- Versie
- Downloaden 0
- Bestandsgrootte 230.89 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 8 oktober 2026
- Laatst geüpdatet 8 oktober 2026
Preek Allerheiligen, 1-11-2026
1 november 2026
Allerheiligen
Lezingen: Apok. 7,2-4.9-14; Ps. 24; 1 Joh. 3,1-3; Mat. 5,1-12a (A-jaar)
Inleiding
Wie mag de berg van de heer bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert.
Psalm 24,3-4 (NBV21)
De drie lezingen gaan over het Rijk Gods en wie voor dat rijk zijn bestemd. Wie mogen zich gelukkig prijzen om dat rijk te kennen, om daar binnen te gaan? En wat betekent deze belofte voor het aardse leven in het hier en nu? De lezingen overspannen als het ware het gehele Nieuwe Testament: van het eerste boek, het Evangelie volgens Matteüs, tot het laatste boek, Apokalyps/Openbaring, dat tevens de Bijbel als geheel afsluit.
Apokalyps 7,2-4.9-14
Openbaring is een boek, waarin op verhulde wijze met behulp van mythische en kosmische beelden symbolen en een niet-lineaire verhaallijn de betekenis van Gods bevrijdend handelen in Christus wordt geopenbaard. Het is literatuur uit de tijd van geloofsvervolgingen: het verhaal is alleen te begrijpen voor insiders. Typerend voor Openbaring is het eschatologisch karakter: het gaat over de laatste dingen, de gebeurtenissen in de Eindtijd wanneer Christus terugkeert en over de voltooiing van de wereld: het aanbreken van het Rijk Gods. De aanloop daartoe wordt geschetst als eindstrijd tussen goed en kwaad.
In de visioenen die Johannes heeft, ziet hij alternerend wat zich in de hemelse sferen afspeelt en wat er op aarde gebeurt. De lezing van vandaag komt uit een reeks visioenen, waarin hij ziet hoe in de hemelse sfeer één voor één zeven zegels worden verbroken door het Lam Gods, met catastrofale gevolgen op aarde. Na het verbreken van het zesde boekrolzegel wordt dit proces onderbroken, zodat de onontkoombare loop van de geschiedenis als het ware tijdelijk wordt opgeschort.
Het visioen valt uiteen in twee delen die dezelfde gebeurtenis beschrijven vanuit verschillende perspectieven. Eerst ziet Johannes de gebeurtenissen op aarde (7,1-8) en krijgt hij inzicht in de reden van de onderbreking: er wordt tijd gewonnen om bij degenen die God dienen een zegel op het hoofd aan te brengen (7,4).
Vervolgens verplaatst Johannes’ blikveld zich naar de hemel (7,9-17): een indrukwekkend visioen van de hemelse troonzaal (vgl. vv. 4,2-11) waar God door alle hemelingen wordt geëerd, gedankt en geloofd in een eeuwigdurende hemelse liturgie. De palmtakken in de hand van de ontelbare menigte zijn in de Oudheid een symbool van overwinning; de witte gewaden duiden op reinheid, heiligheid en waardigheid (vv. 10-17); Het beeld drukt een enorme weidsheid uit en ademt een sfeer overwinning. Daar krijgt Johannes antwoord op de prangende vraag die klonk na het openbreken van het zesde zegel: ‘Wie blijven op de dag van Gods toorn staande?’ (6,17).
Johannes hoort hoeveel mensen getekend zullen worden door het zegel (sfrangida) van God: 144.000 uit alle stammen van Israël (vv. 2-4). Het genoemde exacte getal drukt niet zozeer een precies afgebakend aantal uit, het betreft veeleer een symboolgetal. Het getal ‘twaalf’ wordt in het Oude Testament gebruikt om compleetheid uit te drukken; het getal ‘duizend’ voor een onmetelijke hoeveelheid; duizend is een getal dat bij God hoort. De opsomming van de twaalf stammen van het volk Israël onderstreept dat het om het volk Gods in zijn geheel gaat: zowel de twee stammen uit het Zuidrijk die na de Babylonische ballingschap (586 vChr.) zijn teruggekeerd, als de tien stammen van het Noordrijk die nooit zijn teruggekeerd uit de Assyrische ballingschap (721 vChr.). Het beeld schetst de verwerkelijking van de langverwachte hereniging van het volk Israël, waarnaar al in de tijd van de profeten werd uitgezien als eindtijdelijk verlangen (Ezech. 37,15-28).
