Preek 30e zondag door het jaar, A jaar, 25-10-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 21
  • Bestandsgrootte 221.86 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 30 juli 2026
  • Laatst geüpdatet 30 juli 2026

Preek 30e zondag door het jaar, A jaar, 25-10-2026

25 oktober 2026
Dertigste zondag door het jaar 

Lezingen: Ex. 22,20-26; Ps. 18; 1 Tess. 1,5c-10; Mat. 22,34-40 (A-jaar)

Inleiding

Exodus 22,20-26
Wie even terugbladert in de Schrift, merkt dat het volk Israël ook in Exodus 22 nog steeds bij de Sinaï in de woestijn bivakkeert, waar het de tien geboden ontvangen heeft (Ex. 19–20).
Mozes communiceert met de Eeuwige en bemiddelt tussen Hem en het volk. Het blijft niet bij de gave van de inzichtelijke en algemene tien geboden. In Exodus 21-24 volgen regels en wetten (misjpatiem) voor het dagelijkse leven van de Israëlieten: wetten over slaven en hun vrijlating, wetten bij het mishandelen en/of doden van mensen, wetten over diefstal, mededogen, rechtvaardigheid et cetera. Tot slot wordt het verbond met de Eeuwige ‘bekrachtigd, dat de Heer met u gesloten heeft door u al deze geboden te geven’ (24,8). Daarna gaat Mozes veertig dagen en veertig nachten de berg op, de wolk binnen bij de Heer (24,18).

Onze eerste lezing gaat over het laatstgenoemde item: mededogen en rechtvaardigheid. Om te beginnen het verbod om vreemdelingen uit te buiten of te onderdrukken. Het blijft niet alleen bij een regel, een wet, maar ook het ‘waarom’ wordt hier toegelicht: ‘want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte’ (22,20; 23,9; Lev. 19,33v).
Egypte, Mitsjraiem, staat voor alle denkbare kwaad. Het volk heeft zelf aan den lijve ervaren wat dat doet met een mens.
Deze toelichting is het fundamentele uitgangspunt en de onderbouwing van hoe de samenleving naar Gods hart met elkaar moet omgaan: God heeft de mensen naar zijn evenbeeld geschapen (Gen. 1,27). Dat betekent dat alle mensen gelijk zijn, vreemdelingen dus ook.

Het gaat niet alleen om de houding tegenover vreemdelingen maar ook tegenover weduwen en wezen die het zonder beschermer moeten doen. Naast de toelichting op de wet volgt nu ook de sanctie voor de overtreders ervan: wanneer de Heer om hulp wordt gesmeekt, zal Hij zeker luisteren en ingrijpen, de overtreders zullen gedood worden.
Al in het begin van het boek Exodus blijkt God steeds aan de kant van de armen, van de machtelozen te staan. Hij hoort hun jammerkreten en hulpgeroep én grijpt in (2,23-25). De Israëlieten weten dit maar al te goed, hun bevrijding uit Egypte hebben zij aan de Heer te danken, ze weten dus dat ze op de Eeuwige kunnen bouwen.

Dat de Eeuwige van zijn volk barmhartigheid en mededogen verwacht, blijkt ook uit de volgende regel (v. 24), die verbiedt, voor een lening rente te vragen van een volksgenoot. Stel dat de armlastige enkel een mantel heeft, dan moet je die elke dag vóór zonsondergang aan hem teruggeven zodat hij zich ‘s nachts met de mantel kan toedekken (vv. 25-26). In de praktijk is zo’n regel niet gemakkelijk uitvoerbaar, zodat je in feite geen onderpand of zekerheid van een arme mag verlangen. Voor de tweede maal in deze lezing horen we dat de Eeuwige zal luisteren, in dit geval als de arme Hem om hulp smeekt. De Eeuwige luistert, omdat Hij een genadige God is (22,22.26; 34,6).
Als God genadig is, moeten de mensen, naar het beeld van God geschapen, ook genadig zijn en net als Hij aan de kant staan van de mensen in de marge van de samenleving.

1 Tessalonicenzen 1,5c-10
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem OFM, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27

Matteüs 22,34-40
De spanning tussen Jezus en de verschillende bewegingen als de Farizeeën, Sadduceeën en Herodianen loopt steeds verder op. Ondanks of misschien wel juist vanwege het enthousiaste onthaal door de menigte dat Jezus bij zijn intocht in Jeruzalem ten deel viel, wordt de sfeer rondom Hem steeds grimmiger. Jezus’ antwoord op de vraag van de hogepriesters en oudsten naar zijn bevoegdheid (21,23-27) maakt het er niet beter op, zeker niet na het vertellen van de gelijkenissen over de twee zonen en de vruchten van de wijngaard (21,28-44). Want daarop besluiten de hogepriesters en de Farizeeën te zoeken naar een gelegenheid om Hem te arresteren, maar ‘ze waren bang voor de mensen die Hem voor een profeet hielden’ (21,46). Jezus gaat door, nu met het vertellen van de gelijkenis over het bruiloftsfeest (22,1-14). Dan beraden de Farizeeën zich om Hem in de val te lokken. Zij doen dat via hun eigen leerlingen en de Herodianen.

