4e zondag VT, A jaar, 19-3-2023

By 10 februari 2023 No Comments
[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 41
  • Bestandsgrootte 76.00 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 10 februari 2023
  • Laatst geüpdatet 10 februari 2023

4e zondag VT, A jaar, 19-3-2023

19 maart 2023
Vierde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: 1 Sam. 16,1b.6-7.10-13a; Ps. 23; Ef. 5,8-14; Joh. 9,1(.6-9.13-17.34-38)-41 (A-jaar)

 

Inleiding

De vierde zondag van de Veertigdagentijd, ook wel zondag Laetare genoemd, markeert de helft van de voorbereidingstijd op Pasen. Het thema dat de drie lezingen aanreiken is het zien van de dingen waar het werkelijk om gaat. Het gewone gebruik van de ogen is daarvoor niet toereikend; we zien dan wel wat er is, zoals bijvoorbeeld de Farizeeën in de evangelielezing, maar niet wat er werkelijk toe doet. Daarvoor moeten we een andere manier van kijken oefenen.
Met Pasen gaat het erom dat wij christenen kunnen geloven in de verrijzenis van Jezus Christus. Het graf is leeg, en meer bewijs is er niet. Volgens de hogepriesters, zoals we in het paasevangelie van dit jaar kunnen lezen (Mat. 28,13), was het dode lichaam ’s nachts heimelijk door zijn leerlingen weggehaald. Zo kun je er ook tegen aankijken, maar wij kunnen daar geen genoegen mee nemen.

1 Samuël 16,1b.6-7.10-13a
Het boek 1 Samuël is onderdeel van het zogenaamde deuteronomistische geschiedwerk, de serie teksten, lopend van Deuteronomium tot en met de boeken Koningen, die in samenhang met elkaar geschreven en geredigeerd zijn kort voor en tijdens de Babylonische ballingschap. Het centrale thema is de vraag hoe God trouw kan blijven aan een volk dat elke keer laat zien dat het ontrouw is aan het verbond met zijn God. Deze vraag werd natuurlijk op scherp gezet door de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel en het einde van de zelfstandigheid van Israël/Juda als natie onder een eigen koning. Heeft God nu zijn volk losgelaten en is er geen toekomst meer voor Israël? Was het al een fatale vergissing om het samenleven in een verband van gelijkwaardige stammen los te laten en te kiezen voor een koning? Dit laatste was geen onbelangrijk discussiepunt. Het volk Israël was ontstaan terzijde van de piramidale, monarchale staatsvormen van de omringende naties – Egypte, de verschillende Kanaänitische stadsstaten. In Israël was niemand koning, alleen God zelf! Op een zeker moment in zijn geschiedenis koos het toch voor de monarchie. Daar was zeker niet iedereen het mee eens. De discussie tussen de profeet Samuël en de oudsten van Israël in 1 Samuël 8 laat dat zien. De profeet betoogt daar dat het koningschap onherroepelijk leidt tot een situatie van ongelijkheid en uitbuiting van het volk door de elite. De tekst in Deuteronomium 17,14-20 laat een andere partij in die discussie aan het woord, en die stelt dat het zeker mogelijk is om een monarchie te hebben en tegelijk trouw te blijven aan het verbond met God.
Binnen deze discussie moeten we het verhaal over de zalving van David plaatsen. Toen het volk eenmaal de voorkeur had uitgesproken voor een koning, ging God daarin mee en was Samuël de trouwe uitvoerder van diens wil. Saul, de eerste koning, had gefaald, hij had zich niet gehouden aan wat God hem geboden had (vgl. 1 Sam. 15). Bij het verhaal over de keuze van de nieuwe koning David, die overigens pas veel later daadwerkelijk dat ambt op zich neemt, valt één ding bijzonder op: het gaat bij de nieuwe koning niet om uiterlijkheden. In Juda is de familie van Isaï niet belangrijk of machtig, en binnen die familie is David de jongste en minst belangrijke van alle zonen. Samuël denkt aanvankelijk dat hij een van de oudste zonen moet zalven, maar God leert hem niet te letten op het uiterlijk, maar te kijken naar het hart. Als Samuël David ziet, weet hij dat die het moet zijn: zijn innerlijk weerspiegelt zich in zijn voorkomen: eenvoudig, met sprekende ogen en ontvankelijk voor de geest van God, die hij door de zalving ontvangt. Zo moet een goede koning zijn, zegt het verhaal.

