2023-95- aflevering 1

By 10 februari 2023 No Comments
[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 146
  • Bestandsgrootte 627.35 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 10 februari 2023
  • Laatst geüpdatet 10 februari 2023

2023-95- aflevering 1

Nummer 1– 95ste jaargang 2023 – januari/februari

TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING

UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN

Redactionale H.M.J. Janssen OFM

1 januari 2023 H. Maria, Moeder van God
inleiding prof. dr. P.C. Beentjes
preekvoorbeeld drs. F.W.M. van der Knaap MA

8 januari 2023 Openbaring des Heren
inleiding prof. dr. G. Rouwhorst
preekvoorbeeld prof. dr. J.B.M. Wissink

15 januari 2023 Tweede zondag door het jaar
inleiding H. Janssen OFM;
preekvoorbeeld drs. K. Touwen

17 januari 2023 Dag van het Jodendom
inleiding H. Janssen OFM

22 januari 2023 Derde zondag door het jaar
inleiding drs. M.J. Brinkhuis;
preekvoorbeeld G.A.W. Martens

29 januari 2023 Vierde zondag door het jaar
inleiding G. van Buul OFM;
preekvoorbeeld drs. B.H.G.M. Piepers

5 februari 2023 Vijfde zondag door het jaar
inleiding dr. J.G. Beckers;
preekvoorbeeld dr. J. van den Eijnden OFM

12 februari 2023 Zesde zondag door het jaar
inleiding dr. Y. van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld drs. M.G.J. van der Post

19 februari 2023 Zevende zondag door het jaar
inleiding prof. dr. K. Spronk;
preekvoorbeeld prof. dr. J.J. de Lange

22 februari 2023 Aswoensdag
inleiding drs. Th. A.F.M. van Adrichem OFM;
preekvoorbeeld H.J. Boerkamp

26 februari 2023 Eerste zondag van de Veertig-dagentijd
inleiding prof. dr. H. Ausloos;
preekvoorbeeld P.H.W. Verheijen

Homiletische hulplijnen 100 drs. K. Touwen

 

Redactionale

 

Denk niet dat ik gekomen ben om
de Tora of de Profeten af te schaffen.
Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen,
maar om ze opnieuw te realiseren!
(Matteüs 5,17)
Kom naar mij toe, onwetenden,
en vestig je in mijn Leerhuis.
Waarom lijden jullie nog gebrek
en is jullie geest zo dorstig?
Ik roep jullie op:
Verwerf wijsheid, kosteloos.
Leg haar juk op je nek,
laat je geest onderrichten,
de wijsheid is vlakbij.
(Sirach 51,23-25)

 

Geachte lezers en lezeressen van Tijdschrift voor Verkondiging – digitaal,

Aan het begin van de nieuwe jaargang, de 95ste, wens ik u namens de redactie een zalig en gezegend 2023.
Op de eerste zondag van de Advent (27 november 2022) is het huidige A-jaar liturgisch al begonnen. Aan de hand van Tora en Profeten (Mat. 5,17) laten wij ons vooral door de evangelist Matteüs wegwijs maken in Gods blijde boodschap tot zegen van mensen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld! (28,20; 1,23).
Het kapittel van de Minderbroeders Franciscanen in de Lage Landen heeft in mei 2022 besloten tot voortzetting van het provincieproject Tijdschrift voor Verkondiging voor de komende drie jaar: Met het tijdschrift willen we blijven bijdragen aan een goede verkondiging in Nederland en Vlaanderen, gevoed door de Schrift (bestuur).

Ter bestrijding van de kosten zijn vrijwillige bijdragen van harte welkom op
NL52 ABNA 0416 2441 81 ten name van Minderbroeders Franciscanen in de
Lage Landen Den Bosch. Bij voorbaat hartelijke dank.

De opzet van ons oecumenisch tijdschrift blijft dezelfde: exegetische inleidingen, preekvoorbeelden, homiletische hulplijnen en bijzondere bijdragen voor de zon- en feestdagen van het kerkelijk jaar. De themaboeken zijn verkrijgbaar via de boekhandel. Helaas is het financieel niet meer mogelijk om nieuwe themaboeken uit te geven.

TvV-digitaal is door iedereen – gratis – te downloaden of uit te printen. Van deze service wordt tot onze vreugde zeer veel gebruik gemaakt. Wilt u anderen op deze service attent maken.
Elke maand wordt de website bij de tijd gebracht, zodat de bijdragen ruim één maand voor de desbetreffende zon- en feestdagen beschikbaar zijn. De website wordt ondersteund door een nieuwsbrief, met reminders van deze verversingen en eventueel ander nieuws. Wie graag deze nieuwsbrief ontvangt kan zijn/haar e-mailadres opgeven bij: aanmelden voor updates (de knop helemaal bovenaan).

Voor publicaties die in dit Matteüsjaar goede diensten kunnen bewijzen, verwijs ik naar:

Tijdschrift voor Verkondiging 92,1, januari/februari 2020, blz. 3
De Nieuwe Bijbelvertaling 21, Haarlem/Antwerpen 2021
Andries Govaart, De weg die je goeddoet. Verzamelde liederen, Middelburg 2022

Alle medewerk(st)ers dank ik bij voorbaat voor hun bijdragen. Suggesties ter verbetering van TvV zijn van harte welkom.
De redactie hoopt ook dit jaar weer met exegetische inleidingen, preekvoorbeelden, homiletische hulplijnen en bijzondere bijdragen aan u, pastores, predikanten en leden van liturgische werkgroepen, een vreugdevolle dienst te bewijzen bij de voorbereiding op en de verkondiging van Gods blijde boodschap.
De redactie hoopt dat steeds meer mensen van onze website gebruik gaan maken. De exegetische inleidingen zijn ook zeer geschikt om te gebruiken in bijbelgroepen en leerhuizen.
De redactie wenst u een vruchtbaar gebruik toe van ons digitaal tijdschrift in uw omgang met de Schrift en in uw dienst van de verkondiging van de Schrift tot zegen van mensen.

Vrede en alle goeds!

Henk Janssen OFM,
hoofdredacteur

Arnhem, Jonas, Allerheiligen/Hervormingsdag 2022

Gezegend de lezer,
gezegend die horen wat God voor ogen staat,
dat wij ter harte nemen
wat hier klinkt, want de tijd dringt.
            (Andries Govaart, 65)

 

 

1 januari 2023
H. Maria, Moeder van God

Lezingen: Num. 6,22-27; Ps. 67; Gal. 4,4-7; Luc. 2,16-21 (A-jaar)  

Inleiding

Numeri 6,22-27
Een spectaculaire vondst
Over Numeri 6,22-27 – algemeen bekend als ‘de priesterlijke zegen’ – is vanuit historisch en archeologisch perspectief het nodige te melden. Een gedeelte ervan vormt namelijk de oudste ooit opgegraven Hebreeuwse tekst die ook in de Bijbel voorkomt. De verzen 24-26 staan in Oud-Hebreeuws schrift gegraveerd op twee uiterst kleine zilveren cilinders die in 1979 zijn ontdekt in een grot onder de Schotse kerk in Kefer Hinnom te Jeruzalem. De grot bleek een familiegraf uit de 7de-6de eeuw vChr. Vanwege de enorme broosheid van de cilindertjes heeft het nog flink wat jaren geduurd voordat de Oud-Hebreeuwse tekens erop hun geheim prijsgaven. Het bleek te gaan om een groot gedeelte van de tekst die ook in Numeri 6,22-27 te vinden is. Omdat de teruggevonden cilinders uit de 7de-6de eeuw stammen, bestaat er discussie over de vraag of deze tekst wel een citaat uit het Oude Testament kan zijn, of dat het gaat om een al bestaande tekst die als zelfstandige formule in omloop was en later in de Hebreeuwse Bijbel is opgenomen. Het feit dat Numeri 6,22-27 daar niet of nauwelijks verankerd is in de omringende context mag daarbij zeker als argument worden meegewogen. In 1953 had een Griekse archeoloog trouwens al gemeld dat hij in een synagoge uit de 4de eeuw in Thessaloniki op een marmeren plaat een Griekse tekst van de priesterlijke zegen had gevonden.

Een prachtig gedicht
De zeer poëtische tekst (vv. 24-26) wordt ingeleid met een nogal in het oog springende ‘getrapte communicatielijn’. God spreekt tot Mozes (v. 22) die tot Aäron en zijn zonen moet spreken door te zeggen: ‘Op deze wijze moeten jullie de zonen van Israël zegenen door tot hen te zeggen: …’ (v. 23). Dan volgt een prachtige poëtische tekst met een heel bijzondere opbouw en inhoud:

het eerste vers (v. 24) telt drie woorden;
het tweede vers (v. 25) telt vijf woorden;
het derde vers (v. 26) telt zeven woorden.

In elk van deze drie verzen vormt de onuitsprekelijke Godsnaam (JHWH) steeds het tweede woord. In het afsluitende vers (v. 27) wordt daarop in een mooi beeld uitdrukkelijk teruggegrepen: ‘Zij [Aäron en zijn zonen] zullen mijn naam op de zonen van Israël leggen en ik zal hen zegenen’. De Griekse vertaler moet gedacht hebben dat dit slot mogelijk tot misverstanden zou kunnen leiden en heeft daarom ‘ik’ voorzien van de toevoeging ‘de Heer’. Ook de Nieuwe Bijbelvertaling wijkt in dit slotvers af van de Hebreeuwse grondtekst door niet alleen bepaalde woorden naar een ander zinsdeel te verplaatsen, maar ook door een expliciet parallellisme op te nemen, waar dat in het origineel niet het geval is. ‘De zonen van Israël’ staat nu helemaal achteraan in het slotvers – ‘zal ik de Israëlieten zegenen’ – terwijl ‘hen’ uit het laatste deel van dit vers is verplaatst naar het begin en is geëxpliciteerd als ‘het volk’.

Zegenen
Het valt mij steeds weer op dat in het genre boeken dat bijbelse woorden en hun geheimen toelicht en uitlegt het lemma ‘zegenen’ vaak niet is opgenomen. Naar de reden ervan kun je alleen maar gissen. Niet zelden krijg ik de indruk dat ‘zegenen’ te veel wordt geassocieerd met of geïnterpreteerd als ‘een kruisteken maken’, terwijl de bijbelse inhoud ervan ongelooflijk rijker en belangrijker is. Wie een poging waagt om het woord ‘zegenen’ te omschrijven, komt uit bij een heel scala aan situaties die alle als weldadige kracht van God uitgaan. Om er enkele te noemen: volheid, welzijn, vruchtbaarheid, gezondheid en geluk. Wanneer er sprake van is dat mensen ‘zegenen’, dan is dat meestal in de betekenis ‘God lovend dankzeggen voor al dat soort positieve zaken’ – vooral in de Psalmen – en minder vaak in een wat meer afgeleide betekenis van ‘iemand groeten’.
Terwijl in de verzen die de poëtische tekst omringen (vv. 23 en 27) sprake is van ‘de zonen van Israël zegenen’, valt op dat in de drie tussenliggende verzen (vv. 24-26) een ‘jij’ – niet een ‘u’ zoals in de meeste vertalingen – het object van de werkwoorden is. Je kunt dit uitleggen door te zeggen dat ieder lid van het volk als individu wordt toegesproken, maar ik acht het zeker niet ondenkbaar dat we hier te maken hebben met een zeer oude zelfstandige tekst die tot de pelgrim werd gericht bij diens bezoek aan de tempel en later werd opgenomen in de compositie die nu ‘het boek Numeri’ heet.

Wens of constatering?
Hoewel het niet gebruikelijk is om op ‘gewone’ zondagen ook de psalm in de exegetische inleiding te betrekken, is dat voor vandaag onvermijdelijk. Psalm 67 heeft niet alleen in vers 2 duidelijke aanknopingspunten met de passage in Numeri 6,24-26, het lijkt zelfs een vorm van citeren, zij het dat de betreffende uitspraken in een andere volgorde staan en als object ‘ons’ hebben waar de priesterlijke zegen ‘jou’ gebruikt.
Psalm 67 geeft daarnaast ook aanleiding tot een vertaaltechnisch debat. Wie de psalm in een aantal bijbelvertalingen naast elkaar legt, en vooral op het slot let, ziet onmiddellijk wat er gaande is. Terwijl de ene groep vertalingen het slotvers weergeeft als een wens (o.a. Petrus Canisius; nbv), heeft het in andere de vorm van een vaststelling (o.a. Statenvertaling; nbg51; Willibrordvertaling 1995).
In de vakliteratuur over Numeri 6,22-27 vinden we een soortgelijk debat: de zegentekst dient volgens sommigen dan ook niet vertaald te worden als een wens, maar als een constatering die door de priesters wordt uitgesproken. De Griekse tekst uit de synagoge van Thessaloniki wordt daarbij mede als argument gebruikt, omdat deze in de werkwoordsvormen (vaststellend) inderdaad afwijkt van die in de Septuaginta (wensvorm).

Literatuur
Een uitstekende toelichting bij deze discussie geeft Nico Tromp, Psalmen 51-100 (Belichting van het Bijbelboek), ’s-Hertogenbosch 2001, 86-90
Zie vooral H. Jagersma, ‘Enkele opmerkingen over het gebruik van de iussivus in de priesterlijke zegenspreuken van Numeri 6:24-26’, in: Dr. H. Jagersma, Tekst & interpretatie. Studies over getallen, teksten, verhalen en geschiedenis in het Oude Testament, Nijkerk 1990, 83-88

Galaten 4,4-7
Zie: J.H.M. Lammers, ‘Galaten. Appel aan een weifelende gemeenschap’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 31-37

Lucas 2,16-21
De achtste dag
Waar de passage uit Numeri gekozen lijkt met het oog op het begin van het nieuwe jaar waarop we elkaar een ‘zalig Nieuwjaar’ wensen, is de lezing uit Lucas beter te plaatsen. Deze Nieuwjaarsdag is immers de achtste dag na de geboorte van het kind, het moment waarop de besnijdenis plaatsvindt en het kind een naam krijgt: Jezus (Luc. 2,21). In het oude Romeins missaal bestond de evangelielezing dan ook inderdaad uit dit ene vers. Maar omdat het thema van vandaag om een of andere reden is verschoven van besnijdenis naar Maria, werd de passage die eraan voorafgaat (vv. 16-20) toegevoegd. Want daarin staat een uitdrukkelijke mededeling over Maria: ‘Maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken’ (v. 19). Een gelijkenis met vader Jakob uit Genesis 37,11 dringt zich op.
Vreemd genoeg werd vers 15 niet in de evangelielezing opgenomen, terwijl het veel ingrediënten bevat die voor een goed begrip van het verdere verloop van belang zijn. Zo is het verhaal nu beroofd van zijn geografische identiteit (‘Betlehem’) en dus van zijn davidische connotaties (Luc. 2,5. 11). Ook blijft nu iets heel opmerkelijks en fundamenteels uit beeld. De herders hebben het over ‘wat de Heer ons bekend heeft gemaakt’ (v. 15). Maar er was toch sprake van ‘een engel van de Heer’ (2,9)? Wanneer we in dit vers verder lezen, zien we een prachtige toespitsing: ‘ze [de herders] werden omgeven door de stralende luister van de Heer’. Herders die zeker in die tijd niet tot een breed gewaardeerde beroepsgroep behoorden, worden nu de directe boodschappers van het goede nieuws. Hopelijk mogen ook wij nu horen tot ‘Allen die het hoorden’, niet alleen de weggegumde inwoners van Betlehem.

 

Preekvoorbeeld

Afgelopen nacht om twaalf uur, een punt in de tijd, ooit afgesproken met elkaar, zeiden wij het oude jaar vaarwel en verwelkomden wij het jaar 2023. Zo’n specifiek moment in de tijd dóet wat met ons, mensen van de ‘dag’. Wij zijn immers ‘gemaakt’ van tijd. Wij gebruiken hem en máken soms zelfs tijd: voor elkaar, voor ons werk, voor God...(?) Maar dat gebeurt altijd met kleine hapjes, want in een week, een maand, laat staan een heel jaar, verslikken wij ons. Door terug te kijken, of te blikken naar wat komt, ontstaat er perspectief; krijgen wij een verleden en kunnen wij werken aan een toekomst. In dat ‘bad’ mogen onze verkalkte individualiteit en eenzaamheid zich oplossen, ontstaan er mogelijkheden om te groeien in verbinding met elkaar en met God. Immers, gedeelde vreugd is dubbele vreugd en gedeelde smart, halve smart. Betrokkenheid is de sleutel op de deur naar geluk in ons leven.
Wij hebben de ander, de Ander, nodig!

God weet dat. Daarom neemt Hij het initiatief. Al in het begin van de Bijbel lezen wij dat God zijn schepping zegent: wordt vruchtbaar en wees talrijk. Al zegenend geeft God zijn werk krácht en zijn beste wensen mee (Gen. 1,22.28.2,3). Tegen Abraham zegt Hij: ‘Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken, en u zult tot een zegen zijn (Gen. 12,2)’. Ja, als je gezegend wordt, mag je ook tot zegen zijn. In de eerste lezing vandaag (Num. 6,22-27), evenals in de antwoordpsalm 67, wordt Gods zegen plechtig uitgesproken. Deze tekst, ‘de priesterlijke zegen’, die behalve in de Schrift ook teruggevonden is op twee kleine stukjes zilver uit ca. 600 vChr., verhaalt van de zegen en bescherming die God geeft. Zegenen is méér dan een gebaar, een formule, of een kruisteken. Wanneer God ons zegent betekent dit, dat Hij helemaal op en bij ons betrokken is. Wij leven ons bestaan zélf, maar in zijn liefde en met zijn kracht biedt God ons hulp. Hij spreidt de glans van zijn gezicht over ons uit en zet ons in zijn licht. Zijn naam luidt JHWH: ‘Ik ben er voor jou’.

Dat Gods vaderschap zich, via Jezus, ook over ons allen uitstrekt, is een gedachte die door Paulus in de tweede lezing wordt uitgewerkt. Jezus is als zoon van God, geboren uit een vrouw, een mens, opdat wij állen de rang van zonen zouden krijgen: kinderen van God; niet langer slaaf, maar erfgenaam. Wij zijn dus ‘gezegend’. Zullen wij ook tot zegen zijn? Hierin is Maria ons tot voorbeeld. Zij wordt genoemd: ‘Moeder van God’. Als moeder van Gods Zoon kreeg zij deze titel, een metafoor in zilver en goud, om aan te geven hoe sterk verweven zij is in het scheppingsplan van God. Met ín haar hart alles wat zij eerder van de herders in Betlehem over Jezus heeft gehoord, betreedt Maria, met Jozef en het kind, de tempel. Daar ontvangt haar zoon, acht dagen oud, de naam die de engel had genoemd, Jezus: ‘God redt’. Ja, God is er voor ons. Zo zal Jezus, ook in het nieuwe jaar, ons tot zegen zijn.
Wat doet dat met ons, zullen wij voor elkaar tot zegen zijn?

Je ziet het soms, iemand die een kruisje op het voorhoofd van een ander tekent en die mens een zegen meegeeft. Wanneer we groeien in het besef dat wij worden geroepen tot zegen te zijn door te delen in elkanders vreugde en verdriet, geven wij God alle ruimte.
Onder zijn zegen van harte een zalig Nieuwjaar gewenst!

inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld drs. Frank van der Knaap MA


8 januari 2023
Openbaring des Heren

Lezingen: Jes. 60,1-6; Ps. 72; Ef. 3,2-3a.5-6; Mat. 2,1-12 (A-jaar)


Inleiding

Vrijwel alle oosterse en westerse kerken kennen het feest van de Openbaring van de Heer. Overal wordt het gevierd op de zesde dag van de eerste maand van het nieuwe jaar (in de westerse kerken dus op 6 januari). Tegelijkertijd is opmerkelijk dat er op het eerste gezicht weinig eenstemmigheid bestaat over de inhoud van het feest. De meeste oosterse kerken vieren de doop van Jezus in de Jordaan (die in het nieuwe Romeinse Missaal op de eerstvolgende zondag na 6 januari wordt gevierd). De Armeense kerk die geen apart Kerstfeest kent, viert zowel de geboorte als de doop van Jezus. De westerse kerk volgt de traditie van de stad Rome, waar het bezoek van de drie ‘magiërs’ – later geïnterpreteerd als de ‘drie koningen’ – van meet af aan het centrale thema van het feest is geweest. Maar een tijdlang werden in sommige westerse regio’s (Gallië, Noord-Italië) drie ‘mysteriën’ herdacht: de doop van Jezus; het bezoek van de drie ‘wijzen’ en als derde ook nog het Kana-wonder.
Gelet op de vele betekenissen die met het feest worden geassocieerd, is het niet verwonderlijk dat er door historici veel is gespeculeerd over de oorsprong van het feest. Sommige menen dat er een samenhang met ‘vóórchristelijke’ midwinterfeesten zou zijn die zouden zijn verchristelijkt. Anderen benadrukken het specifiek christelijke karakter van de dagen en meenden dat de christenen uit de Vroege Kerk ofwel de geboorte ofwel de doop van Jezus wilden herdenken en dachten dat één van beide gebeurtenissen op 6 januari plaats zou hebben gevonden. In beide verklaringen lijkt een kern van waarheid te vinden. Het meest aannemelijk is dat het feest in de vierde eeuw is ontstaan in Jeruzalem waar men op de vooravond van 6 januari naar Bethlehem trok om de geboorte van Christus te vieren in de Geboortekerk die rond 330 werd gebouwd. Pelgrims namen het feest van 6 januari zogezegd mee naar de regio’s waar ze vandaan kwamen, en voerden het daar in. Het punt was echter dat daar op de meeste plaatsen vrij snel een ander feest was ingevoerd: het feest van de geboorte van Jezus op 25 december. De dag van 6 januari moest dus een andere bestemming krijgen. In de meeste oosterse kerken ging men de doop van Jezus in de Jordaan vieren. Rome en ook Noord-Afrika waar Augustinus bisschop was, kozen voor een andere oplossing. Hier werd een centrale plaats toebedeeld aan de drie magiërs (of: wijzen). Dat was geen willekeurige keuze. In Rome waren aan het einde van de vierde eeuw veel mensen – en dat gold met name ook voor de bovenlaag – nog geen christen geworden. De drie magiërs nu stonden voor de niet-joden, voor de volkeren, die Christus kwamen vereren met hun bezoek. ‘Heidenen’ die nog niet in Christus geloofden, werden aangespoord om hun voorbeeld te volgen. Een echt christelijk feest dus. Maar dat betekent niet dat degenen die veeleer aan invloeden van vóórchristelijke feesten dachten, er helemaal naast zaten. Het kan niet toevallig zijn dat het feest van de Openbaring – net als Kerstmis – midden in de winter viel, in de periode waarin de zon weer voorzichtig aan kracht begon te winnen. Kerkvaders waren zich daar heel duidelijk van bewust en verwijzen vaak naar het thema van het licht en de zon. Ze betrekken het alleen op de ‘Openbaring’ van het Licht dat Christus is, die zich openbaarde, hetzij tijdens de geboorte (de magiërs gingen het licht van de ster achterna), hetzij tijdens de doop (volgens sommige tekstvarianten van Mat. 3,17 zou er op het moment dat de Geest afdaalde op Jezus een licht zijn verschenen).

