2e zondag Advent, A jaar, 4-12-2022

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 38
  • Bestandsgrootte 136.78 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 1 oktober 2022
  • Laatst geüpdatet 1 oktober 2022

2e zondag Advent, A jaar, 4-12-2022

4 december 2022
Tweede zondag van de Advent

Lezingen: Jes. 11,1-10; Ps. 72; Rom. 15,4-9; Mat. 3,1-12 (A-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 11,1-10
Jesaja 11 behoort tot het Immanuël (met-ons-God)-boek (Jes. 6–12) en vormt samen met Jesaja 9,1-6 de zogeheten messiaanse profetieën. De geboorte van een vredesvorst wordt aangekondigd. Die boodschap van heil wordt nog versterkt door het onheilsorakel in het voorafgaande hoofdstuk, waarin de opmars van de Assyriërs tegen Jeruzalem niets meer in de weg lijkt te staan (Jes. 10,28-32). God zal ingrijpen maar pas als alles verloren lijkt:

Met vreselijk geweld hakt de Heer, de Heer van de machten, de takken door.
De trotse reuzen worden kleingemaakt, en de hooghartigste worden vernederd.
Het struikgewas in het bos wordt met de bijl neergeslagen.
De Libanon wordt door een Machtige kleingemaakt (10,33-34).

De trotse reuzen verbeelden het Assyrische leger dat klaar staat om Jeruzalem in te nemen; ze doen denken aan de Libanon, beroemd om haar ceders. De trotse reuzen die staan voor de machtigen van de wereld, vallen om, terwijl het onooglijke twijgje, waarover Jesaja direct aansluitend spreekt, opschiet uit de wortels. Wat een contrast.

Isaï, de vader van David, wordt hier voorgesteld als de voorvader van het koningshuis van David, dat vergeleken wordt met een twijgje uit de stronk van een omgehakte boom. Die op het oog dode stronk zal leven in zich blijken te hebben, zal uitlopen en een twijg, een telg voortbrengen. Zo verwoordt Jesaja op poëtische wijze dat de Eeuwige een nieuwe David, een Messias, zal zenden die een einde zal maken aan de ellende en uitzichtloosheid van Israël.
Volgens de geslachtslijsten in Matteüs 1,1-17 en Lucas 3,23-38 stamt Jezus via Jozef af van koning David en is deze profetie van toepassing op hem.

Jesaja 11,1 en 11,10 vormen een inclusio (de stronk van Isaï/de wortel van Isaï). Daarbinnen beschrijven de verzen 2-5 de komst van de nieuwe en ideale telg uit het huis van David. Hij zal recht en gerechtigheid brengen – om zijn middel draagt hij een gordel van gerechtigheid en trouw – een wereld zonder vrees en geweld. Hij heeft oog voor de geringen en kwetsbaren. Gods geest, goddelijke aanwezigheid, rust op hem. Wijsheid en inzicht, beleid en kracht, kennis en ontzag voor de Heer zijn de gaven van de Geest en de kenmerken van deze ideale koning. Het is de aankondiging van Gods heerschappij op aarde.
De belofte van die heerschappij wordt als gevolg van de komst van de Messias in de verzen 6-9 concreet ingevuld: vrede en harmonie zullen er zijn onder alle schepselen: ‘Niemand doet nog kwaad of handelt nog verderfelijk op heel mijn heilige berg, want de kennis van de Heer vervult het hele land, zoals het water heel de bodem van de zee bedekt’ (11,9). Hoe meer kennis van en ontzag voor de Eeuwige, des te meer recht en gerechtigheid zal er zijn.

Romeinen 15,4-9
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 3,1-12
Het verhaal over de afstamming en vroegste jeugd van Jezus (Mat. 1-2) wordt gevolgd door de Evangelielezing van vandaag, het optreden van Johannes de Doper, en aansluitend de doop van Jezus door Johannes (Mat. 3,13-17).

De enige buitenbijbelse bron over deze Johannes is te vinden bij Flavius Josephus in De Oude Geschiedenis van de Joden (vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes, Amsterdam, z.j.):

