- Versie
- Downloaden 1
- Bestandsgrootte 152.36 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 10 april 2026
- Laatst geüpdatet 10 april 2026
Preek Sacramentsdag, A jaar, 7-6-2026
7 juni 2026
Sacramentsdag
Lezingen: Deut. 8,2-3 en14b-16a; Ps. 147; 1 Kor. 10,16-17; Joh. 6,51-58 (A-jaar)
Inleiding
Deuteronomium 8,2-3 en14b-16a
Het boek Deuteronomium herneemt de verhalen van de Exodus en zet ze in een theologisch didactisch verband. De aloude kwestie of Mozes de eerste vijf boeken zelf heeft geschreven werd in het eerste vers acuut: ‘aan de overkant van de Jordaan’, waarmee de schrijver zichzelf dus al in het land bevindt, terwijl Mozes dat land niet zou betreden. Ook aan het einde rijst een moeilijkheid waar de dood van Mozes wordt beschreven. Een middeleeuws-joodse auteur verklaart dat Mozes het dictaat van God opschreef, maar dat zijn tranen die laatste verzen uitwiste. Jozua schreef ze toen nog eens! Men mag vermoeden dat toen al de gedachte van meerdere auteurs tersluiks werd aangehangen. De theologische diepte van Deuteronomium blijkt ook uit onze perikoop. Het manna is niet zomaar brood dat miraculeus uit de hemel valt, maar er schuilt een belangrijke didactische dimensie in: kunnen wij mensen dankbaar zijn voor het brood ‘voor vandaag’ (Onze Vader) of willen wij garanties voor heel ons leven? Rabbijnse uitleg merkt op dat met voedsel voor heel de woestijntocht op je rug je niet vooruitkomt. Dat kunnen we verbreden tot de gedachte dat gebrek aan dankbaarheid ons kan verlammen.
In vers 8,2 valt een tweede woord dat we kennen uit het Onze Vader: op de proef stellen. Hier is het niet de mens die God op de proef stelt, maar God die de mens op de proef stelt. Het oude woord ‘verzoeken’ (Statenvertaling) wekt in ons tegenwoordige spraakgebruik misverstanden, alsof er een boosaardige opzet achter schuilt (vgl. ook Gen. 22,1). Ook het ons vertrouwde woord ‘bekoring’ kan misverstanden wekken en wel in twee opzichten: het suggereert mogelijk een diabolische opzet (zoals de gnosis de bijbelse scheppergod ziet), of juist ook iets aantrekkelijks, zoals een mooie vrouw bekoorlijk kan zijn. ‘Op de proef stellen’ benadert de grondtekst het beste, zij het dat een zelfstandig naamwoord hiervan lastig is af te leiden. Zelfs ‘beproeving’ raakt de betekenis maar gedeeltelijk.
Niettemin dienen we het ‘op de proef stellen’ van het volk door God niet al te licht op te vatten. De tocht door de woestijn is daarvan de concrete neerslag: de veertig jaren dienen om losgeweekt te worden van de afgoderij in Egypte en op de onzichtbare God te vertrouwen en diens geboden na te volgen. Hoe moeilijk deze paradoxale vrijheid is in vergelijking met de zekerheid van de vleespotten in Egypte blijkt wel uit het gouden kalf: dat was tenminste zichtbaar!
Het manna biedt dus zo bekeken niet enkel voedsel voor de maag, maar minstens evenzeer voedsel voor de geest of de ziel. ‘De mens leeft niet van brood alleen’ (8,3), waarvan we de echo horen in het verhaal van de beproevingen (!) in de woestijn (Mat 4,4). Het manna heeft als brood uit de hemel alle trekken van het Woord van God dat de mens opvoedt tot die moeilijke vrijheid (Levinas) die samenvalt met verantwoordelijkheid.
De keuze om pas bij vers 14b weer aan te halen heeft als nadeel dat de notie van luxe die God doet vergeten niet duidelijk uit de verf komt. Toch schuilt daarin een les die ook in onze tijd gemakkelijk is na te voltrekken. Gods zegen wordt in vers 8,16 beloofd, op voorwaarde dat de dankbaarheid voor de dagelijkse liefdevolle zorg van God niet wordt vergeten: dat is nu juist de zegen.