Matteüs 2,1-12
Dit alles vormt de achtergrond voor de keuze van de lezingen in het liturgische leesrooster van deze dag. We vinden er de algemene thema’s van ‘licht’ en ‘openbaring’ die alle tradities met elkaar gemeen hebben, maar ze sluiten ook naadloos aan bij de specifieke, westerse invulling van het feest: het motief van de drie magiërs en, daarmee samenhangend,de nadruk op het universele karakter van de openbaring die gericht is tot alle volkeren waarvan de wijzen uit het oosten de representanten zijn.
Uitgangspunt van de lezingen die nauw op elkaar zijn afgestemd, is de evangelielezing uit Matteüs. Het verhaal van de drie magiërs zit vol symbolische zinspelingen en verwijzingen naar oudtestamentische passages. Dat de mysterieuze magiërs uit het oosten komen, kan niet toevallig zijn. Waar ze precies vandaan komen, is moeilijk te zeggen. Men denkt meestal aan het Perzische Rijk. Daar worden ze ook door de vroegchristelijke traditie gesitueerd. Hoe dan ook, ze komen uit een oostelijke regio die vér weg lag. Ze waren ook geen Joden, maar afkomstig uit de volkeren. Dat ze een ster volgden zou er op kunnen duiden dat ze astrologische kennis hadden. Het is vrijwel zeker dat hier ook wordt verwezen naar de waarzegger Bileam die volgens Numeri 22,5 in Mesopotamië, aan de Eufraat woonde en van de koning van Moab de opdracht kreeg om het Joodse volk te vervloeken, maar daar door de engel van de God van Israël van werd weerhouden en het volk juist zegende (Num. 22–24). Het is in dit verband opmerkelijk dat volgens de Septuagintversie van Numeri 23,7, Bileam ‘uit het oosten’ kwam en dat hij volgens joodse tradities een magiër was. Zoals Bileam het Joodse volk niet vervloekte, maar zegende, zo voerden de drie magiërs het verzoek van koning Herodes om de verblijfplaats van het kind te melden niet uit en vereerden het juist.
Opmerkelijk is ook de rol van de ster die met de magiërs meereist en hen naar de plek gidst waar Jezus is geboren. Ook hier wordt waarschijnlijk gezinspeeld op het verhaal van Bileam die in Numeri 24,17 profeteert dat er een ‘ster zal opkomen uit Jakob’, een passage die in de joodse traditie vaak gelezen is als een verwijzing naar de Messias.
Behalve magiërs spelen ook koningen een sleutelrol in de verhalen. Het zijn niet de ‘drie koningen’. Het gaat enerzijds om koning Herodes die hier wordt afgeschilderd als de wrede tiran bij uitstek, en de pasgeboren ‘koning van de Joden’ die door de magiërs wordt gezocht en als een koning met geschenken wordt vereerd (Ps. 72,10). Wat voor koning hij is, dat hij een soort antikoning is, zal in de loop van het Matteüsevangelie duidelijk worden, met name in het lijdensverhaal (zie Mat. 27,11 en 29,37).

Jesaja 60,1-6
De eerste lezing is ontleend aan het laatste deel van het boek Jesaja dat misschien kort na de terugkeer uit de ballingschap is ontstaan. De passage schetst een visionair beeld van het nieuwe Jeruzalem en de tempel die in alle luister zullen worden hersteld. Opmerkelijk in deze passage – en in het hele derde deel van Jesaja – is dat de luister van de tempel niet alleen voor het volk Israël, maar voor alle volkeren zal stralen. Deze komen van heinde en verre – onder andere van het Arabisch schiereiland (Midjan; Kedar) en misschien uit het huidige Ethiopië (Sjeba?) – naar Jeruzalem en brengen wierook en goud als geschenken met zich. De meest directe aanleiding voor de keuze van deze perikoop zal vermoedelijk de vermelding van de laatstgenoemde geschenken zijn geweest, maar niet minder opmerkelijk is het brede, universele perspectief dat hier wordt opgeroepen. Mensen afkomstig uit alle volkeren krijgen deel aan het licht van Gods heerlijkheid.

Psalm 72
Psalm 71 (72) sluit nauw op de lezing uit Jesaja aan. Ook hier komen volkeren van heinde en verre naar Jeruzalem, maar hier staat juist het thema van het koningschap centraal. De centrale figuur is hier de rechtvaardige koning – door het opschrift geïdentificeerd met Salomo – die recht doet aan armen en zwakken (v. 4). En de koningen van de landen die in de eerste lezing worden genoemd, onderwerpen zich aan hem en betalen belasting aan hem. Het is met name de parallel met deze passage die verklaart waarom de magiërs in de christelijke traditie vrij snel koningen zijn geworden. Afgezien daarvan, opent deze psalm weer een ander nieuw perspectief op het koningschap van het pasgeboren kind: hij is een rechtvaardige koning die opkomt voor armen en zwakken!

Efeziërs 3,2-3a.5-6
Het universele karakter van het feest van de Openbaring wordt nog eens onderstreept door de tweede lezing die afkomstig is uit de brief aan de Efeziërs. De ‘heidenen’ hebben deel gekregen aan de erfenis waar de joden al deel aan hadden. Het is wel belangrijk de passage aandachtig te lezen en zorgvuldig te interpreteren. Er staat niet dat de hele erfenis van de joden nu naar de heidenen is gegaan, zoals eeuwenlang steeds weer is betoogd: de heidenen zijn mede-erfgenamen geworden! En ze maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben deel aan dezelfde belofte (v. 6).

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

 

Preekvoorbeeld

De Wijzen waarover het evangelie spreekt, heten in het Grieks Magoi, Magiërs dus. Het zijn mensen die de sterren lezen, horoscopen trekken. Een beetje vreemd volk dus. Het jodendom had er niet zoveel mee op. Daar hadden ze op zich wel een goede reden voor. Mensen lezen zo graag horoscopen vanuit een zekere angst of een grote nieuwsgierigheid. Men heeft angst en wil graag allerlei voorzorgsmaatregelen nemen: een gewaarschuwd mens telt voor twee. Of men wil weten hoe het met anderen gaat en met zichzelf, gewoon uit nieuwsgierigheid. Maar in dat laatste geval maakt men zichzelf tot toeschouwer: hoe zal het allemaal gaan? Wanneer je gelovig met God wilt leven, in het vertrouwen dat Hij zorg voor je draagt en in een liefde die lijkt op de zijne, dan laat je je niet zo beheersen door angst en ben je er eerder in geïnteresseerd hoe je heilig kunt leven voor Gods aangezicht en wat je voor je naaste kunt doen, dan alleen maar nieuwsgierig. Dus Joden moesten niet zoveel van dat horoscopenvolk hebben.

En toch zijn ze daar vandaag ineens: drie Magiërs, drie sterrenwichelaars. Ze hebben een hele bijzondere ster gezien. En dus zijn ze op zoek gegaan naar de betekenis van die ster. Schijnbaar zit er in hun sterrenwichelarij toch meer dan alleen maar bezwering van angst en loze nieuwsgierigheid. Ze lijken toch ook zoiets te zoeken als waarheid: als er een teken komt, ga je op zoek naar de oorzaak. En dus zijn ze op tocht gegaan.

Ze komen bij de Joden, die op God vertrouwen en dus niet zoveel van die sterrenwichelarij moesten hebben. En wat blijkt: de koning van de Joden is al evenzeer van angst bezeten. ‘Ga een nauwkeurig onderzoek instellen naar het Kind en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan, opdat ook ik het hulde kan gaan brengen.’ Later in het evangelie horen we wat die hulde inhoudt: alle mogelijke kandidaten voor dat wonderlijke kind worden vermoord. Het is de beroemde kindermoord van Betlehem, die we op 28 december herdacht hebben.

Het evangelie zet de dingen dus weer eens op zijn kop. De mensen van wie je het niet verwacht, die blijken meer goeds te hebben dan we dachten en mensen uit de kring van ‘ons soort mensen’ blijken aan de verkeerde kant te zitten. Ik betrek het maar even op mezelf. Over het algemeen ben ik niet zo enthousiast over wat er uit de hoek van de esoterie komt. Ik heb er te weinig geloof voor, terwijl zij dan zeggen dat je het niet hoeft te geloven, omdat ze aan wetenschap doen. Ik trap daar niet in, omdat ik die richting ook in de theologie heb meegemaakt en ik dat slechte theologie vond. Ik heb daar op zich geen schuldgevoel bij. Maar het evangelie van vandaag zegt me wel: sluit je ogen niet voor wat er wél waar aan is en ook niet voor waar er een echt spiritueel verlangen schuil gaat onder wat jij denkt als gezweef te moeten zien.

Dat er onder de mensen uit de eigen kring, ‘ons soort mensen’ dus, ook slechteriken zijn, dat weten we ondertussen wel. Als katholieken zijn we de afgelopen jaren overstelpt met berichten over geloofsgenoten, waar je je ronduit voor schaamt. Het bekendste zijn natuurlijk de berichten over het seksuele misbruik van pubers en kinderen door mensen van de kerk.          Maar voor we de zaak helemaal omkeren en alle buitenkerkelijken voor goed gaan houden en de kerkelijken voor slecht, moeten we verder lezen: bij de kribbe treffen de Magiërs het Kind, maar ook zijn moeder Maria. Matteüs, die normaal veel plaats heeft voor Jozef, vermeldt hem in dit geval niet. Maar natuurlijk hoort Jozef bij het vaste bestand van de kerststal. Maria en Jozef vertegenwoordigen het ware Israël: dat waartoe het geroepen is. Zij zijn de medegelovigen, op wie je trots mag zijn. Zij zijn rechtvaardigen. Van Jozef wordt dat expliciet gezegd: hij is de rechtvaardige, die erover dacht in stilte van Maria te scheiden, terwijl dat hem het verwijt zou kunnen opleveren, dat hij haar zwanger had gemaakt en haar nu liet zitten. Hij doet dat, omdat hij weet, dat hij niet de vader is van haar kind, maar haar niet in opspraak wil brengen als een slet.
Daarom heet hij een rechtvaardige: hij doet naar Maria toe het goede, overdadig goeds zelfs, meer dan verwacht zou mogen worden. In een droom hoort hij dan, dat hij niet weg hoeft te gaan, als God aan het werk is. Integendeel, God heeft nog een taak voor hem in petto. En Maria, met haar ‘mij geschiede naar uw wil’ is het beeld geworden van waar het in de kerk om gaat.

En zo zijn er velen gevolgd. We kennen er een boel bij naam: de heiligen. Niet dat ze allemaal en altijd volmaakt waren, maar wel dat ze op een of andere manier iets van Jezus in hun leven gerealiseerd hebben. Maar we hoeven hier niet alleen aan de officiële heiligen te denken. Er zijn er zoveel meer, op wie we trots zouden zijn, als we meer van hen zouden weten. Ik zeg dit niet, om van ons weer triomferende katholieken te maken. Zo van: uiteindelijk zijn wij toch de besten. Ik zeg het wel, omdat we ondankbaar zouden zijn als we de echte gelovigen zouden vergeten en wanneer we hun voorbeeld zouden vergeten. Wat er aan goeds, waars en moois is, moet door ons bewonderd worden. Of het nu om magiërs gaat of om openbare of verborgen heiligen. Ze horen allemaal tot die gemeenschap, waar God ons in geplaatst heeft, rondom de kerststal.

Amen.

 

inleiding prof. dr. Gerard Rouwhorst
preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink

 

15 januari 2023
Tweede zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 49,3.5-6; Ps. 40; 1 Kor. 1,1-3; Joh. 1,29-34 (A-jaar)

 

Inleiding

Profetenlezing: Jesaja 49,1-6 

Groot was Jesaja en betrouwbaar in zijn visioenen.
In zijn tijd ging de zon achteruit
en werd het leven van de koning verlengd.
Met zijn grote geest zag hij de laatste dingen
en sprak hij de treurenden van Sion moed in.
Hij kondigde aan wat ging gebeuren, tot in de verste toekomst,
voordat het gebeurde voorspelde hij wat nog verborgen was.
(Sirach 48,22b-25)

In Jesaja 40–55 hebben wij niet te maken met één profeet die optreedt, maar met een redactieproces door een groep tempelzangers, ‘die de boodschap van troost en de nieuwe heilstoekomst verkondigen aan de Babylonische gola, de joden in ballingschap, en, na hun thuiskomst in het kader van de eerste grote terugkeer rond 520 vChr., ook aan de bevolking van Juda en Jeruzalem’ (Ulrich Berges).
De tempelzangers maken veel gebruik van ‘oudtestamentische tradities’, en met name ook van de Psalmen 96 en 98. Zij herlezen deze tradities met het oog op de opbouw van Jeruzalem van na de ballingschap.
In onze perikoop hebben wij te maken met de tweede profetie van de dienaar van JHWH. De ebed (dienaar/dienstknecht) is niet een bepaald ambt zoals koning, priester of profeet. In de Bijbel worden verschillende mensen ebed genoemd: aartsvaders (Gen. 26,24), Mozes (Ex. 14,31), Levieten (Ps. 113,1), profeten (Jes. 20,3), koningen (2 Sam. 3,18), een eenzame bidder (Ps. 27,9) en Israël (Jer. 30,10). De ebed is iemand die in een bijzondere verhouding tot JHWH staat, trouwe dienstbaarheid betoont en een speciale bescherming van JHWH geniet. In Jesaja 40–55 is er vaak van deze ebed sprake. Wie met de ebed bedoeld wordt, blijft vaak onduidelijk. In de loop der tijden is de benaming ebed toegepast op een nieuwe Mozes, de profeet Jesaja, koning Kores (45,1), Israël, de messias enz… Blijkbaar spreekt de opdracht van de ebed zo tot de verbeelding dat steeds opnieuw mensen zich erin kunnen herkennen en er bemoediging uit kunnen putten.
In de eerste ebed-profetie (42,1-4) wordt de profeet door JHWH aangesproken en wordt aan hem zijn zending opgedragen. In de tweede ebed-profetie spreekt de dienaar de verre volken aan. Hij stelt zich aan hen voor, belijdt wie hij is: Al in de schoot van mijn moeder heeft JHWH mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde Hij mijn naam (49,1.5; vgl. Jer. 1,4-10). Omdat zijn opdracht niet altijd gemakkelijk is, heeft JHWH hem goed uitgerust (49,2v). Hij zal niet voor niets ebed van JHWH zijn.
Hij is er vast van overtuigd dat JHWH hem bijstaat en recht zal doen: de Betrouwbare is zijn sterkte en hij geniet aanzien bij Hem.
De opdracht is niet gering: de stammen van Jakob terugbrengen, de stammen van Israël verzamelen en hen terugbrengen naar de Bevrijder. Bovendien zal de redding die JHWH brengt zich uitstrekken tot alle volken, tot de einden der aarde: Ik zal je maken tot een licht voor alle volken!
Voor deze opdracht heeft JHWH zijn dienaar nodig, in hem zal Hij zijn kabod (gewicht) tonen, zal Hij stralend aan het licht komen (49,6v).

Ach, mijn volk en mijn kinderen, luister,
ook vandaag klinkt het woord uit mijn mond.
Keer je om, keer je hart tot de Ene.
Ik verwacht je, vernieuw mijn verbond.
(Andries Govaart, lied 301,5)

Lezing uit de Brieven: 1 Korintiërs 1,1-3
De brief aan de Korintiërs is geschreven door Paulus, apostel – afgezant – van Christus Jezus en geroepen door de wil van God (16,21). De begroeting doet hij samen met broeder Sostenes met wie hij een pastoraal team vormt. Paulus richt zich in deze brief aan de ecclesia van God te Korinte, maar via hen ook tot allen die geroepen zijn om heiligen te zijn en aan allen die de Naam van Jezus Christus – waar ter wereld ook (vgl. Jes. 49,1-6) – aanroepen. De brief is dus bestemd voor de lokale kerk te Korinte maar ook voor heel de kerk, de gemeenschap van gemeenschappen. Genadevolle vrede van God en van de Heer Jezus Christus wensen zij hun toe.

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Evangelielezing: Johannes 1,29-34
In het Johannesevangelie ligt alle nadruk op de persoon van Jezus, terwijl het bij de synoptici gaat om de verwijzing naar Gods koninkrijk dat op handen is. Johannes raakt niet uitgezongen over de namen die hij aan Jezus geeft: Hij is de logos, het licht, de eniggeboren Zoon, de heilige van God, de profeet, de van God gekomen leraar, de Heer, het brood, de deur, de goede Herder, de weg, de betrouwbare ten leven. Jezus is de ware representant van God, degene die in zijn spreken en handelen één met God is.
Johannes herschept het scheppingsverhaal uit Genesis (1,1–2,4) met zijn lofzang op het Woord dat bij God was, mens is geworden en onder ons zijn tent heeft op geslagen, vol van genade en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.
Van Hem getuigt Johannes en vanuit Jeruzalem zijn priesters en Levieten naar Johannes gezonden met de vraag: Wie bent u? Johannes laat er geen onduidelijkheid over bestaan: Ik ben niet de Messias. Hij is ook niet Elia of een andere profeet. Met een verwijzing naar de profeet Jesaja, zegt Johannes: Ik ben de stem die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer.
Op de vraag waarom hij toch doopt, als hij niet de Messias is of een van de profeten, antwoordt Johannes: Ik doop met water, maar in uw midden is iemand die u niet kent, Hij die na mij komt. Johannes bekent dat hij onwaardig is om de riemen van zijn sandalen los te maken, terwijl dat gold als minderwaardig slavenwerk.
De volgende dag ziet Johannes Jezus naar zich toekomen: Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Johannes heeft ook langzaam moeten ontdekken wie meer en eerder was dan hij, wie Hij was.

amnos (lam) kan ook knecht/dienaar (Jes. 49,1-6) of kind (Ex.1,16) betekenen.
amartia (zonde) betekent: de gebrokenheid van het bestaan/afwezigheid van het goede (tof).
In de Eucharistie bidden we tijdens het communiceren: Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons (volgens mij is het beter om te bidden: zonde).

Vanuit de hemel krijgt Johannes antwoord: Wanneer de Geest als een duif uit de hemel neerdaalt en op Jezus blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.
Johannes, die doopt met water, heeft dit gezien en getuigt: Hij is de Zoon van God.
Het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt is voor Johannes de Zoon van God geworden, helemaal bij God horend, God.

Gekomen is wie leven doet en hoedt,
            de vredevorst van alzo hoge,
            Verschenen is het licht der wereld,
            wie ongezien was zien wij oog in oog.
            (Andries Govaart, liederen 171,3)

Literatuur

A. Heschel, De Profeten, Vught 2013
A. Govaart, De weg die je goeddoet. Verzamelde liederen, Middelburg 2022
H. Welzen, Tasten naar het Geheim, Berne 2016, 198-2001
A. van Wieringen, Jesaja, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2009

 

Preekvoorbeeld

Soms delen wij onze werkelijkheid in alsof er twee krachten in aan het vechten zijn: goed en kwaad, licht en duisternis, recht en slecht. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Welke van tweeën krijgt de overhand? Het is een dubbeltje op zijn kant. Dat wij de wereld zo indelen, heeft zijn redenen. Die redenen liggen in ons hachelijk bestaan, wij voelen ons soms een speelbal op de golven van goed en kwaad, licht en duisternis, recht en slecht. Alsof wij daar zelf geen invloed op hebben. Nee, dat hebben we vaak niet. We zijn afhankelijk van hoe de kaarten geschud zijn. Er zijn machten en krachten groter dan wij die het voor het zeggen hebben, die bepalen ons bestaan en onze lotgevallen, goed of kwaad, licht of duisternis, recht of slecht.
Het is de wijsheid van het geloof altijd een beetje tegen te sputteren als de wereld zo in tweeën wordt gedeeld. Zijn ze echt tegen elkaar opgewassen, van hetzelfde kaliber, vergelijkbaar? Het is de wijsheid van het geloof te zeggen dat alleen het licht ertoe doet. Duisternis is slechts afwezigheid van licht. Zodra je een klein kaarsje hebt aangestoken voor een foto, bij een crucifix, is de duisternis al op de vlucht geslagen, z’n schaduwen deinzen terug. De duisternis bestaat niet, en zij weet het. Zo is het ook met goed en kwaad. Het goede bestaat, het kwade heeft geen substantie, geen poot om op te staan. Het kwade is niet meer dan de afwezigheid van het goede. Door één goede daad raakt het kwaad geheel ontwricht. Met recht en slecht is het al net zo. Alleen het recht heeft raison d’être, bestaansrecht, een richting en een doel. Wat slecht is, is er slechts als het recht ontbreekt, met voeten getreden, geweld aangedaan wordt.
Daarom moeten wij onze wereld niet in tweeën indelen, alsof God en de duivel met elkaar in gevecht zijn en we ons af moeten vragen wie van tweeën met de eer gaat strijken. Nee, er is er Eén die regeert. De wijsheid van het geloof houdt het bij goed, licht, recht. Al het andere, dat ons soms te machtig is, is niet meer dan een afwezigheid van dat waar wij aan geloven. Het is niet alleen de wijsheid maar ook de moed van het geloof de wereld zo te zien dat kwaad, duisternis en wat in- en inslecht is, slechts schijngestalten zijn, er zit niets achter, je prikt er doorheen. Laten wij blijven bij wat goed is, licht en recht.

Ik kom hierop door die bekende zin in de het gloria en het agnus Dei: Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis. ‘Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U over ons.’ Die zin is ontleend aan het evangelie van vandaag. Johannes de Doper ziet Jezus naar zich toe komen, en hij zegt: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’
Dat lam van God, Christus, is Gods aanwezigheid in de wereld. Niet alleen daar en toen, historisch, maar ook en vooral hier en nu, sacramenteel. Het lam van God is Christus in zijn meest kwetsbare gestalte, de dienaar van de Heer, van wie de profeet Jesaja sprak. Geen keizer maar een knecht. Elders zegt de profeet van hem: ‘Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht’ (Jes. 53,3) en hij vergelijkt hem met ‘een schaap dat naar de slacht wordt geleid’ (Jes. 53,7). Ons woord ‘hostie’ is afgeleid van het Latijnse woord hostia, dat ‘slachtoffer’ of ‘offerlam’ betekent (Ef. 5,2). En elke keer dat wij brood en wijn ontvangen, komt hij ons tegemoet als de levende die herkend wordt aan zijn wonden, die hij opliep toen hij de zonde van de wereld wegdroeg.

