34e zondag dhj, C jaar, 20-11-2022

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 37
  • Bestandsgrootte 86.48 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 1 oktober 2022
  • Laatst geüpdatet 1 oktober 2022

34e zondag dhj, C jaar, 20-11-2022

20 november 2022
Vierendertigste zondag door het jaar

Lezingen: 2 Sam. 5,1-3; Ps. 122; Kol. 1,12-20; Luc. 23,35-43

 

Inleiding 

Profetenlezing: 2 Samuël 5,1-5

Samuel, geliefd bij zijn Heer,
            profeet van de Heer, stelde het koningschap in
            en zalfde leiders van zijn volk.
            Hij sprak recht over de gemeenschap volgens de Tora van de Heer,
            en de Heer keek welwillend naar Jakob.
            Door zijn geloofwaardigheid bleek hij een waar profeet te zijn,
            door zijn profetieën werd hij als een waarachtig ziener erkend.
            (Sirach 46,13vv)

Van begin af aan is in Israël (het instellen van) het koningschap niet onomstreden geweest. Wanneer Samuël zijn zonen als leidsmannen/rechters (sjofeet) over Israël aanstelt, komen de oudsten van Israël in verzet. De zonen van Samuël zijn geen voorbeeldige leidsmannen zoals hun vader: zij zijn omkoopbaar en verkrachten het recht. Hun gedrag is de aanleiding om aan Samuël om een koning te vragen.
Als motief geven zij aan: ook alle andere volken hebben een koning; zij willen zijn als de andere volken. Samuël vindt het ongepast dat de oudsten een koning willen hebben om leidsman over het volk van God te zijn: God is immers hun koning! Maar JHWH laat aan Samuël weten dat hij op het verzoek van het volk moet ingaan. JHWH weet dat zijn volk de neiging heeft Hem te verlaten en andere goden na te lopen, maar Hij behandelt hen als mondige mensen.
Wel moet Samuël tegen het volk zeggen dat zij goed moeten weten wat zij met een mensenkoning in huis halen. Hij zal zijn rechten als koning laten gelden: hij zal hun mannen opeisen voor zijn leger en om voor hem te werken. Hun vrouwen zullen voor hem moeten koken en bakken. Hij zal de beste akkers en wijngaarden voor zich opeisen en tienden heffen van de oogst. Voor zij het weten zijn zij weer slaven zoals destijds in Egypte. Wanneer zij dan zullen klagen zal JHWH hen niet antwoorden. Maar het volk wil toch een koning hebben en JHWH zegt tegen Samuël: Geef gehoor aan hun verzoek en stel een koning over hen aan! (vgl. 1 Samuël 8,1-22).

In de Tora geeft JHWH een profiel van een koning naar zijn hart: hij moet een volksgenoot zijn, hij mag er niet veel paarden op nahouden en ook niet veel vrouwen. Ook mag hij niet veel zilver en goud vergaren. Hij moet daarentegen altijd een afschrift van de Tora-rol bij zich hebben en er voortdurend uit voorlezen, zodat hij ontzag leert hebben voor JHWH, dé koning, en leeft en regeert volgens de Tora. Wanneer hij zo koning is zal hij zich niet verheven achten boven zijn broeders en zusters en zullen hij en zijn zonen lange tijd koning blijven in Israël (vgl. Deut. 17,14-20; Ps. 72).
De eerste koning in Israël, Saul, heeft laten zien dat het niet meevalt om koning te zijn volgens Gods profiel. Toch willen de stammen van Israël, na de dood van koning Saul en zijn zoon Jonatan (1,1-27), weer een koning hebben (5,1-5). Zij hebben fiducie in David omdat hij ten tijde van koning Saul de troepen van Israël succesvol leidde (1 Sam. 18,15v) en JHWH aan David beloofd heeft dat hij zijn volk als een herder zal leiden (3,9v; Ezech. 34,23; 37,24; Ps. 78,71).
Met de woorden die Adam tegen zijn vrouw sprak: been van mijn gebeente, vlees van mijn vlees (Gen. 2,23), stellen de stammen van Israël zich aan David voor: hier zijn we, uw eigen vlees en bloed (5,1; vgl. 19,12-15). Zij horen volledig bij elkaar, zijn bloedverwanten en bondgenoten. Zoals destijds David en Jonatan met elkaar een verbond sloten ten overstaan van JHWH, zo doet koning David dit nu met de oudsten van Israël (5,3; 1 Sam. 23,18). Zoals de mannen van Juda David tot koning zalfden over Juda (2,4) zo doen de oudsten van Israël dit nu ook: zij zalven David tot koning over Israël (5,3).
De dertigjarige David zal veertig jaar koning zijn, een God welgevallige tijd.
Koning David gaat voortvarend te werk. Hij maakt Jeruzalem tot hoofdstad van het rijk, verslaat de Filistijnen, brengt de ark naar Jeruzalem en wil een tempel bouwen – hetgeen ook niet onomstreden is. David mag van JHWH geen tempel bouwen – zijn zoon Salomo zal het later mogen doen – maar JHWH zal wel voor David zijn huis (dynastie) bouwen: zijn troon zal eeuwig blijven bestaan.
Voor dit alles is koning David God zeer dankbaar. Hij zegent en dankt Hem en bidt om rijkelijke zegen voor zijn huis (7,18-29).
Was koning Saul een gemankeerde messias, in koning David komen de eerste messiaanse trekken aan het licht. Het blijkt met vallen en opstaan voor een mens mogelijk te zijn om namens God, dé koning, koning te zijn tot zegen van mensen.

