20e zondag dhj, A jaar, 20-8-2023

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 76
  • Bestandsgrootte 104.69 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 6 juni 2023
  • Laatst geüpdatet 6 juni 2023

20e zondag dhj, A jaar, 20-8-2023

20 augustus 2023
Twintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 56,1.6-7; Ps. 67; Rom. 11,13-15.29-32; Mat. 15,21-28(A-jaar)

 

Inleiding

Is het heilsaanbod van God er voor iedereen, of beperkt tot het volk Israël? Hoewel het in het Oude Testament vooral gaat om het verbond van God en zijn volk, zijn er af toe grootse openingen naar alle mensen. Ook voor Jezus zelf blijkt het een vraag tot wie Hij gezonden is. Alleen maar tot de verloren schapen van het huis Israël (Matteüs 15,24)? Een heidense vrouw brengt Jezus tot het inzicht dat Hij grenzen kan overgaan!

Jesaja 56,1.6-7
Met hoofdstuk 56 begint het door exegeten genoemde derde deel van het profetenboek Jesaja (56–66), het zogenaamde Trito-Jesaja. De schrijver of schrijvers zijn niet bekend, maar ze borduren voort op de profetieën van de eerste Jesaja (1–39) en Deutero-Jesaja (40–55). De profetieën van deze zogenaamde Trito-Jesaja worden gesitueerd in de tijd van de terugkeer uit de Babylonische ballingschap (vanaf 539 vChr.).
We lezen de verzen 1,6 en 7; 2-6 en 8 ontbreken. Jesaja 56,1-8 is een opmerkelijk fragment waarin het heil van jhwh openstaat voor allen die de gerechtigheid betrachten en de sabbat houden. Dit geldt ook voor hen die niet tot het Joodse volk behoren. Centraal staat het onderhouden van recht en gerechtigheid (Jes. 56,1), waarmee de ethische dimensie van de Wet wordt bedoeld. In de verzen 3-4 blijkt dit ook te gelden voor de vreemdelingen en castraten. Zij worden toegelaten tot de gemeenschap die in de tempel viert. De castraten kunnen zelfs een plek krijgen die boven die van de kinderen van Israël staat: ‘aan hen geef Ik in mijn huis en binnen mijn muren een gedenksteen en een naam’ (Jes. 56,5).
Het houden van de Wet is belangrijker dan de bloedband van het volk. Voor de vreemdelingen geldt dat ze naar de heilige berg Sion – de tempel! – worden gebracht door God als ze zich bij jhwh aansluiten, Hem dienen en eren, de sabbat onderhouden en trouw blijven aan het verbond. De tempel krijgt zelf een nieuwe naam: ‘Huis van gebed voor alle volken’ (Jes. 56,7). Zo worden Israël en de tempel weliswaar het centrum van de godsdienst, maar principieel openstaand voor alle mensen. Begon zo niet de belofte gedaan aan Abraham bij zijn roeping: ‘Om u zullen alle geslachten op aarde zich gezegend noemen’ (Gen. 12,3). De roeping van Israël is uiteindelijk bedoeld om alle volkeren tot heil te strekken.

Romeinen 11,13-15.29-32
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 15,21-28
Jezus verlaat Galilea en komt het heidense gebied van Tyrus en Sidon (nu de kuststreek van Zuid-Libanon). Het terugtrekken duidt op een retraite of gebedspauze zoals Hij dat eerder probeerde (Matteüs 14,13). Hij is nu nadrukkelijk in heidens gebied. Wellicht dat Hij hier verwacht even met rust gelaten te worden.
Het loopt echter anders, een bewoonster van de streek – hier een Kanaänitische vrouw genoemd – komt luid roepend op Jezus af. We zien vaker dat mensen hun nood uitroepen in de hoop op genezing (zie bijvoorbeeld Matteüs 20,30 waar twee blinden luidkeels om Jezus ontferming smeken; zie ook 9,27). De Kanaänitische spreekt Jezus als Messias aan als ware zij een gelovige Joodse, die weet wie Jezus is: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David’ (Mat. 15,23). Ook de twee blinden in Matteüs 9,27 roepen Hem aan als Zoon van David. Al in de eerste zin van het evangelie wordt Jezus zo omschreven: ‘Afstamming van Jezus Christus, zoon van David…’ (Mat. 1,1).
Voor de vrouw lijkt het vanzelfsprekend dat ze als niet-joodse vrouw een beroep kan doen op Jezus. Het gaat om haar dochter die van een duivel bezeten is. Het verhaal ontwikkelt zich echter niet tot een genezingsverhaal, maar focust op de vraag of Jezus’ zending zich ook uitstrekt buiten Israël, dat wil zeggen tot de niet-joden. Pas in de laatste zin van de perikoop belooft Jezus dat het verlangen van de vrouw zal worden ingewilligd.