Johannes de Doper spreekt van ‘de zonde van de wereld’ (enkelvoud). De liturgie zingt van ‘de zonden van de wereld’ (meervoud), maar dat is te groots en meeslepend gedacht. Zonde is saai, het is altijd dezelfde makken met jou en met mij, nooit eens wat anders, we stinken er elke keer weer in, we doen het zelf, altijd het zelfde, die ene zonde.
De liturgie ziet ons veeleer in een creatief liederlijk leven, nu eens dit, dan weer dat, maar wat dit betreft houdt de liturgie ons maar puberale wensdromen voor, want het is niet waar. Wij zondigen niet in grote variëteit, wij laten telkens dezelfde steek vallen. Zonde is saai.
Wat de liturgie hier in dat meervoud wellicht ook parten speelt is dat het de zonde een beetje moraliseert, ja, en dan kun je er een hele catalogus op naslaan. Hoe dat gaat zie je aan de verschillen in associaties die wij hebben bij een zondaar en een zondares. Een zondaar knoeit met tweedehands auto’s, een zondares is een verleidster. Bij een zondaar denken we de zonde in zijn portemonnee, bij een zondares onder haar gordel. Dat alles is niet wat de bijbel onder zonde verstaat, het is moralisering van de zonde, eerder een inbreuk op kleinburgerlijk fatsoen dan dat het het bijbelse verhaal van God en de mensen vertelt.
Johannes de Doper spreek van ‘de zonde van de wereld’, enkelvoud. Dat is dat wij het laten afweten, niet thuis geven, onze verantwoordelijkheid links laten liggen, telkens weer. Het oerverhaal vertelt dat Adam de schuld afschuift naar zijn vrouw: ‘Nee, ik was het niet, U moet bij haar wezen, zij heeft mij de verboden vrucht gegeven.’ En dat zijn vrouw de schuld afschuift naar de slang. ‘Nee, ik heb het niet bedacht, er is hier maar een kwade genius en dat is de slang. Als u verhaal wilt halen moet u bij hem zijn.’ Zonde (enkelvoud) is telkens weer dit patroon, dat wij verstek laten gaan, dat wij de beslissing laten aan een ander, en dat die tenslotte terechtkomt bij de slang.

Zodat wat Johannes hier tegenover elkaar stelt, ons nu duidelijk wordt. Het lam van God is zijn aanwezigheid in de wereld, zijn presentia realis, zijn daadwerkelijke tegenwoordigheid die verschil uitmaakt, bevrijdt, verzoent, vergeeft, mensen in rechte verhoudingen zet.
En de saaie zonde waarvan hij spreekt, is onze afwezigheid in de wereld, ons afschuifgedrag, dat wij duiken, de schuld aan een ander gegeven, onze verantwoordelijkheid niet nemen.
‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’ We stonden er net bij stil dat alleen het licht bestaat, duisternis is slechts de afwezigheid van licht. Dat alleen het goede bestaat, het kwaad is niet anders dan de afwezigheid van iemand die goed doet. Dat alleen het recht bestaat. Zo is het ook met wat mooi is en lelijk. Alleen schoonheid bestaat, lelijkheid is slechts afwezigheid van schoonheid. En nu naar wat Johannes bedoelt. Alleen de aanwezigheid van het lam van God doet ertoe. De volgende dag wijst hij weer op hem: ‘Daar is het lam van God’ (v. 36). Onze afwezigheid, dat is onze zonde, verbleekt ten overstaan van hem. Onze afwezigheid deinst terug bij de aanblik van zoveel tegenwoordigheid van geestkracht, liefde en gehoorzaamheid. Daar staat de dienaar van de Heer, in volle verantwoordelijkheid. Onze afwezigheid – dat wij niet dáár zijn waar God ons verwacht – is slechts een schim van zijn aanwezigheid, midden in de wereld, waar God hem verwacht.
In bijzijn van het lam van God wordt alles anders. Daarom staat het hier aan het begin van het evangelie zoals het er staat: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’ Niet weg zál nemen, nee, alleen al door er te zijn néémt hij de zonde der wereld weg. Hij roept vrijheid en verantwoordelijkheid vrij bij ieder die opkijkt en de vinger van Johannes de Doper volgt. ‘Daar, het lam van God’, een en al aanwezigheid van Hem aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.

inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

 

17 januari 2023
Dag van het Jodendom

Week van gebed voor de eenheid van Kerken en Christenen

 

 

I. Inleiding
In 2007 hebben de Nederlandse bisschoppen besloten tot de instelling van een jaarlijkse Dag van het Jodendom. Deze dag vindt jaarlijks plaats op 17 januari, de dag vóór het begin van de Internationale Bidweek voor de Eenheid. Deze plaatsing is van symbolische betekenis. De dialoog van christenen met Joden – onze oudste broer -zal ook de eenheid tussen christenen kunnen bevorderen. Alleen wanneer wij ons steeds meer bewust worden van de wortel die ons draagt (Rom. 11,18), kunnen christenen de in Jezus Christus geschonken liefdeseenheid bereiken.
De dag van het Jodendom dient een stimulans te zijn om het hele jaar door met Joden en hun traditie in gesprek te gaan, om samen te lernen, om samen met hen – in gelijkwaardigheid – te werken aan de humanisering van onze mensenwereld, door gerechtigheid te doen en vrede te stichten op onze zuster moeder aarde.
In 2023 is de Dag van het Jodendom in de Rooms-Katholieke Kerk op 17 januari 2023 (helaas niet voorafgaande aan de Internationale Bidweek voor de Eenheid: 15-22 januari 2023).

 II. Sterke Vrouwen
Het jaarthema is Sterke Vrouwen.
Wij kennen waarschijnlijk allemaal het begin van Spreuken 31,10-31: Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? In het Jodendom begint met deze tekst de huisliturgie op de sjabbatavond. De katholieken kennen hem vooral als Schriftlezing bij de uitvaart van een overleden vrouw. Maar de Bijbel kent veel meer teksten waarin vrouwen de hoofdrol spelen – als raadgever, probleemoplosser, moeder, dochter, profeet, leerling, steunpilaar, overlever, verantwoordelijke leider en redder van bedreigde levens, denk aan bijvoorbeeld Debora, Jaël en Abigaïl.
Over die vrouwen en andere vrouwen uit de Joodse en christelijke tradities gaat deze Dag van het Jodendom. Ter herkenning en inspiratie voor vrouwen en mannen.

Exemplarisch voor al deze prachtvrouwen geef ik een uitleg van Spreuken 31,10-31.
In het boek Spreuken – behorend tot De Geschriften – dat op naam van de wijze koning Salomo staat (1,1), staat de wijsheid centraal. Deze ambachtelijke ervaringswijsheid is een leidraad voor en een verdieping van het dagelijks leven. Deze wijsheid wordt bezongen als Vrouwe Wijsheid (1,20) en ontspringt aan een diep ontzag voor JHWH: Het begin van alle kennis is ontzag voor JHWH (1,7; 31,30).
Het loflied op een krachtdadige vrouw vormt het slot van Spreuken. Het is niet een lofzang op een degelijke huisvrouw, maar op – het een sluit het ander niet uit! – een prachtige zelfstandige vrouw, een gelijkwaardige van haar man, echt een hulp tegenover hem (Gen. 2,23). Haar kwaliteiten worden in dit alfabetisch geordend gedicht van A tot Z bezongen.
Zij is sterk, edel, dapper, krachtig, vermogend, waardevol en een krans voor haar man (31,10; 12,4), meer waard dan kostbare edelstenen. Haar man, die in de stadspoort recht spreekt en een groot aanzien geniet, kan volledig op haar bouwen. Hij heeft profijt van haar en bejubelt haar (31,11-12.23.28). Zij is niet de vrouw van een aanzienlijk man, maar haar man is de echtgenoot van een vrouw in aanzien.
Zij wordt niet bejubeld vanwege haar vele kinderen (Ps. 18,3), maar haar kinderen prijzen háár (31,28). Zij geeft op een voortreffelijke wijze leiding aan haar huisgezin (31,15.27). Met vreugde spint en weeft zij en vervaardigt kleding en gordels voor haar gezin en verkoopt deze ook aan kooplui (31,18.24).
Zij is een bekwame ondernemer die uit verre streken inkoopt, akkers koopt en wijngaarden aanlegt (31,14vv). Bovendien is zij wijs en geeft zij liefdevolle lessen. Zij is een ruimhartige vrouw die oog heeft voor de tranen van de behoeftigen die zij van harte ondersteunt (31,20). Van de vroege ochtend tot de late avond is zij in de weer, niets doen is haar onbekend en de dag van morgen ziet zij lachend tegemoet.
Uit haar verschijning spreken kracht en waardigheid, terecht zingt haar man haar toe: Er zijn vele sterke vrouwen, maar jij overtreft ze allemaal! Zo’n wijze vrouw is een gave van JHWH.
Zij kan een prachtige vrouw zijn en dit allemaal met vreugde doen, omdat zij leeft vanuit een diep ontzag voor JHWH, daarom wordt zij geprezen en wordt haar toegewenst: Moge zij de vruchten plukken van haar werk, mogen haar daden worden geprezen in de poorten! (31,30v).

Deze wijze vrouw verpersoonlijkt de Wijsheid zelf, daarom vormt Spreuken 31,10-31 een inclusio met Spreuken 1-9, waarin Vrouwe Wijsheid wordt bezongen, wijsheid die waardevoller is dan koralen (3,13vv; 31,10). Volgens Jezus Sirach is de ware wijsheid niets anders dan de Tora: Dit alles ligt besloten in het verbondsboek van de allerhoogste God, de Tora, die Mozes ons heeft gegeven als bezit voor Jakobs gemeenschap (vgl. Bar. 4,1) In deze lijn is de prompte vrouw ook een verpersoonlijking van de Tora. Een midrasj bij Spreuken 31,10 zegt het zo: Een vrouw van kracht – dat is de Tora, die in het binnenste van het binnenste was, maar Mozes was waardig haar voor Israël te doen afdalen.
In de Joodse traditie wordt de Tora als bondgenoot van Israël gezien, die met vreugdevolle liefde wordt bejegend, de Tora is de bruid van Israël. De krachtdadige vrouw komt dus heel dicht in de buurt van God zelf. Daarom wordt Spreuken 31,10-31 thuis aan het begin van de sabbatviering gereciteerd.

Deze prachtige vrouw, die een teken is van de Sjechina, van Gods (vrouwelijke)goddelijke aanwezigheid, zij verwijst naar God die dag en nacht in vreugde in de weer is om ons te laten delen in zijn liefde en in zijn leven.
Een sterke vrouw, wie haar vindt, is echt gezegend!

Voor verdere informatie verwijs ik naar: https://dagvanhetjodendom.nl/.

III. Internationale Week van het gebed voor de Eenheid
Van 15 tot en met 22 januari 2023 heeft de jaarlijkse Week van het gebed voor de Eenheid plaats. Het thema is: Leer goed te doen; zoek het recht, houd tirannen in toom, kom op voor wezen, sta weduwen bij (Jes. 1,17). Over het verband met de Dag van het Jodendom heb ik boven al gewezen.

Voor verdere informatie verwijs ik naar: https://www.weekvangebed.nl/.

IV. Johannes Kardinaal de Jong: postuum geëerd
De Israëlische ambassadeur Modi Ephraim reikte op maandag 19 september 2022 de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren postuum uit aan kardinaal Johannes de Jong (1885-1955). In de oorlogsjaren leidde de oud-hoogleraar uit Ameland het katholiek-kerkelijk verzet tegen de bezetter. In die jaren was De Jong aartsbisschop van Utrecht. Hij was de eerste gepromoveerde academicus in die positie. De huidige kardinaal Wim Eijk diende in 2017 een aanvraag in bij Yad Vashem voor een onderscheiding op grond van de verzetsdaden van De Jong, die na grondig onderzoek begin dit jaar verleend werd. [NIW 47, 16 september 2022, 157, 8] Vanwege zijn verzet tegen het nationaalsocialisme, de naziterreur en de bezetter, én zijn opkomen voor de Joden, creëerde paus Pius xii aartsbisschop De Jong tot kardinaal. Hij was heldhaftig en behoudend. Hij ging niet in op het aanbod van de bezetter om niet te protesteren en zo de katholiek gedoopte Joden te vrijwaren van deportatie. In juli 1942 tekende aartsbisschop De Jong protest aan en als gevolg daarvan werd ongeveer een kwart van de katholiek gedoopte Joden (zo’n 200 personen, onder wie Edith Stein) weggevoerd naar concentratiekampen. Ook riep hij katholieke agenten op om niet mee te werken aan de deportatie van de Joden. Zijn motivatie was o.a.: Ik geloof vast dat ieder mens geschapen is in het beeld en als gelijkenis van God; daarom heeft ieder mens recht op respect en menswaardigheid. Hij kon niet anders, vond hij zelf. Het verzet van aartsbisschop De Jong blijft indrukwekkend. Dit verhaal over kardinaal De Jong is goed te gebruiken op de Dag van het Jodendom.

Literatuur
Henk van Osch, Kardinaal De Jong, Heldhaftig en behoudend, Amsterdam 2016
NIW 47, 16 september 2022, 157, Amsterdam

 

Henk Janssen OFM

 

22 januari 2023
Derde zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 8,23b-9,3; Ps. 27; 1 Kor. 1,10-13.17; Mat. 4,12-(17)23 (A-jaar)

 

Inleiding

Het publieke optreden van Jezus begint in het evangelie vorm te krijgen. Matteüs zet het groots in. Met een tekst uit de profeet Jesaja noemt hij dit het ogenblik waarop er licht opgaat over het volk dat in duisternis zit. We zullen eerst het evangelie bekijken en daarna aandacht schenken aan de eerste lezing die voor een groot deel in het evangelie geciteerd wordt.

Matteüs 4,12-23
Matteüs begint in 4,12 een nieuwe sectie van zijn evangelie. Deze volgt onmiddellijk op de doop van Jezus door Johannes en zijn beproeving door de duivel (Mat. 3,13–4,11). Er is een tijdsprong in het verhaal, die door Matteüs niet wordt toegelicht. De tijd wordt aangegeven met het bericht van de overlevering van Johannes. Pas in Matteüs 14,1-12 wordt de onthoofding van de Doper beschreven. Jezus is kennelijk nog in (de woestijn van) Judea gebleven, waar de beproevingen plaatsvonden. Hij neemt nu de wijk naar Galilea. Als Johannes gearresteerd wordt is het ook voor Jezus waarschijnlijk niet veilig meer. Jezus vestigt zich niet in de stad van zijn jeugd – Nazaret – maar gaat naar Kafarnaüm, een vissersstadje aan het meer van Galilea. Als inleiding op het Jesajacitaat vermeldt Matteüs, dat dit het gebied van de stammen Zebulon en Naftali is. Het citaat is een zogenoemd ‘vervullingscitaat’, dat wil zeggen dat het optreden van Jezus in lijn is met de Schriften.
In het citaat wordt beschreven dat het volk (in Galilea) zich in een situatie van duisternis en zelfs doodse duisternis bevindt. Maar nu heeft het een groot licht aanschouwd en is een licht over het volk opgegaan. Matteüs ziet dit in het optreden van Jezus in vervulling gaan. In Jezus, de Messias, brengt God licht in het duister voor het volk. En met ‘volk’ wordt doorgaans Israël bedoeld. Galilea wordt hier omschreven als het Galilea van de heidenen. Daarmee klinkt al door dat Jezus ook het heil voor de heidenen brengt. Voor de Joodse lezers van Matteüs en ongetwijfeld ook voor vele kerkelijke lezers nu klinkt ook het vervolg van het Jesajacitaat door: Want een kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem: Wonder van beleid, Sterke God, Vader voor eeuwig, Vredevorst (Jes. 9,5). Het is de eerste lezing van kerstavond waarin de geboorte van de Messias doorklinkt.
Op het citaat volgt een sleutelvers waarmee het publiek optreden van Jezus begint. Hij begint te prediken en daarbij is zijn kernboodschap: Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij (Mat. 4,17). Daarmee herhaalt Jezus letterlijk de boodschap van Johannes de Doper in Matteüs 3,2. Wat deze boodschap inhoudt zal zich nu verder ontvouwen in het evangelie. Kort hierna begint Jezus met zijn Bergrede. Het Rijk der hemelen is het doorbreken van Gods heerschappij in ons leven. Het is dus een activiteit van God, die echter pas kan plaatsvinden of doorbreken als mensen zich daartoe positief willen verhouden. De bekering is nodig om het Rijk te kunnen ontvangen.
Het laatste stuk van het evangelie is facultatief voor deze zondag daarin zien we hoe Jezus zijn zendingswerk begint te structureren door het aanstellen van medehelpers in zijn opdracht. Jezus roept Simon Petrus en zijn broer Andreas om Hem te volgen. Van gewone vissers moeten ze mensenvissers worden. Duidelijk is dat het hier gaat om mensen mee te nemen in de bekering voor het rijk Gods.
Vervolgens roept Jezus nog twee broers, Jakobus en Johannes, evenals de eersten zijn zij ook visser van beroep. En ook zij geven onmiddellijk gehoor aan de roepstem van Jezus en volgen Hem. Het volgen is letterlijk, maar vooral ook figuurlijk: meedoen aan zijn verkondigingsopdracht.
In vers 23 vat Matteüs de activiteit van Jezus samen en voegt eraan toe dat het niet alleen om de verkondiging van de Blijde Boodschap van het Koninkrijk gaat, maar ook om daden waarin het Koninkrijk zich toont: het genezen van alle (!) ziekten en kwalen onder het volk.

Jesaja 8,23b-9,3
Matteüs ontleent het citaat in 4,15v aan een gedeelte uit Jesaja 8,23–9,6 waarin de nieuwe David en zijn rijk worden geschilderd. Het gaat over de aankondiging van een nieuwe koningszoon met ontegenzeggelijk messiaanse trekken. De hele perikoop is de eerste lezing van de Kerstnachtmis. Nu wordt alleen de eerste helft gelezen. Het noorden van Israël verkeert in grote nood. Concreet genoemd worden Zebulon, Naftali, de Zeeweg en het Jordaangebied. Het is te situeren als noordoost Galilea. De nood is veroorzaakt door de veldtocht van de Assyrische koning Tiglat-Pileser iii in 732. De bevolking die hevig heeft geleden onder de veldtocht wordt redding in het vooruitzicht gesteld. Deze redding wordt omschreven als een groot licht dat opgaat. Over het duister van hun ellende zal de zon weer opgaan en het duister verdrijven. Matteüs gaat met zijn citaat niet verder, maar ook het vervolg van Jesaja klinkt door in het evangelie. Jesaja beschrijft de grote vreugde die dit heil te weeg brengt. Het is als de vreugde bij de oogst. Maar ook als vreugde bij het verdelen van de buit. Een nogal cru beeld voor het volk dat onder plunderingen geleden heeft… God zelf is het die de vreugde bewerkstelligd heeft. Hij heeft het juk, de stang en de stok stukgebroken. God laat zich kennen als een bevrijdende God.
In de lezing ontbreekt de climax: de geboorte van de koningszoon in vers 5 en verder.

1 Korintiërs 1,10-13.17
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

 

Preekvoorbeeld

De evangelielezing van vandaag maakt ons getuige van het moment waarop Jezus zijn zending accepteert en zijn missie begint uit te voeren: zijn eerste openbare optreden en ‘coming out’. Matteüs laat dit in een heel doordachte compositie gebeuren. Om daarop zicht te krijgen, nemen we door wat vooraf is gegaan aan deze passage, om het gewicht te proeven van dit ‘moment’ van vandaag.

Zo bouwt Matteüs het verhaal op. In het eerste hoofdstuk geeft Matteüs een lange lijst van namen: beginnend bij Abraham, via David, tot aan Jezus – de herkomst van Jezus in de ‘aardse lijn’ – maar er lichten natuurlijk al allemaal momenten op van ‘God onderweg met mensen’ voor wie deze namen kent. Ook in hoofdstuk 1 worden de dromen van Jozef, die aan de geboorte van Jezus voorafgaan, verhaald.
Tweede hoofdstuk: het bezoek van de drie wijzen aan Herodes en aan de pasgeboren Jezus, de vlucht van Maria en Jozef met het kind naar Egypte, de razernij van Herodes die alle jongetjes tot twee jaar laat vermoorden en, nadat Herodes gestorven is, de terugkeer van Jezus met zijn ouders naar Nazaret.
Hoofdstuk 3 De prediking van Johannes de Doper: Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij. Velen uit het volk, ook Farizeeën en Sadduceeën, komen om het doopsel, verder de wondervolle gebeurtenis van de doop van Jezus met de stem uit de hemel: ‘Deze is het, mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde’.
Dan het begin van hoofdstuk 4: Jezus trekt zich terug in de woestijn en maakt de bekoringen van de duivel door – waarop dan direct onze lezing aansluit met de zin: ‘Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangen genomen was week hij uit naar Galilea.’ Mogelijk omdat het daar – weg van Judea en het centrum Jeruzalem, rustiger en veiliger was, maar ook ‘opdat in vervulling zou gaan wat de profeet zei’. En van dat moment af start Jezus zijn prediking en kiest hij zijn gezellen. Met dit relaas heeft Matteüs in de ouverture van zijn evangelie het kader van tijd en plaats waarin ‘het’ gaat gebeuren voltooid en vervolgt hij in het vijfde hoofdstuk met de Bergrede waarin Jezus zelf onderwijzend aan het woord komt – de hele inhoud van zijn levensleer, zijn aanwijzingen voor liefde en gerechtigheid, het vanuit God gevoede en gedragen bestaan: het ontvouwen van het koninkrijk van God.

De boodschap en oproep die Jezus brengt, in één zin samengevat, luidt ook in de lezing van vandaag: ‘Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij’. Het is letterlijk dezelfde boodschap die ook de Doper al bracht. Voor Matteüs staat Jezus in een lange traditie van Licht en redding en in wat hij nu begint te vertellen breekt de volle glorie van Jezus door. Matteüs hamerde daar ook op door in de vier beginhoofdstukken tot tien maal toe profetenwoorden aan te halen uit het eerste testament, zoals vandaag de passage uit Jesaja waar het volk dat in het duister leeft Licht gaat zien, richting en redding krijgt. Met woorden als ‘opdat in vervulling zou gaan’ en ‘zo staat geschreven’ proclameert Matteüs dat in deze Jezus definitief en op onnavolgbare wijze de niet tegen te houden boodschap van het koninkrijk van God aan het licht komt– de Blijde Boodschap van de goedheid en liefde van God waarin ieder mens heel wordt, leven vindt en zich geborgen mag weten.
Met wat Matteüs geschetst heeft, staat nu alles klaar en op scherp om de inhoud van de weg van Jezus op de juiste manier te presenteren. Hij heeft het kader aangereikt waarin ook wij de komende weken in gedeelten de Bergrede zullen horen en overdenken, om die ook weer tot ons te nemen en te weten dat Jezus het unieke Woord van God brengt en het zelf ís.

En dan nog net in de laatste passage voordat de lessen beginnen en ons de toegang tot het heil, het goede leven, het koninkrijk van God wordt geboden, klinkt nog de oproep en belofte van Jezus aan een paar mensen die hij bij toeval tegen lijkt te komen daar aan de oever van een meer: een aantal vissers, ‘Kom, volg mij – ik zal je vissers van mensen maken’. Een oproep en een belofte die Matteüs door Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas, Jakobus en Johannes heen, richt tot alle hoorders, tot allen die uitzien naar licht, verlangen naar vrijheid, snakken naar lucht en naar leven – ook dus aan ons.
Kom, visser, ik zal je omvormen tot visser van mensen. Maar dus ook: kom bakker, ik zal je omvormen tot bakker van mensen, en herder, tot herder van mensen, dokter, tot dokter van mensen, bouwer, tot bouwer van mensen, bestuurder en politicus van mensen, ict-er en beleidsmedewerker van mensen, fietsenmaker van mensen, gepensioneerde van mensen, moeder van mensen, juf en meester van mensen.
Jezus roept en belooft dat hij jou, ieder van ons, wie je bent, met je gaven, ervaring en kwaliteiten, om zal vormen wanneer je met hem meekomt op de weg van goedheid en liefde, Gods rijk. Hij zal je nieuw maken.
En wie en wat je bent zal gericht komen te staan en worden ingebed in de verbondenheid met God en met mensen. En met de vaardigheden die je hebt en met de gereedschappen die je hanteert, wat het ook is, een net, hamer, je computer, je pen of fototoestel, je verhalen, je liefhebberij en je verzamelingen, de liederen die je zingt, met alles bouw je mee aan het nabij komen van het Rijk van God – waar betrokkenheid op elkaar, waar zorg en liefde en ieders geluk centraal staat. Ieders talent en kunde is daar gewenst en nodig, ieders kracht, hoe groot of klein ook, ieders inzet, is daar goud waard. In de verbondenheid en eenheid waar Paulus ook de gemeente van Korinte toe oproept. Jij bent er nodig, jij kan niet worden gemist.

Een grote uitnodiging, een bijzondere uitdaging – om alles, wie je bent en wat je doet, in dat licht te gaan zien en te gaan zetten. En loskomen van je reserves, van je terughoudendheid naar anderen, naar God, je angst misschien ook wel.
Wat minder ‘ik’ – wat meer wij, en ruimte in je centrum, je hart.

Een indringende oproep en uitnodiging – het gaat om onze kern, jouw kern, om ‘leven’.
De leerlingen in het evangelie gaven direct gehoor – onmiddellijk – maar daar zijn het ook de leerlingen voor en worden hun namen ons tot vandaag doorgegeven om ze te herinneren en te eren voor hun durf en vastberadenheid. Ietsje rustiger aan mag ook – laat het even binnenkomen. De uitnodiging staat, Gods hand blijft naar je reiken… als je wil en kan… kom en word een nieuwe mens.

inleiding drs. Marc Brinkhuis
preekvoorbeeld Gérard Martens

 

29 januari 2023
Vierde zondag door het jaar

Lezingen: Sef. 2,3; 3,12-13; Ps. 146; 1 Kor. 1,26-31; Mat. 5,1-12a(A-jaar)

 

Inleiding

Sefanja 2,3.3,12-13
Het profetenboekje van Sefanja tekent de overgang van een dreigende ondergang van het volk van Jeruzalem naar een situatie van vernieuwing en hoop. Op deze wijze is het boek een afspiegeling van de betekenis van de naam van de auteur, Sefanja, ‘God beschermt’. Sefanja trad op als profeet kort voordat koning Josia zijn hervormingen op politiek en godsdienstig vlak aanving.
Het boek begint op een uitzonderlijke manier met de vermelding van de namen van de vader, grootvader, overgrootvader en zelfs betovergrootvader van de profeet. Dat moet een bijzondere reden hebben die misschien gevonden wordt in de naam of bijnaam van Sefanja’s vader Kusi. Letterlijk betekent die naam ‘man van Koes’, dat is Ethiopië. Tot in onze tijd wordt de zoon of kleinzoon van Marokkanen of Turken vaak nog als Marokkaan of als Turk betiteld, ook al is hij de tweede of derde generatie, in Nederland geboren, met de Nederlandse nationaliteit, en perfect Nederlandssprekend. Zo is het mogelijk dat de vader van de profeet, en misschien zelfs de eigenste Sefanja, nog altijd als ‘allochtonen’ beschouwd werden. Om zijn ‘nationaliteit’ duidelijk uit te laten komen en te laten zien dat hij spreekt in naam van Israëls God, vermeldt de profeet ook de op en top Israëlitische namen zowel van hemzelf als van zijn voorvaderen: Gedalja, Amarja, Hizkia, waarbij het ‘ja’ of ‘ia’ op het eind van die namen een traditionele verwijzing is naar JHWH, de God van Israël.

Zoekt de Heer, gij alle ootmoedigen van het land… zoekt de ootmoed. Met deze aansporing van de profeet begint de eerste lezing van deze zondag. De vertalers schijnen moeilijkheden met dit vers gehad te hebben. In de verschillende versies worden de aangesprokenen ‘dienaars’, ‘ootmoedigen’, ‘armen’, ‘nederigen’, ‘deemoedigen’ genoemd. En wat zij moeten zoeken is dan ‘bescheidenheid’, ‘ootmoed’, ‘armoede’, ‘nederigheid’ of ‘deemoed’.
De vertaling van het lectionarium kan de indruk wekken dat het volk opgewekt wordt om zich als ootmoedigen, nederigen te gedragen. De originele Hebreeuwse tekst gebruikt hier de uitdrukking anav ha-arets, en dan kunnen we denken aan de arme plattelandsbevolking, zij die hun stuk grond zijn kwijt geraakt aan machtigen en rijken. Deze armen zijn voor Sefanja de enigen die aan de toorn van de Heer kunnen ontsnappen. Vandaar dat vers 3 misschien beter vertaald kan worden als ‘Zoekt de Heer als ware armen van het land’. Op deze wijze wordt de landarme bevolkingsgroep een voorbeeld voor de hele bevolking.
In de verzen 12-13 spreekt God door de profeet tot Jeruzalem om haar bewoners een hart onder de riem te steken, na slachtoffer geweest te zijn van de vernedering (tapeinosis), van de kant van andere volken. In die situatie van vernedering is Israël zelfs tegen de Heer in opstand gekomen (v. 11). Aan dit alles zal nu een einde komen want de Heer zal de lippen van de volken rein maken (v. 9), en tot vanuit Nubië (Koes, Ethiopië) zal de Heer vereerd worden (v. 10), zoals ook gezongen wordt in Psalm 87: burgerrecht heb Ik gegeven aan Rahab en Babel, die Mij erkennen; ook Filistea, Tyrus en Koes, zij zijn hier kind aan huis. Sefanja herhaalt deze idee: De volken zullen de Heer dienen en Israël zal door niemand meer worden opgeschrikt. Mogelijk hebben we hier te doen met een zekere zelfverdediging van de profeet, dat hij volwaardig lid is van het volk Israël ondanks zijn Nubische afkomst. Immers vanaf het derde geslacht mag de vreemdeling toegelaten worden tot de gemeenschap van de Heer (Deut. 23,9). De bewoners van Jeruzalem zullen hun toevlucht kunnen vinden bij de Heer. Hun leven zal niet meer gekenmerkt worden door onrecht, leugens en bedrieglijke taal. Integendeel, zij zullen weer volledig de kudde van de herder zijn en weiden op een rustige plaats waar niemand hen zal opschrikken. Ook dat wordt uitgezongen in de psalmen (Ps. 23). Jammer dat in de lezing van deze zondag de volgende verzen niet zijn opgenomen waar de ‘dochter van Sion’ opgeroepen wordt haar vreugde om deze ommekeer uit te zingen omdat zij niets meer te vrezen heeft en de moed niet hoeft te verliezen.

Psalm 146,7.8-9a.9c-10
Degenen die in nood verkeren, zoals de anavim uit de eerste lezing en de ‘zachtmoedigen’ uit de Bergrede, kunnen rekenen op de bijstand van de Heer.

1 Korintiërs 1,26-31
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Matteüs 5,1-12a
De perikoop voor deze zondag is het begin van de Bergrede, de eerste van de vijf grote redevoeringen van Jezus in het Matteüsevangelie, waarmee de evangelist Jezus tekent als een soort nieuwe Mozes, de Urheber van het Joodse volk aan wie traditioneel de vijf eerste boeken van de Tenach werden toegeschreven. In de Joodse traditie is het boek van de Psalmen verdeeld in vijf kleinere eenheden, evenals de vijf boeken die samen de Tora vormen. Op subtiele wijze laat de evangelist dat ook zien door het eerste vers van zijn eerste redevoering te laten beginnen met ‘Zalig’, hetzelfde woord waarmee Psalm 1 in het eerste psalmboek begint. Om de overeenkomst met Mozes verder kracht bij te zetten laat de auteur Jezus ‘de’ berg beklimmen evenals Mozes die de Sinai beklom om de Tora van God te ontvangen. De berg van de Bergrede is daarom geen geografische aanduiding, maar de Mozesberg waar de Tora hernomen wordt. Dat het hier gaat om een symbolische plaatsbepaling wordt duidelijk bij een vergelijking met het Lucasevangelie. Daar daalt Jezus juist van de berg af naar de vlakte om de menigte te onderrichten (Luc. 6,17), een onderricht dat op een soortgelijke wijze begint als de Bergrede van Matteüs.
In het laatste vers van hoofdstuk 4 vertelt de evangelist dat grote groepen mensen Jezus volgden: mensen uit Galilea en de Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en uit het Overjordaanse gebied. In de verzen 1 en 2 van hoofdstuk 5 wekt hij echter de indruk dat Jezus zich van de menigte verwijdert om slechts een kleinere groep van leerlingen te onderrichten. Maar de Bergrede eindigt met de vermelding dat de menigte ‘diep onder de indruk was van zijn onderricht’. Hebben we hier al een suggestie dat de leer van Jezus grensoverschrijdend is? Verder eindigt de auteur met te zeggen dat men onder de indruk van Jezus’ woorden was omdat ‘hij sprak als iemand met gezag, en niet zoals hun schriftgeleerden.’ De vermelding van de schriftgeleerden tegenover het gezagvolle onderricht van Jezus weerspiegelt de gespannen situatie die er bestond tussen de gemeente van Matteüs en het formatieve jodendom, vooral na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70.

De Zaligsprekingen
We hebben hier te doen met eenzelfde semitische stijlfiguur als in de eerste woorden van het boek Psalmen dat luidt Asjree ha-isj of in de Septuagint makarios anèr. De nbv21 vertaalt dat met ‘gelukkig de mens’. Over de vertaling van dat asjree of makarios is nogal wat te doen geweest in de loop der tijden.
Waar Matteüs de toespraak van Jezus laat beginnen met makarioi, komen we soms tamelijk uiteenlopende vertalingen tegen. De Latijnse Vulgaat vertaalt het met beati, zaligen, waar de uitdrukking ‘zaligsprekingen’ of ‘zaligheden’ haar oorsprong heeft. Martin Buber begint zijn vertaling van Psalm 1 met ‘O Glück des Mannes…’ Sommige vertalingen gaan in dezelfde richting. Toch kan dat in een vertaling van de Bergrede tot een zekere verbazing leiden, want het is niet zo eenvoudig om treurenden of vervolgden toe te roepen dat ze gelukkige mensen zijn. Bovendien hebben gelukwensen meestal betrekking op dingen die al gebeurd zijn en meestal niet op een nog onzekere toekomst. Om die reden menen sommigen dat we hier te doen hebben met een soort apocalyptische wensen of beloften voor de toekomst. Deze mogelijkheid kunnen we niet eenvoudigweg uitsluiten, want we mogen hopen dat treurenden getroost zullen worden of wensen dat vervolgden tot het Godsrijk mogen geraken.

Een vertaling echter die eruit springt is die van de Frans-Algerijns-Israëlische André Chouraqui die het asjree verbindt met het Hebreeuwse werkwoord asjar dat naast ‘gelukkig prijzen’ ook ‘voortgaan’, ‘vooruit gaan’, ‘herstellen’ betekent. Hij vertaalt het dan met ‘en marche’, zogezegd een aansporing om op weg te gaan naar een ommekeer in de situatie van droefheid, vervolging, rechteloosheid, om zo te komen tot het Godsrijk of de definitieve ontmoeting met God. In het Nederlands zouden we dat kunnen vertalen met ‘vooruit’ in de zin van ‘doe iets, blijf niet bij de pakken neer zitten, kop op, ga er tegenin’. Zeker voor treurenden en vervolgden, voor mensen die zich in een beklagenwaardige situatie bevinden kan zo’n aansporing soms meer dan nodig zijn. Moeilijke omstandigheden interpreteren als Gods plan of bij de pakken neer blijven zitten is niet zelden de houding van mensen die zich in dergelijke situaties bevinden, en die soms zelfs door religieuze leiders daartoe worden aangemoedigd. Het Griekse makarios is zodoende een tamelijk partiële vertaling van het Hebreeuwse asjree.

 Armen van geest
Hier staan we voor een uitdrukking die nogal wat stof heeft doen opwaaien. Ten eerste omdat in het Lucasevangelie een vergelijkbare zaligspreking voorkomt, echter zonder de toevoeging van geest (Luc. 6,20). Welke versie is nu de meest originele, die van Matteüs of die van Lucas? Gewoonlijk wordt een korte versie als de meest originele gezien. Ofschoon het onzeker is wanneer het apocriefe Tomasevanglie precies geschreven is, komt die versie het meest overeen met Lucas (Zalig de armen, want van u is het koninkrijk der hemelen; spreuk 54). Ook de Q-bron (6,20) waaruit zowel Matteüs als Lucas putten, heeft de kortere versie (Zalig de armen, want van u is het rijk der hemelen). Als de originele uitspraak van Jezus meer overeenkomt met Lucas, Thomas en de Q-bron, rijst de vraag waarom er in Matteüs sprake is van ‘armen van geest’. De nbv21 wekt de indruk in de maag te zitten met die ‘armen van geest’ en vertaalt ‘wie nederig van hart zijn’. Daarmee wordt mogelijk de kwestie van de armoede, die in de andere versies sterker naar voren komt, afgezwakt of wordt de lezer in een andere richting gestuurd.                                                           Aangezien het Matteüsevangelie ouder is dan dat van Lucas kunnen we de Matteüsversie niet uitsluiten als een originele uitspraak van Jezus. In die tijd bestond namelijk een rabbijnse uitdrukking ‘armen van geest’ waarmee het eenvoudige, ongeletterde en primitieve plattelandsvolk werd aangeduid, mensen die niet of nauwelijks toegang hadden tot vooraanstaande kringen in de synagogen, kleine verarmde boertjes of families die door schulden hun kleine stukje land verloren hadden. Het ptoochos dat Matteüs hier gebruikt kan naast gewoon ‘arm’ ook ‘waardeloos’ betekenen. Door al deze mogelijke betekenissen voor de uitdrukking ‘armen van geest’ lopen we niet het risico deze zaligspreking alleen maar ‘religieus’ of ‘spiritueel’ te interpreteren. Mogelijk geldt iets dergelijks ook voor hen die ‘hongeren en dorsten naar gerechtigheid’ in vers 6. Zowel Lucas (6,21) als het Thomasevangelie (69,2) en in de Q-bron (6,21) wekken niet de indruk dat het bij de honger en dorst om ‘gerechtigheid’ gaat, maar op de eerste plaats om directe menselijke nood en de strijd om te overleven in moeilijke omstandigheden. Daarom bieden deze uitspraken ons dan ook de mogelijkheid om ook vandaag de sociaal en economisch armen, verdrukten en uitgebuiten, slachtoffers van hongersnood in onze overwegingen bij de zaligsprekingen te betrekken. Alle categorieën die in deze verzen worden vermeld kunnen zodoende gezien worden als concretiseringen van de eerste.

Koninkrijk van de hemel
De matteaanse wijze van spreken over het ‘koninkrijk Gods’ wordt op deze manier ook concreter. Het is de toestand waarin een totale omkeer teweeg wordt gebracht in het bestaan van hen die vaak in benarde of onmenselijke omstandigheden moeten leven. De nabijheid van het Godsrijk die Jezus verkondigde (4,17) kan in de oren van verdrukte Galileese toehoorders geklonken hebben als een aanwijzing dat het rijk waar de hogepriester, koning Herodes en de Romeinen de scepter zwaaiden ten einde liep. Juist daarom is dat Godsrijk, volgens de vertaling van Chouraqui, evenzeer een uitdaging tot menselijke inspanning en toewijding. Op deze manier krijgen de zaligsprekingen zelfs een revolutionair karakter. De belofte van een koninkrijk Gods in een verre toekomst doet immers de uitbuiters en verdrukkers van anderen geen pijn. Wie weet, werden zo armen en vernederden in Jezus dagen, evenals vaak ook in onze tijd, aan het lijntje gehouden. Maar een Godsrijk dat sociale, economische, politieke en religieuze structuren op zijn kop zet zal zeker niet altijd op algemene instemming kunnen rekenen. En dat wist het arme plattelandsvolk van Galilea uit ervaring. Daarom kan de evangelist deze rede beëindigen met te vermelden dat de mensen diep onder de indruk waren van het onderricht van Jezus, omdat hij hen toesprak als iemand met gezag en niet zoals hun schriftgeleerden.

 

Preekvoorbeeld

Zaligsprekingen
Op een pelgrimswandeling neurie ik graag het lied van Andries Govaart: Dat je de weg mag gaan die je goed doet,… weet dat de aarde je draagt, dat je gaat in het licht en de wind je omgeeft… De weg gaan die mij goed doet. Het geeft me plezier, brengt lichtheid in mijn grote en kleine zorgen, schept ruimte voor stilte én opent me de ogen voor wat er allemaal te zien en beleven valt. Tegelijk roept het lied ook op dat ik goed kan en mag doen, vertrouwen dat ik kan bijdragen aan kwaliteit van leven. Een lied vol lichte klanken gaat met me mee.
Op de goede weg ben je als je arm van geest bent, als je verdrietig bent, zachtmoedig en vredelievend, rechtvaardig en betrouwbaar. Dat klinkt mij warmer en uitdagender in de oren dan het gedragen ‘Zalig de armen van geest’ of het armzalige ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn’ uit een andere vertaling.
De Zaligsprekingen ervaar ik als een visioen dat Jezus aan de leerlingen meegeeft op hun tocht naar Jeruzalem, én ons aanreikt op ónze levensweg. Hij klimt net als Mozes de berg op. De berg als plaats van overzicht, uitzicht, een plek dicht bij God. Mozes ontvangt op de Sinaï de tien woorden die richting wijzen op de levensweg. Jezus spreekt in zijn visioen over de weg naar het rijk van God, in het licht van de Tora. Het is geen verhaal voor later, ooit eens, maar als bevestiging en bemoediging voor mensen die in zijn geest nú de weg willen gaan van hoop en vrede.
Zijn Bergrede klinkt in een wereld die er toentertijd even beroerd bij lag als de onze vandaag. Een grote kloof tussen arm en rijk, de keizer en zijn stadhouders die alsmaar meer willen aan geld, grond en macht, populisten die nepnieuws verkondigen, een tijd vol onzekerheid en spanningen. In die situatie houdt Jezus ons een visioen van hoop voor, dat dichtbij begint. Dat jij in deze beroerde wereld de weg mag gaan die je goed doet…, dat je omziet naar elkaar vanuit een houding: ik wil met je delen wat in mijn vermogen ligt en meewerken aan een betere wereld…

Ik word geraakt door het verhaal van twee mensen. Een bruidspaar van midden twintig vertelt over hun liefde, die gaandeweg gegroeid is in een tijd van onzekerheid rond zijn ziekte en het geluk van goede medische behandelingen. Na verloop van tijd lijkt de jeugdkanker overwonnen. Zij geloven in elkaar, wat de toekomst ook brengen zal. Met vertrouwen geven zij elkaar hun ja-woord. Zoekend naar een passende bijbeltekst komen zij uit bij de zaligsprekingen. Daarover mediterend zeggen zij in hun trouwbelofte tot elkaar: ‘Ik wil arm zijn voor jou, dat is mijn geluk.’
Deze zin geeft diepte en geestelijke grond aan hun relatie, waardoor zij de onzekere toekomst aandurven. Hun liefde groeit, ze maken samen plezier, zijn blij met hun kinderen, maar weten ook in zware en moeilijke tijden elkaar aan te voelen en verstaan. Arm zijn voor elkaar, bloot en onomwonden tegenover elkaar staan, wordt hun kracht, hun rijkdom. De woorden van Jezus inspireren hen: ‘Op de goede weg ben je als je arm van geest bent, als je je verdriet kunt uiten, zachtmoedig en barmhartig bent. Zij hebben zich zijn visioen eigen gemaakt. Ze kunnen met en om elkaar lachen en huilen, hebben ook geleerd barmhartig te zijn als er dingen misgaan, en samen te staan voor wat zij belangrijk vinden.
Vele jaren later blijkt de bestraling, die aanvankelijk zo effectief was in het bestrijden van de kanker, ernstige gevolgen te hebben voor de zenuwen in zijn rug en te leiden tot hartfalen. Bij zijn overlijden op 60-jarige leeftijd schrijft zij op de rouwkaart: ‘Ik wil arm zijn voor jou, dat is mijn geluk.’ En bij de uitvaart vertelt zij hoe deze eenvoudige zin de dragende kracht is geworden om in lief en leed elkaar vast te houden, te bemoedigen en inspireren tot het einde toe. En vanuit die houding gaat zij verder op haar levensweg in de hoop dat de weg die zij gaat haar goed doet….

Terwijl ik deze overweging schrijf, bieden 70 jongerenorganisaties aan minister Jetten hun klimaatvisie aan. Daarin hebben zij aandacht voor alles wat speelt rond klimaat, biodiversiteit en energieproblemen. Zij kiezen voor verandering: minder vliegen, meer reizen per trein en fiets, meer plantaardig en lokaal voedsel eten, duurzame spullen kopen en bijna niets afdanken, maar alles hergebruiken. Deze visie vraagt een omslag in denken en vooral in doen, in leefpatronen.
In deze visie van jongeren zie ik raakvlakken met het visioen van Jezus van Nazaret: je bent op de goede weg als je leeft voor het welzijn van de aarde en daarvoor je luxueuze leven prijsgeeft en eenvoudig durft te leven…
            Dat je de weg mag gaan, die je goed doet,… weet dat de aarde je draagt, dat je gaat in het licht en de wind je omgeeft. Dat je de vruchten van je leven proeft en gaat in vrede.

Literatuur
Andries Govaart, ‘De weg die je goed doet’, Verzamelde liederen, 2022, Skandalon blz. 369

 

inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld drs. Ben Piepers

 

5 februari 2023
Vijfde zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 58,7-10; Ps. 112; 1 Kor. 2,1-5; Mat. 5,13-16(A-jaar)


Inleiding

Met de evangelielezing van deze zondag bevinden we ons vrij vooraan in de Bergrede, waarvan de lezing in het lectionarium verdeeld is over vijf zondagen (4e zondag – 8e zondag A-jaar). De passage van vandaag volgt onmiddellijk op de Zaligsprekingen van vorige zondag (4e zondag: Mat. 5,1-12). De eerste lezing voor deze zondag is genomen uit de profeet Jesaja. Dat is een bijzondere keuze van de samenstellers van het lectionarium, want deze passage uit Jesaja vormt een substraat voor heel de Bergrede en de verdere ontwikkeling van het evangelie van Matteüs. Dat vraagt om onze bijzondere aandacht.

Jesaja 58,7-10
De passage uit het boek Jesaja voor deze zondag wordt gevormd door het tweede deel van hoofdstuk 58, de verzen 7-10. Het hoofdstuk als zodanig speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van heel het boek. Het begint met het bevel luidkeels te roepen als een bazuin, zo hard als de sjofar op Jom Kipoer, Grote Verzoendag, om het volk zijn overtreding en zijn zonden bekend te maken (Jes. 58,1). Datzelfde volk, dat zegt gerechtigheid na te streven, is verbaasd dat God geen acht slaat op de vasten (v. 3a).
Maar God stelt, bij monde van de profeet, juist heel die vastenpraktijk onder zware kritiek als een geveinsd streven naar gerechtigheid (vv. 3a-5). Een aanklacht, die zich voortzet in de lezing voor deze zondag.

Jesaja 58
6 Is dit niet het vasten dat Ik verkies :
de boeien der goddeloosheid los te maken,
de banden van het juk te ontbinden,
verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken ?
7  Is het niet dat gij voor de hongerige uw brood breekt
en arme zwervelingen in uw huis brengt,
ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt
en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed ?
8  Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad
en uw wond zich spoedig sluiten;
uw heil zal voor u uitgaan,
de heerlijkheid des Heren zal uw achterhoede zijn.

Deze vertaling van NGB51 maakt de kritiek specifieker. Het gaat niet enkel om daklozen, maar om zwervelingen die vragen om opname in ons huis, mensen die gedwongen zijn tot zwerven. Daarvoor kan men in onze situatie gevoeglijk vluchtelingen en asielzoekers lezen. En medemensen (NBV21) wordt eigen vlees en bloed. Pas als we ons daar niet aan onttrekken zal de gapende wonde genezen, die door alle onderdrukking en vermeende gerechtigheid in ons eigen vlees en bloed, in onszélf is geslagen. Zó van óns is iedere nooddruftige en onderdrukte in de ogen van God. De voortzetting van het hoofdstuk in de passage van vandaag, herneemt deze kritiek, maar nu in opbouwende zin (steeds NBG51)

Jesaja 58
9  Als gij dán roept, zal de Heer antwoorden;
als gij om hulp roept, zal Hij zeggen :
Hier ben Ik …

In het volgende hoofdstuk bekent het volk zijn schuld.

Jesaja 59
9  Daarom blijft het recht ver van ons
en de gerechtigheid bereikt ons niet.
Wij wachten op licht
en zie, er is duisternis;
op stralende helderheid
en wandelen in dichte donkerte.
(…)
12  Want onze overtredingen zijn talrijk voor u
en onze zonden getuigen tegen ons.

Eerst dan volgt een nieuwe oproep, die uitmondt in de aankondiging van Gods heil.

Jesaja 60
1  Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt
en de heerlijkheid des Heren gaat over u op.

En daarmee bevinden we ons midden in de evangelielezing van vandaag.

Matteüs 5,13-16
In de Zaligsprekingen vinden we ons eigen vlees en bloed weerspiegeld in de armen, de hongerenden, de treurenden, de vervolgden, de barmhartigen en de vredestichters (Mat. 5,1-12; de evangelielezing van de vorige zondag). En daarin ons betere zelf. Zo iets doet Matteüs nog een keer nadrukkelijk aan het einde van het optreden van Jezus, in Jeruzalem, voordat het passieverhaal begint. Want het oordeel van de Zoon des mensen is een vrijwel woordelijke herhaling van de woorden van Jesaja en weerspiegeling van de Zaligsprekingen, en drijft die naar een climax (Mat. 25,31-46; vgl. Jes. 58). Jezus identificeert zich volstrekt en volledig met de naakte, de hongerige, de vreemdeling en de gevangene, onontkoombaar:

Matteüs 25
35  Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven.
Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven,
Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest,
36  naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht;
Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.

Wat wij aan de minste onder ons doen, doen we aan Hém. Dit gegeven voorziet de oproep in de lezing van vandaag van een sterke lading. ‘Wees het zout van de aarde’ (…) ‘Zet uw licht niet onder de korenmaat, maar op de standaard.’ Het is de oproep om zélf Gods licht te worden, opdat de mensen door het zien van onze daden de Vader in de hemel verheerlijken. Alleen zó wordt de belofte uit Jesaja werkelijkheid (vgl. Jes. 60,1vv). Daartoe roept Jezus ons op. Daartoe is hij gekomen, om de belofte van Jesaja te vervullen, om heel de Wet en de Profeten te vervullen, ‘zonder dat ook maar één iota of één tittel vergaan, vooraleer dat is geschied’ (vgl. Mat. 5,17-20; de lezing van de hierop volgende zondag). Wat dat nog meer behelst, wordt ons verteld in de lezingen die verdeeld zijn over de komende zondagen.

Psalm 112
Psalm 112 onderstreept dit geheel en vormt zo de brug tussen de passage uit Jesaja en de Bergrede. Ons wordt in de psalm het profiel geschetst van de werkelijk rechtvaardige, die daarmee het evenbeeld van God zélf wordt, namelijk met dezelfde woorden van Psalm 111: ‘Genadig, barmhartig, rechtvaardig’ (v. 4; vgl. Ps. 111,4; vgl. Ex. 34,6v). Dat is de mens die ‘van harte lust heeft in Gods geboden’ (v. 1). ‘Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op… Zijn hart is standvastig… hij deelt uit, hij geeft aan de armen, zijn gerechtigheid houdt voor immer stand’ (v. 9). 

1 Korintiërs 2,1-5
Ook Paulus maakt ons op zijn manier duidelijk wat er van ons gevraagd wordt. De lijn uit de lezing van vorige zondag wordt naar deze zondag doorgetrokken. Niet roemen op je eigen kracht of vermeende gerechtigheid, maar je bewust worden van je zwakte (1 Kor. 1,29-31). Want juist daarin toont God zijn sterkte (1 Kor. 2,5).

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

 

Preekvoorbeeld

Het zal je maar gezegd worden: ‘Gij zijt het licht der wereld.’ En: ‘Gij zijt het zout der aarde. Wie? ‘Wij? Kom nou toch! Maak het hem een beetje!’
Natuurlijk, wij bieden links en rechts echt wel eens een helpende hand, en verlichten op die manier het leven van iemand naast ons. Soms mag je er aan meehelpen dat iemand het weer een beetje ziet zitten, zodat het niet meer zo donker is in haar of zijn leven. En natuurlijk geven wij ook wel smaak aan elkaars leven door onze liefde, onze vriendschap; door hart te hebben voor elkaar, attent te zijn en op het juiste moment het goede woord te spreken.
Maar het ‘licht van de wereld’ zijn? Bewerken dat de wereld, iedereen, zin en smaak in het leven krijgt, gaat dat niet wat erg ver? Trouwens, je kunt toch overal zien dat ons dit niet lukt! Er zijn zelfs cynische mensen die zeggen dat het in de wereld pas echt goed donker is geworden en het er smakeloos aan toe gaat sinds de mens op het toneel verscheen. De mens met zijn moord en doodslag, die de aarde plundert en uitput. De mens die een ander het licht in de ogen niet gunt.
En dan wordt het vandaag tegen ons gezegd: Gij, ja wij, zijt het zout der aarde; gij, ja wij, zijt het licht der wereld. Door Jezus wordt dat gezegd, en die weet doorgaans toch heel goed wat Hij zegt. Hij zal er waarachtig iets zinnigs mee bedoelen, maar wat dan?

Jazeker, Jezus weet wat Hij zegt. Hij weet, bijvoorbeeld, dat de woorden ‘licht’ en ‘zout’ in zijn eigen synagoge, waar Hij op Sabbat toch altijd kwam, gebruikt worden als beelden voor de Wet van God. De Wet wordt ‘licht’ en ook wel ‘zout’ genoemd. Als Jezus vandaag deze woorden voor zijn toehoor­ders gebruikt, voor ons dus, maakt dit al iets duidelijk. Wij mensen zijn niet zomaar vanzelf het licht van de wereld of het zout der aarde. Wij zijn dat als wij leven overeenkomstig de Wet van God en ons die eigen maken.
Nou klinkt dit weer wat zwaarwichtig: Leven overeenkomstig de Wet van God. Streng ook, regel­tjes-achtig. Voor je het weet zie je geheven vingertjes en strenge blikken. Maar gelukkig is er van­daag ook nog de Eerste Lezing, uit de profeet Jesaja. En die zegt, dat wij zullen stralen als de dage­raad, wanneer wij ons brood delen met wie hongerig zijn, dakloze zwervers opnemen, naakten kle­den en ons niet van onze medemens afkeren.
Dit klinkt al weer wat vertrouwder in de oren. Zeker als wij bedenken dat ieder van ons op zijn tijd in situaties verkeert, heeft verkeerd, dat je je brood deelt met wie hongerig zijn en de voedselbank niet vergeet; dat je mensen opneemt, al is het maar door gul te geven aan het Leger des Heils, of oude maar goede kleding niet achteloos weg te gooien. En zou er in ons leven helemaal niemand zijn die kan zeggen dat hij of zij door jou uit de brand is geholpen of opgevangen tijdens een moei­lijke periode, of die bij ons bescherming heeft gevonden, omdat je voor haar of hem op bent geko­men? Uit dit soort zaken toch, en soms vind je dat ze helemaal geen naam mogen hebben en waar­bij je van geen dankjewel wilt weten, bestaat het onderhouden van de Wet van God.

En als wij dit doen, straalt er licht, zegt Jesaja. Niet voor de hele wereld misschien, maar in ieder geval voor de mensen die wij aldus verlichten, en die op die manier, dankzij ons, weer zin en smaak in het leven krijgen. Geen licht misschien voor heel de wereld, maar wie op deze manier leeft werkt er wel aan mee dat Gods Woord steeds meer licht van de wereld wordt en dat de wereld ook steeds meer gaat smaken naar de goedheid van God, die toch niet enkel voor onszelf is bedoeld, maar voor alle mensen met wie wij leven. Op deze manier mogen wij er het onze aan bijdragen dat steeds meer mensen, en stukje bij beetje ook heel de wereld, gewaar worden dat Gods Woord licht voor de wereld is.
Het goede dat wij elkaar doen, doen wij natuurlijk eerst en vooral om goed te doen en om ande­ren het beter te laten krijgen. Maar met dit te doen kunnen wij tegelijk laten zien dat het Woord van Gods Wet inderdaad licht voor de wereld is. Maar dan mogen wij dit goede niet trots opeisen voor onszelf. Alsof wij het aan onszelf hebben te danken als mensen bij ons verlichting hebben gevon­den, of levensmoed, levenszin. Ons goed doen aan elkaar draagt er pas toe bij dat heel de we­reld Gods licht gewaar wordt, wanneer wij óók willen verwijzen naar de goedheid van God als de bron en de oorsprong van het goede dat wij doen. Als de lichtbron waarmee wij anderen mogen verlichten. Als de zin in het leven die wij mogen doorgeven, zodat anderen er ook weer zin in krijgen. Zoals Jezus het evangeliegedeelte van vandaag besluit: Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en de Vader verheerlijken die in de hemel is. Dat God verheerlijkt wordt, daar gaat het om. Want Hij is het licht van de wereld en het zout der aarde. Hij verlicht ons en geeft aan ons leven zin en smaak.

Natuurlijk zijn wij het licht van de wereld niet. Natuurlijk zijn wij het zout der aarde niet. Wij kun­nen er naar verwijzen. Door in het goede dat wij doen Gods licht te weerkaatsen. Door in het recht dat wij elkaar doen de wereld steeds meer te laten smaken naar de gerechtigheid van God. En naar­mate wij dit doen worden wij zelf natuurlijk ook lichter en gaat het van ons afstralen en gaan wij beter smaken, en proeven ook anderen aan ons de goedheid van God.
Op deze manier zijn wij wel licht van de wereld en zout van de aarde. Maar dan moeten wij ook niet bang zijn om er van te getuigen, of liever, er over te vertellen, waar wij het licht vandaan heb­ben dat wij soms uitstralen en waar wij de smaak vandaan hebben en de zin die wij in het leven heb­ben. Want anders gaat misschien toch weer gedacht worden dat wij het zijn, dat licht en dat zout. En dat zijn wij enkel door te verwijzen naar Gods Woord, naar Jezus, die de vervulling is van de Wet van God..

En dit is precies wat hier zondag op zondag gebeurt. Door te nemen van de gaven van zijn Woord en zijn Tafel belijden wij, dat het goede dat wij hopelijk ook komende week weer mogen doen, ont­springt aan Hem en in Jezus zijn oorsprong vindt. Daarom is het hier ook zo’n goede plek om het ons te laten zeggen, en eigenlijk ook de enige plek om onze oren te kunnen geloven, als Jezus tegen ons zegt: Gij zijt het licht der wereld, Gij zijt het zout der aarde.

inleiding drs. Jo Beckers
preekvoorbeeld dr. Jan van den Eijnden OFM

 

12 februari 2023
Zesde zondag door het jaar

Lezingen: Sir. 15,15-20; Ps. 119; 1 Kor. 2,6-10; Mat. 5,17-(20-22a.27-28.33-34a)37 (A-jaar)

 

Inleiding

Jezus Sirach 15,11-20
Het boek Wijsheid van Jezus Sirach, ook wel aangeduid als Ben Sira of Ecclesiasticus, is in de tweede eeuw voor Christus geschreven, waarschijnlijk in Jeruzalem. De Hebreeuwse tekst werd in Egypte ruim 50 jaar later in het Grieks vertaald door de kleinzoon van Jezus Sirach.
Het boek werd niet in de Hebreeuwse Bijbel opgenomen, maar wel in de Septuagint, omdat in een vroeg stadium enkel nog de Griekse versie in omloop was. De Hebreeuwse oorsprong van dit boek was wel bekend en werd bevestigd door de vondst van een deel van de Hebreeuwse tekst in de Dode Zeerollen. Wijsheid van Jezus Sirach heeft een plaats gevonden binnen de zogeheten deuterocanonieke boeken.

Wijsheidsteksten ontstaan als mensen gaan nadenken over de zin van het bestaan, over de grenzen en de mogelijkheden ervan. Vooral het zoeken naar onderlinge verbanden in termen van oorzaak en gevolg, speelt daarbij een belangrijke rol. Dat blijkt ook uit de eerste lezing van vandaag. Een vraag die kennelijk speelde bij de tijdgenoten van Jezus Sirach, betreft de herkomst van het kwaad. Is het kwaad te wijten aan God of aan de mens zelf (vgl. Jak. 1,13-15). Is de mens wel in staat om het goede te doen? Dit alles houdt verband met de vraag hoe je je leven kunt vormgeven overeenkomstig de geboden van God (Ps. 119).

Het antwoord van Jezus Sirach is duidelijk:
God is niet de oorzaak van het kwaad, want God haat het kwaad. En geheel in lijn met het slot van de afscheidsrede van Mozes (Deut. 30,11-20) schrijft hij: je hebt zelf de keuze om de geboden te onderhouden en Gods wil te doen, het is een keuze tussen leven en dood.
Zij die ontzag hebben voor God, en daarmee kiezen voor het leven, hebben het kwaad niet lief; zíj worden gezien door God die elke daad van de mens kent.
De conclusie op bovenstaande vraag is dan ook kort en bondig: ‘God heeft niemand opgedragen goddeloos te zijn en hij heeft niemand toestemming gegeven om te zondigen’ (v. 20).

1 Korintiërs 2,6-10
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Matteüs 5,17-37
Ook in het evangelie, een gedeelte uit de Bergrede, gaat het om de vraag, hoe te leven overeenkomstig de wil van God die in de geboden vervat en in de Tora opgetekend is. Leven volgens de Tora betekent gerechtigheid doen of ook, zoals in het Onze Vader wordt gevraagd, de Naam van God heiligen, het koninkrijk van God verwachten en Gods wil doen (6,9b-13).

Jezus laat geen enkel misverstand bestaan over zijn bedoelingen, hij is gekomen om de Tora en de profeten te vervullen (5,17; vgl. 3,15): ‘Want ik verzeker jullie: eer hemel en aarde vergaan, zal er niet één punt of komma van de Wet afgaan voor het allemaal gebeurd zal zijn’ (5,18).
Het onderricht van Jezus, zijn interpretatie van het koninkrijk der hemelen en zijn gerechtigheid, zijn diep geworteld in de traditie. Zelfs het kleinste gebod moet in acht worden genomen. Die overtuiging vinden we terug in Matteüs 5,21-48, de zogeheten antithesen, een debat over internjoodse halachische kwesties. Deze polemiek wordt al aangekondigd in 5,20: ‘Als jullie gerechtigheid niet méér betekent dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën, zul je het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan’. Een schokkende uitspraak, want de uitleg van de Tora door de schriftgeleerden werd geacht bindend te zijn (Mat. 23,3). De partij van de Farizeeën was zeer invloedrijk en verbond in tegenstelling tot de hier niet genoemde Sadduceeën de schriftelijke uitleg van de Tora met de mondelinge traditie.

De verzen 17-20 vormen de inleiding op de verzen 21-48, die zes voorbeelden bevatten van Jezus’ interpretatie van de Tora en de Profeten; tegelijkertijd zijn deze eerste verzen nauw verbonden met geheel hoofdstuk 5. De woorden gerechtigheid en het koninkrijk der hemelen in Matteüs 5,20 vormen de verbinding met de zogeheten zaligsprekingen (5,1-16), het majestueuze begin van de Bergrede. Verder vormt de uitdrukking ‘Want ik verzeker jullie’ (5,18) de verbinding met 5,21-48, zij komt hier negenmaal in min of meer dezelfde bewoordingen voor.

De zes zogeheten antithesen (5,21-26.27-30.31-32.33-37.38-42 en 43-48) zijn steeds op dezelfde wijze opgebouwd. Zij beginnen in Matteüs 5,21 met de vaststelling: ‘Jullie hebben gehoord dat tot de ouden gezegd is’, gevolgd door een verbod of gebod. Daarop leiden de woorden ‘En nu zeg ik jullie’ de veel verdergaande interpretatie in, die Jezus zelf geeft aan het genoemde verbod of gebod. Het hier gebruikte Griekse voegwoord de geeft juist vanwege de context (5,17-20) niet zozeer een tegenstelling aan (maar), het is juist een verbindend element (en). De term antithesen is naar mijn mening dan ook niet juist. Jezus is het immers fundamenteel eens met de Tora. Ook staat zijn interpretatie van de diverse verboden en geboden niet haaks op de traditie, hij continueert deze juist. Wel is zijn interpretatie uiterst radicaal.
Tegelijkertijd wil Matteüs door zijn presentatie van Jezus als de leraar bij uitstek en als de nieuwe Mozes duidelijk maken dat de uitleg van Jezus beantwoordt aan de eigenlijke en diepste bedoelingen van de Tora en dat zijn uitleg de enig juiste is (vgl. 13,52; 28,20).
Wie werkelijk leerling wil zijn van Jezus, het koninkrijk der hemelen wil binnentreden, gaat verder en dat heeft alles met liefde te maken. Dat maakt Jezus duidelijk aan de hand van zes voorbeelden die eindigen in een climax: ‘Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is’ (5,48).

Als eerste noemt hij het verbod uit de door Mozes doorgegeven Tien Geboden om te doden, om een moord te begaan (5,21-26; Ex. 20,13; vgl. Deut. 5,17). Volgens de interpretatie van Jezus omvat dit verbod in feite alles wat een goede intermenselijke relatie in de weg staat. De verstoorde relatie tot je broeder/zuster leidt tot sancties: gerecht – sanhedrin – hellevuur. Het hellevuur is de tegenpool van het koninkrijk der hemelen (5,22).
Vervolgens valt het gebruik van de tweede persoon enkelvoud op, de toehoorder of lezer wordt direct aangesproken (5,23v). De persoonlijke relatie tot God staat niet los van de relatie van broeders onder elkaar. Zelfs wanneer die relatie slechts eenzijdig verstoord is (‘je broeder heeft iets tegen jou’), betekent dit een verstoorde relatie tot God. Of je broeder terecht of onterecht iets tegen jou heeft, of jij dader of slachtoffer bent, is niet van belang. Waar het om gaat, is dat de onderlinge relatie eerst hersteld moet worden voordat je God een offergave mag brengen.
Tot slot is er nog het advies hoe je je het beste kunt gedragen tegenover de tegenpartij: maak het in orde ter voorkoming van erger (5,25v). Net als in het begin (5,22) wordt dit ‘erger’ in drie stappen en in stijgende lijn beschreven: rechter – gerechtsdienaar – gevangenis.
De kern van deze ‘antithese’ ligt in het middelste deel: vergeving. De weg naar God gaat via de broeder. God wil geen gaven wanneer er onderlinge strijd is, vandaar het gebod om tot verzoening te komen. Pas als dat gebeurd is en de onderlinge eenheid is hersteld, mag je offeren. Het begrip broeder komt hier viermaal voor en verwijst naar kinderen van één vader. Bedoeld is de gemeenschappelijke Vader in de hemelen. Vanuit 5,21-26 valt dus een bepaald licht op de aanduiding van God als Vader. God is de Vader van mensen die zich met elkaar verzoenen.