Door de complexe verhaalstructuur in Openbaring, moet de lezer terug- en vooruit lezen in de tekst om te begrijpen hoe de relatie tussen beide groepen mensen – de 144.000 op aarde en de ontelbare menigte in de hemel – zich tot elkaar verhouden. Een vergelijkbaar visioen van de hemelse troonzaal in hoofdstuk 5 leert dat de talrijke menigte in het wit bestaat uit mensen die zijn vrijgekocht met het bloed van het Lam (arnion, bokje; 5,9): het gaat om christenen uit alle volkeren, joden en heidenen. In hoofdstuk 6 wordt duidelijk dat het om mensen gaat die al zijn gestorven. Het zijn de gelovigen die zijn gedood omwille van hun getuigenis van Christus (6,10).
De 144.000 daarentegen worden juist door het zegel getekend om beschermd te zijn, zodat zij de grote verdrukking kunnen weerstaan. Zij zijn de groep mensen die als de grote eindstrijd op aarde zal plaatsvinden, het Lam volgen. Ook zij zijn uit de mensheid vrijgekocht (14, 3-5). Beide groepen leven op een ander moment in de tijd, maar zij vormen samen één groep: het zijn de mensen die met Christus verbonden zijn doorheen de heilsgeschiedenis tot aan de voltooiing toe.
Zo geeft dit hoofdstuk in Openbaring een doorkijkje naar de hemelse heerlijkheid. Een blik in de eeuwigheid, op diegenen die zich reeds in de hemel bij God bevinden. Staande voor de troon en voor het Lam (v. 9) kunnen zij nu dus God aanschouwen; over hen zegt Johannes (vv. 16-17): zij zullen niet meer hongeren en dorsten, geen last meer hebben van de zinderende hitte, het Lam zal hen leiden naar bronnen van levend water, en God zal iedere traan uit hun ogen wissen. Beelden die oudtestamentische heilsbeloften van Israël in herinnering roepen (Jes. 49,10 en 25,8); beelden die opnieuw weerklinken in de Zaligsprekingen van Matteüs (vgl. Mat. 5,1-12a).
Zo wordt aan de eerste lezers van Johannes, vervolgde christenen in de johanneïsche gemeenten – en in het verlengde daarvan aan de lezers van vandaag – getoond dat hun lijden niet voor niets is en dat tegen alle verwachtingen in de komst van het koninkrijk Gods reeds is aangebroken. Een bemoedigende boodschap!
1 Johannes 3,1-3
In 1 Johannes wordt een scherp dualistisch beeld geschetst, waarin God, licht, leven, liefhebben, gereinigd zijn van zonde en het onderhouden van geboden lijnrecht staan tegenover wereld, duisternis, dood, haten, onreinheid door zonden en gerichtheid op eigen verlangens. Je staat of aan de ene, of aan de andere kant. De auteur stelt de zijnen – hij spreekt in de wij-vorm – gerust: ze worden niet alleen kinderen van God genoemd, maar zijn dat ook (v. 1) met andere woorden ‘ze behoren tot God’ (4,4). Zijn zorg is dat ze ook ‘in Hem blijven’(2,24.27.28); dat ze ook in een wereld die God niet kent en in een tijd dat er in de eigen kringen figuren rondlopen die iets anders verkondigen – vasthouden aan hetgeen hen onderwezen is: Jezus Christus is de door God gezonden verlosser.
In de korte tekstlezing wordt het motief van Gods verlossende handelen onthult: Liefde! Gods onvoorstelbaar grote liefde reikt zover dat een ieder die kind van Hem is (vgl. 5,1) erop mag vertrouwen uiteindelijk aan Hem gelijk te zijn (v. 2). Wat dat precies betekent zal mettertijd, als Hij zich openbaart, pas echt duidelijk worden, maar dat het zo is, staat vast. Met deze verwachting voor ogen, klinkt de oproep om zich te reinigen, om net zo rein (hagnizoo/hagnos; mogelijk verwant aan hagios = heilig) te worden als Jezus, de Christus.