Deze spreken Jezus aan met ‘meester’ en stellen Hem de vraag over het al dan niet belasting betalen aan de keizer. De onderliggende vraag is van theologische aard en betreft de plaats van de Romeinse keizer en die van God. Vandaar de uitroep van Jezus: ‘Waarom stelt u mij op de proef, huichelaars’ (22,18). Uiteindelijk zijn deze leerlingen verbaasd over zijn antwoord op hun vraag en laten Hem verder met rust (22,15-22).
Vervolgens komen er ook enkele Sadduceeën op Jezus af, spreken Hem eveneens aan met ‘meester’ en stellen een vraag over een kinderloze weduwe. Na de dood van haar man trouwde zij achtereenvolgens met zijn zeven broers die allemaal stierven zonder kinderen te hebben verwekt. Uiteindelijk stierf ook de vrouw. Hun vraag nu was, wiens vrouw zij bij de opstanding zou zijn. Het antwoord van Jezus maakt diepe indruk op de omstanders (22,23-33).

De evangelielezing van vandaag begint hier met de vaststelling dat Jezus de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht en de Farizeeën daarop bij elkaar kwamen … de sfeer wordt er niet beter op.

Een van de Farizeeën stelt een vraag om Jezus op de proef te stellen (22,35). Dit werkwoord (Grieks: peiradzoo) is een neutraal woord dat een goede of slechte afloop kan hebben. Hierboven kwamen we het al tegen in de mond van Jezus (22,18). Verder komt het in het begin van het evangelie van Matteüs voor, als de duivel Jezus op de proef stelt (4,1.3). Vervolgens zijn het de Farizeeën (19,1; in 16,1 samen met de Sadduceeën; de wetgeleerde in 22,35) die Jezus op de proef stellen.
Hier moet wel aangetekend worden dat het niet alleen gaat om een discussie tussen Jezus en de Farizeeën maar onderliggend speelt zeker ook een conflict van de gemeente van Matteüs met de Farizeeën een grote rol.

De wetgeleerde spreekt Jezus aan als ‘meester’ (Grieks, vocativus: didaskale), een aanspreektitel die in het evangelie van Matteüs alleen door buitenstaanders, met name door tegenstanders van Jezus wordt gebruikt (8,19; 12,38; 19,16; 22,16.24.36). De lezer is dus al bij voorbaat gewaarschuwd dat het hier geen onschuldige vraag betreft maar inderdaad een op de proef stellen is: ‘Wat is het grootste gebod in de wet?’
Het is ook geen gemakkelijke vraag wanneer je bedenkt dat er 248 geboden en 365 verboden, in totaal 613, waren. Geen wonder dat er discussies gevoerd werden over welke geboden belangrijk, zwaar of groot waren, of juist minder belangrijk, lichter of kleiner (vgl. Mat. 5,19; 23,23).
Over de leraar Hillel (rond het jaar 20 vChr.) wordt verteld dat een heiden die proseliet wilde worden, hem vroeg of hij de wet van God kon samenvatten, terwijl hij op één been stond. Hillel antwoordde hem: ‘Wat uzelf niet behaagt, doe dat ook uw naaste niet aan!’ (vgl. Mat. 7,12).

Jezus verbindt in zijn antwoord het gebod om God lief te hebben (Deut. 6,5) met het gebod om de naaste lief te hebben als jezelf (Lev. 19,18.34). Tweemaal staat hier het Griekse werkwoord agapaoo, liefhebben, dat de totale mens omvat, zijn verstand, zijn gevoel, zijn mogelijkheden en dat te maken heeft met respect, eerbied en commitment. Halfslachtigheid valt hier dus niet onder. Zo verbindt Jezus de verticale relatie van mensen tot God met de horizontale relatie van mensen onderling en vice versa.
Een reactie op het antwoord van Jezus blijft uit, waarschijnlijk waren de Farizeeën het met Hem eens. Onmiddellijk stelt Jezus op zijn beurt aan hen de vraag naar hun mening over de Messias (22,41-46).

 

Preekvoorbeeld

Discussie over het geloof
Het was in een wachtkamer, maar hoe het gesprek nou precies op de kerk kwam? In ieder geval het ging er opeens over. ‘Dus jij gaat naar de kerk?’, vroeg ze, ‘Dan ben je dus ook christen, toch?’ Ja, dat kon je niet ontkennen. ‘Oké’, vroeg ze verder, ‘maar wat geloof je dan éigenlijk? Enne… wat heb je eraan?’.

