- Versie
- Downloaden 6
- Bestandsgrootte 222.47 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 16 juni 2026
- Laatst geüpdatet 16 juni 2026
Preek 19e zondag door het jaar, A jaar, 9-8-2026
9 augustus 2026
Negentiende zondag door het jaar
Lezingen: 1 Kon. 19,9a.11-13a; Ps. 85; Rom. 9,1-5; Mat. 14,22-33 (A-jaar)
Inleiding
1 Koningen 19,9a.11-13a;
De Evangelielezing heeft de keus voor de Eerste lezing uit het Oude Testament bepaald. Maar de verhouding tussen beide lezingen is niet vanzelfsprekend. In de Evangelielezing lijkt het er over te gaan dat Jezus als ‘Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God’, over de natuurkrachten heerst, zoals we horen in de slotzin. In de eerste lezing blijkt de ervaring van Elia, dat zijn God jhwh juist niet in de sterkere natuurkrachten te vinden is. Althans niet in de krachten die mensen overweldigen als de zware storm, de aardbeving en het vuur – van de bliksem. Deze zijn eerder levensbedreigend. Is er dan een tegenstelling bedoeld tussen beide lezingen?
Of is er eerder een overeenkomst? In de Evangelielezing is Jezus levensreddend aanwezig in de woelige wateren op het meer van Galilea en de tegenwind voor de apostelen. In de eerste lezing is de Heer voor Elia ook meer herkenbaar in de zachte kracht van een briesje, dat hem niet bedreigt, maar adem biedt. In het geheel van de Elia-verhalen is koning Achab voor hem levensbedreigend. Elia moet voor hem vluchten. Vanuit het Karmelgebergte in het Noorden van Israël helemaal naar het zuiden, naar de Horeb, in de Sinaiwoestijn. En de Heer jhwh is voor Elia een toevlucht die hem nieuwe levensmoed schenkt om zijn taak te vervullen. Elia moet zijn gezicht bedekken, net als Mozes’ gezicht bedekt werd – Exodus 33,18vv – als de Heer jhwh voorbijkomt. Deze God van Elia is niet adembenemend, maar meer een verademing die zijn dienaar Elia niet overweldigt, maar in leven houdt.
Psalm 85
De antwoordpsalm betreft een deel, de verzen 9-13, het slot van deze psalm. Het is een antwoord op de eerste lezing. De bidder leeft in het vertrouwen op God als zijn Heer. De vorm is die van een aanzegging, een belofte van heil. In vers 11 worden heilzame – vrede, gerechtigheid, goedheid en trouw als het ware gepersonifieerd. Het zijn eigenschappen van God de Heer. Maar het woord ‘gerechtigheid’ komt 3 maal voor als een slagwoord. Gerechtigheid is in het bijbelse denken een abstract woord. Het is de intentie van de Tora, dat waar het eigenlijk om gaat in de Tora, de Wet die aan Mozes gegeven is. Deze Tora is geen stok om te slaan, maar een staf om te gaan! Om volk van God te kunnen zijn in het beloofde land. Het is een heilzame kracht die hemel en aarde omvat. Als het volk/de mens trouw is aan Gods Woord, zal Gods gerechtigheid samengaan met voorspoed, elkaar kussen, zoals mensen die van elkaar houden elkaar omhelzen. Het is een antwoord van de vierende gemeenschap op de eerste lezing. Ze kan zich zo met het geloof van Elia verenigen.