Psalm 147
Dat Psalm 147 de zorg van God bezingt sluit wonderwel aan bij de les van het manna, bedoeld of onbedoeld. God die ook de dieren van voedsel voorziet brengt de mens in gelukkige samenspraak met heel de schepping. Mooi om te bedenken hoe in sommige oude missalen een bede tegen veeziekte staat: ‘God die aan de mensenarbeid ook de dieren als hulp hebt geschonken, wij smeken u dat Gij de dieren die onze menselijke natuur voeden, niet laat omkomen door ziekte…’. Met deze psalm en dit gebed komen ook de dieren in het religieuze bewustzijn als bron van dank jegens God.
1 Korintiërs 10,16-17
Paulus noemt in zijn eerste Korintebrief (10,3) het geestelijke voedsel van het volk in de woestijn, kennelijk overtuigd dat het manna voor veel meer staat dan slechts materiële bevrediging. Vandaar ook dat hij verderop in dit hoofdstuk kan verwijzen naar het Laatste Avondmaal, waar Christus beker en brood (in die volgorde! zoals bij het joodse pesachfeest) aanbiedt als bron van onderlinge verbondenheid. ‘Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want we hebben allen deel aan dat ene brood’ (10,17). De context hier is het eten van vlees dat aan de afgoden is geofferd. Al wil Paulus niet de indruk wekken dat hijzelf vindt dat afgoden reëel bestaan en een werkelijke bedreiging vertegenwoordigen (zie 1 Kor. 8), hij waakt hier voor de eenheid van de christelijke gemeente, inclusief de joden-christenen die afgodenvlees radicaal afwijzen. Ook Paulus kiest uiteindelijk voor niet-eten om degenen die zijn vrijheid niet begrijpen niet in verwarring te brengen!
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56
Johannes 6,51-58
Eigenlijk is in de voorgaande lezingen al alles gezegd: het brood uit de hemel is als het Woord van God dat de mens opvoedt tot dankbaarheid en onbezorgdheid voor de dag van morgen. Maar Johannes weet er nog heel wat aan toe te voegen. Allereerst schetst hij hoe de mensen de woorden van Jezus misverstaan. Jezus contrasteert het manna met het ware brood uit de hemel, met zijn eigen lichaam en bloed dat wordt gegeven voor de mensen. Zoals in heel het evangelie is er sprake van een goddelijke dimensie die telkens niet wordt begrepen. De polemische context is duidelijk: het zijn de Joden die de spirituele dimensie van het lichaam en bloed van Christus niet begrijpen en menen dat het hier om een soort kannibalisme moet gaan! Overigens hebben we al in eerdere lezing gezien dat de gedachte van een symbolische dimensie van het manna als ‘brood uit de hemel’ (zie ook Ex. 16,3) het Jodendom niet vreemd was. Maar de polemiek met het Jodendom spitst zich hiertoe op de betekenis van de Mensenzoon zelf, Jezus Christus. Dat brood geeft eeuwig leven aan wie dit eet. Een gelijksoortige gedachtegang inclusief misverstaan zien we in Johannes 4,14 waar het gaat om levend water waarna er nooit meer dorst zal zijn.
In het vervolg blijkt dat Johannes ook de leerlingen insluit in het algemene onbegrip voor Jezus’ woorden. Het gaat dus om iets diepers dan slechts een anti-Joodse uitval: Jezus’ woorden worden steeds raadselachtiger met als gevolg dat zelfs veel leerlingen zich van Hem afwenden. Intussen spreekt Jezus over de Vader als degene die Hem alles heeft geschonken. De gezondene ontleent heel zijn gezag aan degene die hem zendt, zo luidt ook de juridische regel. Hier wordt die in christologische zin toegepast: Christus leeft door de Vader. Deze opmerkelijke paradox van hoogheid en nederigheid is kenmerkend voor de johanneïsche christologie.
