11e zondag dhj, B jaar, 16-6-2024

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 65
  • Bestandsgrootte 157.70 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 7 april 2024
  • Laatst geüpdatet 7 april 2024

11e zondag dhj, B jaar, 16-6-2024

16 juni 2024
Elfde zondag door het jaar

Lezingen: Ezech. 17,22-24; Ps. 92; 2 Kor. 5,6-10; Mar. 4,26-34 (B-jaar)

 

Inleiding

Ezechiël 17,22-23
De aankondiging van zegen in de eerste lezing sluit aan bij het oordeel over de koning van Juda (Ezech. 17,1-21). Dat negatieve oordeel werd helaas bewaarheid. Jeruzalem en de tempel worden verwoest (587 voor Christus). Een groot gedeelte van de bevolking moet in ballingschap gaan naar Babylonië. Na die gebeurtenissen ontvangt de profeet een heilsboodschap. Deze ‘transitie’ naar een situatie van voorspoed is alleen aan God te danken. Hij zal Israël weer op zijn eigen grondgebied planten zoals men een stekje in de aarde zet. Dat plantje zal groeien en bloeien tot een hoge ceder, zodat buiten de grenzen van Israël ‘de volkeren’ (de niet-Joden) de grootheid en macht van de God van Israël erkennen.
Het Nieuwe Testament zal laten zien dat deze boodschap van voorspoed en zegen werkelijkheid wordt in de tijd van de Messias. Hoe dat proces in zijn werk gaat, blijft nochtans een groot mysterie, zoals de groei van zaad dat in een akker uitgestrooid wordt. De hoge ceder van Ezechiël en het miniscule mosterdzaadje van Marcus beelden een onverwachte tegenstelling uit. Zij vormen twee zinnebeelden van een toekomstverwachting die uiteindelijk totaal anders uitpakt dan wij denken. Ons geduld wordt daardoor op de proef gesteld.

2 Korintiërs 5,6-10
Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68.

Marcus. 4,26-34
Dat koninkrijk van U, weet u wel, wordt dat nog wat? vraagt Gerard Reve in één van zijn gedichten. Wat bedoelt Reve? Wat verlangt hij?
De heilige Schrift geeft ons geen direct antwoord, geen definitie van dat Rijk van God, of van het tijdstip van de uiteindelijke verwerkelijking, waar Reve naar vraagt.
Het Nieuwe Testament spreekt 122 keer over ‘Het Koninkrijk van God’, waarvan 99 keer in de synoptische evangeliën.
Dat Koninkrijk van God kun je niet vangen in een definitie. De evangelist Matteüs noemt het dikwijls ‘het Koninkrijk der hemelen’. Dit is niet bedoeld om de plaats van het Rijk van God aan te duiden en het zo uitsluitend tot het hiernamaals te beperken. ‘Hemelen’ is hier een eerbiedige aanduiding van God. Ook wij zeggen soms: ’De hemel mag weten hoe dit of dat zit’. We bedoelen dan ‘Alleen God weet het’.
‘Het Koninkrijk van God’ is ook geen exclusief aanwijsbaar plekje ergens hier op aarde. Een precieze routebeschrijving daarheen is niet voorhanden. Het is meer een uitdagend visioen, een prachtige legpuzzel die ons allemaal aangaat.
‘Toen de Farizeeën Jezus vroegen wannéér het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde hij hun: ‘De komst van het Koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: ‘Kijk, híer is het’ of: ‘Dáár is het!’ Maar weet wel: ‘het Koninkrijk van God ligt binnen uw bereik’ (Luc. 17,20v).
De heilige Schrift geeft verschillende beelden, schilderingen, impressies die allemaal een of ander aspect van het koninkrijk van God belichten. Je zou kunnen zeggen: het Koninkrijk van God betekent een situatie waarin blijkt dat Gód het voor het zeggen heeft.
Tegenover dit niet precies weten staat niettemin de opdracht dat je het Koninkrijk van God toch echt nu al moet zoeken.
Het zit nogal eens verstopt in een akker, in een mosterdzaadje, in zout – niet in een pót met zout – maar in zout dat zich heeft gevoegd in het eten. Dat zout werkt alleen goed als je het niet meer ziet. Als ‘smaakmaker’ zit het verstopt in een akker, in zuurdesem, in een mosterdzaadje.
In wezen vertegenwoordigt dat Koninkrijk van God alles wat ons ten diepste raakt. Het heeft te maken met liefde, onbegrensde liefde. Het heeft alles met de God van liefde te maken, met een wereld die veranderen kan ten goede, met beloftes die vervuld kunnen worden, maar dan op een manier die wij niet bij machte zijn te voorspellen. De Bijbel in Gewone Taal (2014) vertaalt het ‘Koninkrijk van God’ dan ook systematisch door ‘Gods nieuwe wereld’. Wij zullen ons daardoor moeten laten verrassen.
Jezus zegt: dat Koninkrijk is iets voor de toekomst én iets voor nú. Het kan nu al dóórbreken, op onverwachte ogenblikken, op niet vermoede manieren. Je kunt het immers niet aanwijzen, je kunt niet zeggen: ‘Kijk, hier is het’ of: ’Daar is het’. Voor Jezus horen de tekenen van de komst van het Koninkrijk van God niet thuis bij de zichtbare waarneming maar bij het geloof.
Deze overwegingen kunnen ons er toe brengen aan de hand van het evangelieverhaal het Koninkrijk van God te belichten door ook op de verhalende toer te gaan, zoals Jezus deed. Het evangelie zegt immers: ‘....Hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen’.