Het voelt ongemakkelijk dat Jezus niet op de vrouw reageert. Het wordt nogal fors gezegd: Hij geeft haar ‘niet eens antwoord.’ Wat is er aan de hand: is Hij verbouwereerd over haar vraag of weet Hij zich geen raad? Het is bijna niet te rijmen met de Jezus die we tot nu toe hebben leren kennen. Is Hij zo anders op vreemde bodem? De leerlingen roepen Jezus wel op tot een reactie, maar dat is er een die oproept tot het wegsturen van de vrouw. Ze vinden haar lastig omdat ze hen achterna blijft roepen. Ook de leerlingen zien blijkbaar geen aanleiding om Jezus tot handelen aan te zetten.
Dan komt Hij toch met een reactie die bijna gelijk is aan het wegsturen van de vrouw: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël’ (Mat. 15,24). Jezus spreekt geheel in lijn met de zendingsopdracht aan de Twaalf: ‘Sla de weg naar de heidenen niet in, en ga een stad van de Samaritanen niet binnen. Maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël’ (Mat. 10,5-6). Het zijn degenen binnen het Joodse volk die van het geloof (het volgen van de Wet) zijn afgedwaald waartoe Jezus zich gezonden weet. Zoals Hij het eerder verantwoordde toen Hem verweten werd met tollenaars en zondaars om te gaan: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel’ (Mat. 9,12).
De zending strekt zich nog niet uit tot de niet-joden. Overigens genas Jezus eerder wel de zoon van de honderdman (Mat. 8,5-12). Daar lijkt het als negatief voorbeeld te dienen ten opzichte van zijn geloofsgenoten. In het heidense land van de Gadarenen heeft Jezus demonen uitgedreven, maar de pointe is daar de strijd met de demonen die Jezus kennen en niet zozeer de identiteit van de bezeten mannen.
De vrouw geeft zich echter nog niet gewonnen. Ze knielt voor Jezus neer en vraagt nogmaals om hulp. Nogmaals beargumenteert Jezus waarom Hij niet kan, of liever wil helpen. Hij gebruikt daar een beeld dat moeilijk anders dan beledigend voor de vrouw te noemen is: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven’ (Mat. 15,26). De Joden zijn hier de kinderen, de (onreine) hondjes de heidenen. Brood is hier beeld voor het heilvolle optreden van Jezus. Het brood van de overvloedige maaltijden aan het meer en het Laatste Avondmaal is naast brood ook teken voor het hele heilsaanbod van Jezus zelf.
De vrouw lijkt het beeld dat Jezus gebruikt te begrijpen en dient Hem op uitermate scherpe wijze van repliek: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen’ (Mat. 15,27). De Tafel van de Messias is zo overvloedig dat er voldoende overblijft voor de heidenen. Werden er na de wonderbaarlijke maaltijden ook geen korven vol brokken opgehaald? (Mat.14,13-21 en onmiddellijk na onze perikoop in 15,29-39) De vrouw lijkt Jezus te moeten overtuigen van zijn eigen grootheid als Messias. Het opmerkelijke resultaat is dat Jezus inderdaad zijn mening herziet en de vrouw looft vanwege haar grote geloof. Haar wens gaat in vervulling en haar dochter is onmiddellijk genezen.
Op de achtergrond van dit verhaal mogen we de ontwikkelingen na Pasen zien. Al snel zijn er steeds meer niet-Joden geïnteresseerd in de Blijde Boodschap van Christus en sluiten zich aan bij de prille kerk. In het boek Handelingen en de brieven van Paulus wordt hierover uitgebreid verslag gedaan.