Epistellezing: Kolossenzen 1,12-20
Zie: H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46

Evangelielezing: Lucas 23,35-43
Jezus, zoon uit het huis van David, ontvangt van God, de Allerhoogste, de troon van David. Jezus zal eeuwig koning zijn en aan zijn koningschap zal geen einde komen. Deze blijde boodschap, die getuigt van Gods trouw aan zijn belofte aan koning David, verkondigt de engel Gabriël aan Maria (1,26-38). Jezus is zijn koninklijke weg gegaan door gerechtigheid te doen en vrede te zijn. In deze profeet, krachtig in daad en woord, is Gods koninkrijk aan het licht gekomen. Nu hangt hij tussen twee misdadigers aan het kruis (23,32-43). Boven zijn hoofd staat opgeschreven: Dit is de koning van de Joden. Een gekruisigde messias, die zichzelf niet kan redden! Ook aan deze schandpaal gedraagt Jezus zich koninklijk: Hij vraagt aan zijn Vader om vergeving voor de mensen die Hem dit aandoen en belooft aan de bekeerde misdadiger dat hij met Hem zal zijn in het paradijs. Tot op het kruis komt Jezus, de koning van de Joden op voor mensen die God, dé koning, aan hem heeft toevertrouwd.

De apostel Paulus bezingt deze messiaanse koning en dankt God de Vader met vreugde omdat Hij ons ontrukt heeft aan de macht van de duisternis en overgebracht heeft naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon: die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. Door Hem, het beeld van de onzichtbare God en het hoofd van het lichaam dat de kerk is, is er vrede gekomen en zijn alle wezens in de hemel en op de aarde met God verzoend (vgl. Kol. 1,12-23).

In Jeruzalem, stad van vrede, geschiedt recht, want daar staat de rechterstoel, de zetel van Davids huis. Voor gerechtigheid en vrede is de koninklijke messias Jezus opgekomen tot op het kruis en door zijn dood heen (vgl. Ps. 122).

Christus, Koning van het heelal, evenbeeld van God die dé Koning is, is de maatstaf voor alle koningschap op aarde. Zijn troon is de kribbe (2,12), op het kruis (23,33) en bij God (24,51).

            Wees Koning over ons, Gij Gerechte, Gij alleen,
            in verbondenheid en erbarmen
            en doe gerechtigheid met ons in recht.
            Gezegend, Gij Gerechte,
            Koning, die liefheeft gerechtigheid en recht.
            (Achttiengebed 11b)

Literatuur

Bijbel NBV-21, Haarlem/Antwerpen 2021
K. Deurloo e.a., Koning en tempel, Kampen 2004
E. Henau, Midden in het leven, Tielt 2001, 226-229
H.Oosterhuis/A. van Heusden, Het evangelie van Lukas, Vught 2007
B. Siertsema (red.), Er was eens een koning David voor altijd, Kampen 1999
H. Welzen, Lucas, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2011

 

Preekvoorbeeld 

Vandaag, de laatste zondag van het kerkelijk jaar, viert de kerk het feest van Christus Koning. Geen eeuwenoud feest, pas in 1925 ingesteld door Paus Pius XI, toen nog op de laatste zondag van oktober. Het werd groots gevierd om een eigen kerkelijk geluid te laten horen tussen de verwarde stemmen van toen: wij, gelovigen, ook wij zijn er en wij geloven en vereren de Heer, de God van hemel en aarde, Vader van onze Heer Jezus Christus! Het was een tijd van grote onrust, onlusten, economische crisis en polarisatie. De kerk vertaalde deze verschijnselen als geloofsafval. Met verve werd er gewezen op, gepreekt over de enige echte koning en heerser Jezus Christus. Jongeren waren actief bij dit feest betrokken in hun parochies en als jongerenbeweging. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft Christus Koning verschoven naar de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Christus staat aan het begin en aan het einde van het kerkelijk jaar: van advent en kerstmis, zijn passie en verrijzenis tot aan de laatste zondag.