De parabel van het groeiende zaad (Mar. 4,6-29) is alleen bij Marcus te vinden. Het zaad is het Woord van het Evangelie, zoals het door mensen gehoord wordt. Uit eigen kracht groeit het, op een geheime manier, maar wel heel zeker, tot de dag van de oogst, dat is de dag van het Oordeel.

Ook de parabel van het kleine mosterdzaadje, zo groot als een zandkorrel (Mar. 4,30- wellicht 32), spreekt van Gods scheppende macht in het ogenschijnlijk zwakke woord van het Evangelie. Hier komt die ‘hoge ceder’ van Ezechiël alsnog voor de dag. Maar daar gaat héél wat aan vooraf. Ons gelovig geduld wordt stevig op de proef gesteld. Het lijkt er op dat hier sprake is van overdrijving met die ‘grote takken waar de vogels zich in kunnen nestelen’, of misschien beter vertaald: ‘een schuilplaats kunnen vinden’. In het koninkrijk van God mogen mensen immers schuilen.

Ook al lijkt het onwaarschijnlijk, zelfs als het mis dreigt te gaan en je de situatie niet onder controle lijkt te hebben – en wie herkent daarin niet de huidige toestand van de Kerk? – toch loopt het goed af met dat koninkrijk van God. Hiermee is echter niet het instituut Kerk bedoeld. De verleiding van verleden tijden om een exclusieve gelijkstelling van Rijk Gods met de Kerk te maken is ons tegenwoordig wel grondig áfgeleerd.

De groei van het Koninkrijk van God van klein en onbeduidend naar groot en indrukwekkend is echter zeker uiteindelijk te verwachten.

Het Koninkrijk van God zal volgens Jezus nu al hier en daar reeds als uitgezaaid zaad, als vertrekkend van een soort klein mosterdzaad, beginnen dóór te breken. God zal ooit de héle wereld definitief herscheppen tot een nieuwe hemel en aarde: Gods nieuwe wereld. Jezus zag de wereld als een open werkelijkheid. Onze wereld kan nu al mede door ons getransformeerd worden in fragmenten van het Koninkrijk van God. Ons wereldje blijft veelbelovend. Het kan een stuk Koninkrijk van God worden.
De toestand echter waarmee wij vandaag te maken hebben, lijkt precies de omgekeerde van die groei van klein naar groot van de parabels. Een grote, triomfalistische geloofsgemeenschap die het voor het zeggen heeft in kerk én maatschappij, wordt tegenwoordig steeds kleiner en kleiner.

Tóch blijft staan dat het Koninkrijk van God reeds waarneembaar werd in Jezus’ optreden. Het kan ook zichtbaar worden in óns. We kunnen het ervaren in helende, genezende ogenblikken, in momenten waarin wij voelen: dit is een stukje ‘hemel’ op aarde. Ik denk aan ‘vonken’ van liefde, gerechtigheid, vrede, ware vrijheid, waarvan wij getuigen mogen zijn. Dat zijn even zo vele ogenblikken waarop het Koninkrijk van God dóórbreekt in onze tijd.
Deze twee parabeltjes over de lotgevallen van het zaad geven antwoord op de ongeduldige vraag van Gerard Reve en wellicht van ons allemaal: ‘Dat koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ Het koninkrijk van God komt heel zeker, maar op manieren waaraan wij zelf wellicht niet denken.

 

Preekvoorbeeld 

Vooraf: Dit is geschreven in januari 2024. In een paar maanden kan veel gebeuren. Als u dit als basis voor een preek gebruikt zult u het begin moeten aanpassen aan de actuele situatie. Het zou me echter verbazen als deze crises in juni al een oplossing hebben.