 

Preekvoorbeeld

Een vrouw, duidelijk in grote nood, roept luidkeels om hulp. Haar dochter wordt vreselijk door een demon gekweld. Zij is geen joodse, maar een vreemdelinge; uit het gebied van Tyrus en Sidon. Ginds in dat heidens land heeft ze gehoord over een Jezus van Nazareth, een man die Zoon van David wordt genoemd en die ze aanspreken met Heer. Op hem vestigt zij nu al haar vertrouwen. Hij kan maken dat het met haar dochter goéd komt... Ze staat voor alle mensen die worden gekweld om iemand die aan hun zorg is toevertrouwd. Haar dochter, door een demon gekweld, is niet ziek. Een zwaardere last kan een moeder niet dragen. Maar Jezus geeft geen krimp. Heeft hij haar misschien niet gehoord? Zijn leerlingen in elk geval wél, want zij dringen er op aan: Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen. Zij hebben geen greintje begrip voor haar, noch voor de nood van haar dochter. Nu ja, denken we dan, dat zijn zijn leerlingen. Zij hebben misschien nog niet goed door waar het Jezus om te doen is. Maar Jezus had die vrouw maar al te goed gehoord. Hij heeft haar bewust genegeerd. Daar sta je dan als vrouw, helemaal alléén…

Maar Jezus ligt overhoop met zichzelf. Hij ligt in de clinch met de mentaliteit en de opvattingen waarin hij is opgegroeid. Hij heeft immers van kindsbeen af thuis en in de synagoge geleerd dat God er enkel is voor wie tot zijn volk behoort, en die vrouw is een vreemde. Zij is een heidense en leeft niet volgens de Wet van Mozes. Men vond dat zo iemand geen recht heeft op de Liefde van God. Vandaar dat Jezus' antwoord erop neerkomt: ‘Mevrouw, ik ben gezonden naar mijn eigen volk. U hoort daar niet bij.’

De vrouw laat zich alvast niet van de wijs brengen: ‘God heeft zovéél aan Israël te bieden’, zegt ze, ‘dat er voor de heidenen nog genoeg overblijft.’ Daar kan Jezus niet tegen op. U hebt een groot geloof zegt hij. En als Hij de grote nood ziet die uit haar ogen spreekt en haar groot vertrouwen, beseft Hij dat Hij er ook voor haar moet zijn. God wil altijd het gesprek met iederéén aangaan. God sluit niemand uit, dat doen mensen. Hoe kan hij dan weigeren het op te nemen voor deze vrouw in nood? Deze zogezegd heidense vrouw bevrijdt Jezus van zijn vooroordelen. Ze verlost hem van zijn diep ingebakken angsten en twijfels. Om geloof is het Jezus te doen. Daarom is Hij bereid zijn eigen opvattingen in vraag te stellen. Als Hij haar nu zou wegsturen, dan zou dat helemaal in tegenspraak zijn met het niéuwe dat Hij verkondigt. Want in de manier van samenleven die Jezus op het oog heeft – het koninkrijk van God – wordt niemand uitgesloten, worden zwakken met respect benaderd en worden vreemdelingen niet gekleineerd. God is er ook voor hen, want God is een God van Liefde. En Gods Liefde gaat naar álle mensen, hoe verschillend ze ook zijn. Onze God is ook de God van allen die Hem niet kennen en niet van Hem willen weten en de God van hen die door anderen worden uitgesloten…

Ook wij zijn geen joden. Voor joden zijn ook wij vreemdelingen. Maar God heeft zoveel te bieden dat er ook voor ons nog genoeg overblijft van de rijke joodse geloofstraditie, zoals we daarnet hoorden van de profeet Jesaja: De vreemdeling die zich met de Heer heeft verbonden om Hem te dienen en zijn naam lief te hebben, zijn offers worden op mijn altaar aanvaard. Daarvoor komen wij hier wekelijks samen, om op het spoor te komen van wat God ons vandaag wil zeggen en Hem eer te brengen door zijn Woord in ons op te nemen. Hij roept ons op te geloven in zijn Liefde zonder grenzen.
Want daarom wordt dit verhaal ons verteld. Ons beeld van God staat op het spel. Wat Jezus kwam brengen was niet de boodschap dat we dankzij onze prestaties God moeten verdiénen, maar de zekerheid dat Hij ons onvoorwaardelijk liefheeft. God is pure Liefde en sluit niemand uit. Hij wil het leven met ons delen en meeleven met ons wel en wee. Die zekerheid dat God met ons verbonden wil zijn maakt ons leven mooi. Geloven wordt dan aanvaarden dat wij door God aanvaard worden, zoals we zijn. Als we dan de anderen naast ons ook aanvaarden zoals ze zijn, zijn we het zuiverste beeld van God. Als dat lukt, zegt Jezus ook tot ieder van ons: U hebt een groot geloof...

inleiding drs. Marc Brinkhuis
preekvoorbeeld Paul Heysse