Efeziërs 5,8-14
Van de brief aan de Efeziërs wordt vrij algemeen aangenomen dat hij niet door Paulus zelf geschreven is, maar door een van zijn leerlingen. Het is ook geen brief in de strikte zin van het woord, eerder een lange overweging, en is waarschijnlijk ook niet alleen aan de gemeente van Efeze gericht, maar aan de gemeenschappen in het algemeen in het gebied rondom. Al deze voorbehouden nemen niet weg dat we de brief aan de Efeziërs kunnen lezen in het verlengde van het gedachtegoed dat Paulus ontvouwt in zijn zeven ‘authentieke’ brieven.
Aan het einde van de eerste eeuw, wanneer we onze tekst moeten dateren, verkeerde het Romeinse Rijk in een stabiele fase, die nog enkele eeuwen zou voortduren. De christelijke gemeenschappen waren veelal klein, maar wijd verspreid, aanwezig in vele steden en langzamerhand steeds beter georganiseerd. Hun relatie met de omringende cultuur was ongemakkelijk. Hun hoge morele standaarden, hun afwijzen van de keizercultus en hun streven naar het doorbreken van algemeen aanvaarde structuren van ongelijkheid tussen man en vrouw, vrije en slaaf, wekten argwaan en leidden van tijd tot tijd tot onderdrukking en vervolging (bijvoorbeeld in de jaren negentig van de eerste eeuw onder keizer Domitianus). Als reactie daarop ontstond er binnen christelijke gemeenschappen een tendens van aanpassing aan culturele patronen, zoals het aanvaarden van zekere vormen van hiërarchie en ongelijkheid.
In de brief aan de Efeziërs wordt die het meest concreet in het gedeelte vanaf 5,22, waar gesproken wordt over familierelaties. De man wordt er omschreven als het hoofd van de vrouw, en ook de relaties tussen ouders (= vader) en kinderen en heer en slaaf worden volgens Romeins model getekend. Maar ook in de al in eerdere hoofdstukken ontvouwde theologie zien we, vergeleken met de authentieke teksten van Paulus, een ontwikkeling in de richting van een meer hiërarchische manier van denken, waarin Christus in de hemelsferen een plaats heeft aan Gods rechterhand (1,20) en het hoofd is van de Kerk (1,22 en vele volgende plaatsen).

Centraal in de brief staat echter de beslissende genade die God de wereld geschonken heeft in Christus. God wil de gehele mensheid verlossen, en door Christus is dat bewerkstelligd. We zijn bevrijd, nieuwe mensen! Er is dus iets wezenlijks in beweging gebracht, iets dat ons in staat stelt ons te ontworstelen aan de drukkende aanwezigheid van de omringende cultuur.
Het gedeelte waaruit de lezing genomen is, geeft blijk van een helder besef dat Gods genadewerk niet automatisch leidt tot een leven in volledige en onbelemmerde vrijheid – precies ook wat de ervaring van alledag van de gemeenschappen was. Er was niet alleen sprake van druk van buitenaf, maar ook van een gemakkelijk afglijden naar gedrag dat misschien wel algemeen was: ‘We leven in een slechte tijd’ (5,16), naar christelijke maatstaven niet aanvaardbaar. Vandaar dat er vanaf 4,17 tot 5,20 zo concreet gesproken wordt over afkeurenswaardig gedrag. In het citaat uit een hymne in 5,14 worden de gelovigen ook ondubbelzinnig aangesproken als half slapenden, halve doden: ‘Ontwaak, sta op, en Christus zal over u lichten’.

Het beeld van het licht in contrast met de duisternis, dat de tekst van de lezing verbindt met de andere twee teksten van de vierde zondag van de Veertigdagentijd, wordt in de brief aan de Efeziërs alleen hier gebruikt. Het is een krachtige metafoor, die helder maakt dat leven in het licht van Christus kan helpen de dingen anders te zien, beter onderscheid te maken tussen wat christenen wel en niet kunnen of moeten doen. Geloof heeft onvermijdelijk directe consequenties voor gedrag en handelen.

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Johannes 9,1(.6-9.13-17.34-38)-41
Het evangelie van Johannes is in grote lijnen als volgt in te delen:

  1. De proloog, die loopt tot 1,18
  2. Het Boek van de tekenen, van 1,19 tot 11,44
  3. Overgangshoofdstuk 11,45–12,50
  4. Het Boek van de verheerlijking, de hoofdstukken 13–19
  5. De verrijzenis en het eerste slot, hoofdstuk 20
  6. Het tweede slot, hoofdstuk 21