De Eerste lezing uit het boek 2 Samuel confronteert ons met de vraag naar de leider, de heerser, de koning in Israël. De verschillende stammen van Israël kenden vanouds geen koning, wel een profeet, een rechter en leidsman in tijden van nood. Toch lijkt het voorbeeld van de omringende kleine koninkrijkjes veel aantrekkelijker. Droomt men van een koning naar wie men kan opkijken, op wie men trots is? Wij willen ook een koning hebben, zo zeggen de stammen tot Samuël, de profeet. Hij weigert, want God is de ware leider en koning van het volk. Toch blijven ze aandringen, en uiteindelijk stemt de Heer in met hun verlangen. Hij stelt een voorwaarde: Samuël moet duidelijk maken wat de gevolgen van het koningschap zijn! Een aardse koning betekent iemand die meer macht heeft, meer rijkdom kan verzamelen, die zich verheft boven zijn volksgenoten. De onderlinge verschillen worden groter.
Maar men blijft aanhouden en zo wordt Saul de eerste koning van Israël. Stap voor stap laat hij zien hoe hij zich verwijdert van God en hij en zijn familie wacht de ondergang. In onze lezing horen wij hoe de oudsten van Israël David vragen om óók koning over Israël te worden, hij is namelijk al koning van Juda. Hij is de koning naar het hart van God: hij heeft oog voor zijn volk, hij verzamelt niet te veel rijkdommen en verheft zich niet boven zijn volk.
De oudsten van Israël zalven David tot koning. Hij wordt dé koning, de koning bij uitstek, de koning van de belofte voor altijd. Je zou haast zeggen ‘en aan zijn koningschap komt geen einde.’

In de geboorteverhalen van Jezus wordt de verbinding met koning David gelegd. Jezus als de gezalfde, de Messias, staat in de lijn van David. Hij is koning, maar wat voor een koning is hij? Op het bordje van het kruis staat: Jezus van Nazaret, koning van de joden. Geen koning van pracht en praal, een lijdende man die de dood van een slaaf ondergaat. Jezus aan het kruis is hij die zich niet verheft boven zijn medemensen. Hij wordt beschimpt en uitgelachen. Waarom gebruikt hij niet zijn macht om zichzelf van het kruis te redden? Zo vragen de omstanders hem. Is hij niet belachelijk? Kom op voor jezelf! zo zouden wij vandaag kunnen roepen. Zo niet de gekruisigde. Hij ondergaat de pijn en smarten. Hij voldoet niet aan het beeld van een aardse koning. Hij is kwetsbaar en lijdt. Hij toont zich als de ware herder, die niet opkomt voor zichzelf maar voor zijn schapen, voor zijn broeders en zusters. Hij belooft aan een van de misdadigers naast hem aan het kruis dat hij hem niet vergeet, dat hij bij hem zal blijven! De vreugde van de Paasmorgen, van de verrijzenis en de hoop op leven kondigt hij zo aan, ook voor de gestorvenen.

Maar hoe kunnen wij vandaag dit feest vieren? Heeft het betekenis voor ons? Ik denk dat wij in onze tijd ons sterk bewust worden van wat leiderschap betekent, dat het zeer fout kan gaan met leiders. Leiders die te lang blijven zitten op hun plek, die vervreemden van hun volk en die uit zijn op hun eigengewin en niet het welzijn van allen. Leiders die niet schuwen voor oorlog en geweld en zichzelf voor onaantastbaar houden. Er zijn vele voorbeelden hiervan. Hardop zouden de oude waarschuwingen van de profeet Samuel in hun oren moeten klinken! Hun zelfoverschatting, hun trots en het verderf dat zij over hun mensen brengen.
Wij worden geroepen om kritisch te kijken naar wat er in onze dagen gebeurt. De maatstaf van de gekruisigde die niet voor zichzelf opkomt, die weigert om het spel van macht en rijkdom te spelen, maar die zijn kwetsbaarheid toont en zijn onmacht.

In de brief aan de Kolossenzen bezingt de apostel de gebroken en verrezen Heer die ons doet delen in het licht van de Vader. In zijn lied ontgrenst hij de tijd en opent hij de horizon naar het begin van de schepping en de eeuwigheid! Jezus de Christus staat aan het begin van alles. Het zijn beelden die haast over elkaar struikelen om te verwoorden dat hij het beeld van God is voor alle tijden en voor alle mensen. Zijn lijden verzoent allen en bevrijdt van zonden. Hij maakt het mogelijk dat ook wij heilig en rein voor hem zullen en kunnen verschijnen.

Jaren terug heb ik in Polen een klein kruis gekocht, uit hout gesneden. Het bijzondere van dit kruis is dat op de plaats van het corpus een uitgespaarde ruimte is, leegte. Deze open ruimte wordt door de kunstenaar niet ingevuld. Ik mag als kijker die ruimte zelf invullen. Zie ik een lijdende Heer, zie ik een koninklijke Heer? Paulus zong in zijn brief een lied. Wij kunnen zijn boodschap van geloof zingen en uitbeelden met voorstellingen van hemel en aarde, van de kosmos en het leven hier om Christus de Koning te vieren.

 

inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld Bärbel de Groot-Kopetzky