Pinksteren, 28-5-2023

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 3
  • Bestandsgrootte 164.43 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 14 april 2023
  • Laatst geüpdatet 14 april 2023

Pinksteren, 28-5-2023

28 mei 2023
Pinksteren

Lezingen: Hand. 2,1-11; Ps. 104; 1 Kor. 12,3b-7.12-13; Joh. 20,19-23 (A-jaar)

 

Inleiding

Vrede is wat Jezus zijn leerlingen toewenst wanneer Hij hun huis binnentreedt, zo leest men in Johannes 20,19. Het Hebreeuwse woord voor vrede – sjalom – houdt verband met ‘heelheid’ en heeft veel betekenissen die wij niet onmiddellijk met vrede associëren: gaafheid, gezondheid, voorspoed, tevredenheid, rust, vriendschap en welzijn. Met de sjalom-groet wensen joden elkaar heelheid toe in een context die zich veelal laat kenmerken door gebrokenheid. Is het niet net dát waar mensen ook vandaag naar verlangen? Vanuit het perspectief van deze shalom zou Pinksteren kunnen aanmoedigen om te trachten naar meer heelheid, zowel in de verbondenheid met Jezus, als in de verbondenheid met elkaar.

Handelingen 2,1-11: Herstel van de verbondenheid tussen Jezus en zijn leerlingen
De dood van Jezus moet voor zijn leerlingen hebben aangevoeld als een definitieve breuk tussen voor en na. Niet alleen Jezus’ eigenlijke sterfte, maar ook de geloofsafval van de leerlingen tijdens Jezus’ lijdensweg en hun vertwijfeling nadien kan je beschouwen als breuken in hun relatie met Jezus.
In de tekst uit Handelingen krijgt het herstel van de verbondenheid tussen Jezus en zijn leerlingen niet zoveel aandacht. Deze staat immers al eerder centraal in het Lucasevangelie en in Handelingen 1. In het Pinksterverhaal leest men enkel dat de leerlingen ‘vervuld’ werden van de heilige Geest (v. 4). Ook de melding dat het huis zich geheel ‘vulde’ met een geluid vanuit de hemel (v. 2) zou je kunnen lezen als een verwijzing naar de volheid die opnieuw zijn intrede doet in de relatie tussen Jezus en zijn leerlingen.
In het Johannesevangelie staat de verbondenheid tussen Jezus en zijn leerlingen nog veel centraler. Dit heeft te maken met Johannes’ voorstelling van de gebeurtenissen. Hij laat Pasen en Pinksteren als het ware samenvallen. De passage verhaalt werkelijk een verlangen naar hernieuwde verbondenheid. Jezus verschijnt niet op een afstand of in een onpersoonlijk natuurverschijnsel aan zijn leerlingen, maar komt ‘in hun midden’ staan. Ze kunnen zijn geschonden handen en zijde zelfs van nabij zien. Het eerste wat de verrezen Christus hen schenkt, is vredevolle heelheid. Hij schenkt hen die vrede zelfs tot tweemaal toe.
Bovendien zendt de johanneïsche Jezus zijn leerlingen meteen om die vredevolle heelheid ook bij andere mensen te brengen. Daaruit blijkt dat de leerlingen voortaan misschien zelfs wel meer dan ooit verbonden zijn met Jezus en zijn Vader. Ze mogen nu immers delen in de almacht van deze Vader. Ze zullen daartoe in staat zijn vanuit de kracht van de heilige Geest. Het laatste vers van Johannes dat vandaag gelezen wordt, laat zelfs vermoeden dat de leerlingen als plaatsvervangers van God optreden. Als de leerlingen mensen vergeven, zullen ze vergeven zijn. Doen ze dat niet, dan zal niemand anders het in hun plaats doen.

Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73

Psalm 104: JHWH als bron van sjalom
Psalm 104 verheerlijkt Gods wijsheid in de schepping van alle dingen en hun onderlinge afstemming. Hij staat aan de oorsprong van alle heelheid en volheid en is voortdurend aan het werk om alle leven met elkaar in relatie te brengen. De psalm wil Gods grootheid en almacht bezingen. Zo staan ‘de winden’ en het ‘vlammend vuur’ – de twee elementen die ook in Handelingen 2 aan bod komen – bijvoorbeeld ten dienste van JHWH (v. 4).
Binnen die context noemt de psalmist ook ‘de geest of adem van God’, op basis waarvan men de psalm heeft verbonden met de Pinksterlezingen. Vers 29 geeft aan dat God over de macht beschikt om al wat leeft de adem/geest te ontnemen, waarop levende wezens tot stof zullen terugkeren. Diezelfde almacht van God toont zich echter ook in de tegengestelde beweging: God kan al wat dood is immers vernieuwen door het zijn adem/geest te schenken (v. 30).
In verbinding met het Johannesevangelie maakt Psalm 104 nog eens duidelijk dat de macht die Jezus aan zijn leerlingen toevertrouwt er slechts onder bepaalde voorwaarden is. Alle macht die hun gegeven is, is er immers maar dankzij verbondenheid met Jezus en zijn Vader door middel van de gave van de Geest. Tezelfdertijd benadrukt Psalm 104 een centraal element in Gods handelen tijdens het Pinkstergebeuren: het vermogen om een nieuw begin te maken waar dood en gebrokenheid de bovenhand lijken te halen.

Johannes 20,19-23: Een geheelde gemeenschap
Wat er met Jezus gebeurde, liet niet enkel sporen na in de relatie tussen de leerlingen en hun Meester. Het creëerde ook verdeeldheid binnen de gemeenschap van joden en eerste christenen. Niet toevallig vermeldt de tekst uit het Johannesevangelie dat de leerlingen zich achter afgesloten deuren bevinden omdat ze ‘bang waren voor de joden’ (v. 19). Johannes laat verder in het ongewisse naar wie Jezus de leerlingen precies zendt. Het blijft in deze tekst nog bij een beloftevolle oproep.

Anders is het in de lezing uit Handelingen 2. Nadat de Geest hen eerst zelf vervult en heelt, worden de leerlingen uitgedaagd om naar buiten te treden en om opnieuw gemeenschap te vormen. De mensen daar aanwezig waren joden. Net díe mensen waarvan sommigen betrokken waren in de afgunst ten aanzien van hun gestorven Heer. De verrezen Christus maant hen nu aan om een nieuw begin te maken met deze joden. Niet alleen met de joden uit Jeruzalem trouwens, maar met joden uit alle volkeren. Het elkaar ‘in de eigen taal’ horen spreken ongeacht herkomst zou men symbolisch kunnen lezen als ‘elkaar begrijpen’. Nergens staat dat de aanwezigen hun eigen taal opgeven. Integendeel, de Geest creëert verbinding en sjalom over (taal)grenzen heen. Handelingen getuigt daarmee van een geheelde gemeenschap na de dood van Jezus: niet alleen de leerlingen zelf ervaren vrede; ze stichten in de kracht van Gods Geest ook vrede met een stukje van de wereld die Jezus tot zijn kruisiging bracht. Opvallend is ook dat de vrome joden die voorheen nog niet in Jezus geloofden ‘buiten’ zichzelf worden gebracht door de geestkracht van de leerlingen. Ook zij worden bevrijd uit de geslotenheid en in de mogelijkheid gesteld om verbinding te maken met Jezus zowel als met geloofsgenoten.

