- Versie
- Downloaden 13
- Bestandsgrootte 157.43 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 30 juli 2026
- Laatst geüpdatet 30 juli 2026
Preek 23e zondag door het jaar, A jaar, 6-9-2026
6 september 2026
Drieëntwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Ezech. 33,7-9; Ps. 95; Rom. 13,8-10; Mat. 18,15-20 (A-jaar)
Inleiding
Ezechiël 33,7-9
Ezechiël behoorde tot een priestergeslacht en werd mogelijk rond 590 vChr. mee in ballingschap naar Babel gevoerd. Enkele jaren na zijn aankomst daar werd hij geroepen om te profeteren. Hoe Ezechiël zich voelde voordat hij geroepen werd is niet duidelijk. In zijn roepingsverhaal lijkt het alsof hij zich neerlegt bij zijn trieste bestaan en nu de opdracht krijgt om stevig op zijn voeten te gaan staan (2,2). Dan hoort hij dat hij als profeet tot de Israëlieten in ballingschap gezonden wordt, tot het weerspannige volk dat zich tegen de Heer heeft gekeerd (2,3). Hier is echter een probleem. Volgens de NBV21 gaat het hier om het weerspannige volk Israël. De originele Hebreeuwse tekst geeft echter een meervoudsvorm. Wie zijn in dit geval de weerspannige volken? De profetenwoorden van Ezechiël zullen zeker niet altijd met enthousiasme ontvangen worden, maar hij hoeft daar niet angstig door te worden (2,6). Niet voor niets is zijn naam ‘Ezechiël’, dat willen zeggen ‘God zal kracht geven’.
In hoofdstuk 33, waaruit onze perikoop is genomen, wordt de profeet door God aangesteld als wachter of schildwacht voor het huis Israël (v. 7a). Vanaf zijn post op de stadmuren moet de schildwacht de omgeving in de gaten houden en het volk waarschuwen bij dreigend gevaar. Maar Ezechiël is geen schildwacht in de gewone betekenis van het woord. Zijn wachtpost is niet op de stadsmuren. In tegendeel: zijn plaats is te midden van het volk en vandaar moet hij de situatie van zijn volk onder ogen zien om zo de verkondiger van hun herstel te worden.
Als profeet moet Ezechiël Gods stem zijn en het volk oproepen tot waakzaamheid (v. 7). Zijn opdracht is het om zijn medeballingen aan te moedigen in de strijd om de gerechtigheid en om de verantwoordelijken voor het onrecht aan te klagen. De profeet mag niet zwijgen tegenover de veroorzakers van onrecht: ‘Als Ik tot de boosdoener zeg’: ‘Gij boosdoener, gij zult zeker sterven. En als gij dan niets zegt om de boosdoener van zijn weg af te houden, dan sterft die boosdoener wel door zijn eigen schuld, maar dan kom ik zijn bloed van u opeisen.’ De strijd om het recht is een kwestie van leven of dood. Voor de profeet bestaat er geen keuze. Om het leven te redden móet hij aanklagen. Als hij dat niet doet zal er geen herstel zijn voor het volk. De profeet moet een baken zijn in de strijd om het recht, want alleen zo zal het volk zijn leven in vrijheid herwinnen.
Psalm 95,1-2.6-7.8-9
In de verzen 1v en 6 roept Israël op tot lof aan God. De tussenliggende verzen (3-5) zijn die lofzang op God de Levende. In vers 7 zien we het motief voor die lofzang. Maar een lofzang alleen is niet genoeg. Het is een kwestie van ‘doe het nu, luister naar zijn woord.’ Vers 8 is een keerpunt waarin God zelf het woord neemt. Van mooie woorden heeft Hij genoeg. Laat niet weer gebeuren wat het geval was in de woestijn van Meriba waar de vaderen zich van God afkeerden ondanks het feit dat ze gezien hadden wat Hij gedaan had.
Romeinen 13,8-10
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 18,15-20
Wie in verschillende bijbeluitgaven zoekt naar een titel voor de perikoop van deze zondag komt een veelheid van suggesties tegen zoals: ‘onderricht aan de broeders’, ‘broederlijke terechtwijzing’, ‘gebed en vergeving’, ‘kerkelijke tucht’, ‘de broeder die zondigt’ om er maar enkele te noemen. Dat geeft wel aan dat deze tekst op verschillende manieren gelezen of geïnterpreteerd wordt. Zo vreemd is dat niet aangezien hier elementen aanwezig zijn die we ook elders aantreffen en die Matteüs mogelijk in meerdere of mindere mate geïnspireerd hebben. Spreken over de inspiratie van Matteüs geeft al aan dat het eerder gaat om uiteenzettingen van de evangelist dan van Jezus aan wie de auteur al deze uitspraken toeschrijft.
