Homiletische hulplijnen 123

[featured_image]
  • Versie
  • Downloaden 0
  • Bestandsgrootte 218.55 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 8 oktober 2026
  • Laatst geüpdatet 8 oktober 2026

Homiletische hulplijnen 123

Homiletische hulplijnen 123
Onvolkomen

In deze laatste aflevering van de laatste jaargang van Tijdschrift voor Verkondiging sta ik stil bij de onvolkomenheid van ons werk, 98 jaargangen lang. De heilige Paulus schreef: ‘Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt’ (1 Kor. 13,8v). Hij stelt daarmee onze onvolkomenheid in een eschatologisch perspectief: ‘Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen’ (v. 10). Onder deze belofte kan de redactie haar werk met een gerust hart neerleggen.

Het gaat mij om vers 12a: ‘Nu zien we nog maar een afspiegeling, een raadselachtig beeld, maar straks staan we oog in oog’, aldus de huidige NBV21. De editie van 2004 had: ‘Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog.’

Deze passage laat zich verstaan tegen de achtergrond van Numeri 12:

1 Mirjam en Aäron maakten aanmerkingen op Mozes vanwege zijn huwelijk met een Nubische vrouw: ‘Hij is met een Nubische getrouwd!’ 2 Ook zeiden ze: ‘Heeft de heer soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?’ De heer hoorde dit. 3 Nu was Mozes een zeer bescheiden man – niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij. 4 Onmiddellijk gebood de heer Mozes, Aäron en Mirjam: ‘Ga alle drie naar de ontmoetingstent.’ Dat deden ze. 5 Toen daalde de heer af in de wolkkolom, ging bij de ingang van de tent staan en riep Aäron en Mirjam. Nadat zij beiden naar voren waren gekomen, 6 zei Hij: ‘Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de heer is, maak Ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek Ik met hem in dromen. 7 Maar met mijn dienaar Mozes, op wie Ik volledig kan vertrouwen, ga Ik anders om: 8 met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte. Hoe durven jullie dan aanmerkingen op mijn dienaar Mozes te maken?’ 9 De heer ontstak in woede tegen hen en ging weg. 10 Nauwelijks had de wolk de tent verlaten of Mirjam zat onder de uitslag, haar huid was wit als sneeuw. Toen Aäron zich naar Mirjam omdraaide en haar zo zag, 11 zei hij tegen Mozes: ‘Ach mijn heer, reken ons de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben niet aan. 12 Laat Mirjam niet als een doodgeboren kind blijven, waarvan het lichaam al half vergaan is als het uit de moederschoot komt!’ 13 Toen riep Mozes luid de heer aan: ‘Ik smeek U, God, genees haar!’ 14 De heer antwoordde Mozes: ‘Als haar vader haar openlijk in haar gezicht had gespuugd, had ze die schande zeven dagen moeten dragen. Daarom moet ze zeven dagen buiten het kamp gehouden worden, daarna mag ze terugkomen.’ 15 Zo werd Mirjam zeven dagen buiten het kamp gehouden, en het volk brak niet op zolang zij niet was teruggekeerd. 16 Na haar terugkeer trokken ze weg uit Chaserot en sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Paran.

Aanleiding is kennelijk een discriminatoir incident. Mirjam en Aäron – let op de volgorde – uiten hun onvrede over het feit dat Mozes een zwarte vrouw heeft getrouwd. Vervolgens staan Aäron en Mirjam weer in de gebruikelijke volgorde, maar de lezer is alert: dit is een Mirjam-perikoop, het gaat erom dat hun beider racisme Mirjam strenger wordt aangerekend dan Aäron.

Yoko Ono wist: Woman is the nigger of the world, een quote uit een interview van 12 december 1968, gepubliceerd in Nova 1969. De gelijknamige song brachten John Lennon en Yoko Ono uit – als Plastic Ono Band – op het album Some Time in New York City (1972):

Woman is the nigger of the world
Yes she is, think about it
Woman is the nigger of the world
Think about it, do something about it

Numeri 12 verwijt Mirjam niet alleen rassenwaan, maar ook dat zij de zusterschap doorbrak.