Matteüs 5,1-12a
De Zaligsprekingen van Matteüs vormen de opening van de Bergrede: alvorens Jezus begint te onderrichten wat de Tora concreet betekent voor het leven van alledag om trouw te blijven aan het Verbond met God, brengt hij hen de goede boodschap van Gods genade, het koninkrijk der hemelen. De zaligsprekingen kunnen opgevat worden als een speech act, een vorm van performatief spreken: door het uitspreken worden ze werkelijkheid. Het effect ervan is dat de toehoorders getroost en bemoedigd worden. Het uitspreken opent een nieuw perspectief.
Net als in het boek Openbaring, richt de boodschap in de Zaligsprekingen van Matteüs zich op toehoorders die het risico lopen op geloofsvervolging of daar al mee te maken hebben gehad: ‘Zalig zijn zij die vervolgd zijn omwille van gerechtigheid… (v. 8) en zalig zijn jullie wanneer ze jullie zullen uitschelden, vervolgen en kwaadspreken omwille van Mij (v. 9).
Bij Matteüs gaat het om acht zaligsprekingen met eenzelfde zinsopbouw die omlijst worden door het redengevend ‘want van hen is het koninkrijk der hemelen (vgl. Luc. 6,20-26). De tussenliggende redengevende bijzinnen geven kleur en betekenis aan wat dat betekent: getroost worden, de aarde beërven, gerechtigheid, barmhartigheid, God aanschouwen en Zijn kinderen genoemd worden. Na deze serie van acht parallellen volgt een negende zaligspreking die rechtstreeks gericht is op de toehoorders: ‘Zalig zijn jullie!’
Eerst worden de zaligsprekingen in het algemeen gezegd, en dan ineens tot de toehoorders zelf. Bij het spreken over iemand, krijgen de toehoorders een indruk wat het betekent om in de ogen van God ‘zalig’ te zijn. Zij kunnen zich als het ware spiegelen aan de verschillende doelgroepen. Zoals wij ons vandaag – op Allerheiligen – kunnen spiegelen aan de mensen van wie de Kerk door de eeuwen heen heeft onderkend, dat zij andere gelovigen tot voorbeeld kunnen zijn. Mensen op wier geloof en gelovig handelen wij ons kunnen richten als wij ons afvragen hoe we handen en voeten kunnen geven aan een leven in de voetsporen van Jezus.
Dat het ook de bedoeling is dat de toehoorders van Jezus zich spiegelen aan de zaligsprekingen blijkt uit die laatste, negende zaligspreking die daarop volgt, waarbij Jezus hen rechtstreeks aanspreekt: Zalig zijn jullie wanneer jullie.…gevolgd door een gebiedende wijs: ‘Verheugt je… Juicht!’ Jezus spreekt hen persoonlijk aan. Zo hebben de zaligsprekingen naast een bemoedigende ook een ethische dimensie: ze sporen aan tot de juiste instelling en het juiste handelen. In de daaropvolgende parabels over ‘het zout der aarde’ en ‘het licht der wereld’ werkt Jezus dit ethische appel verder uit.
Deze wisseling van de 3e persoon (zalig zijn zij) naar de 2e persoon (zalig zijn jullie) heeft als retorisch effect dat de betrokkenheid van de toehoorders – de leerlingen en de menigte die naar Jezus luisteren – wordt vergroot.
Wanneer wij ons als lezer met de toehoorders van Jezus identificeren, worden ook wij rechtstreeks aangesproken en ervaren wij dat Jezus’ appel ook heden ten dage nog van kracht is. Dat de opdracht ons te verheugen nog onverminderd geldt. De zaligsprekingen moeten immers verstaan worden tegen het licht van de eindtijd, het moment waarop Jezus zal terugkeren. Het koninkrijk Gods is met het leven, sterven en de verrijzenis van Jezus weliswaar aangebroken, maar de voltooiing staat nog uit en wij zijn daar – met en in de wereld – naar onderweg.
Literatuur
Aune, D. E. Revelation 1-5. WBC 52. Dallas: Word Incorporated, 1997.