Terechtwijzing, vergeving en uitsluiting
Het begin van deze perikoop is een uitgebreidere versie dan we tegenkomen in Lucas 17,3-4, terwijl de Lucasversie veel sterker overeenkomt met de tekst in (de hypothetische bron) Q: ‘Indien één van je broeders of zusters zondigt, spreek die dan ernstig toe; en als ze berouw hebben, vergeef hun. En als ze zevenmaal op een dag tegen je zondigen en zevenmaal naar je terugkeren en zeggen ‘ik heb berouw’, dan moet je hun vergeven.’ Sommige manuscripten laten de vermelding ‘tegen je’ achterwege, blijkbaar om een verbinding te maken met de gemeenschap als geheel. Het is de gemeenschap die dan de zondaar als ‘heiden’ of ‘tollenaar’ aanmerkt en hem tenslotte uitsluit. Op deze manier geeft de auteur een handelswijze of praktijk in de christelijke gemeente aan, dus van ongeveer een halve eeuw na het optreden van Jezus. Mogelijk heeft de evangelist zich hier ook laten inspireren door bepaalde praktijken in de Yachad, de gemeenschap van Qumran, waar terechtwijzing en uitsluiting van zondaars door (de raad van) de gemeenschap bepaald en uitgevoerd werden.
De evangelist gebruikt hier het Griekse ekklèsia, de vertaling van het Hebreeuwse qahal, de plaatselijke gemeenschap van gelovigen. Hij beschrijft hoe die gemeenschap omging met personen die de eenheid van de gemeente op het spel zetten. Een titel als ‘kerkelijke tucht’ voor deze perikoop kan de lezer op een verkeerd spoor zetten en hem doen denken aan een kerkelijk rechtssysteem zoals zich dat in later tijden ontwikkeld heeft. Hier moeten we voor alles denken aan een meer democratische handelswijze en besluitvorming.
Heiden of tollenaar
Deze twee typen personen worden hier in een negatief daglicht gesteld, ofschoon zij niet zelden op bijzonder positieve wijze door Jezus bejegend werden. We kunnen hier denken aan de genezing van de knecht van de Romeinse honderdman (8,5-13), de roeping van de tollenaar Matteüs (9,9-13), de genezing van het dochtertje van de Kanaänitische vrouw (15,21-28). Voor de evangelist en zijn gemeenschap waren heidenen en tollenaars de prototypen van ongelovigen en zodoende mensen die niet tot de christelijke gemeente behoorden.
Binden en ontbinden
Volgens sommigen gaat het bij deze twee uitdrukkingen om het gezag om zonden te vergeven en vaak ook om een soort leergezag. Ongetwijfeld kunnen deze begrippen op deze wijze verstaan worden zoals we kunnen zien in 16,13-20 waar aan Petrus de autoriteit van binden en ontbinden wordt verleend.
In onze perikoop lijkt het echter op de eerste plaats te gaan om het gezag van de gemeente als geheel om een zondige broeder of zuster met zoveel autoriteit te vergeven of uit de gemeenschap te stoten, dat deze beslissing zelfs door de hemel gerespecteerd wordt.
Eensgezindheid van een twee- of drietal
‘Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’ (18,20). Dit is een duidelijke overtuiging van de gemeente van Matteüs na de verrijzenis en hemelvaart van Jezus. Ofschoon Hij lijfelijk niet meer aanwezig is, is de vereniging in zijn naam de garantie voor de gelovigen dat de Heer met hen is. Een overeenkomstige overtuiging bestond onder de Joden. Met de verwoesting door de Romeinen in het jaar 70 van de tempel van Jeruzalem, Gods woning op aarde, was ook voor hen het zichtbare bewijs van Gods aanwezigheid verloren gegaan. Volgens de rabbijnse traditie was de Sjechina, de goddelijke aanwezigheid echter gegarandeerd als twee leden van het Joodse volk zich samen toelegden op het lernen van de Tora.
Preekvoorbeeld
Moet ik over jou waken???
Wij mensen hebben elkaar nodig. Iemand die beweert: ik kan het wel alleen af, ik heb niemand nodig, realiseert zich nauwelijks hoe afhankelijk we zijn. Als we denken we aan onze eerste levensbehoeften, eten en drinken, een dak boven ons hoofd, kunnen we misschien beseffen wat mensen overkomt die ten gevolge van oorlog en natuurrampen alles kwijt zijn geraakt.
Dat wij mensen elkaar nodig hebben, raakt eigenlijk de kern van ons bestaan wanneer we ons als gelovige mogen zien zoals we door God bedoeld zijn: Gods evenbeeld om als man en vrouw steeds meer op de Eeuwige te gaan gelijken.
Bij dit verhaal over wie wij mensen zijn hoort ook het beroemde verhaal van de moord van Kaïn op zijn broer Abel. Wanneer daar de vraag van de Eeuwige klinkt: ‘Waar is je broer?’, dan luidt het antwoord: ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ Met deze vraag wordt eigenlijk aangegeven waarin Kaïn ten diepste heeft gefaald.
Want met deze vraag wordt duidelijk hoe wij mensen bedoeld zijn. U en ik. Hoe wij aangewezen zijn op elkaar, namelijk als mensen die waken over elkaar. Dan hoort bij menszijn, dat je durft te leven vanuit een verbonden zijn met elkaar. Dat je daarvoor opkomt.