In het Boek van de tekenen toont Jezus wie God is en hoe hij mensen nabij is. Het eerste teken is het veranderen van water in wijn op de bruiloft in Kana en het zevende en laatste de opwekking uit de dood van Lazarus. De genezing van de blindgeborene is het op een na laatste. Bij alle tekenen wordt nadrukkelijk gezegd dat er mensen tot geloof komen. Maar in toenemende mate voegt de evangelist het commentaar toe dat er ook mensen zijn die de tekenen niet begrijpen of zelfs afwijzen. De tekenen van Jezus roepen om verschillende redenen polemiek op. Zij drukken een verwantschap van Jezus met God uit die in orthodoxe ogen niet acceptabel is. Op allerlei plekken in het Boek van de tekenen vinden discussies plaats tussen Jezus en de religieuze autoriteiten, door Johannes soms Farizeeën genoemd en op andere plaatsen kortweg (en niet erg zuiver) ‘de joden’. In ons verhaal gebruikt hij beide termen. Gezien het karakter van de discussies is het belangrijk om eraan vast te houden dat het niet de joden in z’n algemeenheid, maar de religieuze autoriteiten zijn die Jezus ter verantwoording roepen, omdat hij bijvoorbeeld de regels van de sabbat overtreedt of zich op in hun ogen op godlasterlijke wijze identificeert met God. Het is uiteindelijk de hoogste religieuze autoriteit, het Sanhedrin, dat overlegt hoe ze hem ter dood zullen laten brengen (11,53).

Het verhaal van de genezing van de blindgeborene laat enerzijds helder zien op welk soort tegenstand de historische Jezus tijdens zijn leven stootte: het werd van de kant van de religieuze autoriteiten niet getolereerd dat hij zo vrijmoedig omging met wetten, regels en beperkingen. Iemand die zomaar op sabbat een genezing verrichtte die net zo goed had kunnen wachten tot de volgende dag, die moest wel een zondaar zijn en was een gevaar voor de morele staat van het volk. Ook een ander discussiepunt treedt nadrukkelijk op de voorgrond: of wie ziek is (in dit geval blind) dat te wijten heeft aan eigen zondigheid of die van voorouders of niet. Jezus wijst dat idee van ziekte als teken van zondigheid categorisch af. Polemiek over dezelfde punten vinden we ook in de synoptische evangeliën.
In dit verhaal wordt op een mooie manier de dynamiek in beeld gebracht van hoe de direct betrokkene, de omstanders, familieleden en de religieuze autoriteiten reageren op het optreden van Jezus en op elkaar. Er is sprake van verwondering, van enthousiasme, maar ook van twijfel, van huiver om te veel met Jezus geïdentificeerd te worden, en ook, bij de genezen man, van een beslissing om te gaan staan voor wat hem overtuigt en af te wijzen wat men hem probeert op te leggen. De autoriteiten zijn aanvankelijk sceptisch en onderling verdeeld, maar ten slotte geheel en al afwijzend. Daarbij zetten ze al hun gezag in om de ongehoorzame man te straffen. In al z’n concreetheid toont het verhaal hiermee aspecten van Jezus' optreden met een hoge historische geloofwaardigheid.
Anderzijds is het verhaal ook een weerspiegeling van de situatie waarin de gemeente van Johannes zich bevond toen ze het evangelie schreef, aan het einde van de eerste eeuw. Die heeft zich herkend in de lotgevallen van de blindgeborene. Na de dramatische nederlaag van het Joodse volk in de oorlog met de Romeinen, die eindigde met de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel en de reorganisatie van het joodse religieuze leven, nu zonder Tempel en in diaspora, onder leiding van de Farizeeën, werden de tegenstellingen tussen de orthodoxe joden en de christelijk geworden joden steeds scherper. Ze resulteerden in de uitstoting uit de synagoge van de heterodoxe groepen, waaronder de christenen. Het vasthouden aan de belijdenis dat Jezus niet alleen een genezer (v. 11) of een profeet (v. 17) was, geen zondaar, maar een man van God (v. 33) en zelfs de messias (v. 22) en Mensenzoon (v. 38), leidde voor de groep van joodse volgelingen van Jezus van de gemeenschap waartoe Johannes behoorde tot een definitieve breuk met hun broeders en zusters die zich lieten leiden door de Farizeeën. Het is tamelijk waarschijnlijk dat de zinnetjes in de verzen 22 en 34 over uit de synagoge geworpen worden (‘iedereen die Jezus als de messias zou erkennen’), de ervaring van de johanneïsche gemeente beschrijft.

Voor Johannes en zijn gemeente is de afwijzende houding van de Farizeeën een teken van blindheid, van niet zien waar het werkelijk om gaat. Zij maken zich druk om de zondigheid van een zieke, over de zondigheid van genezen op sabbat, en zien niet de intrinsieke goedheid, de hand van God zelf in de gebeurtenissen, die zich toch voor hun eigen ogen afspelen. De evangelist nodigt de luisteraars en lezers nadrukkelijk uit zich te identificeren met de blindgeborene en zich te onderscheiden van wie beweren alles juist te zien, maar in hun onwankelbare zekerheden blind zijn en vast blijven zitten in zondigheid (v. 41).