Davis, W. D. en Dale, C.A. Jr. The Gospel according to Saint Matthew. Vol. I. IIC. Edinburgh: T&T Clark, 1988.
Gnilka, J. Das Matthäusevangelium 1. Teil. HThKNT. Freiburg: Herder, 1986.
Koester, C. R. Revelation: A New Translation with Introduction and Commentary. AB 38A. New Haven: Yale University Press, 2014.
Luz, U. Das Evangelium nach Matthäus 1. Teilband. EKK. Neukirchen: Benziger/Neukirchener Verlag, 20025.
Smid, R. “Duizenden en tienduizenden: ontelbaar veel.” [blog] NBG De Bijbel. Geraadpleegd 10 juni 2026.
Smid, R. “Twaalf: een compleet getal.” [blog] NBG De Bijbel. Geraadpleegd 10 juni 2026.
Preekvoorbeeld
Inleiding: Precies op zondag vieren we dit feest van Allerheiligen. Allerheiligen om degenen te gedenken vóór ons die heil brachten. Allermensen om te ontdekken wie zich zalig mogen prijzen.
Ga je op zaterdag wel eens de stad in, of vind je het dan te druk? Zoveel mensen winkel in winkel uit, belast en beladen. Je wijkt uit, je loopt mee. Een menigte van mensen. Niet te tellen, de meesten anoniem. Wat zie je? Zie je bekende gezichten, zoals de straatkrantverkoper? Hoeveel zouden het er zijn? Twaalfduizend? Geluk gaat naast verdriet, gezondheid botst tegen ziekte op. Een kind is zijn moeder kwijt. Twaalfduizend mensen met een eigen verhaal.
Je kun ook geraakt worden door afbeeldingen van mensen die zijn vastgelegd door oorlogsfotograven. Hun gelaat getekend door verdriet of geweld. Gezichten van mensen in oorlog, gezichten van kinderen die honger lijden, gezichten van asielzoekers, mensen die pas een gezicht krijgen als jij ze ziet en aankijkt.
Johannes ziet in zijn visioen twaalf maal twaalfduizend getekenden op onze áárde uit alle twaalf stammen van Israël. Ze krijgen allemaal een teken dat hen beschermt tegen de grote verdrukking. Johannes ziet dat alle joodse mensen, herenigd zijn rond het lam Christus, door Gods zegel beschermd en in vrede. Dat is een tegendraads visioen voor het huidige Israël.
Daarna ziet hij in de hémel een nog grotere menigte in witte gewaden. Wie zijn dat en waar komen ze vandaan? Dat zijn mensen uit alle volkeren, die al gestorven zijn omdat ze getuigden van hun geloof in Jezus. Beide groepen op aarde en in de hemel zijn verbonden door Christus, het lam Gods. Dit visioen was voor de christenen, die in die tijd vervolgd werden een grote bemoediging. In dit dubbele visioen verbindt Christus hemel en aarde. Het geeft ons, hier en nu, een blik op een toekomst van vrede én een blik op de eeuwigheid waar alle heiligen in witte gewaden in Gods Rijk vertoeven bij levend water, omdat ze tot hun dood trouw bleven aan Jezus’ weg.
Die trouw wordt beloond! We mogen dat geloven en we vinden dat bevestigd in de levens van mensen, die Christus trouw bleven tot in de dood. Martelaren zoals Dietrich Bonhoeffer, Martin Luther King en Aleksej Navalny.
De bemoedigende woorden van Jezus’ Bergrede sluiten hier bij aan. Ook Jezus zag een menigte mensen, hij werd geraakt door al die gezichten met hun lach of hun traan, hun last of lust. Bij het zien van al die mensen ging hij de berg op. Hij wees. Kijk, kijk dan toch! Al die mensen die zoeken en verlangen naar vrede. Hij ziet hun kracht en spreekt die aan. Natuurlijk ziet Jezus in die menigte ook de ontrouw en de haat, de angst voor terreur en oorlog. Maar Jezus kijkt door de ellende heen, hij doorbreekt de haat en angst door te zien wat deze mensen waard zijn, door hen te zien geeft hij Gods genade door!
Dat doet hij precies op maat, want hij ziet dat hun noden en verlangens verschillen, net als bij ons nu. Jezus onderscheidt acht groepen.