Andere situatie. ‘Ben je gelovig?’, vroeg iemand. ‘Dus dan geloof je in God?!’, ging het verder. Lastig, want dan blijkt die ander vaak alles al precies te weten: ‘Oh, dus dan geloof jij ook dat God …’

Wat geloof je eigenlijk? Hoe sta jij in het leven? Een vraag van alle tijden. Ook aan Jezus wordt zo’n vraag gesteld. Niet onlogisch, want in de dagen van Jezus waren er groepen met verschillende gedachten en visies. En ja, die botsten wel eens. Zo gaat dat in een levendige samenleving. Je wilt de ander wel eens horen: Waar sta jij? Hoe denk je hierover en hoe diep gaat dat bij jou? Dat is ons niet vreemd.
Zo komen Farizeeën, één van de groepen, bij Jezus met een vraag. Eigenlijk wilden ze Hem daarmee uit z’n tent lokken; kijken of ze Hem vast konden zetten. Voor ons klinkt hun vraag misschien wat vergezocht. ‘Wat is voor u het grootste gebod in de wet?’ Ik kan me voorstellen, dat iemand bij die vraag denkt: de wet?! Gaat het echt daarover? Is dát waar het om draait in het leven?

Nou, in de tijd van Jezus ging deze vraag wel degelijk ergens over. Daar zit voor ons iets verwarrends in. Wij denken bij het woord ‘wet’ al gauw aan het wetboek van strafrecht, aan wetsartikelen of zo. Maar dat is hier dus niet het geval. Nee, hier staat het woord ‘wet’ voor de eerste vijf boeken van de Bijbel. De Tora, heet dat in het Joodse geloof. Dat was immers het geloof waar Jezus deel van uitmaakte, waarin Hij opgroeide, dat Hem eigen was, waaruit Hij leefde. De Tora vormt de kern van het leven.
Dat woord tora is in onze Bijbel veelal vertaald met ‘wet’. Maar denk daarbij dan aan een woord als ‘levenswet’; aan regels van waaruit je leeft. ‘Wat is het belangrijkste waardoor u zich laat leiden in het leven? Zo gezien gaat die vraag dus echt ergens over. ‘Waar vindt u uw waarden en welke daarvan doet er dan het meeste toe? Het is bepaald een serieuze vraag.

Maar die serieuze vraag is dus meteen ook een soort testcase. In de Tora staan namelijk heel veel regels over hoe je je leven vorm kunt geven. Dit moet je doen. Dat kun je maar beter laten. Denk vooral hieraan. Enzovoort. Zou Jezus het wagen daar een rangorde in aan te brengen? Alsof de ene regel uit de Tora belangrijker is dan de andere … En daarom dus die ook vraag: Wat is nu het belangrijkste? Kunnen ze Hem daarmee pakken?

Jezus neemt de vraag op. Hij noemt niet één, maar sowieso twee regels. Ze staan beide in de Tora, maar Hij knoopt ze aan elkaar en maakt er als het ware één regel van. ‘Heb God lief en je naaste als jezelf’. Het gaat dus om de ander met een hoofdletter A en met de kleine letter a. En die twee horen bij elkaar. In die kleine letter a gaat het ook om de hoofdletter. Vaak schuiven die twee letters a zo maar over elkaar heen.

Wij, in de kerk, kennen die woorden vaak door en door. Ze zijn, voor wie met de kerk is opgegroeid, je soms met de paplepel ingegeven. Maar let op, in zijn antwoord -Heb de Heer, je God lief met alles wat in je is en je naaste als je zelf- schuilt iets bijzonders. Deze zin van Jezus correspondeert met de eerste twee vragen, die in de Tora gesteld worden. En zo gaat dit antwoord van Jezus meteen ook in op diepe menselijke vragen.

Die eerste twee vragen van de Bijbel worden gesteld in situaties waarin dingen echt goed fout gegaan zijn. Ze worden gesteld door God aan de mensen. Het zijn levensvragen. Elk mens -binnen maar ook buiten de kerk- probeert er wel een antwoord op te vinden. Want met die twee vragen begint ons mens-zijn. Het zoeken van een antwoord daarop vormt als het ware het vloertje onder je leven.

De eerste vraag die we in de Bijbel tegenkomen, wordt gesteld als het verkeerd is gegaan in het paradijs. Adam en Eva, ze hebben te hoog gegrepen en nu weten ze hun plek niet meer. Zijn hun verhouding tot de schepper kwijt en ze zijn hun verhouding tot de schepping, die hen gegeven was, kwijt. En God roept: ‘Mens, waar ben je?’ (Gen. 3, 9). Waar kan ik je vinden in de wereld? Wat laat je zien? Waar sta je voor?

