- Versie
- Downloaden 21
- Bestandsgrootte 215.16 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 16 juni 2026
- Laatst geüpdatet 16 juni 2026
Preek 16e zondag door het jaar, A jaar, 19-7-2026
19 juli 2026
Zestiende zondag door het jaar
Lezingen: Wijsh. 12,13.16-19; Ps. 86; Rom. 8,26-27; Mat. 13,24-(30)43 (A-jaar)
Inleiding
Wijsheid 12,13.16-19
Het boek wijsheid, ook bekend als ‘Wijsheid van Salomo’ werd geschreven kort voor het begin van de gewone jaartelling en kan dus onmogelijk een geschrift van koning Salomo zijn. Om de wijsheid die hier naar voren komt werd het boek toegeschreven aan koning Salomo, prototype van de wijze mens. Het boek werd in het Grieks geschreven en maakt zodoende geen deel uit van de Hebreeuwse Bijbel. Terwijl de meeste reformatorische kerken Wijsheid niet als canoniek bijbelboek beschouwen, wordt het in de katholieke en orthodoxe traditie als (deutero)canoniek aanvaard als deel van de Heilige Schrift.
In de perikoop van deze zondag richt de auteur zich direct tot God, reden waarom we het als een gebed beschouwen. De tekst begint met een variant op de Joodse geloofsbelijdenis: ‘Er is geen God behalve Gij, die zorg draagt voor allen, zodat Gij zoudt moeten aantonen dat Gij niet onrechtvaardig hebt geoordeeld.’ Met deze belijdenis laat de auteur zien dat God als koning niet is zoals de meeste koningen, zowel die van Israël als van de andere volken, die vaak regeerden met willekeur en op tirannieke wijze. En ofschoon God zijn macht toont aan hen die niet geloven, handelt Hij met rechtvaardigheid. Op deze wijze leert God aan hen die wel geloven dat zij Hem in rechtvaardigheid en menslievendheid moeten navolgen.
Psalm 86, 5-6; 9-10; 15-16a
De psalm begint met de erkenning door de auteur van zijn kleinheid en zondigheid. Daarom smeekt hij God, die vergevensgezind en goed is, om naar hem te luisteren. Om die reden erkennen de volken dat Hij alleen God is. De tekst van deze zondag eindigt met een citaat uit Exodus 34,6 waarin God zich bekend maakt als barmhartig en genadig, liefdevol en trouw, zoals Hij zich bekend maakte aan Mozes na de episode met het gouden kalf.
Romeinen 8,26-27
Dit gedeelte uit de Romeinenbrief kan gezien worden als een vervolg op de gebeden in Wijsheidslezing en de psalm van deze zondag.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 13,24-43
In de evangelieperikoop van deze zondag lezen we hoe Jezus onderricht geeft over het Godsrijk aan de hand van drie parabels en de uitleg van de eerste van die drie verhalen. Op het eerste gezicht gaat het in alle drie de parabels over een bekend fenomeen in het leven van de Galileeërs ten tijde van Jezus. Veel van zijn toehoorders wisten uit ervaring hoe na het zaaien tussen hun plantjes het onkruid welig kon beginnen te tieren. Mosterdzaad was een bekende smaakmaker maar ook een medicijn. Vaak was het echter een product dat moeilijk onder controle te houden was. De minst problematische van deze drie vertellingen is misschien wel die van de vrouw die brood gaat bakken volgens een traditionele methode. En dan rijst de vraag hoe deze parabels iets duidelijk maken over het Godsrijk. Ongelukkigerwijze zijn er mensen die deze drie verhalen beschouwen als een voorzegging dat de Kerk die klein begonnen is vrucht voortbrengt zoals het gezaaide graan, en groot wordt en groeit zoals het mosterdzaadje en het deeg dat door middel van het zuurdeeg rijst tot een flink brood. Jezus spreekt echter niet over de Kerk, maar over het Rijk van God.
Volgens de leden van het Jesus Seminar (een vooral Amerikaans historisch-kritisch genootschap) hebben deze drie parabels elk een andere oorsprong. De derde parabel van de vrouw en het zuurdeeg is volgens hen zeker door Jezus verteld. Van de tweede parabel over het mosterdzaadje geloven zij dat, ondanks enkele onzekerheden, deze door Jezus verteld kán zijn. De eerste parabel over het graan en het onkruid zou wel met Jezus’ ideeën in overeenstemming zijn hoewel niet door Hem verteld, terwijl de allegorische uitleg van die eerste parabel in de verzen 37-43 de weerslag zou zijn van een latere traditie en zeker niet van Jezus afkomstig.
Wat men ook moge denken van deze opvattingen, de inhoud van deze vertellingen zet de lezer wel voor vragen. Misschien is het de moeite waard om te beginnen bij die laatste parabel die zeker door Jezus verteld zou zijn.
Jezus gaat iets uitleggen over het Godsrijk (rijk der hemelen volgens Matteüs) met als voorbeeld de bereiding van het ‘dagelijks brood’ op de manier zoals dat al eeuwen gebruikelijk was en met de voorhanden zijnde middelen. Om het gistingsproces in gang te zetten werd een homp verzuurd deeg van de vorige dag of van enkele dagen terug vermengd met het nieuwe deeg. De vrouw in de parabel doet dus niets buitengewoons. Wel vreemd is misschien dat ze drie maten meel, ongeveer dertig kilo, tot brood gaat bewerken, een flinke hoeveelheid. Sommigen willen hierin een overeenkomst zien met wat Sara doet in Genesis 18,6. Met drie maten meel bereidt zij brood voor de drie gasten. Die gelijkenis gaat echter maar ten dele op aangezien Sara brood maakt van silèt, een soort bloem of speciaal gezuiverd offermeel. Gezien de identiteit van haar gasten moest Sara wel silèt gebruiken, ook al wist ze niet dat die drie mannen hemelse figuren waren. In onze parabel gebruikt de vrouw aleuron, de Griekse vertaling van het hebreeuwse qèma, wat heel gewoon ‘huis tuin en keukenmeel’ is.
Wat misschien verbazing wekt is dat het Godsrijk vergeleken wordt met een proces waar zuurdeeg gebruikt wordt. Ter gelegenheid van het Pesachfeest was dat product absoluut verboden voor consumptie. Voor de aanvang van het paasfeest moesten de Joden zelfs alle gefermenteerde etenswaren uit hun huizen verwijderen en gedurende alle dagen van het feest ongezuurd brood eten (vgl. ook 1 Kor 5,7v). Verder zegt Paulus: ‘Laten we feestvieren, niet met het oude zuurdeeg, ook niet met het zuurdeeg van slechtheid en boosaardigheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.’ Ondanks het feit dat het zuurdeeg het hele deeg doet rijzen kwalificeert Paulus het als slecht en boosaardig, dus als iets negatiefs. Dit kan de indruk wekken dat voor Jezus het Rijk Gods, aangezien dat niet iets buitenwerelds is, soms een negatieve invloed kan ondergaan. Indien dit zo is, komt Jezus hier naar voren als een realist die de ogen niet sluit voor het negatieve in de wereld, maar ook als iemand die, ondanks dat negatieve element, overtuigd is dat het Godsrijk effect heeft.
Een ander element in de parabel is het feit dat wanneer het zuurdeeg met het meel vermengd is, je het niet meer ziet en je niet direct merkt dat het ‘werkt’ in het nieuwe deeg. Het heeft, zogezegd, een verborgen invloed op het deeg. Je moet er wel geduld bij hebben en niet verwachten dat het resultaat zich stante pede zal voordoen.
Deze elementen: het kleine, de potentieel negatieve kant, het mysterieuze en het noodzakelijke geduld komen we ook in de andere parabels van deze perikoop tegen.
In het verhaal van het mosterdzaadje wordt, zij het met enige overdrijving, vermeld dat het om het kleinste van alle zaden gaat. Wie het in zijn tuin of akker wil zaaien moet met zorg en overleg te werk gaan want dat kleine zaadje kan niet alleen een enorm gewas voortbrengen. Met de bloeitijd kan het zaad ook verspreid worden door de wind of door de vogels en zo een ware plaag veroorzaken. Maar het feit dat uit zo’n klein zaadje zo’n enorme plant kan ontstaan is net zo mysterieus als het verborgen zuurdeeg dat de massa doet rijzen.
In de eerste van deze drie parabels hebben we in zekere zin te doen met twee negatieve elementen: de vijandige mens die in het holst van de nacht de akker gaat verpesten met zizania-zaad dat een gewas voortbrengt dat op het eerste gezicht op tarwe lijkt. Wanneer dat product de overhand krijgt kan het de goede granen verstikken. Uitrukken kan eveneens een negatief resultaat veroorzaken want samen met dat onkruid kan ook het goede gewas uitgerukt worden. De eigenaar van de akker beveelt zijn knechten daarom geduld te hebben en alles maar samen op te laten groeien om pas in de oogsttijd het onkruid van het goede gewas te scheiden.
Om alles onder controle te houden is haastwerk uit den boze. Het brood wordt een slecht product als je het niet genoeg laat rijzen of te korte of te lange tijd in de oven laat bakken. Het mosterdzaad bezorgt de planter problemen als hij de zaak niet onder controle houdt. Als je niet oppast loop je gevaar je oogst te verliezen omdat het goede graan verstikt dreigt te worden of uitgetrokken samen met het onkruid.
Het Godsrijk komt niet als een donderslag bij heldere hemel, het is geduldwerk, iets waar de Zeloten in de tijd van Jezus niet in uitblonken. Zijn deze parabels ook een kritiek op de Zeloten die soms op geforceerde wijze bij willen dragen aan de komst van het Godsrijk?
Op verzoek van de leerlingen geeft Jezus, volgens de evangelist, later een allegorische interpretatie van deze parabel, die misschien méér de opvatting of de wens van de matteaanse gemeente weerspiegelt dan de mening van Jezus.
Preekvoorbeeld
Het koninkrijk der hemelen. Daarover vertelt Jezus, onze Heer, in de gelijkenissen die we hebben horen voorlezen. Het koninkrijk van de hemel, het rijk van God. Dat is niet ergens anders, ver weg, en ook niet in een andere tijd. Het is daar waar God regeert. Waar de wetten van Gods hart gelden. Waar het gaat zoals God het heeft bedoeld. Nou, denk je dan, dat is dus niet hier in deze wereld, want zoals het nu in onze wereld toegaat…
Maar dat is precies het punt: het koninkrijk der hemelen is volgens Jezus heel dichtbij gekomen. In zijn persoon is het midden onder ons. Ik stel het me zó voor: onze troebele wereld wordt aan alle kanten omgeven door Gods wijde wereld, zoals de hemel de aarde omgeeft. En met Jezus stulpt als het ware die heldere wereld van God naar binnen, onze troebele werkelijkheid in. Zó dichtbij dat je die helderheid kunt binnenlaten in jezelf, zodat Gods koningschap kan doorwerken in jouzelf – zoals het verbeeld wordt iedere keer wanneer je de communie ontvangt.
Gods rijk, het koninkrijk der hemelen: we kunnen dat niet zelf bouwen, zeggen deze gelijkenissen, maar er wordt wél iets van ons gevraagd. Het zaad moet gezaaid, of de zuurdesem moet in het meel gemengd worden. Iets moet werkzaam gaan worden in deze wereld: een zaad dat kiemt en groeit in de grond, een zuurdesem dat langzaam fermenteert in het deeg. Als je het erin hebt gebracht, moet je het vooral zelf zijn werk laten doen, je moet er niet voortdurend in en omheen gaan rommelen.
Hoe doe je dat dan, het zaad of het ferment van het koninkrijk der hemelen in de wereld brengen? Daarvoor kun je weer naar Jezus kijken: goedheid in het spel brengen, ontferming, onder de mensen zijn met echte betrokkenheid, ze aankijken, aanspreken en aanraken met de liefde van God. Genade laten gelden, vergeving oefenen. En het dan verder durven overlaten aan de groeikracht van het zaad dat je gezaaid hebt, aan de kracht van de goedheid die je als zuurdesem door het deeg van de wereld hebt geroerd. Niets forceren. Niet denken: dit werkt niet snel genoeg.
Andere krachten werken ook in de wereld. In de gelijkenis van het onkruid zegt Jezus dat ook het kwaad gezaaid wordt en kiemt en groeit. Dat is onuitstaanbaar, maar je kunt niet anders dan het zo laten zijn. Als je het kwaad met wortel en tak zou willen uitroeien, zou je het goede tegelijk ook vernietigen. Je kunt alleen hopen dat je genoeg goedheid gezaaid hebt. Zaai anders nog rustig wat bij, dat is beter dan dat je als een woesteling een spoor van vernieling door de akker trekt.
In die gelijkenis over het onkruid lijkt het wel erg fifty-fifty, graan en onkruid, goed en kwaad. Pas bij de oogst blijkt dat het goede wordt bewaard en het kwade verwijderd. Dan zie je pas dat het al die tijd zin heeft gehad om op het goede te rekenen, eraan gehecht te blijven, je erop te verheugen.
Zo is het met de wereld, ook de onrustige wereld van nu. Soms denk je dat het kwaad de overhand heeft gekregen. Soms denk je dat er met geweld zal moeten worden ingegrepen. Maar als dat gebeurt, zie je dat het soms meer kwaad doet dan goed.
Leerlingen van Jezus krijgen vandaag vanuit het Evangelie dit advies: zaai het goede, meng het ferment van Gods goedheid in het deeg van de wereld. Vertrouw erop dat wat je gezaaid hebt, onzichtbaar doorwerkt.
Jezus zaaide uiteindelijk zichzelf, Hij vocht zich niet naar de top maar liet zichzelf als het goede zaad in de akker van de wereld vallen. Hij hield niet zichzelf angstvallig heel, maar gaf zich aan de wereld. Als het zaad niet in de aarde valt en sterft, draagt het geen vrucht, zegt Hij (Joh. 12,24v). De oogst van zijn verrijzenis is dat er een beweging door de wereld gaat, van mensen die goedheid zaaien, desnoods zichzelf zaaien, en geloven dat die goedheid doorwerkt ook als zijzelf er niets meer aan kunnen doen. Want dat is hoe het werkt in de ultieme werkelijkheid, het koninkrijk der hemelen.
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld dr. Piet van Veldhuizen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,