Woman is the slave to the slaves
Yes she is, if you believe me, you better scream about it

Mirjam heeft het niet opgenomen voor haar zwarte schoonzuster. Het verhaal rekent haar dat ernstig aan. Te zwart? Mirjam verkeert in het tegendeel: ‘Onder de uitslag, haar huid was wit als sneeuw’ (v. 10).

Met dat hij een zwarte vrouw huwde, heeft Mozes kennelijk aan gezag ingeboet. Deze aanleiding brengt echter een dieperliggende kwestie aan het licht. Hoe verhoudt Mozes’ gezag zich tot dat van anderen? Tot dat van Mirjam en Aäron – zij claimen hun eigen inbreng: ‘Heeft de heer soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?’ (v. 2).
En in het vorige hoofdstuk: ‘Toen daalde de heer af, in de wolk. Hij sprak tot Mozes en droeg een deel van de geest die op hem rustte, op de zeventig oudsten over. Zodra de geest op hen rustte begonnen ze te profeteren’ (11,25). Het lijkt erop dat het gezag van Mozes zich hier zeventigvoudig vermenigvuldigt. Is dat toe te juichen of is er dan geen maatstaf meer, geen controle, geen wet- en regelgeving op de wet- en regelgeving. Het hek is van de dam!

Er zijn twee interpretaties, beide bewaard in de tekst zelf. Mozes zelf geeft stem aan de maximalistische duiding: ‘Legde de heer zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!’ (v. 29).
Maar de tekst geeft ook blijk van een minimalistische tendens en legt het ongelimiteerde profeteren van vers 25 meteen een beperking op: ‘Dat is daarna niet opnieuw gebeurd’.
Jozua toont zich in de wiek geschoten: ‘Een jongeman rende naar Mozes toe en zei: “Eldad en Medad zijn in het kamp aan het profeteren!” “Zeg dat ze daarmee ophouden, heer!” zei Jozua, de zoon van Nun, die van jongs af aan Mozes’ rechterhand was geweest’ (vv. 27-28). Met zijn ‘van jongs af’ meende hij de oudste rechten te hebben, als Mozes’ rechterhand zag hij in de mozaïsche successie zichzelf als primus inter pares.
Kortom: is Mozes’ gezag uniek, vaststaand, boven alle twijfel verheven? Of staat zijn gezag ter discussie? Valt hij samen met de singulariteit van de openbaring of maakt hij deel uit van de plurale werkelijkheid van een voortgaande traditie?

Het kernvers van hoofdstuk 12 maakt dit onderscheid: ‘Als er bij jullie een profeet van de heer is, maak Ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek Ik met hem in dromen. Maar met mijn dienaar Mozes, op wie Ik volledig kan vertrouwen, ga Ik anders om: met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte’ (vv. 6-8).
Van mijn ouders – vrede zij met hen – kreeg ik voor mijn twintigste verjaardag de vijfdelige Nederlandsche vertaling van den Pentateuch benevens eene Nederlandsche verklarende vertaling van Rashie’s Pentateuch-commentaar door A.S. Onderwijzer, Amsterdam Van Creveld & Co. 5660-1899 (een facsimile uit 1975, tweede druk 1977, uitgegeven door het Nederlands-Israëlitische Kerkgenootschap).
Daar lees ik van een profeet die niet meer te zien krijgt dan visioenen en dromen, die kortom met raadsels moet volstaan: ‘Dan openbaart zich de Majesteit van Mijn naam aan hem niet in den »lichtenden spiegel«’, dat is ‘de hoogste profetische aanschouwing van het goddelijk Wezen’, die dus kennelijk enkel aan Mozes is voorbehouden.
Let wel, de tekst spreekt van ‘rechtstreeks’ en ‘hij aanschouwt mijn gestalte’, maar Rasji weet van Exodus 33, waar die mogelijkheid met zoveel woorden wordt ontkend: ‘Mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven’ (v. 20). Het mystieke zien is omzichtiger: ‘Als Ik mijn hand weghaal, zul je Mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien’ (v. 23). Vandaar dat Rasji hier Mozes – rechtstreeks en toch omzichtig – in die lichtende spiegel laat zien (aspaklaria, Aramees en rabbijns Hebreeuws, een Latijns leenwoord: speculum, spiegel).

Ik citeer Leviticus Rabbah 1:14

Rabbi Juda zegt: de profeten zagen door negen aspaklariot, zoals geschreven staat: ‘Het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik eerder had gezien’ (Ezech. 43,3), terwijl Mozes slechts door één aspaklaria zag, zoals geschreven staat: ‘duidelijk en niet in raadsels’ (Num. 12,8).

Waarom spreekt Rabbi Juda ben Ilai (tweede eeuw) van negen aspaklariot? Zijn ‘bewijstekst’ Ezechiël 43,3 heeft negenmaal de woordstam r-a-h. Ik citeer de Statenvertaling en de Naardense Bijbel die het vers – elk acht van de negen keer – bijna voorbeeldig ideolect weergeven:

Ende alsoo was de gedaente van ’t gesichte dat ick sach, gelijck ’t gesichte dat ick gesien hadde, doe ick quam om de stadt te verderven; ende ’t waren gesichten, als ’t gesichte dat ick gesien hadde aende riviere Chebar: ende ick viel op mijn aengesichte. (1637)

Het aanzien van het gezicht dat ik zag was als het gezicht dat ik zag toen hij kwam om de stad te verderven, - gezichten als het gezicht dat ik zag bij de rivier de Kevar, - en ik viel neer op mijn aanschijn.

Leviticus Rabbah 1:14 vervolgt:

Onze rabbijnen leren: alle andere profeten zagen door een vuile aspaklaria, zoals geschreven staat: ‘Ik sprak tot de profeten, gaf hun vele visioenen en vertelde via hen gelijkenissen’ (Hos. 9,10). Mozes zag door een gepolijste aspaklaria, en dit is zoals geschreven staat: ‘… hij ziet de gedaante van de Heer’ (Num. 12,8)

Bedenk bij die vuile en gepolijste aspaklaria dat spiegels in de oudheid nog niet van glas waren maar van gepolijst zilver, dat dof wordt door oxidatie of sulfidering (Sir. 12,11).

Hier vinden we dus de beeldtaal waarvan de heilige apostel Paulus zich bedient. Met de spiegel die hij in zijn hand houdt, poogt hij niet zichzelf te zien (zoals in Jak. 1,23). Hij houdt de spiegel schuin omhoog zodat ‘het eeuwige licht’ erin valt, hij richt de spiegel op ‘Gods werkzaamheid’ om ‘het beeld van Zijn goedheid’ te vangen (Wijsh. 7,26).
Als ieder ander mens is Paulus aangewezen op de indirectheid van een hulpmiddel, een medium. Nu nog zien wij di esoptrou en ainigmati, ‘door een spiegel in raadselen’. Wat Numeri 12,6.8 voorbehoudt aan profeten, heeft zich bij Paulus verbreed tot la condition humaine. Het geldt ons allen, ‘want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt’ (v. 9). Wij moeten ons voorlopig redden met enigmavariaties: visioenen, dromen en raadsels. Maar het staat alles onder eschatologische spanning. De mystieke blik van Mozes is Paulus niet vergund, nog niet. ‘Straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben’ (v. 12). Het voorbehoud van Exodus 30,20 is dan volledig opgeheven.

‘Oog in oog’ en ‘kennen’ (y-d-‘) duiden op gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid, intimiteit. De eeuwen door stonden wij slechts oog in oog met geliefden en bekenden, misschien met uitzondering van de herberg en in oorlogshandelingen. Dat veranderde drastisch in 1825 met de Stockton and Darlington Railway, op het Europese continent gevolgd door het traject Brussel-Mechelen (1830) en Amsterdam-Haarlem (1839). Opeens kwamen wij in een coupé en plein public tegenover wildvreemden te zitten die ons ongegeneerd aanstaarden en wij hen. Carl Theodor Dreyer heeft deze overrompelende ervaring verkend met extreme close-ups in de nadagen van de stomme film (La Passion de Jeanne d'Arc, 1928).

Van Mozes – de singulariteit van de openbaring – zegt de heer: ‘Met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte’ (Num. 12,8).
De 98 jaargangen van Tijdschrift voor Verkondiging hebben een daaruit ontsproten eerbiedwaardige traditie willen dienen en troosten zich ermee ‘stukwerk’ te zijn geweest, enigmatisch, provisorisch.
De van zijn taak ontheven redactie weet zichzelf, samen met onze auteurs en welwillende lezers, aangewezen op wat blijft: geloof, hoop en liefde.

Klaas Touwen