Gelukkig arme mensen, niet omdat ze arm zijn, armoede is vreselijk, maar omdat ze niet gevangen zijn in geld en vastgoed, daarom hebben ze ruimte om elkaar te helpen, zo brengen ze een beetje hemel op aarde.
Gelukkig zij die treuren, want alleen dan kun je getroost worden. Zij die weten dat pijn en verdriet bij het leven horen, juist zij kunnen ook weer lotgenoten troosten.
Gelukkig mensen met een zacht gemoed, die geloven dat de zachte krachten zullen winnen op het eind. Met hun innerlijke kracht zullen ze de kringloop van geweld en tegengeweld doorbreken.
Gelukkig zij, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, zij die weigeren te wennen aan onrecht. Je nek uitsteken is gevaarlijk, maar Christus’ voorbeeld geeft hen moed.
Gelukkig barmhartige mensen, want zij laten hun hart niet leiden door fanatiek nationalisme, ze laten zich raken door het lijden van anderen over grenzen heen, God zal zich over hen erbarmen.
Gelukkig zij die zuiver van hart zijn, zij zullen God zien. Ze zullen in het gelaat van hun medemens zijn gezicht herkennen.
Gelukkig de vredestichters, mensen die hun vijand naar zijn naam vragen en de hand reiken, ze zullen elkaar herkennen als kinderen van één God.
Gelukkig zijn zij die onrecht aanklagen en daarom gehaat worden, zij zullen veilig zijn bij God.
Wellicht herken jij jezelf in een van deze aangesproken groepen? Als dat niet zo is dan is de extra negende zaligspreking van Jezus wel persoonlijk voor jou! ‘Gelukkig ben jij als jij lijdt onder alle geweld en ellende die onze wereld teisteren en als jij ondanks dat toch mijn vrede verkondigt en daarom belasterd en vervolgd wordt.’ Jezus zegt tegen jou: ‘Hou vol op de weg naar mijn vrede, tegen de stroom van het geweld in, want Gods vrede is jouw rijke beloning.’
Is dat een loze gemakkelijke belofte? Nee, het is de kern van ons geloof, dat Jezus zich gaf tot op het kruis en daarom door God is verheven. De weg van jezelf geven en de liefde volhouden is de enige weg naar vrede. Dat blijkt ook als we kijken naar degenen voor ons die hebben volgehouden. Gewone en toch bijzondere mensen uit onze streek zoals Titus Brandsma, Peerke Donders, Lidwina van Schiedam. Hun moed en geestkracht werken door tot op vandaag, daarom zijn ze heilig verklaard! Wij mogen op hun schouders staan. Met hun moed en inspiratie ons inzetten voor de weg naar de vrede.
Als we goed kijken zijn er ook nu heiligen onder ons, mensen die hoop geven. Ik denk aan moeders die moeten rondkomen van een kleine uitkering, maar die liefde blijven geven aan hun kinderen en die samenkomen om hun geld en hun zorgen te delen. Ik denk aan de jongeren van een kerk die vrijwillig en geduldig gaan helpen in een verpleeghuis. Ik denk aan de mensen die volhouden om via Amnesty brieven te schrijven aan politieke gevangenen, die zijn vastgezet omdat ze opkwamen voor hun overtuiging. Dat zijn allemaal geen supermensen, maar ze geloven dat hun inzet niet tevergeefs is, dat ze mogen meedoen aan de opbouw van Gods Rijk van vrede. Kijk goed om je heen, naar die menigte mensen in jouw leven. Prijs gelukkig diegenen, die volhouden het goede te doen! Zij mogen er wezen!
Wij mogen vandaag vieren dat we deel zijn van een gemeenschap van heiligen en van mensen die nu volhouden en heilzaam zijn voor hun naasten. Samen horen we bij God thuis. Samen mogen we ons bemoedigd weten door de belofte van Jezus: ‘Wat een geluk wanneer je in Godsnaam lijdt om te bereiken dat alles terechtkomt, want dan hoor je bij God thuis.’
Inleiding M. Fleur Vroege-Crijns BA
Preekvoorbeeld Paulus van Mansfeld
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,