Het conflict tussen de gemeenschap van Johannes en het orthodoxe jodendom van de laatste decennia van de eerste eeuw laat heftige sporen na in het evangelie. Het leidt tot uitspraken – vaak in de mond van Jezus gelegd – die van ons een zorgvuldige afweging vragen. Nooit mogen we uit het oog verliezen dat de gemeente van Johannes bij het schrijven van het evangelie in benarde omstandigheden verkeerde: uit de bredere joodse gemeenschap gestoten en gemarginaliseerd, in conflict met verwanten en vroegere vrienden, afgesneden van haar eigen joodse wortels. Dit heeft de beeldvorming verhard en geleid tot algemeniseringen die geen recht doen aan wat er zich historisch heeft afgespeeld tijdens het leven van Jezus. Het ongenuanceerde gebruik van de term ‘de joden’ is daar een sprekend voorbeeld van.

 

Preekvoorbeeld

Zouden de leerlingen het ten slotte geleerd hebben? Ik vraag het me af, want de obsessie van zonde en straf kleeft het christendom nog steeds aan, wat de leerlingen van Jezus over de blindgeboorne vragen: ‘Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’
Stel je dat even voor: ‘heeft hijzelf gezondigd?’ Hoe moet ik me dat voorstellen, een prenatale zonde, reeds wellustig in de baarmoeder gepleegd, zodat hij als blindgeboorne ter wereld kwam?
Jezus zegt: ‘Hij niet en zijn ouders ook niet. Maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.’

Jezus moet dat nog heel vaak zeggen, Hij moet dat telkens weer zeggen, want het wil er bij alle bijgelovigen van vroeger en nu niet in dat hun schema’s niet deugen. Zij menen Gods werk te kunnen aflezen aan wat gebeurd is, zoals de kaarten nu eenmaal geschud zijn, de situatie waarmee je geconfronteerd wordt.
Jezus daarentegen leest Gods werk af aan wat gebeuren moet: genezing en inzicht, bevrijding en autonomie, zicht in de ogen en innerlijke verlichting.

Nog een keer. Op die afschuwelijke vraag naar wiens zonde de oorzaak van de blindheid is: wie heeft het gedaan?, zegt Jezus: ‘Hij niet en zijn ouders ook niet. Maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.’
Gods werk ís niet gebeurd, niet in die blindheid, ziekte, pandemie. Gods werk móet gebeuren in genezing, bevrijding, inzicht.

Het hele verloop van het evangelieverhaal is daarop gericht. De constructieve krachten in onze samenleving zijn daarop gericht, dat Gods werk wordt gedaan: dat Hij dat doet en dat jij daaraan meewerkt. Genezing, bevrijding, inzicht gaan van Hem uit en het is jou gegeven daarvan getuige te zijn, dat mee te maken, dat mede mogelijk te maken.

Geloof dient er niet toe om de wereld te verklaren, alsof geloof je van extra informatie voorziet, een aparte set alternative facts. Nee, geloof dient ertoe om de wereld te veranderen, te vernieuwen, te verzoenen, betrouwbaar te maken, te herscheppen. En dat doe jij niet, jij bent de Messias niet, die last drukt niet op jouw schouder. Nee, dat doet God. Het is zijn Messias die hier spreekt en geneest en bevrijdt, het is Gods werk en hij heeft jou in dienst genomen zodat zijn werk ook door jou zichtbaar wordt.
Dat is geen last maar een voorrecht, dat is geen verplichting maar een vreugde, daar ga je niet diep onder gebogen, daar ga je rechtop van lopen!

Geloven is niet een mythos aannemen dat ons vertelt hoe en waarom, we in deze situatie zijn terechtgekomen, met als sleutelwoord ‘zonde’.
Geloven is een ethos omarmen, dat ons een perspectief biedt op wat ons hier en nu te doen staat, met als sleutelwoord ‘hoop’.
Wat Jezus zegt: ‘Gods werk moet zichtbaar wórden’.

Zichtbaar, daarvan vertelt de eerste lezing: ‘de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de heer kijkt naar het hart.’
Dat is een zin die we graag tot ons nemen, voedsel voor ons hart, troost voor onze ziel, balsem op de wonde, zo menen we…

Wij betrekken die tekst liefst op onszelf en denken daarbij: de anderen hebben geen idee wat er allemaal aan edels in mij leeft, wat ons beweegt, zij beoordelen mij verkeerd, maar de Heer kijkt naar het hart, mijn hart, hij ziet mij aan naar wie ik werkelijk ben.
Die gedachte wil ik u niet afnemen, maar sta mij toe er een paar kanttekeningen bij te plaatsen.