Toen ik het evangelie van vandaag las kwam de uitdrukking ‘hoop doet leven’ in mij naar boven.
We leven immers in een tijd waarin er veel gebeurt. Er zijn conflicten en oorlogen. Burgeroorlogen in Soedan, Ethiopië, Jemen. Oorlogen tussen Oekraïne en Rusland, Hamas en Israël. Landen en groepen bevechten elkaar en mensen in die landen staan elkaar letterlijk naar het leven. Bij het ene conflict voelen we ons soms meer betrokken dan bij een ander, maar het geheel laat een ontzagwekkende wreedheid zien.
Er is ook de natuur die zijn eigen gang gaat. Het klimaat verandert in snel tempo. De gevolgen merken we door regen en droogte. Extreme hitte in Zuid-Europa, de dreiging van een stijgende zeespiegel. Misschien merken we dat nog niet erg in ons dagelijks leven, maar veel mensen en wetenschappers maken zich grote zorgen.
Er zijn ook crises in ons eigen land die niet opgelost worden: de toeslagenaffaire, aardbevingen en schade in Groningen, het omgaan met immigranten, de woningnood.
Het klinkt soms bedreigend en misschien is dat het ook wel. Het geeft mij een onmachtig gevoel. Alsof alles wat ik doe een druppel op een gloeiende plaat is.
De lezingen van vandaag laten een ander geluid horen. In de eerste lezing uit de profeet Ezechiël zegt de Heer God dat hij een twijgje van de ceder zal nemen, hij zal het planten en het zal een prachtige boom worden. Een prachtige belofte, vooral als je bedenkt dat Ezechiël spreekt tot het volk dat in ballingschap is in Babylon. Ze zijn daar, volgens het bijbelverhaal, omdat het volk zich niet heeft gehouden aan het verbond met God. Ze zijn hun eigen gang gegaan. En het gevolg was dat ze weggevoerd werden naar vreemde grond. Het twijgje van de ceder die God plant is het teken dat God het lot van het volk ten goede wil keren. Niet doordat mensen het lot in eigen handen nemen, maar door te vertrouwen op de weg die God geeft. Even verderop in Ezechiël roept God het volk dan ook op om Zijn weg te gaan. Een weg van gerechtigheid: voedsel delen met wie hongerig zijn, de naakten kleden, geen woekerwinsten vergaren en zich van onrecht onthouden.
De teksten van Ezechiël rijmen op de evangelietekst van Marcus. Het zaad groeit, zonder dat wij goed weten hoe. Er zit een groeikracht in het zaad zelf. En natuurlijk is het zo dat het niets wordt met het zaad als de mens niet meewerkt, maar de groei zelf komt niet van de mens. Het zit in het zaad zelf. De groeikracht is een teken van Gods kracht. En de boer en wij profiteren van die groeikracht. Als de vrucht rijp is dan slaat hij de sikkel in het gewas omdat het tijd is voor de oogst. Die groeikracht zien we ook bij het mosterdzaadje; het groeit uit tot een immens struikgewas en de vogels nestelen in zijn schaduw.
In beide teksten vraagt God om vertrouwen te hebben in groeikracht. Vertrouwen is een woord dat in onze tijd niet altijd voorop staat. Het lijkt er soms op dat we het vertrouwen in God en ook in elkaar kwijt zijn. Als het leven tegenzit, wordt er naar een schuldige gezocht. Het lijkt moeilijk om te accepteren dat het leven soms tegen kan zitten. De werkelijkheid is soms hard en het zit soms bitter tegen en wij, als gewone mensen, worden met die tegenslag geconfronteerd. Het is zwaar om met die tegenslag om te gaan. Opwarming van de aarde, stikstofoverlast. Maar ook ziektes die een mens kunnen treffen en die ons onzeker maken. Het is makkelijk om er een mening over te hebben, maar als het je eigen bestaan raakt dan kunnen angst en paniek toeslaan. Het is moeilijk om om te gaan met tegenslag. Maar toch: een mens heeft niet alles in de hand. We willen wel heel graag zekerheid. We willen heel graag dat we heer en meester zijn over ons eigen leven, maar als tegenslag ons overkomt dan merken we dat we kwetsbare mensen zijn. En dan is het de vraag hoe we staande blijven als het leven moeilijk is. Hoe kunnen we blijven vertrouwen?
De Bijbel heeft geen recept dat voor iedereen en altijd geldt en ik heb dat ook niet. Er bestaan geen toverformules die ervoor zorgen dat het altijd goed blijft gaan. Er is geen spreuk die er altijd voor zorgt dat je uit de put komt. Maar er bestaat ook geen zekerheid dat het mis zal gaan. Angst kan een slechte raadgever zijn. Als we ons door angst laten verlammen, dan wordt angst onze meester. Maar God wil dat we niet bang zijn. Hij wil dat we het vertrouwen blijven behouden dat het uiteindelijk goed zal komen. En hij vraagt van ons om de goede weg te gaan. Een weg waarin we op zoek gaan naar andere mensen. Een weg waarin we ons niet laten leiden door vooroordelen, door vooringenomenheid, maar op zoek gaan naar de mens die misschien anders is dan wij, maar die ook geschapen is naar het evenbeeld van God. Op zoek gaan naar wat goed is in deze wereld zonder dat we de werkelijkheid uit het oog verliezen. Als we de hoop en het vertrouwen verliezen, roepen we het onheil over ons af. We blijven staande als we de hoop en het vertrouwen niet verliezen. Daarom zei ik aan het begin ‘Hoop doet leven.’ Zonder hoop en vertrouwen kunnen we niet leven. En daartoe nodigt God ons uit.

 

inleiding dr. J.C.M. Holman SVD
preekvoorbeeld drs. F.J.G. Broekhoff