Het volgende voorbeeld in Matteüs 5,27-30 is het verbod op echtbreuk, zoals eveneens verwoord in de Tien Geboden (Ex. 20,14; Deut. 5,18). Deze tweede ‘antithese’ hangt samen met de derde (5,31v) vanwege het gemeenschappelijke werkwoord ‘echtbreken’. In de tweede ‘antithese’ gaat het om een verbod, in de derde om een gebod, waarbij de persoonlijke toespitsing ontbreekt.
Natuurlijk is echtbreuk geen goede zaak, dat is duidelijk, maar waar het hier om gaat is dat je behoedzaam te werk moet gaan, je niet begeven op een weg die uiteindelijk tot echtbreuk zal leiden.

De vierde ‘antithese’ (5,33-37) betreft het verbod op meineed. Dit verbod gaat terug op Leviticus 19,12: ‘U zult bij mijn Naam niet vals zweren en zo de Naam van uw God ontheiligen: Ik ben de Heer’. Je moet zo leven dat er geen eden nodig zijn om je woorden te staven.
In dit verband is de beschrijving van de Essenen door Flavius Josephus interessant: ‘Zij tonen alleen oprechte verontwaardiging, hebben hun emoties onder controle, houden vast aan het eenmaal gegeven woord en dienen de zaak van de vrede. Ieder woord dat zij spreken, heeft meer waarde dan een eed. Zij weigeren een eed te zweren, omdat zij dat nog erger achten dan een meineed; zij zeggen namelijk dat iemand die niet wordt geloofd tenzij hij God heeft aangeroepen, al veroordeeld is’ (boek 2,135).

Literatuur
Panc Beentjes, De wijsheid van Jezus Sirach, Budel 2006
Flavius Josephus, De Joodse Oorlog & Uit mijn leven, vertaald en van aantekeningen voorzien door F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes, Baarn 19922
Peter Schmidt, Ongehoord. Christen zijn volgens de Bergrede, Leuven 2011
Yvonne van den Akker-Savelsbergh, Het onzevader: een meerstemmig gebed?, Zoetermeer 2004, 123-131

 

Preekvoorbeeld

In ons vrijwilligersteam van de merendero, de plek waar we voor kinderen van arme gezinnen uit onze wijk na schooltijd broodjes en melk klaarmaken, zit een vrouw die Carmen heet. Ze is de hartelijkheid zelve, maar niet alleen dat. Als ze voor een dienst komt, informeert ze niet alleen uitgebreid naar hoe het met je gaat, ze maakt ook direct een doekje vochtig om het aanrecht in onze afgeschotte keuken af te nemen. Daarna pakt ze de bezem en begint het plaatsje aan te vegen, waar zo meteen de tafels neergezet gaan worden. Alles moet er piekfijn uitzien vindt ze. En onder haar bezigheden vertelt ze over haar werk of informeert ze naar de vorderingen van mijn dochter. Gisteren, toen ze tot mijn verbazing zelfs hoekjes schoonveegde waar ik nooit aan gedacht zou hebben, zei ik bij mezelf ik: wat stimulerend is deze vrouw toch, ze is een voorbeeld voor ons allemaal. Zoals zij het doet, lijkt het helemaal niet moeilijk om goed te zorgen voor onze plek, zelfs al is daar alles een beetje sleets en wrak.

We horen vandaag een stukje van de Bergrede, een lange toespraak van Jezus in het Evangelie van Matteüs. ‘Doe er nog een schepje bovenop’, zegt hij steeds. ‘In de Wet staat: ‘Je zult niet doden’, en ik zeg je nu: ‘scheld ook niemand uit en draag niemand een kwaad hart toe’.
Jezus zegt ook dingen die voor ons, levend in een zo andere tijd, niet gemakkelijk klinken: Je moet niet alleen geen overspel plegen, maar ook je begeerten beheersen. Bij een scheiding moeten volgens de Wet de scheidingspapieren in orde zijn, maar Jezus vindt dat een man een vrouw helemaal niet mag wegsturen. En je mag volgens hem niet alleen je woord niet breken, maar zelfs geen eed afleggen. Je ‘ja’ moet simpelweg ‘ja’ zijn en je ‘nee’ ‘nee’. Er staat nog veel meer in de Bergrede dat we vandaag niet lezen, maar de gedachte is duidelijk. Jezus legt de lat hoog. ‘Wees volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is’, zo eindigt hij.
Ga er maar aanstaan, zou ik zeggen. We weten wat ons te doen staat als we navolgers van Jezus willen zijn. Misschien zijn er sommigen onder ons die nu enthousiast voor zichzelf nagaan hoe ze deze woorden in de praktijk kunnen brengen. Maar ik vermoed dat er ook zijn die eerder denken: dit is wel erg moeilijk. Zo zou je eerder ontmoedigd dan aangemoedigd raken.
Hier zit wel een probleem. Als wij mensen elkaar op ons gedrag aanspreken, dan luistert dat heel nauw. Je kunt een ander overvragen en je kunt ook dingen vragen die je misschien zelf niet waarmaakt. We kunnen moralistisch worden. En toch is het goed en zelfs belangrijk dat we nadenken en ook met elkaar spreken over wat we doen en laten, wat we zeggen en verzwijgen. Het is in elk geval goed om die dingen voor onszelf steeds onder de loep te nemen en te proberen om ze een volgende keer nog weer iets beter te doen. Hierom staat de Bergrede ook in het evangelie.

Om niet ontmoedigd te raken moeten we wel beseffen dat in de Bergrede niet zomaar een medemens ons toespreekt, maar God zelf in de persoon van Jezus. God is niet moralistisch, overvraagt ons niet, en schiet zeker niet zelf tekort bij wat hij van ons vraagt. De manier waarop God iets van ons vraagt, lijkt misschien wel wat op de manier waarop Carmen, die vrouw uit ons vrijwilligersteam, ons een manier van werken voorleeft. Zij vraagt ons niet eens wat, zij doet gewoon, en daarmee nodigt ze wie daarvoor open wil staan uit een betere vrijwilliger te worden. God nodigt uit met stille kracht, dwingt niets af, legt niets op, maar maakt dat in ons de moed en het zelfvertrouwen groeien om iets te doen wat we nog niet eerder deden. Wat we deden, was misschien al heel goed, bij wijze van spreken vervulden we de Wet al, de Wet waar Jezus steeds naar verwijst. Maar waarom zouden we het nog niet iets beter doen als ons al voorgedaan wordt hoe dat kan? Carmen laat mij met haar vegen van gisteren al de hoekjes zien die ik nu ook mee kan nemen als het mijn beurt is om de bezem te hanteren.
Zoals Carmen zijn er velen om ons heen die inspireren met hun daadkracht of hun wijsheid. We kunnen dit opvatten alsof het God zelf is die ons via hen voorstelt om het de volgende keer iets anders aan te pakken. Steeds zijn er nieuwe wegen om te gaan. Dat we ons daartoe uitgenodigd voelen.

inleiding dr. Yvonne van den Akker- Savelsbergh
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post

 

19 februari 2023
Zevende zondag door het jaar

Lezingen: Lev. 19,1-2.17-18; Ps. 103; 1 Kor. 3,16-23; Mat. 5,38-48(A-jaar)

 

Inleiding

Leviticus 19,1-2.17-18
Het boek Leviticus roept bij de moderne bijbellezer gemengde gevoelens op. Er staan heel mooie, aansprekende teksten in, maar ook vreemde, soms zelfs weerzinwekkende teksten. Leviticus 19 bevat een combinatie van beide: zinvolle geboden, maar ook voorschriften die ons niet aanspreken. Wie zich houdt aan het leesrooster en alleen de daarin geselecteerde verzen leest zal dat niet zo snel opvallen. Na de inleiding (vv. 1-2) valt de aandacht vooral op het bekende en doorgaans graag aangehaalde gebod je naaste lief te hebben als jezelf (vv. 17-18). De opstellers van het rooster zouden zich, als ze daar behoefte aan zouden hebben, kunnen verdedigen door te zeggen dat Jezus volgens het verhaal van de Bergrede in Matteüs 5 nog verder ging en alleen vers 18b eruit pikte. Daar staat tegenover dat Jezus, zoals hieronder nog uitgelegd zal worden, het gebod radicaliseert en daarmee meer aansluit bij de oorspronkelijke boodschap dan mensen die denken het liefdegebod eenvoudig te kunnen toepassen.
Leviticus 19 is namelijk bijzonder veeleisend. In de inleidende verzen wordt dat direct duidelijk, al kun je daar misschien overheen lezen. Het staat er namelijk een beetje cryptisch: ‘heilig moet je zijn, want Ik, jhwh, ben heilig’. Wat moet een mens zich daar nu precies bij voorstellen? ‘Heilig’ klinkt in onze taal niet zo positief. Meestal wordt in een negatieve context gebruikt: ‘heilige huisjes’ of ‘schijnheilig’. Of het duidt op iets wat ver van de gewone mens af staat. Heiligverklaring is slechts enkelen gegeven en dan doorgaans ook nog postuum. Op gezag van de paus neemt men aan dat de persoon in kwestie nu niet alleen hemelse zaligheid geniet maar ook een voorspraak bij God kan zijn. Dat staat ver af van u en mij als gewone stervelingen. Bij de opdracht aan het begin van Leviticus 19 kan men zich ook afvragen of het niet te hoog gegrepen is om te streven naar heiligheid zoals van God. Hoe ver staat dit nog af van de verleiding waarvoor Eva en Adam bezweken volgens de slang in Genesis 3,5, namelijk om te zijn als God?
Bij de nadere invulling in de volgende verzen in Leviticus 19 komt het al wat dichterbij. Eerbied hebben voor je ouders en de sabbat houden past beter bij de gewone menselijke maat. Daarna gaat het over offers en over de oogst. Ook al horen die bij de meesten van ons niet tot de dagelijkse bezigheden, we kunnen ons er wel wat bij voorstellen. Dat geldt helemaal voor de daarop volgende richtlijnen voor de omgang met elkaar, met name in situaties van ongelijkheid. Dat loopt uit op het liefdegebod in vers 18. Dat is zo bekend dat het een niets zeggend cliché kan worden. De beste remedie daartegen is om door te lezen, om uit te komen bij een toepassing van het liefdegebod die het gebod weer spannend maakt.
Daarvoor moet men zich door verzen over een aantal geboden werken die ofwel niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld omdat ze het bezit van slaven veronderstellen (v. 20), of die we domweg negeren, omdat we er de zin niet van inzien, zoals het verbod om kleren te dragen die uit twee soorten garen geweven zijn (v. 19). Beter dan met exegetisch kunst- en vliegwerk daar nog een betekenis aan te geven is het om uiteindelijk stil te staan bij vers 34 dat ons voorhoudt dat we de vreemdeling moeten liefhebben als onszelf. Deze eerste toepassing van het liefdegebod maakt duidelijk hoe ingrijpend het kan zijn om dat gebod serieus te nemen. Lees voor ‘vreemdeling’ asielzoeker en je beseft dat het komende zondag wel eens een spannende kerkdienst zou kunnen worden.
Het overtuigende argument dat de Israëlieten niet op vreemdelingen neer mogen kijken is dat ze moeten beseffen dat ze zelf vreemdelingen waren in Egypte en bedenken hoe blij ze waren dat God ze uit die situatie heeft bevrijd. Dat laatste duidt overigens dan wel weer op een verschil tussen God en de mens. De oproep om heilig als God te zijn wordt aan het slot ook niet meer herhaald. Er staat alleen nog maar het refrein ‘Ik ben de heer’. De Israëlieten en wij met hen zullen daarom bij het ‘heilig’ toch in de eerste plaats moeten denken aan heilig ontzag voor de heer. En dat geldt dan ook voor zijn geboden. Misschien dat we dan ook nog maar eens kritisch moeten kijken naar onze selectie van al dan niet relevant geachte voorschriften.

Matteüs 5,38-48
In zijn Bergrede waarschuwt Jezus ook tegen de neiging om water bij de wijn te doen als het gaat om Gods geboden. Hij pleit voor het tegenovergestelde. Daarin gaat hij wel erg ver. Is het zelfs niet te veel gevraagd? Jezus kan – om bij de eerder gebruikte beeldspraak te blijven – water in wijn veranderen, maar onze mogelijkheden zijn beperkt. Schetst Jezus niet een onrealistisch ideaal, waarbij men zich af kan vragen of het in alle omstandigheden wel zo verstandig is om er gehoor aan te geven? Het ‘oog om oog en tand om tand’ (v. 38) wordt tegenwoordig gezien als uiting van ongeciviliseerd gedrag (Gen. 4,23v). Dat zal ongetwijfeld beïnvloed zijn door de uitspraak van Jezus. Maar in de tijd waarin dit principe van wederkerigheid werd geformuleerd functioneerde het juist als een zinvolle inperking van geweld. Het gold als een goede regel bij de rechtspraak, namelijk dat er een evenwicht moet zijn tussen misdaad en straf. Dat is nog steeds iets wat het overwegen en vaak ook het toepassen waard is. Aan de andere kant zijn er ook situaties denkbaar dat het niet verantwoord is om de ‘andere wang toe te keren’ (v. 39). Soms vraagt geweld om gerechtvaardigd tegengeweld.
Jezus overdrijft. Dat is ook duidelijk in de manier waarop Hij Leviticus 19,18 aanhaalt. Hij suggereert dat daar naast het liefdegebod wordt gezegd: ‘uw vijand zult gij haten’. In Leviticus 19,17 wordt juist gewaarschuwd tegen de haat. Misschien deed Jezus het wel met opzet. Kenners van de Schrift zullen gepikeerd reageren: dat staat er niet! Maar het is natuurlijk wel de praktijk. Dat zal niemand ontkennen. Het wordt ook algemeen geaccepteerd dat het onontkoombaar is dat je in ieder geval de ergste vijanden haat. Soms wordt er zelfs een vijand gecreëerd, want dat geeft duidelijkheid en versterkt het wij-gevoel.
De opdracht van Jezus lijkt voor gewone mensen zoals wij te hoog gegrepen. En dan eindigt Jezus ook nog eens zoals Leviticus 19 begon. Hij versterkt het zelfs. In plaats van heilig worden we nu geacht ‘volmaakt’ te zijn ‘zoals jullie hemelse Vader volmaakt is’ (v. 48). Daar is toch geen beginnen aan? Of zou het nu juist de bedoeling zijn om er toch maar aan te beginnen? Is de komst van Jezus in ons midden het signaal dat er meer mogelijk is dan wij denken? Dat de theorie (de boodschap) overgaat in de praktijk? En dat wij daar zelf een rol in spelen?

1 Korintiërs 3,16-23
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Literatuur
Jonathan Sacks, Leviticus, boek van het heilige, Middelburg 2020

 

Preekvoorbeeld

Thema: Meer dan het gewone…’

Wetten, geboden, regels, voorschriften … Wij hebben het daar meestal niet zo op.

15 Miljoen mensen
Op dat hele kleine stukje aarde
Die schrijf je niet de wetten voor
Die laat je in hun waarde

Het is het refrein van een reclamelied. Jaren geleden geschreven voor een grote bank in Nederland, werd het zó populair, dat het binnen de kortste keren in de top 40 van de hitlijsten stond.
Het geeft scherp het gevoel van veel mensen weer. Zo van: Je moet mij niet zo gauw vertellen wat ik wel of niet mag of moet. Laat mij in míjn waarde, ja! Ik maak dat namelijk zelf wel uit.

Merkwaardige zin eigenlijk, die laatste zin uit het refrein. Die suggereert dat je Nederlanders in hun waarde laat als ze zélf mogen uitmaken waar ze zich wel of niet aan houden… Alsof iedereen zelf mag bepalen wat hij/zij wel of niet doet. Ikke, ikke, ikke en de rest zoekt het ook maar lekker zelf uit…
Vreemde spanning roept dat op tussen jou als individu en de samenleving. Want wetten, regels, geboden, ze zijn er immers voor, om het leven met elkáár leefbaar te maken; een leefbare samen-leving voor iederéén en niet alleen voor jou of voor mij zonder je iets aan te trekken van anderen.

In de bijbellezingen gaat het vandaag ook over geboden en regels en hoe je daarmee omgaat. Zo gezien dus niet een populair onderwerp.
Maar het gaat verder, want de lezingen roepen daarnaast nog een andere spanning op, die van geloof en religie. Dat is voor veel mensen helemaal niet vanzelfsprekend en zeker niet altijd positief. Geloof geldt voor velen als beknottend. Dan mag je meestal een heleboel niet.

Zo komen we bij die inleidende en centrale woorden in Leviticus 19, die luiden: ‘Wees heilig, want ik de Heer, uw God, ben heilig.’

Ze vormen een oproep: wees heilig. Dat is nogal wat. Dat klinkt wel bijzonder veeleisend. Kan dat, heilig zijn zoals God? Is dat niet veel te hoog gegrepen? Je bent geneigd je hoofd te schudden. Dat gaat ‘m niet worden.

Nee, maar misschien moeten we die zin ook niet zo lezen. Misschien moet je ’m eerder lezen als een spiritueel begin. Het begint niet bij ‘ik’. Niet ik ben het ijkpunt van wat wel of niet kan of mag. Nee, dat ijkpunt ligt buiten mij bij God, de Heilige, de Schepper, bij hoe hij het leven bedoelt … Hij staat aan het begin. Daarmee wordt ons leven op een ander plan getild.
Daarom is deze zin voor gelóvige mensen, een beginselzin. Een zin van waaruit je gaat nadenken en op zoek gaat naar hoe je dan in het leven kunt staan. God, de Heer, is heilig. Wat betekent dat voor mij als zijn schepsel? Wat voor mijn omgaan met zijn andere schepselen?
Mensen zijn niet God en zijn dus ook niet zo heilig als God, maar we mogen als zijn schepselen wel iets weerspiegelen van die heiligheid. Dáár gaat het om. Hoe doen we dat in een gebroken wereld? Hoe houd je het goed met elkaar? Zo kun je de regels en geboden van de Bijbel lezen als richtingwijzers die ons houvast bieden, maar die ook – eerlijk is eerlijk– kritisch en lastig kunnen zijn. Soms is dat ook de bedoeling. We hebben dat ook wel eens nodig. Lastige vragen over ons eigen gedrag. Waar ben je nu mee bezig? Had je dit niet anders kunnen doen? Vragen die ons storen in onze voortdenderende gelijkhebberigheid.

We hebben niet heel Leviticus 19 gelezen, maar er staan lezenswaardige regels in, die soms heel bekend klinken. Eerbied, respect voor ouders; de sabbat houden om geen slaaf te worden van het werk of van de economie. Zeker er staan ook regels in over offers. Dat is wat uit een andere cultuur, maar tegelijkertijd onbegrijpelijk zijn ze niet.
Er staat ook een prikkelende regel in. Namelijk dat je iets moet overhouden bij de oogst, bij je werk, voor minder bedeelden; eerste levensbehoeften. Dat dat eigenlijk gewoon in je systeem moet zitten. Dat je dat doet. Dan wordt het plotseling weer heel actueel. Niet alleen voor jezelf zorgen en binnenharken wat je maar kunt pakken. Dat is zo’n regel die ons echt aan het denken mag zetten. Juist ook in de actualiteit van onze dagen. En wat te denken van de regel, dat je niet op vreemdelingen moet neerkijken, maar dat je je om hen zult bekommeren. Waar blijven we dan met ons omgaan met asielzoekers? Ook dat is zo’n regel die het ons lastig maakt en waar je makkelijk een ongemakkelijk gevoel bij krijgt... Zo storen de woorden en regels van de Heilige, God, ons op onze vierkante meter.

Wij hebben niet alles gelezen, maar toegespitst kom je de kern tegen in wat we wél lazen. Vers 17 en 18, dat je niet haatdragend moet zijn als iemand je iets geflikt heeft; natuurlijk moet het rechtgezet, maar je moet niet uit zijn op wraak en wrok moet je niet laten invreten in je hart, maar je moet je naaste, zo staat het hier in Leviticus ‘liefhebben als jezelf’. In al die regels/geboden gaat het dus over ‘je naaste’ zegt de Bijbel; tot en met degene met wie je in een conflict bent terechtgekomen. ‘Je moet je naaste liefhebben als jezelf’.

Weet u wat zo bijzonder is? Dit zijn nu precies de woorden, waar Jezus op inhaakt. We hebben dat net met elkaar gelezen in Matteüs 5, waar hij ook met die lastige zin komt over ‘die andere wang’, die je toekeert als iemand je geslagen heeft… Woorden waarvan je allemaal denkt, zou hij dat nu echt zó bedoelen?!

Het gaat in die woorden van Matteüs 5 over een conflict, of beter over een poging tot conflictoplossing. Jezus haalt die woorden uit Leviticus erbij. Hij citeert ze, als hij zegt: ‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd is “Je moet je naaste liefhebben als je zelf en je vijand haten”. En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen…’

Er zit iets aparts in de manier waarop Jezus deze gedachte uit het boek Leviticus citeert. Inderdaad daar staat ‘Je moet je naaste liefhebben’, maar niet dat je ‘je vijand moet haten.’ Integendeel zelfs. Leviticus roept juist op om niet haatdragend te zijn; géén wrok te koesteren; níet uit wraak de ander terug te pakken…
Zo gezien liggen de woorden van Leviticus en Jezus veel meer in elkaars verlengde. Dat is ook niet verwonderlijk. Jezus leefde in die Joodse traditie. En hier wil hij de inzichten, de regels en geboden die voortkomen uit dat geloof opnieuw over het voetlicht brengen. Zeker, hij doet dat radicaal en daarmee legt hij de lat hoog. Zo hoog, dat wij ons afvragen: kunnen of willen we dat wel? Vraagt hij nu niet teveel van ons? De ander de wang toekeren, is dat nog wel logisch?

Matteüs typeert Jezus in de hoofdstukken 5 tot 7 als een nieuwe leider, als een nieuwe Mozes die het volk de weg wijst naar het koninkrijk van God, het beloofde land, een nieuwe tijd. Hoe bereid je je daarop voor?
Opnieuw, níet door uit te gaan van de gedachte: als ík er maar goed mee weg kom; als ík maar gelijk krijg; als ík maar… Nee het beginpunt van mijn denken ligt niet bij mij, maar bij God, de Heilige, bij hoe hij het leven bedoelt. En dus ga je denken vanuit een ander perspectief, vanuit het geheel, de schepping en je zoekt de verbinding. En dan hoort de minderbedeelde erbij en de vreemdeling en ja, ook hij/zij die tegenover je staat in een conflict, hoort daarbij. Hoe vind je een weg naar die ander? Door iets anders te doen dan wat gewoon is.