Het eerste wat mij opvalt is dat wij geneigd zijn ons eigen hart en wat daar leeft zo positief te duiden. Ja, wij hebben zo onze gedachten bij wat er aan arglistigheden in andermans hart en andervrouws hart omgaat, maar we zijn van nature geneigd om ons eigen hartje als puur en zuiver te beschouwen. Onze eigen beweegredenen, die zijn zo gek nog niet, jammer dat anderen dat niet zien, dat je zo dikwijls verkeerd beoordeeld wordt, ondergewaardeerd, miskend.
Ik ben er niet zo zeker van dat als de Heer jouw hart aanziet, jij er – geheel in tegenstelling tot de anderen – zo gunstig van af zou komen. Of laat ik het bij mezelf houden, dat ik er dan zo gunstig van af zou komen.
Er is volgens mij geen reden om aan te nemen dat anderen minder vaak het goede voor hebben dan jij zelf, dat het hart van een ander een rovershol is, maar dat van jou vol edele bedoelingen. Dat de Heer het hart aanziet, en jij je daarin verheugt, het kon wel eens zijn dat je je ten onrechte rijk rekent, tenminste als ik met enige zelfkennis in mijn eigen hart rondkijk en zie wat daar allemaal leeft, niet pluis!

Tweede kanttekening: het gaat niet over jou. Wat de tekst juist wil zeggen is dat wij ons allemaal verkijken, jijzelf incluis, dat wij het geen van allen zien, maar dat de Heer het hart aanziet, niet dat van jou, maar van zijn Messias, zijn Gezalfde, zijn Christus.
Dat zijn de woorden. David wordt tot koning gezalfd, hij is de Gezalfde, in het Hebreeuws de Messias, in het Grieks de Christus.
De Heer heeft hém verkoren. Dat hij het was, niemand had aan hem gedacht. Die zeven broers staan op een rij, en met een mooie verteltechniek vestigt het profetenboek de aandacht van de een op de ander, tot blijkt dat ze het geen van zevenen zijn.
Is er een vergissing in het spel? Dat mooie volle getal blijkt niet uit te komen, o nee, er is er nog eentje, het nakomertje, de achtste, neem ons niet kwalijk, die hadden we over het hoofd gezien. Dan de ontknoping: híj is de Gezalfde, de Messias, de Christus.
Het gaat niet over jou, het gaat over de Messias, jij bent de Messias niet, je bent niet eens in staat hem te herkennen, zelfs als hij pal voor je staat, kijk je over hem heen, want ‘De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’

Er is er nog een die het ziet. De leerlingen kijken naar de uiterlijke dingen, de mensen die bijna dagelijks over die blinde bedelaar struikelden, maar hem nooit echt hebben aangezien, herkennen hem niet. Is hij het nou of is hij het niet? Nee, hij lijkt op hem. Er zijn enkele farizeeën die het overduidelijk niet kunnen zien en niet willen zien.
Het is zoals de filosoof Johan Cruijff treffend onder woorden bracht: ‘Je snap het pas, als je het begrijp’. Dat gold van voetbal: ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt.’ Het geldt ook van deze blindgeborene.
Hem zijn de ogen geopend, hij is de enige die het ziet, maar dan ook zo dat hij ziet met wat ik maar even noem ‘een innerlijk oog’, met inzicht – dat is de taal van de mystiek. Maar je mag het ook zo zeggen, met de taal van coaching en management, hij is de enige met visie. De anderen zitten zo gevangen in hun eigen systeem dat ze het niet zien, niet willen, maar ook echt niet kunnen, want dan zou hun hele systeem op de helling moeten en dat kan natuurlijk niet. Vandaar dat ze de enige die het ziet buiten sluiten, uitwerpen.

Daar in het laatste bedrijf van dit evangelieverhaal ontmoeten ze elkaar. De ziende en de Messias, twee outcasts. Dat is kennelijk de plaats waar inzicht en visie je naartoe leiden, naar buiten, je bent uitgeleid. Niet in het centrum van de macht maar in de marge van de samenleving zul jij van dienst zijn. Dat is de plaats van de kerk, daar gedijt zij het best, dat is haar natuurlijke habitat, marginaal, samen met andere marginalen.
Ja, en daarvan, van het herkennen van het messiaanse leven, hebben we geleerd: ‘De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’

inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen