19e zondag dhj, C jaar, 7-8-2022

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 47
  • Bestandsgrootte 81.80 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 14 juni 2022
  • Laatst geüpdatet 18 augustus 2022

19e zondag dhj, C jaar, 7-8-2022

7 augustus 2022
Negentiende zondag door het jaar

Lezingen: Wijsh. 18,6-9; Ps. 33; Heb. 11,1-2.9-(12)19; Luc. 12,32(35)-(40)48 (C-jaar)

 

Inleiding 

Lucas 12,35-48; Psalm 33
De parabel die Jezus vertelt kan in twee delen onderscheiden worden, waarbij de vraag van Petrus het tweede deel inleidt. De hele tekst cirkelt rond de belofte van Jezus dat hij na zijn dood zal terugkeren. Laten we eerst even kijken in welke context deze tekst staat. Hoofdstuk 12 van Lucas bestaat bijna volledig uit een lange monoloog van Jezus waarin hij zowel tegen zijn discipelen als tegen de verzamelde menigte spreekt over met name het leven na het aardse leven. Bekende gelijkenissen van de mussen die voor mensen onbeduidend zijn, maar wel elk door God worden herinnerd (v. 6) en de rijke man die wel aardse schatten verzamelde, maar geen schatten bij God (vv. 13-21), vertellen over hoe belangrijk het is om tijdens het leven gericht te zijn op de hemelse Vader. Het is zijn Vader die zich bekommert om mensen en die elk mensenkind op het oog heeft, zo vertelt Jezus in de gelijkenis over de vogels van de hemel en de bloemen van het veld (vv. 22-31). Onder het wakende en zorgende oog van God moet iedere mens de juiste keuzes maken. Het is door tijdens het leven op God gericht te zijn, dat een mens schatten verzamelt die nooit opraken, namelijk een leven met God (vv. 32v).

Dat een leven met het hart en het oog op God gericht niet gemakkelijk is, wordt door Jezus niet ontkend. In vers 11 zegt hij dan ook dat het mogelijk is dat zijn volgelingen gevangen worden genomen en voor aardse rechters gebracht. Jezus zegt er ook bij dat de mensen dan niet bang hoeven te zijn, want de Heilige Geest zal bij hen zijn. Zo spreekt het hele hoofdstuk over vertrouwen op God, zonder voorbehoud.
Het is hetzelfde vertrouwen dat in elke zin wordt uitgeroepen van de lezing uit het Eerste Testament van deze zondag. Psalm 33 is een loflied op de Heer die alles geschapen heeft, die met zijn Woord de hemel schiep en het water van de oceanen een vaste plaats aanwees. Het is deze God die alles ziet wat er op aarde gebeurt, zoals de leliën in de gelijkenis van Jezus, en die zorg draagt voor zijn volk. Op deze God mag een mens vertrouwen, Hij houdt alles in handen, Hij zorgt voor mensen die ontzag voor Hem hebben. Zo ontstaat een beeld van een liefdevolle God, die als een vader zijn kinderen in het oog houdt en voor hen zorgt. Wij mensen weten ons geborgen onder zijn vleugels en niets kan ons overkomen.

Lucas 12,35-48
Het vertrouwen dat uit de psalm spreekt, vinden we dus terug in Lucas 12, waar Jezus over zijn vader vertelt. Toch verschuift bij de toespraak van Jezus de focus van het aardse leven (‘als er hongersnood is, houdt Hij hen in leven’, Ps. 33,19) naar een leven na de dood. In de tekst van vandaag waarschuwt Jezus dat de gelovigen waakzaam moeten blijven, ook wanneer de meester niet thuis is. De lampen moeten blijven branden zodat de dienaars direct de deur kunnen opendoen als de meester aanklopt. Petrus vraagt vervolgens of deze boodschap voor hen alleen geldt, of ook voor andere mensen. Daarna volgt het tweede deel, dat handelt over de wijze waarop de leider van de dienaren in de afwezigheid van zijn meester zich moet gedragen (vv. 42-48). Deze verzen worden meestal uitgelegd als aanwijzingen voor de leiders van de kerk, die zorg moeten dragen voor alle gelovigen. We zullen deze tekst nu wat meer in detail bespreken.
De uitdrukking om klaar te staan en je gordel om te doen slaat op de wijze waarop het kledingstuk werd vastgemaakt: de zoom van het kleed werd opgetrokken en onder de gordel vastgemaakt, zodat het niet in de weg zat om te gaan werken of te reizen (vergelijk I Kon. 18,46). De lampen moeten aan blijven: dit doet natuurlijk denken aan de vijf verstandige en vijf onverstandige meisjes in Matteüs 25 die op de bruidegom aan het wachten waren. De lamp die normaal gesproken voor de nacht wordt uitgemaakt, moet blijven branden, omdat elk moment de meester kan terugkeren van zijn bruiloft. Dit geldt ook voor de tweede en de derde wacht, dus voor de gehele nacht. Dit alles doet ook denken aan de nacht van de vlucht van het joodse volk uit Egypte, waarin het volk zich klaar moest maken om te vertrekken. In Exodus 12,11 lezen we zo dat men moest eten ‘met de gordel om, de sandalen aan en de staf in de hand’, oftewel in grote haast om elk moment te kunnen vertrekken. De bevrijding uit de slavernij, uit een doods bestaan, is op handen en kan elk moment aanbreken. Zo wordt er een symbolische link gelegd met de bevrijding uit dit leven, wanneer Jezus komt om zijn volk (de gelovigen) te brengen naar het ‘Beloofde Land’ dat JHWH beloofd heeft.

Bijzonder is dat de bruidegom, de meester van het huis, dus Jezus zelf, niet aan de tafel zal gaan aanzitten, maar de dienaren die wakker zijn gebleven zal bedienen. Dit verwijst weer naar het Laatste Avondmaal, waarin Jezus tijdens de Pesachmaaltijd (de gedachtenis aan de Uittocht uit Egypte) zijn discipelen diende en bediende. We trekken dan verder de link door naar het liturgische delen van brood en wijn, waarbij Jezus als dienaar des mensen zichzelf en het heil van God uitdeelt. De tweede komst van Jezus, de Messias, is eveneens ten dienste van de mensen en zal bevrijding en eeuwig leven brengen.

Het tweede deel, na de vraag van Petrus, gaat over de dienaar die als leider wordt aangesteld bij afwezigheid van de meester. Indirect gaat het over Petrus en de twaalf die door Jezus zijn aangewezen als leiders van de kerk (Luc. 22,29v: eveneens in de setting van het Laatste Avondmaal en een vooruitwijzing naar het hemelse feestmaal). Jezus geeft als reden van goed leiderschap dat de rentmeester zorgt dat iedereen op tijd te eten krijgt. Een opvallende voorwaarde, maar passend als we terugdenken aan Psalm 33, waarin God geprezen wordt omdat Hij voor voedsel zorgt en ook passend als we nog verder terugdenken en ons het verhaal herinneren van Jozef die als een goede rentmeester (op aanwijzen van JHWH) voorkwam dat zijn familie en volk van de honger zou sterven. Deze uitspraak verwijst ook naar wat Jezus eerder zei in het hoofdstuk (v. 18) over de man die grote schuren voor zichzelf bouwde en deze volstouwde met graan. Hij had misschien tijdens zijn leven voldoende te eten, maar dat was enkel voor zichzelf en het hielp hem niet in het volgende leven. Kortom, een goede leider zorgt voor de noden van de mensen en gaat daarbij aan zijn eigen wensen en verlangens voorbij. We kunnen deze opmerking van Jezus ook zien als aanwijzing voor het belang van ‘geestelijk voedsel’ dat de leiders van de christelijke kerk moeten voorzien: vertellen over het Woord van God en het delen van het mysterie van brood en wijn.

Jezus vertelt ook nog over de slechte dienaar die denkt dat de meester toch niet terugkomt en die zich gaat gedragen alsof er geen meester is. Met deze dienaar loopt het niet zo goed af. Uiteindelijk gaat het daarmee ook over de belangrijke boodschap die in Lucas 12 wordt meegegeven: leef alsof Jezus elk moment kan terugkeren. Dit betekent dat we (de boodschap is via de discipelen aan de hoorders van toen en aan ons als lezers nu gegeven) moeten leven alsof de meester gewoon thuis is. Jezus kondigt zijn afscheid indirect aan en zijn volgelingen zullen het later zonder zijn aanwezigheid moeten stellen. Maar zijn woorden zijn onderweg, zijn evangelie is onderweg, hijzelf is onderweg en kan elk moment aankloppen. Jezus is niet weggegaan, integendeel, hij is bijna bij de deur. Het is dit ‘bijna’ dat ons als christenen de kracht geeft om ons te blijven inzetten voor de ander, om te blijven geloven in een wereld gedragen door Gods liefde, om onze lamp aan te houden en ons kleed onder de gordel, om op elk moment te kunnen vertrekken naar het huis van vrede.

 

Preekvoorbeeld

 Midden in de zomer zijn velen bezig met de voorbereiding of de viering van hun vakantie. Ontspannen genieten van een rustige periode in een mooie omgeving. Even de zorgen vergeten, even de druk of de drukte van je werk of je dagelijks leven achter je laten. Ook je hoofd wat leeg maken van alle angstige of zorgwekkende gebeurtenissen in de wereld om ons heen. We gunnen elkaar zo’n jaarlijkse tijd van afstand nemen. En dan is er ook tijd voor bezinning, voor momenten van gebed en overweging van een woord uit de Heilige Schrift.
De liturgie van de kerk biedt deze zondag daarvoor een gedeelte uit het Lucasevangelie aan dat enigszins in contrast staat met onze ontspannen zomertijd. Lucas geeft een toespraak van Jezus weer waarin hij zijn leerlingen oproept om waakzaam en attent te zijn. Misschien dat we daar niet zoveel behoefte aan hebben. We moeten in het gewone leven al overal om denken en lijstjes maken met wat we nog moeten doen en attent zijn voor de mensen om ons heen. Kunnen we die houding in de zomertijd niet een tijdje loslaten?
Het is echter een ander soort waakzaamheid die het evangelie van ons vraagt. Een waakzaamheid en aandacht voor de aanwezigheid van God en voor de komst van Jezus in onze wereld. Dat zijn zaken waar we normaal gesproken niet zo vaak bij stil staan. We hebben het meestal druk met ons gewone leventje. Maar zou het niet goed zijn eens wat tijd te nemen voor de diepere vragen? Hebben we niet allemaal behoefte aan een paar retraitedagen?

Jezus vergelijkt ons leven met dat van dienaren die op een huis passen waarvan de eigenaar afwezig is, Hij is een tijdje in een andere stad, bij de familie van zijn geliefde, om zijn bruiloft te vieren. Hij zal op een bepaald moment terugkomen als bruidegom. Jezus vergelijkt zichzelf dus met die bruidegom, die op een onverwacht moment terugkeert naar zijn eigen huis. Het is natuurlijk passend dat zijn personeel dan klaar staat om hem te ontvangen. Dat ze niet slapen maar de lichten in huis aan hebben en dat ze hun kleren opgeschort hebben onder de riem, zodat ze meteen hun Meester kunnen helpen met zijn bagage en een maaltijd voor hem klaar kunnen maken. Dat is natuurlijk allemaal een symbolisch verhaal, een vergelijking. Jezus bedoelt dat Hij de mensen, zijn leerlingen, oproept actief uit te zien naar en klaar te zijn voor het moment dat Hij terug zal keren naar de aarde en dat Hij de zijnen binnen zal leiden in zijn koninkrijk.
Het verhaal maakt dan een verrassende wending. Want als de bruidegom komt, blijkt dat niet de dienaren aan het werk moeten, maar dat Hij zelf als dienaar zijn personeel gaat verwennen. Hij nodigt hen aan tafel en gaat hen allemaal persoonlijk bedienen. Het doet ons wat denken aan de verhalen over het laatste avondmaal, waar Jezus de voeten van zijn leerlingen wast en waar Hij hen brood en wijn aanreikt. Hij is de gastheer, Hij is ook de dienaar, maar Hij is ook zelf het voedsel: mijn lichaam, mijn bloed voor jullie. Wat wij verwachten aan het eind der tijden, of aan het eind van ons leven, dat Christus komt en ons thuisbrengt in zijn glorie, dat heeft de kerk alle eeuwen door in de eucharistie als een voorproefje gevierd. In elke viering van de eucharistie komt de bruidegom naar ons toe en nodigt Hij ons aan zijn feestmaal en reikt ons onder de gedaanten van brood en wijn zijn eigen lichaam en bloed, zijn eigen leven. Wij worden met hem verbonden, ja zelfs in hem opgenomen.

Maar het verhaal gaat nog verder. Petrus vraagt aan Jezus voor wie deze gelijkenis precies bedoeld is: voor de hele gemeenschap of meer specifiek voor de apostelen en hun opvolgers. Jezus bedient Petrus op zijn wenken en vervolgt de gelijkenis. Ja, er zijn leidinggevenden aangesteld over het personeel. Ook zij moeten waakzaam en attent zijn en klaar zijn voor de komst van de heer door actief met hun werk bezig te zijn. Zij moeten zorg hebben voor het dienstvolk en op tijd eten uitdelen. Maar stel je voor dat zo’n beheerder zich misdraagt en het personeel slaat of op andere manieren grenzen overschrijdt en zelf uitgebreid gaat zitten eten en drinken zonder voor de anderen te zorgen, en als dan de bruidegom onverwacht thuis komt, dan kan hij rekenen op een stevige sanctie. Want aan wie veel is toevertrouwd, van zo iemand wordt ook veel gevraagd. Een belangrijke positie brengt ook een grotere verantwoordelijkheid met zich mee.
Aandacht hebben voor de komst van de Heer, dat is het onderwerp van het evangelie van vandaag, want Hij vraagt van ons dat we er klaar voor zijn, dat we rekenschap kunnen afleggen over ons doen en laten. Maar het is geen somber moment. De eerste lezing vergelijkt dit waakzaam zijn met de houding van het volk Israël toen het bevrijd werd uit Egypte: vol vreugde verwachtten ze de vervulling van de beloften waarop ze vertrouwden. Wij mogen net als de toenmalige Israëlieten blij en vol hoop uitzien naar wat God ons wil geven: de bevrijding uit de slavernij van materialisme en zelfzucht en de ervaring van zijn liefde en zijn genade. God wil ons gelukkig maken, Hij wil de ruimte geven voor echt menselijk leven en voor de voltooiing van ons leven in Gods heerlijkheid.
Natuurlijk is daar geloof voor nodig. Het geloof dat God ons iets belooft en iets zal geven dat veel mooier is dan al onze aardse welvaart. Het geloof dat Abraham bewoog om op weg te gaan naar een onbekend land. Hij liet zijn vaderland met al zijn zekerheden achter en vertrok naar het land dat God hem beloofd had. Hij zag uit naar de stad met fundamenten waarvan God de ontwerper en de bouwer is. Vol vertrouwen ging hij op weg en maakte zo de toekomst mogelijk, een toekomst voor een groot volk in het beloofde land. Abraham was vol aandacht voor wat God hem beloofde en wat God van hem vroeg en hij vertrouwde de beloften van God.

Ook ons wil God losmaken uit een leven waarin het alleen maar gaat om materiële genoegens. Hij wil ons echte blijdschap en echt geluk geven, in de dienstbaarheid aan onze medemens en een vertrouwenvolle verbondenheid met Hem. Daarvoor is het nodig dat we waakzaam en attent zijn voor die momenten waarop Hij ons leven binnenkomt. Dan kunnen we ontvangen wat Hij ons wil geven, met Hem op weg gaan en deel hebben aan het uiteindelijke geluk, de onuitputtelijke schat in de hemel.
Moge dat waar worden voor ieder van ons.

 

inleiding drs. Arjan Knop
preekvoorbeeld Johan te Velde OSB