Wat is er gewoner dan de ander een klap terug te geven als hij jou er een geeft, letterlijk of figuurlijk? Terugslaan is onder ons heel vanzelfsprekend, maar dat verdiept het conflict. Jezus vraagt om niet het gewone te doen, maar om nieuw te denken. Ook in een conflictsituatie. De Bijbel roept op tot omdenken. Niet alleen vanuit je gekwetste emotie reageren, maar nadenken en weggetjes zoeken naar elkaar.
De ander opzoeken en een hand uitsteken… Als de ander een muur om zich heen gebouwd heeft, zoeken hoe je er omheen kunt komen: hé, hier ben ik… ik dacht ik kom even om de hoek kijken, misschien kunnen we eens praten...

Zeker, dat maakt je kwetsbaar. Alsof je de ander je wang toekeert, maar ergens moet het wel beginnen.
Het gaat niet om geboden van ‘je moet dit van het geloof of je moet dát’. Nee het is veel meer een uitnodiging om vanuit een ander perspectief te denken. Om in de gebrokenheid te zoeken naar heelheid. Omdenken. Jezus roept op om iets anders te doen dan wat we gewoon zijn; om méér en anders te doen dan het gewone.

Literatuur
Het thema is ontleend aan Matteüs 5,47 (nbg 1951). Het is ook de titel van het boek van Feitse Boerwinkel, Meer dan het gewone. Over Jezus en zijn bergrede, Baarn 1977, 2de dr.

 

inleiding prof. dr. Klaas Spronk
preekvoorbeeld prof. dr. Jaap de Lange

22 februari 2023
Aswoensdag

Lezingen: Joël 2,12-18; Ps. 51; 2 Kor. 5,20–6,2; Mat. 6,1-6.16-18 (A-jaar)

 

Inleiding

Op deze dag, Aswoensdag, beginnen we de Veertigdagentijd. Dat is een tijd van inkeer en kritische zelfreflectie. Een bijzondere tijd waarin we onze levenswijze kunnen herijken en opnieuw afstemmen op Jezus Christus en zijn evangelie. Een tijd van herstel van verstoorde relaties met God, met mensen en met heel de schepping. Een tijd van verzoening.
De Schriftlezingen gaan over de dag des Heren, de dag van het heil, de gunstige tijd. Die dag, die gunstige tijd, is nu aangebroken. Een tijd waarin wij ons bijzonder kunnen toeleggen op de werken van gerechtigheid. Werken die ons dichter bij onszelf kunnen brengen, dichterbij anderen, dichter bij God en bij zijn schepping.

Joël 2,12-18
In de eerste lezing wordt opgeroepen om de bazuin te blazen op Sion. De bazuin is het instrument waarmee het volk wordt opgeroepen bij verschillende gelegenheden en voor verschillende soorten samenkomsten. Daarbij kan het gaan om een oproep om samen te komen, voor bepaalde handelingen en rituelen maar ook wanneer er gevaar dreigt.
In de lezing van deze Aswoensdag wordt opgeroepen om op de bazuin te blazen, een heilige vasten af te kondigen en een plechtige samenkomst bijeen te roepen. Dat past natuurlijk prachtig bij wat wij zelf op deze Aswoensdag doen.
Maar aan het begin van het tweede hoofdstuk van de profeet Joël, wordt het volk ook opgeroepen om de bazuin te laten klinken op de berg Sion. En daar klinkt de bazuin om alarm te slaan op de heilige berg Sion, ‘want de dag van de heer is gekomen; ja, hij is nabij’ (2,2).

Net als het bazuingeschal dekt de dag van de heer (JHWH) verschillende ladingen. De dag van JHWH verwijst naar Gods handelen ten opzichte van Israël en ten opzichte van de volkeren. Wanneer de heer het woeden der volken tegenover Israël tot staan brengt en teniet doet, dan toont Hij zich heilzaam voor zijn volk en ervaren zij Hem zoals Hij wil zijn, hun Redder.
Soms waant het volk van Israël zich onaantastbaar omdat het de vaste overtuiging heeft dat JHWH onvoorwaardelijk aan zijn zijde staat. Even voorafgaand aan de lezing van vandaag spreekt de profeet Joël duidelijk uit, dat de dag van JHWH niet per se een dag van licht is voor zijn volk, maar ook een dag van donker en duisternis kan zijn. Die laatste verzen voorafgaand aan onze lezing, zijn de volgende: ‘De dag van JHWH is groot en zeer te duchten: wie zal hem doorstaan?’

Bij de profeten, ook bij de profeet Joël, is er een sterke overtuiging dat het slotwoord van de ‘dag van JHWH’ een woord van hoop is. De lezing van vandaag begint dan ook met de woorden: ‘Maar ook nu nog – godsspraak van JHWH.’ Kortom, ook nu is er nog hoop. En dan roept hij het volk op in Gods Naam: ‘Scheur uw hart en niet uw kleren. Keer u om naar Mij met heel uw hart, vastend, wenend en rouwend’ (v. 12). Een oproep tot ommekeer, vooral een innerlijke ommekeer, al kan die vergezeld gaan van uiterlijke gebaren en rituelen. Het gaat echter vooral om een innerlijke ommekeer. En ter bemoediging houdt Joël het volk voor wie JHWH is, tot wie zij zich wenden: ‘Hij is genadig en barmhartig, toegevend en vol liefde’ (v. 13). Dat is kenmerkend voor Hem. En heil is wat Hij wil en geen onheil. Daarom: ‘Wie weet zal Hij omkeren en krijgt Hij spijt en laat dan zegen achter zich’ (vv. 13-14).

Een plechtige samenkomst van heel het volk wordt bijeengeroepen in de tempel. Iedereen, jong en oud. Het volk verzamelt zich in de buitenste voorhof van de tempel en priesters hebben hun plek in de binnenste voorhof, om namens het hele volk God te smeken dat het als Gods bijzonder erfdeel gespaard wordt. Want als de heidenen het gaan overheersen zal dat toch een schande zijn voor het volk én voor hun God, JHWH!

De lezing eindigt hoopvol: ‘Toen is de heer voor zijn land opgekomen en Hij heeft zijn volk gespaard.’ Het volk en JHWH hebben zich opnieuw naar elkaar toegekeerd.

2 Korintiërs 5,20–6,2
In deze lezing presenteert Paulus zich niet alleen als medewerker van God, zoals dat elders ook wordt gezegd van Apollos (1 Kor. 3,9) en Timoteüs (1 Tes. 3,2), maar als gezant van Christus. Hij en ook de andere medewerkers zetten de zending van Jezus op een unieke wijze voort. Eerder in deze brief verwoordt Paulus het zo: in alle ontberingen omwille van de verkondiging van het woord ‘dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven (van de verrezen) Jezus zich in ons lichaam openbaart’ (2 Kor. 8-10). Zij getuigen met hun eigen leven van Christus en in hun woorden is het alsof God zelf de toehoorders oproept.
De grote oproep die hier klinkt is: ‘Laat u met God verzoenen, in Christus’ naam!’ (v. 20). In deze formulering blijkt het respect van Godswege voor de vrijheid van de schepselen. ‘Láát u met God verzoenen.’ Het is geen bevel, maar een dringend appel, waar je op kunt antwoorden of niet. Maar hoe doe je dat, je verzoenen met God? Door Christus in je leven te aanvaarden.
Jezus, die zonder zonde was (v. 21), is door zijn Vader in het menselijke bestaan gezonden. Door het geloof in Jezus Christus deelt Gods gerechtigheid zich mee aan allen die geloven, zonder onderscheid (Rom. 3,22).
Na de uitdrukkelijke smeekbede in Christus’ naam in vers 20, volgt de aansporing tot de toehoorders om ervoor te zorgen dat zij de genade van God in Jezus Christus niet vruchteloos hebben ontvangen.
En dan keert het thema van ‘de dag’ uit de eerste lezing weer terug, waarbij het hier gaat om de dag van het heil, waarop God zijn volk te hulp is gekomen. Nú is die dag, nú is de gunstige tijd.

Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68

Matteüs 6,1-6.16-18
Het evangelie van deze dag is genomen uit het hart van de Bergrede en gaat over de drie werken van gerechtigheid: barmhartig zijn, dat wil hier zeggen aalmoezen geven, bidden en vasten. De beschrijving van deze drie werken volgt steeds eenzelfde schema. Wanneer je een aalmoes geeft, bidt of vast, doe het dan niet voor het oog van de mensen – doe het niet als hypocrieten, dat wil zeggen toneelspelers of schijnheiligen– want dan heb je je loon al gehad. Maar doe het juist onopvallend, in het verborgene, waar alleen God het ziet en het je zal lonen.

Loon is een terugkerend thema bij alle drie de werken en wordt trouwens al genoemd in het inleidende vers van dit hele hoofdstuk: ‘Pas op dat jullie je gerechtigheid niet doen voor het oog van de mensen, om door hen gezien te worden. Anders wacht je geen loon bij jullie Vader in de hemel.’
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen menselijk loon hier op aarde en goddelijk loon bij de Vader in de hemel. De indruk wordt gewekt dat je maar één keer loon kunt krijgen: hier en nu óf daar en later. Maar waarin bestaat het hemelse loon?

Iets eerder in de Bergrede is ook al sprake van loon. In Matteüs 5,46 komen we het tegen wanneer Jezus spreekt over het liefhebben. ‘Als je liefhebt wie jou liefheeft, welk loon verdien je dan? Doen de tollenaars dat ook niet?’ Liefhebben die jou liefhebben, doet je groeien in hun liefde, in hun gunst.
Jezus roept echter op om je vijanden lief te hebben en te bidden voor wie je vervolgen. Want: dan zullen jullie kinderen worden van je Vader in de hemel, die zijn zon laat opgaan over slechten en goeden (5,44). Het liefhebben van je vijanden doet je groeien in de liefde van God, in de liefde die God is. Het goddelijke loon maakt iemand anders.
In de zaligsprekingen wordt ook enkele keren indirect of ook uitdrukkelijk over beloning gesproken. Aan armen van geest komt het koninkrijk der hemelen toe (5,3), zuiveren van hart zullen God zien (5,8), zij die vrede brengen zullen kinderen van God genoemd worden (5,9) en wie vervolgd worden vanwege de gerechtigheid wacht een rijke beloning in de hemel’ (5,10v).

Bij de werken van gerechtigheid gaat het niet om het uiterlijk, maar om het innerlijk. Zo moet ook de profeet Samuël leren wanneer hij voor de heer de gezalfde moet aanwijzen onder de zonen van Isaï: ‘God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar jhwh kijkt naar het hart’ (1 Sam. 16,7). Of zoals Paulus schrijft over het Jood zijn: ‘Jood ben je van binnen, en de werkelijke besnijdenis is er een van het hart, een geestelijke en niet een naar de Wet. Zo iemand wordt geprezen, niet door de mensen maar door God’ (Rom. 2,29).

De drie werken van gerechtigheid hebben op zichzelf betekenis, maar kunnen elkaar ook versterken. Het danklied van Tobit verwoordt dat aldus: ‘Bidden is iets goeds als het gepaard gaat met vasten, liefdadigheid en rechtvaardigheid. Beter weinig te bezitten in eerlijkheid dan veel in oneerlijkheid. Het is beter aalmoezen te geven dan goud op te hopen’ (Tobit 12,8).

Vasten is bedoeld als uitdrukking en onderbouwing van de bereidheid tot inkeer en ommekeer tot God en zijn gerechtigheid. Maar in de praktijk van het vasten spelen er soms andere motieven mee.
Waar vasten (ver)wordt tot een loutere oefening in persoonlijke ascese – ‘het hoofd als een riet laten hangen en op de grond liggen in zak en as’ (Jes. 58,5) – dient het niets en zeker niet God.
Jezus uit in het evangelie zijn kritiek op een vasten dat gepaard gaat met het trekken van een somber gezicht of met een onverzorgd uiterlijk om daarmee aandacht en waardering op te wekken bij anderen. Een dergelijke manier van vasten schiet zijn doel volledig voorbij omdat er geen bereidheid is tot inkeer en ommekeer.

En wanneer vasten gepaard gaat met onrechtvaardig handelen verliest het ook alle zin. Tegen zo’n manier van vasten ageren profeten, met name Jesaja: ‘Op de dag dat u vast zoekt u nog uw voordeel en beult u uw slaven af. U kijft en krakeelt als u vast, en slaat er boosaardig met uw vuisten op los. Zie, bij een vasten als dit dringt uw stem niet in den hoge door’ (Jes. 58,3v).


Preekvoorbeeld

Aswoensdag: Begin van de Veertigdagentijd, tijd van bezinning.

Ik wil u graag op weg helpen aan de hand van drie kernwoorden die in het hart van de Bergrede staan. Die drie kernwoorden zijn: Barmhartigheid, Gerechtigheid en Bidden. De woorden horen als gevouwen handen bij elkaar.

In deze bezinning wil ik ze een voor een langslopen en kijken wat ze met ons doen. De Bergrede is een soort ‘State of the Union’ waarin Jezus zijn levensprogramma aan ons uitlegt.

Beginnen we met Barmhartigheid.
De betekenis van het woord barmhartigheid heeft in de taal van Jezus dezelfde wortels als navelstreng. Het betekent dat als je barmhartigheid doet, je dat doet vanuit een heel diepe verbondenheid. De buik is het gevoelscentrum van het menselijk lichaam. Je wordt diep geraakt en je wilt iets doen.
Ik kan daar voorbeelden van noemen, maar misschien is het beter om het even stil te maken om bij ons zelf na te gaan waar we barmhartigheid ontvangen hebben of waar we die hebben uitgestraald.

Zijn we even stil, misschien met een minuut pianospel… als de ruimte geschikt is kan er gedeeld worden, anders kun je de overweging vervolgen.

Toen ik zelf hierover nadacht kwam mijn oom tevoorschijn in mijn herinnering. Hij was een en al barmhartigheid. Toen hij overleed vertelde een van ons dat hij elke maand, als hij zijn salaris ontving, zijn bankboekje tevoorschijn haalde en cheques uitschreef voor mensen die weinig of niets hadden. Ook had hij ruimhartig geschonken aan goede doelen. Soms was het zoveel dat zijn vrouw zei: ‘Henk nu moet je ophouden want de enveloppe is vol. Er kan niets meer bij.’

Ik denk wel eens: Barmhartigheid is het cement van de samenleving. Het is ijskoud en guur als een samenleving onbarmhartig is… als mensen tegen muren op lopen om hun recht te halen. We kennen daar de voorbeelden van…

Barmhartigheid is het cement. Maar de vraag is nu: Zit er een grens aan barmhartigheid? Hoeveel is genoeg?
Ik herinner me een uitspraak van iemand die zei: Natuurlijk moet je mensen in nood helpen maar daarna is het beter om hen gereedschap te geven waarmee ze zelf aan de gang kunnen. Met andere woorden: wat heb je echt nodig om je toekomst, om je leven op te bouwen?

Hier komen we bij het woord gerechtigheid.
Als iemand ziek wordt door luchtvervuiling of waterverontreiniging, dan kunnen we ziekenhuizen bouwen maar veel beter is het om de oorzaak aan te pakken. We weten dat dit een taai gevecht is. Ik denk dat je het alleen volhoudt, dat je alleen strijdbaar blijft als je het doet vanuit barmhartigheid. Als je de slachtoffers voor ogen houdt. Dat is de navelstreng, ook als het gaat om gerechtigheid.

Het probleem met gerechtigheid is dat iedereen zijn eigen rechtvaardigheidsprincipes heeft. Poetin zal ongetwijfeld zijn geweten schoon praten en zeggen dat hij een rechtvaardige oorloog voert. Hij heeft zelfs de patriarch van Moskou achter zich staan.
Zelensky zal zeggen dat hij het recht heeft om zijn land tot het uiterste te verdedigen.

Het grootste verdriet van conflicten en vooral van gewapende conflicten is dat er alleen maar slachtoffers vallen. Alleen maar verliezers zijn.
Het doet pijn tot in je buik als je het verdriet ziet.
Als gerechtigheid los komt te staan van barmhartigheid dan is het hek van de dam.

Vaak komt in deze onmachtsituaties – waar rechteloosheid heerst – de vraag naar boven:
Waar is God, waarom doet hij niets, waar blijft Hij?
Dat is een heel emotionele vraag. Alle emoties komen in die vraag samen: onmacht, woede, wraak, schuld, vergelding, geweld.
Kom er maar eens uit.

Jezus zegt ons in de Bergrede: als je er niet uit komt, als je in een knoop van emoties zit, trek je dan terug in de binnenkamer.
Als Jezus het heeft over de binnenkamer, dan is het voor joodse toehoorders duidelijk dat hij daarmee de voorraadkamer bedoelt. De binnenkamer ligt binnen de muren in het hart van het huis.
In de binnenkamer ligt het voedsel voor de ziel.

Als we ons nu even in onze binnenkamer terugtrekken en ons afvragen Wat gebeurt er in onze binnenkamer als het kwaad goede mensen treft, als alle emoties door elkaar lopen? Hebben we een ankerpunt, een houvast?

Zijn we even stil

De binnenkamer is een plek van bezinning en gebed.
Toen ik er over nadacht moest ik denken aan een mevrouw die voortdurend met God in de clinch lag. In de hoek van haar kamer stond een heilig Hartbeeld. Als ze worstelde met de waaromvraag, als ze overspoeld werd door woede, dan kwam er als het ware een vloekpsalm over haar lippen: ‘Waarom overkomt mij dat’, of: ‘Waarom doe je niets, waar blijf je met je wonderen?’ Het zijn woorden die in de psalmen vaak geroepen worden.
En dan liep ze naar het heilig Hartbeeld en draaide het om met de woorden:
‘In de hoek jij…je bent een God van niks’.
Dat vertelde ze me en ze zei: ‘Dat lucht op’…..
‘Maar, na een poosje’ zo zei ze ‘word je mild en krijg je zelfs medelijden met God’.
Ze zei: ‘Dan ga ik naar het beeld, keer het om en we kijken elkaar in de ogen.
En dan zeg ik: “Ach lieve God, jij kunt er ook niks aan doen”’.

Zo deed ze dat. Het was haar binnenkamer: eerst vloeken en schelden op God, en daarna de stilte na de storm…voedsel voor de ziel en weten dat God met je meetrekt door de woestijn heen.

De binnenkamer
We gaan de Veertigdagentijd in. Tijd voor bezinning. Ik wil u graag een handreiking meegeven om de binnenkamer te betreden.
In het Stedelijk Museum in Amsterdam is een zaal waar op een muur van 10 meter 18 vellen bruin pakpapier zijn opgehangen.
Op elk vel staat een woord, bijvoorbeeld: kwetsbaar… bewogen… klein… sterk… nederig… barmhartig, bidden, gerechtigheid, enz. (je kunt er zelf woorden aan toevoegen).

Bij het kunstwerk staat geschreven:
Bij elk woord heeft de kunstenaar zich afgevraagd: ‘Wat betekent dat woord voor mij in het dagelijks leven?’ Over sommige woorden deed hij een of twee maanden, over een ander woord enkele weken of dagen.
Als hij uitgedacht was nam hij een volgend woord. Hij heeft er drie jaar over gedaan.

Er gaat zo dadelijk een mand rond waaruit u een envelop kunt pakken waarin een woord zit. De uitdaging is om de komende tijd met dat woord aan de slag te gaan.

U mag niet zelf een woord kiezen, het woord kiest u.
(NB de mand met de enveloppen waar het briefje in zit kan ook op een ander moment in de viering worden aangereikt, bijvoorbeeld na het askruisje of op het eind van de viering.)

Aswoensdag: we tekenen elkaar met as als een teken dat we de komende tijd weer teruggaan naar onze oorsprong naar onze binnenkamer waar de vraag ligt:
Hoe word ik een mens om van te houden,
hoe word ik een mens naar Gods hart,
hoe blijf ik staande in de storm als God afwezig is of afwezig lijkt?

Zijn we even stil…

 

inleiding drs. Th. van Adrichem OFM
preekvoorbeeld Hans Boerkamp

 

 

26 februari 2023
Eerste zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Gen. 2,7-9; 3,1-7; Ps. 51; Rom. 5,12(.17)-19; Mat. 4,1-11(A-jaar)

 

Inleiding 

Beproeving, zonde en ondergang, maar ook berouw en verlossing: het zijn de twee kanten van een medaille die als een thematische rode draad door de lezingen van de 1ste zondag van de Veertigdagentijd lopen.