Sommige Joden zagen in de ondergang van het leger van Herodes de hand van God, die zich terecht gewroken zou hebben voor de straf die Herodes had voltrokken aan Joannes bijgenaamd de Doper. Herodes had deze Joannes namelijk gedood. Joannes was een goed man. Hij riep de Joden op deugdzaam te leven, tegenover elkaar gerechtigheid te betrachten, en eerbied tegenover God, en zich door hem te laten dopen. Het eerste diende vooraf te gaan aan het tweede, want alleen dan was het dopen welgevallig in de ogen van God. De doop diende niet tot vrijstelling van zonden, maar was een manier om het lichaam ritueel te reinigen nadat ze daaraan voorafgaand hun ziel al gereinigd hadden door te leven in gerechtigheid.
Toen de mensen massaal toestroomden en ze door naar zijn woorden te luisteren bovenmate opgewonden werden, werd Herodes bang. Hij vreesde dat iemand die over zoveel overredingskracht beschikte, de mensen wel eens tot opstand zou kunnen oproepen. Het leek er namelijk op dat ze in alles zijn raad volgden. Hij vond het veel beter om, voordat er revolutie en ellende van zouden komen, zelf het initiatief te nemen en de man te doden dan om pas als het eenmaal zover was in te grijpen. Daar zou hij dan wel eens berouw van kunnen krijgen.
Herodes vertrouwde hem niet erg. Dus werd Joannes opgepakt, naar het eerder genoemde fort Machaerus overgebracht, en daar gedood. De Joden nu hielden het erop dat het leger ten onder was gegaan omdat God Herodes kwaad had willen doen en dat het een wraakactie was. (Ant. XVIII,116-119)

Deze Johannes nu wordt door alle evangelisten beschouwd als de voorloper van de Messias (Mat. 3,1-15; Mar. 1,1-8; Luc. 3,1-17; Joh. 1,19-34).
Uit het evangelie van Lucas weten we dat Johannes de zoon is van de priester Zacharias en van Elisabet, de nicht van Maria, de moeder van Jezus. Zacharias, vervuld van heilige Geest, profeteert kort na de geboorte van zijn zoon: ‘… En jij, mijn jongen, zult profeet van de Allerhoogste worden genoemd, want je zult voor de Heer uitgaan als zijn wegbereider; om zijn volk te leren hoe het gered kan worden door de vergeving van de zonden’ (Luc. 1,76v).

Dat Johannes de wegbereider van de Heer is, wordt aangegeven met de aanhaling van Jesaja aan het begin van deze lezing (Mat. 3,3 vgl. 11,10) en ook met het slot, wanneer Johannes nadrukkelijk zegt dat er iemand komt die krachtiger is dan hij, die ver boven hem staat, die niet zal dopen met water, maar met heilige Geest en met vuur (Mat. 3,11). Johannes belichaamt de stem die roept (letterlijk: brult, loeit) in de woestijn (lxx Jes. 40,3; vgl. Hebreeuwse tekst: ‘Hoor, een stem roept: Baan voor jhwh een weg door de woestijn’).

Johannes verkondigt de komst van het koninkrijk der hemelen, van Gods koningschap. Echter, God kan alleen koning zijn, als de mensen ‘anders gaan denken’, zoals er letterlijk in Matteüs 3,2 staat (metanoeite meestal vertaald als: bekeer u; zie verder het zelfstandig naamwoord metanoia in 3,8 en 11). Precies dezelfde woorden verkondigt Jezus – voor hem bereidt Johannes de weg – aan het begin van zijn openbare leven: ‘Ga anders denken, want het koninkrijk der hemelen is ophanden’ (4,17).

Hoewel Johannes deze oproep doet in de woestijn, stromen de mensen van alle kanten toe, zelfs vanuit Jeruzalem, dat met de tempel het religieuze centrum van het land is. Ook Jezus komt naar hem en zal zich laten dopen.
In Marcus 1,4 en Lucas 3,3 verkondigt Johannes een doopsel tot vergeving van zonden, echter niet in Matteüs. Want in dit evangelie is Jezus de enige die het werkwoord ‘vergeven’ in de mond neemt; alleen Petrus vormt hier een uitzondering op met zijn vraag in Matteüs 18,21, hoe vaak hij zijn broeder moet vergeven als deze hem iets misdoet?
Daarentegen dient het bloed van Jezus bij het laatste avondmaal alleen in Matteüs tot vergeving van zonden (26,28).
Anders gezegd, in het evangelie van Matteüs is Jezus de enige die zonden vergeeft en zo sprekend de Vader.

Kleding en voedsel karakteriseren het profeet-zijn van Johannes. Zijn kleding stemt overeen met die van de profeet Elia zoals beschreven in 1 Koningen 1,8: ‘Het was iemand met een haren mantel en met een leren gordel om zijn middel. Toen zei de koning: Dan was het Elia, de Tisbiet.’
Elia is opgenomen in de hemel (2 Kon. 2) en volgens de joodse traditie zal hij terugkeren om de komst van de Messias aan te kondigen (Mal. 3,1.23). Alles wijst erop dat Johannes de Doper de teruggekeerde Elia is (Mat. 11,14 en 17,1-13).
Voor de komst van het koninkrijk van God is metanoia, ‘anders denken’, nodig. Het citaat van Jesaja verwoordt dat heel poëtisch: 'Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht.’
Met de komst van het koninkrijk der hemelen is volgens Johannes het oordeel eveneens ophanden. Hij roept ‘de Farizeeën en schriftgeleerden’ (een typisch matteaans koppel) op om daden te doen, waaruit dit anders denken blijkt, hij heeft het niet over hun woorden! Als het goede handelen uitblijft, is er geen sprake van anders denken. Dan kan ook vader Abraham je niet helpen, de rechtvaardige bij uitstek, aan wie een groot en zegenrijk geslacht is beloofd. God kan immers uit stenen kinderen van Abraham verwekken, zelfs onder de heidenen. De ware zoon van Abraham is volgens Matteüs 1,1 Jezus.
In de toon van Johannes (‘adderengebroed’) en later die van Jezus (vgl. 12,34 en 23,33) klinkt waarschijnlijk de vijandigheid tegenover deze beide groepen door van Matteüs zelf.