Romeinen 9,1-5
De tweede lezing is een soort intermezzo in de Brief aan de Romeinen. Deze kerk/gemeente van Rome is niet door Paulus gesticht, maar krijgt wel een brief van hem. Hierin zet hij zijn theologie in zekere zin in een systeem. In de hoofdstukken 1–8. Zo komt hij bij het probleem dat hij veel van zijn mede-joden niet heeft kunnen overtuigen van zijn visie op de betekenis van Jezus voor de mensheid. Dat doet hem verdriet. Hij gebruikt termen die bijna bezweringen lijken: ‘Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet.’ Hij zegt zelfs plaatsvervangend van Christus gescheiden te willen zijn, als hij zijn mede joden – broeders en stamverwanten – zou kunnen helpen. Hierin wil Paulus wel lijken op Mozes die hetzelfde aan jhwh aanbiedt om zijn volk te redden (Ex. 32,32). Dan somt hij zeven voorbeelden van voorrechten die Israël heeft boven andere volken en als achtste bovenal Christus naar het vlees. Hij bedoelt dat Jezus als jood geboren is - uit een joodse moeder. Maar bovenal Zoon van God is, de Gezegende tot in eeuwigheid. Het lijkt welhaast een liturgische formule met het bevestigende Amen, als slotwoord.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 14,22-33
De Evangelielezing is het vervolg van de vorige zondag. Na de broodvermenigvuldiging volgt het verhaal van de storm op het meer. Jezus is de berg op gegaan om te bidden, in afzondering. En de apostelen zitten in een boot. Op de terugweg na de broodvermenigvuldiging. Ze worden bedreigd door grote golven en tegenwind. En dan komt ‘tegen de morgen’ – letterlijk: in de vierde nachtwake – Jezus hun tegemoet, wandelend over het golvende water. De leerlingen menen een spook te zien en schreeuwen van angst, maar Jezus bezweert hun angst: ‘Heb moed, Ik ben, vrees niet’. Hier lijkt een directe toespeling te klinken op Gods Naam: ‘Ik ben die ben’ zoals geopenbaard aan Mozes volgens Exodus 3,14. Jezus heeft dus deel aan Gods macht om te redden van dood en doodsdreiging.
Matteüs heeft de verzen 28-33 ingevoegd in het verhaal dat hij van Marcus heeft overgenomen. Lucas heeft dit verhaal van ‘de stilling van de storm’ helemaal niet. De invoeging past in een trend van Matteüs om Petrus een prominente rol te geven, zoals ook in Matteüs 16,17vv (over de rots waarop de Kerk gebouwd zal worden) en 17,24-27 over de tempelbelasting. Tradities die alleen Matteüs heeft. Petrus is ook hier een voorbeeld van een mens met intense liefde en geloof dat gemengd is met twijfel. Vergelijk ook Johannes 20,28 en 29. Als Petrus in dit verhaal roept: ‘Heer, red mij!’ grijpt Jezus hem bij de hand en Jezus vraagt nogal kritisch: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Als Jezus met Petrus in de boot stapt met de andere apostelen, gaat de bedreigende wind liggen. Het verhaal sluit met de geloofsbelijdenis: ‘Waarlijk, Gij zijt de zoon van God’.
Dit verhaal heeft een diepere laag. De dreiging van doodsnood van de apostelen is ‘tegen de morgen’, dus ’s nachts voor zonsopgang. In het Scheppingsverhaal van Genesis 1 is de volgorde ook ‘het werd avond en morgen, de eerste dag… de tweede dag’ en zo verder. Het leven is gericht op het licht. De nacht is ook beeld van de dood. Jezus heerst dus ook in de nacht, over de dood. Voor wie dan ook bidden kan, ‘Heer, red mij’ ook als ‘kleingelovige’, kan die ook de geloofsbelijdenis bidden: ‘U bent de Zoon van God?’
Preekvoorbeeld
Het is zomertijd. Midden in het kerkelijk jaar. Tijd voor verstilling en verdieping.
De Evangelielezing zet de toon. De drukte van de 5000 mannen, met hun vrouwen en kinderen ebt langzaam weg. Het was flink aanpoten voor de leerlingen om allen te eten te geven.
Vreemd, dat ze onmiddellijk weg moeten gaan. Weg uit die afgelegen plaats, het schip in. Waarom die haast? Er staan straks weer mensenmassa’s te wachten, weten we. Moeten ze die niet te lang laten wachten? Het ligt meer voor de hand om het dichterbij (in de tekst) te zoeken: dat ze snel wegmoeten omdat Hij alleen wil zijn.
Onverwacht doemt een berg op in het verhaal. Was die er al? Misschien is dit type ‘berg’ overal, waar mensen afzondering zoeken, verstilling en verdieping.
Dan komt alles op je af. De nacht valt. Dat is de tijd van de duisternis. Die diepe duisternis over de oervloed. Zal er een nieuwe dag komen als het licht geroepen wordt? Is er hoop voor de wereld, die telkens weer ‘woest en ledig’ dreigt te worden. De nacht drukt zwaar op de wereldsamenleving, op de natuur, op de eigen kring. Het is crisis. Hij die het licht zelf is, kan er niet aan ontsnappen. Vanuit Pasen gelezen, want ná Pasen ontstaan, dringen de beelden zich op van zijn eenzame bidden in de hof van de olijven, Getsemane, kort voor zijn dood.