Adam en Eva – mensen – verbergen zich, weten niet goed wat ze met God aan moeten. Willen liever zelf zijn plek innemen. Maar vergeten dat zij niet de Schepper, maar een onderdeel van de schepping zijn. Er is nog iets anders, groots, alomvattends. En Jezus zegt: ‘Het eerste en grote gebod is, heb de Heer, je God lief…’ Voor de Bijbel is dat heel wezenlijk. Het zegt, mens maak jezelf niet tot het centrum van het leven; maak jezelf niet tot het uitgangspunt van de wereld, want dan loopt de boel fout.
In het antwoord van Jezus ligt besloten, blijf bij het eerste begin, blijf bij respect voor God, de Eeuwige; bij wie het geheimenis van al het leven op aarde geborgen is; ‘Heb de Heer, je God, lief …’
Blijf vanuit de Schepper denken over het leven, vanuit de Eeuwige. Sta zó in het leven en weet dat er meer is, dan jij, mens! Geen mens weet alles. Geen mens overziet alles. Maar weten wij nog wat leven is? Géén bezit, maar een geschenk van de Schepper én een opdracht?! Laat ruimte voor God. Neem die ruimte niet zelf in.

 

De tweede vraag die in de Bijbel klinkt, is ook weer een vraag van God aan ons. Het is hopeloos fout gegaan tussen twee mensenkinderen, Kaïn en Abel. De één staat de ander naar het leven (Gen. 4, 9). En als er een dode gevallen is, luidt de vraag: ‘Mens, waar is je broeder?’ Waar je zuster, zeggen wij er nu achter. In de schepping van God is de ander niet anders dan jij. Opnieuw, ga niet van jezelf uit. Dan krijg je moord en doodslag. Jij bent niet de norm. En zo zegt Jezus: ‘Heb je naaste lief als: jezelf!’ Hij noemt dat het tweede gebod, maar het sluit haarfijn aan bij het eerste. Ga in je denken en doen uit van de Eeuwige, de Barmhartige. Jij bent niet het centrum. Het uitgangspunt is dat je er samen bent met de ander.

Die eerste twee vragen: Mens waar ben je? En: Mens, waar is je broeder/je zuster, zijn kernvragen in het leven. Fundamenteel, die eerste vragen in de Bijbel. Fundamenteel voor iedereen.
De woorden van Jezus zijn als het ware een antwoord op die vragen, als Hij zegt ‘Heb God, de Heer lief met alles wat jou maakt tot de mens die je bent’; jij, die in woorden en daden een antwoord wil zijn op ‘Mens, waar ben je?’ Waar sta je voor? En op die tweede regel, die Hij net zo belangrijk noemt: Zie de ander – net zo bijzonder als jij zelf.

Het zijn bijzondere regels, die Jezus hier noemt. Alles begint daar mee. Beide zinnen liggen in elkaars verlengde.
Het zijn geen eenvoudige regels, die je even af kunt vinken. Zo werkt het niet. Ze zetten ons op onze plaats. Het zijn uitgangspunten die je kunnen helpen bij het zoeken naar een waardevolle levenshouding. Als je ze meeneemt het leven in, zul je merken dat die leefregels je soms flink kunnen storen en kunnen dwarszitten, maar misschien hebben wij dat ook wel nodig. Want door alles heen houden ze ons ook op het spoor, helpen ze ons steeds op de goede weg. Ze kunnen een bron voor je zijn, steeds weer, een bron om meer mens te worden.

Terug, naar die discussies over het geloof van het begin van de preek. Wat geloof je nu eigenlijk? En wie is God dan voor jou? Als mensen dat soort vragen stellen is het soms alsof ze een pakketje antwoorden van je willen. Dat is natuurlijk ook het makkelijkst. Dat stop je zo in je binnenzak en misschien kijk je er later nog eens naar.
Maar wat, als je nu eens niet vanuit een pakketje denkt, maar veel eerder vanuit een zoektocht – want dat is het. In elke fase van je leven krijg je weer nieuwe vragen of oude vragen op een nieuwe manier en steeds zoek je naar een houding. Hoe moet ik in het leven staan?
Hier krijg je daar een handreiking voor. Je leert anders te kijken naar het leven; naar de diepte ervan, de hoogte en naar het geheim, het onuitsprekelijke geheim.
Heb God lief … en heb je naaste als jezelf. Leer anders kijken naar de A/ander.

Zo kunnen die regels een bron voor je worden. Maar dat gebeurt alleen als je de vragen die daarachter liggen ook aan jezelf blijft stellen. En dat is trouwens prima, want het is ook iets om je hele leven mee bezig te blijven, met heel je hart en heel je ziel en heel je verstand.

 

inleiding dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld prof. dr. Jaap de Lange