Later zal Johannes wanneer hij in de gevangenis hoort over de daden van de Messias, Jezus laten vragen: ‘Bent u het die komen zou of hebben we een ander te verwachten? (11,2-3).
Die vraag is niet vreemd wanneer we de woorden in het slotvers van het evangelie beluisteren: ‘De wan heeft hij al in zijn hand, en hij zal zijn dorsvloer opruimen; zijn graan zal Hij verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur’ (3,12). Johannes staat kennelijk een heel ander beeld van de Messias voor ogen dan wat hij over Jezus heeft gehoord. Messias Jezus beantwoordt niet aan dat beeld: ‘Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd’ (11,5).

Literatuur
Dries van den Akker, Ga anders denken. Jezus leren kennen door de bril van Markus, Berne Media 2020


Preekvoorbeeld

Mooi, die Eerste lezing. Zoals die de toekomst schildert waarin iedereen tot zijn recht komt; waarin mensen elkaar niet meer naar het leven staan, een en al harmonie als het is, zelfs tussen de mensen en de dieren. Alsof het aardse paradijs is teruggekeerd. Jawel, het gaat er heel mooi aan toe in de Eer­ste lezing.
Misschien dat die beelden van wilde en tamme dieren die met elkaar grazen, kleuters die leeuwen weiden en kinderen die spelen bij het hol van een adder u wel bekend in de oren klinken. Op de een of andere manier hebben ze zich in ons geheugen gehecht, zozeer spreken ze tot de verbeelding.

Toch, tegelijk met de bewondering voor het paradijselijke van deze lezing kan de vraag opkomen of de profeet het zich niet allemaal heeft verbeeld. Zou hij dit nu echt allemaal gezien, voorzien heb­ben?
Gewoon, rondkijkend in zijn wereld om hem heen, kan de profeet helemaal niet zoveel goeds en moois hebben gezien. Hij spreekt niet voor niets over ‘de stronk van Isaï’. Met het rijk van Isaï’s zoon, David, gaat het helemaal niet goed. Het Davidische koningshuis is in verval, en het volk heeft daaronder te lijden. Wat een bloeiende boom had moeten zijn, vol rijpe vruchten, is een dooie stronk geworden. Aan Gods Woord wordt nauwelijks nog waarde gehecht. Ja, hier of daar mis­schien, bij de een of ander, zoals bij Jesaja. Gods volk stelt, de goeden niet te na gesproken, niet veel meer voor: onrecht overal, onbetrouwbare rechtspraak, machtsmisbruik. Wat de profeet ook ziet, geen vrede, geen paradijselijke toestanden.
Wat de profeet ziet lijkt op wat wij zien, de goeden niet te na gesproken. Als wij om ons heen kijken naar de vruchtbare boom die de Kerk had kunnen en moeten zijn, dan zien wij hier bij ons toch ook eerder een armetierige struik dan een bloeiende boom. Nogmaals, de goeden niet te na gesproken, het totaalbeeld van de Kerk is toch vooral doods en vruchteloos. Om moedeloos van te worden.

En niet alleen in de Kerk, ook in onze samenleving is er veel van wat ons het geloof kan benemen dat het ooit nog wat wordt met onze wereld. In plaats van vruchten van recht en vrede, omdat wij ons aan Gods Woord houden, wordt er gewelddadigheid geoogst, vreemdelingenhaat, verrechtsing; onbetrouwbaarheid bij onze eigen overheid en po­litici en wereldleiders schuwen steeds minder de leugen als politiek instrument. En het lijkt dat er veel te weinig mensen van goede wil zijn, en als ze er zijn lijken zij niet sterk genoeg, om dit tij te kunnen keren. Dit is wat wij zien om ons heen. Zouden wij het de profeet durven nazeggen dat dit allemaal ooit in zijn tegendeel zal verkeren, en wij weer een vruchtbaar volk van God zien, en een wereld waarin kinderen weer kunnen spelen bij het hol van een adder?
De profeet zegt van wel. Waarom eigenlijk? Hoe weet hij dat? Weet hij wat anderen, wij, gewone stervelingen, niet weten? Heeft hij een verschijning gehad of stemmen gehoord misschien? Of heeft hij anders gekeken?