Opmerkelijk is de discussie in wetenschappelijke kring dat het evangelie van Johannes misschien niet het laatste evangelie is, zoals algemeen werd gedacht, maar het vroegste. Behalve de grote kennis van de Joodse feestdagen zou ook een zeker dualisme tussen geest en vlees hiervan getuigen: ‘de Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets’ (Joh. 6,63). Toch vermijdt het Johannesevangelie een zodanig dualisme dat Christus louter als hemelwezen gezien zou worden (docetisme). Christus eet met zijn leerlingen, ook na de verrijzenis. Het zouden Marcion en de gnosis zijn voor wie Christus niet langer lichamelijk gezien kan worden. Het is echter geen toeval dat juist het Johannesevangelie door de gnosis met graagte werd geciteerd en (mis)verstaan).
Preekvoorbeeld
De dichter Hans Andreus zegt in een van zijn liefdesgedichten heel puntig tot zijn geliefde: ‘Ik heb je liever dan brood.’ Dat is natuurlijk niet het platte: ik heb liever een vrouw dan een boterham. Dan houd je alles in één sfeer, die van de consumptie. Dan kun je op een rijtje zetten, wat je allemaal aardig vindt en wat nog aardiger: gehaktballen, computers, je geliefde en eventueel komt er na die geliefde nog iets, bijvoorbeeld: een boek lezen of een gedicht maken. Neen, de geciteerde regel is het vervolg op: ‘Ik heb je lief, ik heb je zo lief.’ Daarmee is de geliefde al uitgetild boven alles.
Maar er moet nog meer gezegd worden: ik heb je liever, ik heb je liefst. ‘Ik heb je liever, liever dan brood.’ Brood is broodnodig, zeker. Maar ik mis nog liever wat broodnodig is dan dat ik jou mis. Jij hoort tot een andere sfeer. Bij jou kan ik niet meer denken in termen van nut of aardigheid, bij jou kan ik niet meer rekenen. Als ik brood eet, als ik mijn leven verleng, dan doe ik dat omdat jij er bent. Liefde is geen optional, zoals je een auto kunt nemen met of zonder klokje, met of zonder cruise control. Wie liefheeft, heeft niet meer te kiezen. Kiezen doe je tussen middelen op weg naar een doel. Liefde is het doel en het doel aanvaard je of je weigert, maar er zijn geen alternatieven. Zolang er nog alternatieven zijn, is dat er een teken van dat er nog geen sprake is van liefde. Als een jongen me vraagt: ‘Zal ik verder gaan met Marietje of met Anneke?’, weet ik dat hij nog niet voor de bijl is gegaan. Het leven is nog steeds een supermarkt voor hem. Zal ik de was doen met Omo of met Persil? Nee, maak je ogen schoon met Hans Andreus.
In de eerste lezing van vandaag viel me een merkwaardige zin op. ‘God heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven, dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van voedsel alleen, maar van alles dat uit de mond van de Heer komt.’ Dat is toch vreemd: God heeft u honger en brood gegeven, om u te leren dat u niet leeft van brood alleen. De versregel van Hans Andreus kan er licht op werpen. Het volk krijgt van alles van God: het is bevrijd uit Egypte, het ontvangt de Wet als een goede en mooie leefregel, het ontvangt beproevingen en vernederingen, het krijgt manna en water uit de rots. Maar in dat alles gaat het erom, dat er gemeenschap ontstaat met de Gever. De liefde snijdt het brood, maar als ik het opschrok in mijn eentje, is er een vraag onbeantwoord gebleven en is er een kans misgelopen. Pas wanneer het brood samen gegeten wordt, wanneer het in dank aanvaard wordt, wordt er menselijk gegeten. Daarom heeft God die hele mix van omgang met het volk: er wordt vrijheid gegeven, anders kan er niet bemind worden. Er wordt vernedering gegeven: je moet leren dat je jezelf niet kunt redden, anders ga je de ander als een optie behandelen. Er wordt beproefd, want liefde legt de meetlat hoog. Er worden geboden gegeven, want in de liefde geef je elkaar je eigen gebruiksaanwijzing. Er wordt brood gegeven en water, want de liefde wil dat je leeft. Nog geen wijn daar: zonder liefde is wijn een afschuwelijke drank. Je kunt je er even mee van de wereld afdrinken, je kunt er ook je tong mee strelen. In beide gevallen gebeurt er niets feestelijks. Nee, de wijn is er voor later. Die zal er zijn, als het volk het land is ingetrokken, als de geliefden samenwonen. Dan zal het feest zijn. En ook dan niet altijd: want belangrijker dan het samen drinken is het ‘samen.’ Ook daar blijft gelden: ‘Ik heb je liever dan wijn.’