Genesis 2,7-9; 3,1-7 – De zonde van Adam
De eerste lezing bevat twee passages uit het zogenoemde ‘Paradijsverhaal’ in Genesis 2–3. Anders dan in het scheppingsgedicht in Genesis 1, waarin de mens als het sluitstuk van de schepping wordt gepresenteerd en rechtstreeks uit het ‘brein’ van God komt (Gen. 1,26: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend’), en waarin de mens geen beperktheden lijkt te hebben – er is geen sprake van lijden of dood – confronteert de auteur van dit tuinverhaal de lezer meteen met een heel ander – aardser – mensbeeld: de mens (adam) is geschapen uit de grond (adamah) van de aarde.
God boetseert de mens uit ‘stof’ dat hij van de aarde neemt (Gen. 2,7). In de oudtestamentische literatuur wordt ‘stof’ vaak geassocieerd met de dood (Gen. 18,27; Job 7,21; Ps. 22,16). Ook de auteur van Genesis 2,7 heeft duidelijk deze associatie voor ogen. Dit blijkt uit Genesis 3,19, waar God tot de man zegt: ‘In het zweet zul je werken voor je brood, tot je terugkeert naar de grond, waaruit je bent genomen: je bent stof, en tot stof keer je terug’. Anders dan de traditionele voorstelling het eeuwenlang heeft voorgehouden, is ’s mensen dood volgens de auteur van het tuinverhaal geen straf, maar behoort ze tot de condition humaine. Door het feit dat de mens is genomen uit stof, maakt de dood deel uit van het menselijke leven. Het tuinverhaal wil met andere woorden niet de oorsprong van de dood legitimeren door deze terug te voeren naar een oerzonde, hoewel de traditie het tuinverhaal veelal op deze wijze heeft geïnterpreteerd.
Dit alles neemt niet weg dat de zonde een belangrijke rol speelt in het verhaal. Hoewel God voor de mens de aarde als een tuin had voorzien, zal hij er niet lang in mogen vertoeven. En dat is zijn eigen schuld. Over de omgeving waarin God de mens had geschapen viel nochtans niet te klagen. Genesis 2,8v beschrijft immers het decor waarin de mens en de dieren geschapen zullen worden. In het Hebreeuws wordt deze plek als een ‘tuin’ beschreven, die in Eden ligt, ergens in het oosten (pogingen om de tuin van Eden te lokaliseren, zijn even zinloos als een zoektocht naar Luilekkerland...). In de tuin van Eden laat God tal van bomen opschieten uit de grond, ‘aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten’ (Gen. 2,9). Het behoeft niet veel verbeelding om deze tuin als een ‘paradijs’ te zien. De Griekse vertalers van het boek moesten dan ook niet twijfelen om het Hebreeuwse woord voor ‘tuin’ met de Griekse term paradeisos te vertalen. Daarmee is ook het woord ‘paradijs’ in ons taalgebruik ingeburgerd geraakt.
In de tuin van Eden nemen twee bomen een bijzondere plaats in. Allebei staan ze in het midden van het paradijs: de boom van het leven enerzijds en de boom van kennis van goed en kwaad anderzijds. De levensboom, die in vele culturen voorkomt en de mens onsterfelijkheid zou geven, speelt geen enkele rol in het eigenlijke verhaal. De ‘boom van kennis van goed en kwaad’ speelt er wel een rol, ook al wordt hij slechts tweemaal (Gen. 2,9; 2,17) expliciet genoemd. Over de exacte betekenis van de boom is er geen duidelijkheid. Woordparen van tegengestelden worden in het Hebreeuws vaak gebruikt om een totaliteit aan te duiden. Als dusdanig zou ‘goed en kwaad’ gewoonweg ‘alles’ kunnen betekenen. Eten van de boom van kennis van goed en kwaad zou de mens totale kennis geven. En vanuit het adagium ‘kennis is macht’ zou dit betekenen dat de mens absolute macht krijgt. Zo wordt het in ieder geval door de slang in Genesis 3,5 voorgesteld – naast de ezelin van Bileam (Num. 22,21-35) – als het enige dier in de Bijbel dat kan praten: ‘God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad’. Eten van de ‘boom van kennis van goed en kwaad’ zou de mens dus aan JHWH gelijk maken.
De keuze voor de slang als dier dat de vrouw zal verleiden om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten is niet toevallig. Immers, van nature uit is de slang een eigenaardig wezen. Ze lijkt glibberig, maar is het niet. Door het regelmatig vervellen staat de slang daarenboven symbool voor het leven. Verder lijkt de slang in het oude Nabije Oosten vaak als vruchtbaarheidssymbool te zijn gebruikt. In die optiek denkt men soms dat ook in Genesis 3 de slang symbool zou zijn voor de niet-Israëlitische vruchtbaarheidsgoden, waardoor Israël zich steeds aangetrokken voelde. Ingaan op de avances van de slang zou dan betekenen dat men toegaf aan de afgodendienst. In ieder geval is duidelijk dat de mens, door te gehoorzamen aan een dier, de scheppingsorde omkeert. In het scheppingsgedicht van Genesis 1 werd de mens ‘heerschappij’ over de dieren aangezegd (Gen. 1,28); in het Paradijsverhaal bestond de superioriteit van de mens erin dat hij door zijn taal de dieren een naam kon geven (Gen. 2,19‑20). Door evenwel aan de slang te gehoorzamen, die geen ander doel heeft dan de mens tegen God op te zetten, bewerkstelligt hij zijn eigen ondergang. Immers, in Genesis 3,6 wordt duidelijk waar de vrouw eigenlijk door geleid wordt, met name de begeerte. Als dusdanig staat het opeten van de vrucht – de Bijbel zegt niet over welke vrucht het gaat – symbool voor het in praktijk brengen van deze begeerte. Want wat is eten anders dan reduceren tot het eigen profijt?

Psalm 51,19 – ‘Een rouwmoedig hart zult u niet verwerpen’
‘Begeerte’ ligt ook aan de grondslag van de episode in het leven van koning David waaraan het opschrift van Psalm 51 refereert, met name naar zijn relatie met de getrouwde Batseba, waarover 2 Samuël 11–12 verhaalt.
In de woorden die in Psalm 51 aan David worden toegedicht spreekt hij zijn schuld uit ten overstaan van God – over het onrecht dat hij Batseba en haar man Uria heeft aangedaan rept hij met geen woord! Tegelijkertijd overstijgt deze psalm ook de gevoelens van schuld, hopend op vergeving voor wie een misstap deed. De psalmist roept in deze klaagpsalm God dan ook op tot barmhartigheid, in de hoop dat God een ‘rouwmoedig, vermorzeld hart’ niet verwerpt.
Deze psalm, in het bijzonder vers 7, heeft in de kerkgeschiedenis een centrale rol gespeeld: niet alleen als bijbelse legitimatie van de zogenoemde erfzondeleer, maar ook ten aanzien van de eeuwenlange negatieve visie op seksualiteit.

Romeinen 5,12-19 – Christus, de nieuwe Adam
Had de psalm Davids hoop op verlossing geëvoceerd, Paulus gaat daar in Romeinen 5,12-19 expliciet op in, en belicht de thematiek christologisch. Daarvoor grijpt hij terug naar het oudtestamentische paradijsverhaal, dat hij een eigen invulling geeft. Als kind van zijn tijd leest Paulus het paradijsverhaal historisch, en ziet hij de misstap van de eerste mens – ‘Adam’ – als de oorsprong van alle kwaad. Hoewel God droomde van een paradijs, en er ook de mogelijkheidsvoorwaarden voor had geschapen, heeft de eerste mens het verknoeid. Maar net zoals in de psalm is er hoop op en geloof in redding door God. Voor Paulus was deze ultieme verlossing gekomen dankzij Jezus de Christus.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 4,1-11
Beproeving en zonde staan ook centraal in de evangelielezing. Echter, waar de oudtestamentische lezingen vooral nadruk leggen op de mens die zich door de beproeving laat meeslepen, en daardoor tot zonde vervalt – ook al is er kans op redding –, belicht de evangelist Matteüs hoe Jezus niet in deze valkuil is getrapt. Na zijn doopsel door Johannes probeert de ‘duivel’ Jezus driemaal tot zonde te verleiden tijdens zijn veertig dagen durend verblijf in de woestijn. Drie keer na elkaar weerstaat Jezus de verleidingen.
Het verhaal van de beproevingen in de woestijn markeert de aanvang van Jezus’ openbare leven, waarin hij zich als de Christus zal manifesteren. En als de Christus is Jezus degene van wie christenen geloven dat hij de mens van het kwaad heeft verlost. Het mag dan ook niet verwonderen dat volgens de traditie het kruis van Jezus in Jeruzalem werd opgericht boven het graf van Adam.

Literatuur
Hans Ausloos: ‘Laat de zondaars van de aarde verdwijnen, laat geen boosdoener nog langer bestaan' (Psalm 104,35). Scheppingsvoorstellingen in het Oude Testament, in Hans Ausloos & Ignace Bossuyt (red.), In den beginne... De ‘schepping’ in beeld, woord en klank, Leuven – Den Haag: Acco, 2011, pp. 13-74

 

Preekvoorbeeld

Afgelopen woensdag zijn we de Veertigdagentijd begonnen. We konden als uiterlijk teken van de innerlijke gesteldheid voor die bijzondere tijd in het kerkelijk jaar een askruisje halen. En daarbij de woorden horen die teruggaan naar het boek Genesis, waar God de mens uit stof maakt: Bedenk, o mens, dat je uit stof gemaakt bent en tot stof zult weerkeren. Dat maakt altijd een enorme indruk op mij. Het is een fikse waarschuwing voor de mens van vandaag, die vaak denkt almachtig te zijn en heel wat voor te stellen. Die mens wordt gevraagd te beseffen dat we eigenlijk niks voorstellen: uit stof gemaakt en gedoemd om tot stof weer te keren. Heel ons schijnbaar zo belangrijke leven is maar stof. Stof is onze trots; stof is onze behoefte aan aanzien; stof is onze zekerheid. De as op het voorhoofd afgelopen woensdag zet ons weer met beide benen op de grond: wij zijn zwakke mensen, al doet de wereld ons geloven dat we sterk en zelfstandig moeten zijn.
God zet ons in een prachtige tuin in Eden, ergens in het Oosten, een paradijs en gunt ons daar alle goeds. Maar o mens, luisteren is moeilijk, nog altijd! Daar is een wezen, de slang, die op de vrouw inspreekt. Hoe vergelijkbaar met wat er in onze dagen gebeurt: complottheorieën te over. Verhalen die van geen kant kloppen maar toch veel aanhangers hebben, want ze klinken zo aannemelijk. En de aanhangers van dat fake nieuws krijgen een platform, in de kranten en via de omroepen. Zo ook het verhaal van de slang. Hij overtuigt de vrouw van de kwade, machtsbeluste houding van haar Schepper. En ze bezwijkt voor de mooie praatjes! Machtig zijn als God zelf is toch een droom! Ze neemt de man mee, die geen haar beter is dan zij.

En dan naar het Evangelie van vandaag: de eerste zondag van de Veertigdagentijd die volgt op Aswoensdag en uitloopt op de verrijzenis van Jezus Christus. Het Evangelie van deze zondag verwijst naar het begin van Jezus’ openbare leven. Hij is net gedoopt in de Jordaan door zijn neef Johannes de Doper en trekt dan de woestijn in voor een bezinningsperiode. Dat doen mensen eigenlijk nog altijd, dat je voordat je aan een belangrijke taak begint, je eerst eens helemaal terugtrekt. In de wereld van godsdienst heet dat een retraite. Je trekt je dan letterlijk terug uit de wereld in een klooster om je voor te bereiden op een toekomstige taak. Met vragen als: wie ben ik, wat zijn mijn belangrijkste eigenschappen, hoe ga ik het aanpakken en wat is de plaats van God in mijn leven? Het is goed dat je eens even de tijd neemt om na te denken voordat je aan iets nieuws begint. En de woestijn is daarvoor een geschikte plek. Er is geen enkele vorm van comfort. De dagen zijn heet met een onbarmhartig stralende zon en een totaal gebrek aan schaduw en de nachten zijn er bitter koud. Maar wat vooral erg moet zijn is, dat je er geen aanspraak hebt van menselijke wezens. Totale verlatenheid, op jezelf teruggeworpen zijn.
Voor Jezus geldt dan ook nog dat Hij de hele veertig dagen niet gegeten heeft. Hij heeft honger! En ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik een dag honger denk te lijden, dan bezwijk ik al gauw voor de verleidingen van lekkere dingen. Mijn moeder zei dan altijd: jongen, je hebt trek, honger kennen we hier in Nederland niet meer. Al blijkt dat tegenwoordig ook al niet meer te kloppen en horen we berichten dat er kinderen zonder ontbijt naar school toe gaan, omdat hun gezin in armoede moet leven en gewoon geen geld heeft voor de belangrijke eerste maaltijd van de nieuwe dag.

Het verhaal van Jezus is het verhaal van alle tijden. Het paradijs, die prachtige bloeiende tuin die de Schepper ons gunde, waar het aan niets ontbrak, is veranderd in woestijn, waar mensen liever luisteren naar allerlei boze stemmen dan naar de stem van de goede Vader. Hoe velen zijn er niet die openlijk zeggen dat je wel gek bent als nog gelooft in het bestaan van God. Mensen die denken aan zichzelf genoeg te hebben. Ieder voor zich en niemand voor ons allen. Vroeger zeiden we nog: en God voor ons allen, maar God komt in die uitdrukking bij veel mensen niet meer voor. Zo maken we van de wereld van onze woonplaatsen, van onze harten woestijnen waarin nauwelijks meer te leven valt. Zeker voor de zwakkeren in onze samenleving, voor de mensen die geen uitzicht meer hebben, die gebukt gaan onder de schuldenlast, voor de mensen die snakken naar een beetje aandacht, of wier wieg in het verkeerde deel van de wereld heeft gestaan, waardoor er voor hen geen andere toekomst meer is dan armoede en honger, terwijl elders is de wereld schepen vol graan liggen te verrotten.
Is er dan geen hoop meer voor ons en onze wereld? Is het paradijs voorgoed verloren? Jezus geeft een antwoord op die vraag. Niet alleen met woorden, maar in zijn hele houding. Ja, Hij heeft honger, Hij is verzwakt. Maar Hij gaat het kwaad van de verleider rustig tegen. Niet door duiveluitdrijving zoals in die enge film de Exorcist van jaren geleden, maar door het Woord van God aan te halen. Op elke poging tot verleiding van de duivel zegt Jezus: Er staat geschreven. Tot drie maal toe is dàt zijn antwoord op de duivel. Tot de duivel het voorlopig opgeeft, want tegen Gods Woord kan niemand op, ook de duivel niet!

Bij de laatste verleiding vraagt de verleider aan Jezus om voor hem neer te knielen.
Dat is de verleiding van de macht waaraan zovelen geen weerstand kunnen bieden, ook vandaag nog. Kijk maar naar de conflicten overal op aarde, die beginnen altijd met de zucht naar macht. Jezus laat zien dat Hij volkomen vrij is van machtswellust. Alleen voor God dien je te knielen: Er staat geschreven: de Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen (v. 10). Wat een geweldige vrijheid laat Jezus ons hier zien!
In de woestijn, verzwakt door veertig dagen vasten, belaagd door de oude verleider, antwoordt Jezus keer op keer met Er staat geschreven. Met woorden uit de Bijbel pareert Hij de verleidingen van de duivel. Die moet het tenslotte wel opgeven.
In de Veertigdagentijd krijgen we aan alle kanten de gelegenheid om ons het Woord van God eigen te maken. Je kunt elke dag teksten op je computer of telefoon ontvangen, waardoor ook wij, net als Jezus, kunnen antwoorden op de verleidingen die aan alle kanten op ons toekomen.

P.S.: Ik zou op deze eerste zondag van de Veertigdagentijd zeker aandacht besteden in de verkondiging aan het project waarvoor de parochie zich inzet en waar mogelijk dit verweven in de preek.

 

inleiding prof. dr. Hans Ausloos
preekvoorbeeld Paul Verheijen

 

Homiletische hulplijnen 100
Katholiek

Riemer Roukema, voorheen hoogleraar Nieuwe Testament, momenteel onderzoeks-hoogleraar Vroeg Christendom aan de Protestantse Theologische Universiteit en Waals predikant, schreef onlangs een curieus boekje over de protestantse kerkdienst, getiteld ’s Zondags ga ik naar de kerk - of niet. De ondertitel spreekt van ‘kritische beschouwingen’.
Het boekje is gebaseerd op artikelen die verschenen in provinciale kerkbladen, dus geschreven voor kerkelijk middenkader, geïnteresseerde gemeenteleden. Roukema schreef zijn boekje ook ‘voor pastoraal werkers, die soms in diensten voorgaan maar hiervoor amper of niet zijn opgeleid’ (16). Sommigen van hen doen alsof zij geördineerd predikant zijn. ‘Zo is het in protestantse kerken niet afgesproken’ (112).

De tweede helft van de titel - of niet - maakt de lezer benieuwd naar zijn criteria. Welke maatstaf legt Roukema langs de protestantse kerkdienst? Waaraan meet hij vorm en inhoud, wat is zijn referentiekader en vooral: wat is zijn kerkbeeld?
In deze bespreking vat ik Roukema niet samen, maar noteer wat zijn redenen zijn om eventueel niet (meer) naar de kerk te gaan. Ja, het is een protestants boekje, niet alleen wat de inhoud betreft, ook in zijn taaleigen. Als hij aan de Eucharistie refereert in vergelijking met het protestantse Avondmaal, beschrijft hij ‘een kastje in het altaar’ dat hij ‘de’ in plaats van ‘het tabernakel’ noemt (117).

Roukema stelt Eucharistie en Avondmaal strakker tegenover elkaar dan ik zou doen, maar daar hebben zowel hij (gereformeerd) als ik (luthers) onze redenen toe. Wat opvalt is Roukema’s waardering van de Eucharistie, terwijl hij aan het Avondmaal soms afdoet. Ik geef twee voorbeelden.
Roukema benadrukt de inzameling van de gaven. Als historicus van de vroege Kerk weet hij dat in de tweede eeuw de gelovigen hun gaven in natura meebrachten naar het altaar. Met verwijzing naar Justinus de Martelaar, Irenaeus van Lyon en de Apostolische Overlevering noemt hij naast brood en wijn: druiven, vijgen, peren, appels, kersen en olijven. In de protestantse eredienst ziet hij diakenen in de weer met geld, collectemunten of -bonnen en een betaalapp. Het doet hem terugverlangen naar een Eucharistieviering in Ghana die hij eens meemaakte: ‘fruit, een grote doos met flesjes drinkwater, conserven en zelfs een levende geit werden naar het altaar gebracht… Dat lijkt misschien vreemd, maar het gaat terug op een oude traditie en legt een nauw verband tussen het dagelijks leven en het geloof in Christus’ (90-91).
En wat blijft ervan over? Roukema ziet dat protestanten het overgebleven brood aan de kippen voeren. Hij citeert Apostolische Overlevering 37: ‘Allen moeten erop toezien, dat geen ongelovige eet van de Eucharistie, en ook geen muis of een ander dier, en dat er ook niets van op de grond valt of verloren gaat, want het is het Lichaam van Christus dat door de gelovigen gegeten wordt en dat men niet mag geringschatten’ en voegt er zelf aan toe: ‘Een van de redenen waarom de rooms-katholieke kerk het protestantse Avondmaal niet op één lijn met de Eucharistie kan stellen, is de achteloosheid waarmee protestanten doorgaans met de resten van de Maaltijd omgaan. Dat lijkt mij iets om eens goed over na te denken.’ Het zijn de laatste zinnen van het boekje (117).

In zijn studietijd was Roukema een half jaar vrijwilliger in Taizé en hij heeft de oecumenische gemeenschap daar later nog meermaals bezocht (10). Ook elders in het boekje komt hij op de gemeenschap in Taizé terug, die hij dan steeds in één adem noemt met de weldaad van ‘eerbied en stilte’ in kloosterkerken (21), met ‘de gewijde sfeer’, ‘de rust en de stilte’, ‘de eerbied voor het mysterie’ in een rooms katholiek klooster. ‘Daarna kan het het weleens tegenvallen als je weer naar een doorsnee protestantse dienst gaat’ (8).

Bijvoorbeeld de praterigheid ervan: ‘dat een ouderling… de gemeente namens de kerkenraad welkom heet, ook de eventuele gasten en luisteraars en kijkers thuis en degenen die de dienst later zullen beluisteren. Daarna volgen allerlei mededelingen, zoals voor wie de bloemen in de kerk bestemd zijn en de vraag wie ze daarheen wil brengen, waarvoor de twee of drie collecten bestemd zijn, soms berichten van een geboorte of een ziekenhuisopname of een overlijden, en andere mededelingen… Het is zoals een rooms-katholieke pastor mij eens zei: het lijkt op het begin van een vergadering, waarin de voorzitter opent met de huishoudelijke mededelingen.’
Roukema pleit voor een ander begin. Meteen met ‘Onze hulp is in de naam van de Heer’, hoewel Roukema ook zelf soms enige praterigheid invoert (37). De alledaagse mededelingen horen verderop in de dienst thuis, bij de voorbede en de collecte. Hoe gastvrij en goed bedoeld ook, dringt, meent Roukema, met die exercitie vooraf ‘de kerkenraad zich voor mijn gevoel tussen de ontmoeting van de gemeente met “het heilige”, met God, met het evangelie’ (27). ‘Waarom dat welkom namens de kerkenraad? Laat dat welkom liever klinken met geloofswoorden over en namens God die ons uitnodigt’ (28).

In dit verband wijst Roukema op het performatief karakter van de liturgie. Het ‘Onze hulp’ moet ‘steeds met aandacht en eerbied’ worden uitgesproken, ‘zodat het daarmee weer wáár voor ons wordt’ (38). Daarmee geeft hij blijk van een beperkte opvatting van performativiteit, die teveel bij intentionaliteit (‘aandacht en eerbied’) blijft steken, en te weinig oog heeft voor ritus en cultus. De denkvorm is meer gestempeld door waarheid dan door werkelijkheid. Roukema verwijst hierbij naar F.G. Immink, Het Heilige gebeurt. Praktijk, theologie en traditie van de protestantse kerkdienst, Zoetermeer 2011, dat in weerwil van de titel die spreekt van een gebeuren, toch een te spiritualistisch boek is.
Roukema wijst niet op de spiritualistische inslag van de gereformeerde traditie (Zwingli, Bullinger), hoewel hij kennelijk wel reden heeft om herhaaldelijk te benadrukken dat Luther en Calvijn elke zondag de Maaltijd van de Heer wilden vieren (72, 89, 92), en om te onderstrepen dat zij vasthielden aan ‘de reële, geestelijke tegenwoordigheid van Christus in het brood en de wijn en in de Maaltijd als geheel’ (97).
Roukema wijst wel op individualistische tendensen in het protestantisme en keert zich tegen het moderamen van de synode van de Protestantse Kerk in Nederland, dat adviseerde bij digitale vieringen in coronatijd: ‘Het is goed om ook thuis van te voren brood en wijn als zichtbare tekens van het lichaam en bloed van Christus klaar te zetten. U kunt brood en wijn ook daadwerkelijk nuttigen, wanneer de verbondenheid met Christus daardoor voor u reëler wordt’ (108).
Het gekunstelde van dit advies blijkt al uit het werkwoord. In een analoge liturgie spreken we van brood en wijn ‘ontvangen’, in de digitale setting is dat ‘nuttigen’ geworden. Roukema: ‘Mijns inziens is het concrete samenzijn, waarbij je elkaar in de ogen kunt kijken en brood en wijn van elkaar kunt ontvangen te belangrijk om dat op te geven. Het subjectivisme dat uit het advies van de leiding van de Protestantse Kerk spreekt… verbaast mij zeer. Dan maar liever geen Maaltijdviering. Maar wordt die wel gehouden, dan kunnen brood en wijn worden uitgedeeld bij enkele gemeenteleden thuis, hoe omslachtig dat ook kan zijn’ (109).

Roukema is als nieuwtestamenticus en kerkhistoricus te deskundig om nog onbekommerd gereformeerd te kunnen zijn. Zijn ervaringen in Taizé en zijn kennis van de Bijbel en de kerkvaders hebben hem katholiek gemaakt, zelfs zo dat hij de term transsubstantiatie niet schuwt, maar de kern van dit besef al terugvindt bij Paulus, Ignatius van Antiochië, Justinus Martyr en Cyrillus van Jeruzalem. Wanneer de priester de inzettingswoorden uitspreekt ‘gelooft de kerk dat dit brood en deze wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Wie daaraan deel krijgt (of alleen aan het brood!), krijgt weer deel aan Christus zelf en aan alles wat in zijn naam gegeven wordt: vergeving van zonden en de Geest die onze levens wil omvormen en bezielen. Voor die verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus wordt sinds de twaalfde eeuw de term transsubstantiatie gebruikt: de substantie verandert. De kern van deze overtuiging kwam ook al voor in de eerste eeuwen van de kerk. Het brood en de wijn werden ook toen al beschouwd als iets heiligs, waarvan Gods kracht uitging’ (97).

Riemer Roukema, ’s Zondags ga ik naar de kerk - of niet. Kritische beschouwingen over de protestantse kerkdienst, Kampen 2022

drs. Klaas Touwen