1 Korintiërs 12: Verdeeldheid op de loer
De zending waartoe Jezus zijn leerlingen ooit opriep, heeft zich in de tijd van Paulus verregaand voortgezet. Niet alleen joden uit alle volkeren, maar ook niet-joden hadden intussen immers het christelijke geloof aangenomen. In de gemeenschap waartoe Paulus zich richt in zijn eerste Korintiërsbrief lijkt de vredevolle heelheid echter op het spel te staan. Sommigen in de gemeenschap waanden zich immers belangrijker of waardevoller omdat ze charisma’s hadden die anderen niet bezaten. Paulus benadrukt dat geen enkel charisma het resultaat van eigen verdienste is, maar een gave van de ene heilige Geest. Bovendien hoort elk van deze gaven in dienst te staan van het algemene welzijn, aldus Paulus. Noch verschillen in talent, noch verscheidenheid in herkomst of maatschappelijke stand zijn een hindernis voor de Geest om allen met allen te willen verbinden, net zoals God, Christus, en de Geest met elkaar verbonden zijn.
De dreiging die de eerste brief aan de Korintiërs beschrijft, geeft aan dat de gave van de Geest geen garantie schept voor de heelheid van individuele personen of gemeenschappen. Ieder mens draagt blijvend zijn/haar verantwoordelijkheid om heelheid en verzoening te bewerken door zichzelf en anderen te vergeven. Telkens wanneer men die vrede niet nastreeft, zal de Geest voor een stuk beperkt worden in zijn werk. In die zin hebben mensen op verschillende momenten in hun leven nood aan een Pinksterervaring, gevoed door de levende relatie met God, die op elk moment in de geschiedenis vernieuwing kan scheppen.

Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

 

Preekvoorbeeld

‘Toen de dag van Pinksteren aanbrak...’ Pinksteren, het woord dat wij gebrui­ken voor dit hoogfeest van de heilige Geest, is eigenlijk een rangtelwoord: Pèntèkostè – ‘50ste’, de vijftigste dag van Pasen. Voor ons misschien zomaar een ge­tal maar voor de joden een heel bijzonder, bijna magisch getal. Zeven maal zeven plus één. Zeven is al een heilig getal, laat staan 7 x 7= 49 plus 1: dat was wat je zou kunnen noemen het toppunt, ‘het ein­de’!
Welnu, op die vijftigste dag vierde Israël het zogenaamde ‘wekenfeest’ (Sjavoe’ot). Op deze dag werden de eerstelingen van de oogst aan God geofferd. Al eeuwenlang was deze dag, herinnerend aan het geschenk van de ‘tien geboden’, een oogstdankfeest, het feest van de eerste gerstebroden, de eerste vruchten van het land. Een hoogtepunt waar iedereen naar toeleefde. En uitgerekend op dat feest valt Pinksteren: ‘en allen werden vervuld van de heilige Geest’ – tijdens een boerenoogstfeest.
Weet u nog? Kerstmis speelde ergens midden in de nacht; Pasen bij het opgaan van de zon, het was nog donker, niemand weet hoe laat; maar Pinksteren is de vroege morgen. Je zou kunnen zeggen: de ochtendspits: als de stad wakker is, mensen hun dagtaak zijn begonnen, precies dan en daar gebeurt Pinksteren. Deuren en ramen gaan open, van alle windstreken ontmoeten mensen elkaar en: iedereen verstaat iedereen, zomaar, zonder moeite, en even later zegt iedereen dan ook stomverbaasd: ‘wat heeft dit toch te betekenen?’

Pinksteren is in vergelijking met andere hoogfeesten voor ons misschien wel het meest lastige van de kerkelijke feesten. En toch, hier staan we vandaag wel samen aan het begin van een nieuwe beweging, van de missionaire kerk. Om met elkaar, over alle grenzen heen, naar buiten te gaan, nieuwe verbindingen te maken en gemeenschap te vormen. Tot heelwording van de wereld, tot heelwording van de kerk, tot welzijn van iedere mens.

Voor mij is Pinksteren vooral een nieuwe start, een nieuw begin om antwoord te geven op alle niet-begrijpen, op alle doemdenken, op alle twijfelen en wanhopen, op alle onvrede, op alle oorlogsretoriek en spraakverwar­ring. Zoals toen, vandaag niet anders. Daarom: Pinksteren is grond voor nieuwe moed, voor werkelijke hoop, want ergens is er een keerpunt – een keerpunt in onze eigen geschiedenis van niet-verstaan en niet-begrijpen en niet-meer zien zitten.

En daar is het gebeurd: op die vijftigste dag. Alsof er een frisse wind opstak. En de leerlingen krijgen weer lucht, adem, moed; ze komen hun angst te boven; ze komen in vuur en vlam te staan en worden verstaan! En Petrus, buiten zichzelf, zegt even later wat het is: ‘nee, geen wijn, geen dronkenschap, het is pas het derde uur na zonsopgang’: nee, concrete werkelijkheid, een nieuwe tijd die aanbreekt. Zij worden nieuwe mensen, geestesmensen; en wie allemaal?

Mannen, vrouwen, meisjes, jongens, ouderen en jongeren. Petrus tekent het zelf uit. De Geest is van allen, voor allen. Nooit zal men meer mogen zeggen, dat de Geest enkel gegeven is aan hoger ge­plaats­ten, aan koningen of profeten. Nooit zal men meer mogen zeggen, dat de Geest alleen van Israël is of alleen van de kerk. Nee, de Geest gaat de straat op. Precies op dat boe­renfeest, want de Geest van Pinksteren heeft alles te maken met oogst en grond, met aardse werkelijkheid, met maatschap­pij, met heelwording van de schepping. Bovendien kwam die Geest midden in dat religieuze bolwerk juist over buitenstaanders, Galileërs: mensen uit een buiten­gewest, die leven aan de marge, nauwelijks in tel. Uitgere­kend zij spreken die nieuwe geeste­staal, de taal van vernieu­wing, de taal van beweging, om zo een nieuw begin te maken van heelwording en elkaar begrijpen.

Daar in die stad is het gebeurd en gezegd, bijna per ongeluk.

En diezelfde Geest brengt ook ons hier weer bij elkaar. Om ons impulsen te geven, om met elkaar de vruchten van die Geest te zien, te herkennen; om elkaar te verstaan en niet meer kwijt te raken. Opdat we elkaar weer mogen zoeken en vinden en verstaan in die diepste droom die Jezus heet en die ons aanzet tot nu eens een vurig pleidooi en dan weer een vlammend protest.

Vandaag mag het aan ons opnieuw gebeuren. ‘En allen werden vervuld van de heilige Geest.’ Ver­vuld werden ze: met vuur, met tongen en talen. En of ze willen of niet, ze moeten de straat op, naar buiten, iedereen zal het weten! En de verbazing is nog groter wanneer blijkt dat iedereen hen hoort spreken in zijn eigen taal. Een wonder boven wonder.

Vol van Gods Geest krijgen ze het vuur, het elan, de juiste taal. En zij durven het op te nemen: tegen de tong van de machthebbers, tegen de tong van de moordenaars en plunderaars, tegen de dubbele en gladde tongen, tegen de tong van onrecht, de tong van terreur en oorlogsdrift. Ze krijgen vurige, goddelijke tongen en gaan aan het werk.
Mensen die zo enthousiast, zo vol van zijn Geest worden, dat ze vervolgens doen waar zij al tijden van gedroomd hebben: zijn vrede, zijn shalom heel concreet in praktijk brengen – dát is tenslotte de taal die iedereen verstaat!

Daarom dat mooie kinderlied met bijna het heilig vuur onder de voeten:

            Mensen, wordt wakker voordat het te laat is,
            mensen vooruit, wrijf je ogen eens uit;
            zoals het nu gaat zo kan het niet blijven,
            kom in beweging, neem nu een besluit:
            wil je niet opstaan, dan blijf je maar liggen,
            moet je maar weten wat ervan komt.

Zalig Pinksteren. Tijd om op te staan!

 

inleiding dr. Valérie Kabergs
preekvoorbeeld Hans Lucassen