Profeten, en Jesaja dus ook, kijken niet gewoon. Zij kijken met de ogen van het geloof. En het ge­loof ziet dit: die dooie stronk is en blijft Gods volk. Hoe uitgebloeid en verdord ook, zij blijven Gods mensen. Profeten kijken met een geloof dat weet dat God zijn volk niet als een dooie stronk heeft gewild maar als een boom die goede vruchten zal voortbrengen. En omdat God dit niet wil, ziet de profeet die stronk opnieuw uitlopen en in bloei staan en vruchten voortbrengen. Gods mensen kúnnen gewoonweg niet onvruchtbaar blijven, want God heeft ze geschapen om vruchtbaar te zijn. Daarom gelooft God bij monde van Jesaja in een nieuwe oogst van vrede.
Wij hier staan in een traditie van mensen die Jezus Christus herkend en erkend hebben als zo’n nieu­we vrucht van de weer uitlopende stronk van Isaï. Wij geloven dat de profeet gelijk heeft gekregen en dat God zijn stronk niet aan zijn lot heeft overgelaten, maar tot nieuwe bloei heeft gebracht.
Het bijzondere van deze nieuwe, vruchtbare loot aan die stronk is, dat wij ook vandaag nog, nu, er onze vruchtbaarheid aan kunnen ontlenen. Als wij van deze vrucht eten, worden ook wij vruchtbare loten aan de boom die God heeft geplant en wordt ook in ons Gods volk weer levend en vruchtbaar.
Dit kan, omdat wij dankzij Christus iets kunnen wat voor die vruchtbaarheid heel belangrijk is: wij kunnen leven als zusters en broeders van elkaar. Jezus heeft ons immers voorgehouden en voorge­leefd dat God de oorsprong van ieders leven is en het doel ervan. Allemaal danken wij ons leven aan God en God bewaart het voor ons tot in zijn eeuwigheid. Jezus heeft alle mensen aanvaard als zijn broeder en zuster, omdat zij voor Hem kinderen van dezelfde Vader zijn. Dit geloof kan ons tot mensen maken die, net als Jezus, vruchten voortbrengen van recht en vrede. Als wij serieus nemen dat wij elkaars broeders en zusters zijn, kunnen wij zo in vrede leven met elkaar dat de boom van Gods volk er weer een wordt die niet misstaat in het paradijs dat Jesaja gezien, voorzien heeft.
Vandaar ook Paulus’ oproep in de Tweede lezing, om eensgezind te blijven. Om onze broeder- en zusterschap sterker te laten zijn dan alles wat ons uit elkaar kan drijven. Dat wij broeders en zusters zijn van elkaar zou ons immuun moeten maken voor alles wat ons tegen elkaar kan opzetten, met zoveel kwalijke gevolgen van geweld, oorlog en maatschappelijke ongelijkheid. Er zijn van die mensen die immuun zijn voor gevoelens van haat en wrok. Nelson Mandela was zo iemand, en bis­schop Tutu. ‘Aanvaard elkaar als leden van één gemeenschap’ zegt Paulus, ‘want alleen op deze manier kan de stronk van de Kerk weer tot bloei komen en vruchtbaar worden.’
Het rijk der hemelen is nabij, roept een andere profeet, Johannes de Doper, voor Jezus uit. Het is na­bij, want als wij ons laten dopen met de Geest van Jezus, hoeven wij niet te wanhopen aan onze ei­gen vruchtbaarheid. Dat hoeft dan niet, ook al zien wij met de ogen van ons hoofd niet meteen, en misschien zelfs niet op de lange duur, hoe de vruchten van ons geloof de wereld ten goede komen.
Maar als wij met de ogen van ons geloof durven kijken naar de vruchten die wij voortbrengen, dan zien wij een bescheiden boompje dat in weer en wind te schudden staat, maar dat, omdat het Gods boompje is, door geen storm zal worden geveld. En als we er dan ook nog vruchten aan vinden, niet veel misschien en sommige misschien wel wormstekig, kunnen wij ons daardoor toch laten sterken in het vertrouwen dat God ons niet in de steek laat, en dat er dus hoop blijft op overvloedige, para­dijselijke vruchtbaarheid: een wereld vervuld van liefde tot God en dus van vrede.
Hij die gekomen is om de Geest te schenken die dit mogelijk maakt, is weer meer nabij dan ooit. En dat is zeker het geval als wij zijn komst, straks met Kerstmis, op zo’n manier vieren dat die Geest over ons vaardig kan worden.
Dat deze Adventstijd ons dat geve.

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld dr. Jan van den Eijnden OFM