Het verhaal roept op om onze verantwoordelijkheid serieus te nemen door daden van waakzaamheid. Dat wanneer we zien hoe mensen falen en de verkeerde weg inslaan, we daar ook een verantwoordelijkheid hebben. Dat hoort bij ons mens-zijn. Dat is geen vrijblijvende houding maar een oproep van de Eeuwige zoals we die mogen verstaan uit de woorden van de profeet Ezechiël uit de eerste lezing.
We worden daar namelijk geconfronteerd met de werkelijkheid dat mensen bewust kiezen voor geweld, voor al datgene wat in de ogen van God strijdig is met het echte welzijn van mensen. Dat mensen kiezen voor eigenbelang en eigen macht ten koste van medemensen. Dat mensen keuzes maken die uiteindelijk geen toekomst hebben.
In het bijbelwoord horen we dan dat de profeet als wachter aangesteld is, voor zijn volk,
voor zijn mensen. Een zware verantwoordelijkheid rust op hem: naar mensen toegaan en wijzen op wat wegen ten leven zijn en welke wegen daarvan afwijken.
God laat mensen, U en mij, vrij om te kiezen welke weg te gaan. Maar de profeet – evenals iedere medemens – heeft de taak, de opdracht, te waken, als antwoord op de vraag van Kaïn: ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’
De profeet maakt duidelijk dat deze opdracht niet gering is, je kunt hem niet zomaar naast je neerleggen. De lotsverbondenheid met je medemens is niet vrijblijvend maar raakt je tot in je kern, waar je antwoord mag geven op de vraag van de Eeuwige. Alleen wanneer je die waakzaamheid serieus neemt is er toekomst.
Geen eenvoudige opdracht, ga er maar eens aanstaan, hoe gemakkelijk krijg je niet te horen: ‘Waar bemoei je je mee. Dat maak ik zelf wel uit.’ Iemand van het kwade afhouden is niet zonder risico, denkend aan de vele voorbeelden van zinloos geweld, waarbij juist degene, die waakzaam over zijn medemens wil optreden het slachtoffer wordt.
Hoe afschuwelijk ook, het mag er niet toe leiden dat je het kwade geen halt toeroept. Het waken over je medemens geldt overal waar mensen leven en mens willen zijn.
Ook in onze kerkelijke gemeenschap. Het evangelie laat ons vandaag duidelijk verstaan wat dat waken over elkaar dan kan betekenen. Niet voor niets staat er ‘wanneer je broeder of zuster zondigt’, met andere woorden wanneer de gemeenschap als gemeenschap in diskrediet wordt gebracht. Een kerk van mensen zal steeds de kenmerken van mensen blijven houden: mensen met hun eigen wensen, met goede en minder goede kanten. Waar het dienstbaar zijn aan het geheel niet altijd gemakkelijk verloopt als eigen belang in het geding komt.
En dan horen we hoe de jonge kerk in het evangelie daarmee omgaat: wanneer een broeder of zuster zondigt, moet je die daarop onder vier ogen aanspreken. Zo krijgt het waken over elkaar gestalte. Dat is heel wat anders dan meteen het praatjescircuit opgaan met: ‘Heb je gehoord wat hij/zij heeft gezegd? Dat is toch…’
Onder vier ogen wordt er ruimte geboden. Als dat niet lukt, probeer dan pas een of twee anderen mee te nemen, die eveneens in vertrouwen aangeven wat dit voor de gemeenschap betekent. Ook hier wordt weer ruimte gegeven. Paulus’ woorden ‘Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde…’ (Rom. 13,8) en ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ (Lev. 19,18) blijven leidend.
Pas als de persoon in kwestie volhardt in het kwaad, ontstaat er een nieuwe situatie. Dan heeft deze broeder of zuster zich in feite zelf buiten de gemeenschap geplaatst.
Wanneer in een geloofsgemeenschap het waken over elkaar zorgvuldig gebeurt, heeft dat consequenties die verder reiken. Daar is toekomst. Dat heeft in Gods ogen betekenis. ‘In de hemel gebonden of ontbonden’ gaat niet zozeer over een of andere plaats, maar over hoe God ons wil zien. Hemel als een ander woord voor God. Een God die ons de ruimte wil geven om in vrijheid te kiezen voor Hem of desnoods tegen Hem.
Gods uitnodiging blijft staan: om te kiezen voor het goede, en om terug te keren. Jezus heeft dat in zijn leven maar al te duidelijk laten zien. In woord en daad bood Hij nieuwe kansen als verkondiger van Gods barmhartigheid en mildheid en blijvende menslievendheid.
Zo wordt ook duidelijk, dat de basis waaruit we steeds opnieuw mogen leven, ligt in de fundamentele belofte: ‘Waar twee of meer in mijn naam bijeen zijn daar ben Ik in hun midden.’
Deze belofte, deze fundamentele trouw wordt hier uitdrukkelijk uitgesproken Die blijft aan de basis liggen om het waken over elkaar steeds opnieuw vorm te geven.
Dit mag ook gelden wanneer we samen als kerk op weg gaan om te zien welke plaats we gaan innemen in onze veranderende maatschappij. Bidden we dat Gods geest ons daarbij steeds mag blijven inspireren.
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld drs. John Rademakers
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,