Tegen het begin van de nieuwe dag: ‘in alle vroegte’ komt Hij in beweging, de beweging-naar-hen-toe. Naar zijn vrienden, en de hele wereld, in grote nood! Natuurlijk over het water, dat staat voor ‘dood’ in alle dimensies. Hij kan dat. Niet over de befaamde ‘paaltjes’ vlak onder het water. Evenmin als wonder van gewichtloosheid. Het is vanuit Pasen, omdat Hij alles aankan. Hij belichaamt onafscheidelijke Nabijheid. Zijn gaan is altijd gaan over het water van de duistere vloed.
Zie het als plotselinge confrontatie met de nieuwe wereld van God. Daar hoop je op, maar als het op je af komt is het even wennen. Er is moed voor nodig om dat uit te testen. Alleen Petrus durft zoiets, maar zelfs hij verzinkt. Helpt bescheiden te blijven. Als hij het niet kan, dan kan de hele kerk het niet. Niemand haalt de overkant zonder de uitgestoken Hogerhand. Dat moesten we zo zachtjes aan toch weten. Goddank: die hand is er. Was er, en zal er zijn.
Dat ervaart de profeet Elia. Niet geheel toevallig op de berg. Direct na zijn triomf op de Karmel, moet hij maken dat hij wegkomt. Het grote gevaar mag wel zwaar geraakt zijn, maar is niet uit de wereld geholpen. Het is nacht. Dreigende duisternis alom, hij gaat een grot binnen, verborgen voor mensen. Maar niet voor God. Die vindt de profeet al snel. Al zie je het niet, Hij is er. De Stem ‘klinkt’ niet maar ‘gaat’. Als persoon. Als mens onder mensen.
Elia krijgt de oude vraag te horen: ‘mens, waar ben je’.
Een heel relaas volgt. Over wat er fout is gegaan, over wat niet verbeterd is na de Karmel.
Alsof de Operatie Desert Storm niets heeft opgeleverd. En hij is ‘als de dood.’ De grot is zijn plek, een begraafplaats zijn rustplaats.
Daar wil God niets van weten. Bergen splijten, rosten slaan aan stukken. Boosheid druipt ervan af. Heftig ademen wordt verwoestende storm. Dan nog wat vernietigend vuur er achteraan. Dan moet het gedaan zijn met het tuig dat zijn mooie wereld verwoest. Zou je denken.
Zo denken velen, dat het zou moeten. Maar dat is vergissing: daarin is God niet. Geen overmacht, geen krachtdadig optreden helpt de wereld verder, maar suizen van een zachte stem.
Als in de hof van het begin. Daarin komt het Woord van God weer aangewandeld. Om in gesprek te gaan met de profeet. Over de hele wereld en wat Hij daarin kan betekenen.
De uitgestoken hand van de Meester-boven-de-vloed heeft hier de gestalte van een vriend die een arm om de schouder legt. Goed luistert. Aanwijzingen geeft voor ‘hoe verder’.
Psalm 85 vult dat intieme beeld aan tot het kussen van gerechtigheid en vrede. De zachte krachten die hard vallen bij de machten van de duisternis. Ze hoeven niet sterker te zijn om het kwaad te overwinnen. Ze halen het kwaad onderuit. Staan er onaantastbaar boven. Als de Stem in de storm op het meer. In gerechtigheid en vrede is Wet en Profeten samengevat.
Tora doen baant een weg door de woestijn naar beloofd land. De Tora geeft elke dag weer wonderlijk voedsel uit de hemel in de onherbergzaamheid van de levensreis. De profeten slaan op de harde rotsen van de werkelijkheid, waardoor die hun water laten stromen.
De psalm hoor je als beurtzang. Dat is nodig. Het elkaar toezingen van het goede, de hoop.
Samen uit de grot naar voren komen om als profeten van God aan te treden.
In de Romeinenbrief maakt Paulus de lezers deelgenoot van zijn felle verdriet. Dat is om het falen van zijn eigen volk. De schuld voor hoe het gaat, schuift hij niet af op daders. Zijn hart breekt als hij schetst hoe de vrienden van God het erbij hebben laten zitten. Ze zijn afgedwaald. Hebben ontzettend gefaald. Terwijl ze zulke goede mogelijkheden hebben gekregen. Tel uw zegeningen: zijn nabijheid, zijn trouwe bondgenootschap, de bevrijdende verhalen, de heilzame tempelriten, het perspectief.
De boetedoening wordt loflied, het kyrie een gloria. God is boven alles verheven. Dat geven de heilige verhalen ons mee. Geprezen zij God in eeuwigheid.
inleiding drs. Henk Berflo
preekvoorbeeld ds. Ad Alblas
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,