1,19-20 de broers Jakobus en Johannes. Het gaat om twee tweetallen, volgens Deuteronomium is een getuigenis pas rechtsgeldig als het door twee mensen wordt bevestigd (vgl. Mar. 6,7-13). Deze eerste leerlingen zijn de intimi van Jezus, aanwezig op cruciale momenten in zijn leven zoals bij de verheerlijking op de berg (9,2-8, m.u.v. Andreas), tijdens het onderricht over het einde (13,3v), in Getsemane (14,32-42, m.u.v. Andreas). Bij de aanstelling van de twaalf geeft Jezus aan Simon de bijnaam Petrus.
Het wonderlijke is dat de vier allemaal hard aan het werk zijn, maar onmiddellijk hun bezigheden staken als Jezus hen roept. Ze gaan achter hem aan, zoals Hij hen gevraagd had (1,17.20). Jezus belooft Simon en Andreas tot vissers van mensen te maken, tot zijn naaste helpers. Aansluitend aan onze evangelielezing gaat Jezus met deze eerste vier leerlingen in vers 21 naar Kafarnaüm.

 

Preekvoorbeeld
Laten we vandaag meegaan met de profeet Jona. Alles wat er over hem in de Bijbel staat is niet meer dan drie bladzijden. Maar het is zeer de moeite waard. Eigenlijk is het verhaal over Jona een spiegel, een lachspiegel zelfs. Want met de figuur van Jona wordt er een karikatuur van een profeet geschetst: door zijn karaktertrekken uit te vergroten, probeert het verhaal ons aan het denken te zetten over onszelf.
Jona moet van de Eeuwige op weg naar Ninive om te zeggen dat hun levenswijze in zijn ogen verdorven is. Het is niet de eerste keer, dat Jona deze opdracht krijgt, het is de tweede maal. De eerste keer dat God riep, was hij niet bepaald opgetogen. Nineve is de machtige, ommuurde hoofdstad van aartsvijand Assyrië. Dat God hem uitgerekend daar naar toe wil sturen! Jona zegt die eerste keer niets, staat op en gaat. Hij vertrekt echter niet naar Ninive, maar probeert te vluchten door de boot te nemen naar Tarsis. Dat wil zeggen: hij reist precies de andere kant op, naar het westen, waar de zon ondergaat, symbool voor duisternis en Godverlatenheid. Het verhaal laat ons zo weten: hij reist zijn eigen ondergang tegemoet.

Soms komen wij in een situatie terecht in ons leven, waarin we voelen: nú moeten we spreken, nu moeten we iets doen, maar… o, wat is dat moeilijk. Iemand die we van nabij kennen, werkt te hard, drinkt te veel, iemand komt zijn afspraken niet na, handelt onrechtvaardig, ontloopt zijn verantwoordelijkheid, of iemand van wie we afhankelijk zijn kwetst ons.
Moet ík dat tegen hem/ haar zeggen?
Laat een ander dat maar doen, denk je dan. Net als Jona verstop je je voor jezelf en die opgave.

De vlucht van Jona bewerkt dat God zich opnieuw met hem bemoeit. Een storm dreigt het schip te doen zinken. De bemanning stelt alles in het werk te overleven. Het helpt niet. Dan vragen ze Jona: Wie ben jij? Zo komen ze er achter, dat hij de oorzaak is van hun problemen. ‘Gooi me maar in zee,’ zegt Jona. Wil hij hen redden, of is dat een uiterste manier om aan zijn roeping te ontkomen? Maar nog proberen ze hem te sparen en naar land te roeien. Als dat niet lukt, doen ze wat Jona zegt. Maar eerst bidden ze tot zijn God, dat hij hen dit mensenleven niet aanrekent.
Het is wel een groot contrast: een profeet die de stem van zijn eigen God niet wil horen – en andersgelovige zeelieden die zich voor hem inzetten en zich zelfs tot zijn God gaan richten!

Jona wordt in zee gegooid. Hij wordt gered. De Eeuwige zet hem vast in de buik van een grote vis. Hij wilde God niet horen, maar nu gaat hij bidden: hij wil dat God hém wél hoort! Hij moet anderen gaan bekeren, maar eerst – zo blijkt – moet hij zelf tot inkeer komen.

Soms loopt het niet zoals wij zelf ons dat voorgesteld hadden. Soms wordt ons leven radicaal op de schop genomen en moet je een heel andere kant uit dan je dacht. Soms schudt dat ook je beeld van God door elkaar. Je dacht misschien, dat als je goed leefde, God je zou sparen, maar dat gebeurt niet. Het kan beangstigend zijn. God blijkt anders, onbegrijpelijker dan je denkt. Omdat het zo anders is, moet je je wel af gaan vragen, of God niet toch iets tot jou te zeggen heeft en of Hij bij je wil zijn, maar op een heel andere wijze dan je ooit meende.

Wat Jona betreft: Het loopt niet zoals hij zich dat voorgesteld had. De Eeuwige laat hem niet met rust, maar ís er wel voor hem, en spaart hem. En daagt hem uit zijn mogelijkheden te gebruiken door hem opnieuw, voor de tweede maal, te roepen. Jona kán het wel, profeet zijn.
Uiteindelijk doet Jona het dan: Ninive de wacht aanzeggen, maar héél minimaal. Hij trekt slechts één dagreis de stad in, terwijl je drie dagen nodig hebt om er doorheen te komen. En hij spreekt één regel, in het Hebreeuws precies vijf woorden. Hij gebruikt daarbij niet de woorden die de Eeuwige hem gaf, maar geeft er zelf een invulling aan; hij heeft het meteen over een oordeel.

De reactie van de Ninevieten is groot. Onmiddellijk beginnen zij te vasten en het boetekleed aan te trekken. Zelfs de dieren moeten meedoen.
Zelfs met zijn bange en minimale optreden bereikt Jona heel wat. Zelfs met zijn beperkte mogelijkheden kan hij meer dan hij dacht. En de Eeuwige geeft de Ninevieten een nieuwe kans.

In het Evangelie worden vier vissers aangesproken op hun eigen mogelijkheden. Ze zijn niet geletterd, ze hebben hun beperkingen. Maar hun eigen ambacht van opdiepen, uit het water halen en op het droge brengen, dat heeft Jezus precies nodig, en dat mogen ze nu gebruiken ten behoeve van mensen: mensen een nieuw perspectief geven, mensen redden. In tegenstelling tot Jona gaan deze vier direct op Jezus’ oproep in en sluiten zich bij Hem aan.
Soms wordt je leven tijdelijk of helemaal een heel andere kant uit gestuurd; in je gezinsleven, met betrekking tot je gezondheid, of in het team waar je werkt. Je komt voor opgaven te staan, die vreemd en nieuw zijn. Je moet mogelijkheden aanspreken in jezelf, waarvan je denkt, heb ik die wel? Misschien voel je verzet, verlangen om te vluchten. Dat is een belangrijk punt. Ga daar stilstaan en zoek. Waar wijst dat verzet op? Wat staat er voor mij op het spel? Waar ben ik eigenlijk precies bang voor? Wat is waardevol voor mij? Wat zijn mijn mogelijkheden, en wie mijn helpers? Als je dan op weg gaat met je eigen beperkingen, dan blijk je toch iets tot stand te kunnen brengen. God heeft in jou eigen mogelijkheden neergelegd. Hij laat je niet met rust, maar hij laat je ook niet in de steek. Zo daagt hij ons uit met hem in zee te gaan en steunt ons om ook daar onze mogelijkheden ten volle te benutten.

inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld Marian Wisse MA