‘Ik heb je liever dan brood.’ De regel zegt ook dat in de liefde leven en dood op het spel staan. Zonder brood ga je dood. Maar: nog liever dood dan zonder jou. In het evangelie wordt de zaak van de liefde op de spits gedreven, omdat de Liefde er voor ons sterft. Ook Jezus geeft ons brood, zoals God eens het manna gaf. Maar dit brood is vlees en bloed: dit brood smaakt naar het kruis. Wij zijn bemind met een liefde die zich tot het uiterste toe gegeven heeft en geeft. ‘Ik kan je wel opeten’, zeggen we soms, als we gek zijn op iemand. We zeggen het meestal eerder van kleine kinderen, dan van onze partner, maar ook daar kan het gezegd worden. In het evangelie zegt de Liefde: ‘Eet me en drink me.’ En als de ander dan niet liefheeft, maar egoïstisch is of zelfs van haat vervuld, dan gaat die klauwen en verscheuren, vreten. Maar de Liefde laat zich nog liever verscheuren dan dat ze ophoudt te beminnen.
‘Liefde is sterker dan de dood’, zegt het Hooglied. Dat is een zin die aan de ene kant helder waar is: er is liefde die de dood voor lief neemt, als de ander maar leeft. Dat is voorgekomen en het komt nog voor. De Dwaze Moeders, of ze nu uit Argentinië kwamen of uit Afghanistan of de Soedan komen of uit Syrië, bewijzen het. Aan de andere kant is het een zin die niet helder waar is. Liefde wil eeuwigheid, maar of ze die kan geven? Ik bedoel: als iemand uit liefde voor je sterft, is hij wel dood. De weduwen en weduwnaars geloven het niet zo gemakkelijk. Het evangelie sluit met zijn centrale boodschap aan bij het oerverlangen van de liefde: de boodschap van Pasen zegt dat liefde niet alleen zo krachtig is dat ze de dood voor lief neemt, maar dat Gods Liefde zelfs krachtiger is dan de dood zelf. Daarom kan onze Heer niet slechts zeggen: ‘Eet me en drink me’ en daarna volgt de dood. Hij kan zeggen: ‘Blijf me eten en drinken.’ Mijn liefde is onverwoestbaar, onveranderlijk, zelfs door de dood heen. Wie Hem haatte en na zijn dood dacht: opgeruimd staat netjes, die is nog niet van Hem af. Zijn aanbod blijft. Wie hem egoïstisch opgevreten heeft en daarna denkt dat hij in leven lang met schuld en schuldgevoel moet blijven leven, krijgt Hem opnieuw: onveranderlijke liefde is een blijvend aanbod tot vergeving. En wie Hem liefheeft, die eet en drinkt natuurlijk met vreugde, met liefde. En nu is er niet slechts brood en water, maar brood en wijn. Als de dood gestorven is, dan kan er ook gefeest worden.
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de jongste dag. Ja, want het eeuwig leven, wat is dat anders dan: met Hem verbonden zijn in een leven dat niet meer stuk kan, omdat de dood dood is. Zijn vlees eten en zijn bloed drinken: we doen niet anders, hier aan de tafel van de Heer. We doen het nog onder tekenen. Er blijft nog te verlangen over: eens, als we leven van aangezicht tot aangezicht, zal de liefde andere gestalte aannemen. In die zin blijft ook ten aanzien van de Eucharistie de versregel van Andreus waar: Ik heb u nog liever dan uw brood en uw wijn. Tegelijk: de tekenen zijn niet leeg, ze verwijzen niet naar een afwezige, ze zijn gevuld met Hem zelf. Daarom vervang ik bij de Eucharistie de dichtregel van Andreus maar door de prachtige verzen van Psalm 16:
Jou zal ik erven, jou mag ik drinken,
Jij bent mijn lot, vruchtbare grond ...
Onder jouw ogen leef ik op.
Koesteren zul je mij in je hand.
inleiding prof. dr. Marcel Poorthuis
preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,