32e zondag dhj, A jaar, 12-11-2023

By 29 september 2023 No Comments
[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 47
  • Bestandsgrootte 106.23 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 29 september 2023
  • Laatst geüpdatet 29 september 2023

32e zondag dhj, A jaar, 12-11-2023

12 november 2023
Tweeëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: Wijsh. 6,12-16; Ps. 63; 1 Tess. 4,13-(14)18; Mat. 25,1-13 (A-jaar)

 

Inleiding

Eerste lezing: Wijsheid 6,12-16
De perikoop uit het boek der Wijsheid in de eerste lezing maakt onderdeel uit van de eerste grote unit van dit bijbelboek. Deze is concentrisch opgebouwd:

1,1-15                  oproep aan machthebbers rechtvaardig te handelen
1,16-2,20             de onjuiste redenaties van de goddelozen
3,1-4,19               drie manieren van wijsheid en van goddeloosheid
4,20-5,23             oordeel over de goddelozen
6,1-21                  oproep aan de machthebbers wijsheid te zoeken

In de oproep om wijsheid te zoeken wordt de wijsheid voorgesteld als gemakkelijk vindbaar. Wie haar liefheeft, vindt haar zonder problemen; wie haar begeert, krijgt haar meteen te pakken. Je hoeft je niet druk te maken, want als je ’s ochtends vroeg opstaat, zit zij al aan je deur.
Sterker, het is de wijsheid zelf die het initiatief neemt tot je te komen. Zij trekt er op uit en, in plaats van dat de mens haar moet zoeken, zoekt zij de mens op.
In het kader van de tweeëndertigste zondag door het jaar A vormt de wijsheid een aanvullend beeld op de olie uit de evangelielezing. Om voldoende olie te hebben moet enige inspanning verricht worden. Maar wie dat met wijsheid doet, hoeft zich daarover geen zorgen te maken.

1 Tessalonicenzen 4,13-(14)18
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27

Evangelielezing: Matteüs 25,1-13
Jezus vertelt in het Matteüsevangelie vaak parabels. Een parabel is een meestal kort verhaal met een dubbele bodem. Een parabel is niet zomaar een verhaaltje, maar een vertelling vol emoties. Met de bedoeling ook om emoties van de toehoorders op te wekken. De parabel vervreemdt als het ware en daagt daardoor uit tot extra reflectie. Met de parabel over de vijf domme en vijf verstandige meisjes is het niet anders.
De parabel maakt onderdeel uit van de laatste grote rede van Jezus in het Matteüsevangelie. De hoofdstukken 24–25 vormen de rede over wat traditioneel genoemd wordt het ‘einde der tijden’, maar is wellicht beter te duiden als de rede over het moment dat het Koninkrijk der hemelen, dat Jezus verkondigt, definitief doorbreekt. De parabel zegt iets over dat moment.
De komst van het Koninkrijk der hemelen wordt voorgesteld als de komst van een bruidegom. Met zijn komst kan het bruiloftsfeest daadwerkelijk beginnen. Maar de bruidegom laat op zich wachten. Het moment van zijn komst lijkt steeds verder weg te zijn. De avond is gevallen. Iedereen dommelt in, alle tien de meisjes. Het is donker. Maar dan blijkt het moment toch opeens daar te zijn. De lampen moeten in ijltempo in orde gemaakt worden en aangestoken. Licht voor in het donker. Vijf meisjes blijken onvoldoende olie te hebben voor hun lampen, terwijl de vijf andere meisjes wel voldoende olie hebben. De vijf domme meisjes vragen olie aan de vijf verstandige meisjes, maar dat blijkt geen optie, want dan zouden alle tien de lampen uitgaan. Dus proberen de vijf domme meisjes ergens olie te kopen, waardoor ze de toegang tot het feest missen. Als ze later toch proberen toegang te verkrijgen, gaat dat niet meer. De feest gevende bruidegom zegt ze niet te kennen.
De vervreemding die de parabel opwekt is dat de olie niet samen gedeeld wordt. Jezus spreekt vaak over samen delen. Het is een van de kernpunten in zijn verkondiging. Hij brengt dat ook zelf in praktijk door het brood te breken en samen te delen wanneer zeer velen bij hem samen zijn en er onvoldoende voedsel blijkt te zijn (Mat. 14,1-21 met het contrast tussen het feestmaal van Herodes en de gedeelde maaltijd van Jezus en 15,29-39). Deze vervreemding moet bij de toehoorder/lezer tot de vraag leiden: waar staat die olie voor dat die níet te delen is?
Het Griekse woord voor ‘olie’ in de evangelielezing is uniek voor het Matteüsevangelie, zelfs voor de synoptische evangeliën. Het gaat dus om een bijzonder woord ‘olie’. Maar het gebruikte woord ‘olie’ is binnen de Septuaginta een heel gangbare vertaling voor het Hebreeuwse woord ‘olie’. Met het woord ‘olie’ wordt in de Hebreeuwse Bijbel vaak de geest van God aangeduid die de met olie gezalfde ontvangt (zie bijvoorbeeld: Ps. 54,7; 89,20; Jes. 61,3). Het woord ‘olie’ in de evangelielezing roept dus enerzijds iets bijzonders op en anderzijds de gangbare band met God.
De bijzondere olie in de evangelieparabel staat daarom mijns inziens voor: geloof. Geloof is onmisbaar om toegang te krijgen tot het Koninkrijk der hemelen. Het bepaalt binnen of buiten het feest van het Koninkrijk te zijn. En juist dat gelóóf is ondeelbaar: een ander kan het niet voor je doen, noch kan je het aan een ander delegeren. Je kan niet tegen iemand zeggen: ‘jij hoeft niet te geloven, dat doe ik wel voor je’. Samen geloof vieren kan heel goed – de wijze meisjes doen dat op het bruiloftsfeest met alle aanwezigen – maar ieder zal geloven toch ook echt zélf moeten doen.
Wees waakzaam dat je dat dan ook doet, voegt Jezus aan de parabel toe. Deze waakzaamheid komt op twee verschillende manieren naar voren in de parabel. Enerzijds horen we in de parabel dat in slaap vallen iedereen overkomt. Wachten duurt lang. Donkerte doet de ogen dichtvallen. Jezus maakt daar geen probleem van. Zolang je maar op tijd de olie van je geloof gereed hebt. Anderzijds wordt het slot van de parabel verteld vanuit het perspectief van de domme meisjes. We horen hen aankomen en roepen en we horen de bruidegom erop reageren. Het is het enige verbale contact tussen de bruidegom en de meisjes dat in de parabel verteld wordt: een contact van afgewezen worden. En Jezus maakt duidelijk dat dat weldegelijk een problematische en onherstelbare situatie is.
Hoe de toehoorders van Jezus in het evangelieverhaal reageren op de parabel vertelt Matteüs niet expliciet. Maar tussen de regels door lijkt hij toch iets zichtbaar te maken in de verschillende reacties. Wanneer Jezus zijn vijfde grote rede in het Matteüsevangelie beëindigd heeft, gaat het verhaal vanaf 26,1 verder met het Pasen van Jezus, zijn laatste avondmaal, zijn kruisdood, zijn opstanding. De eerste perikoop daarvan in 26,1-5 laat twee verschillende reacties zien. De leerlingen van Jezus worden verder onderricht door Jezus over het naderende Paasfeest, dat ze samen gaan vieren in het bevrijdingsmaal. De hogepriesters en oudsten komen samen en besluiten Jezus ter dood te laten brengen, liefst zonder onlusten onder het volk te veroorzaken.
Anders ligt dat voor de lezer van het evangelie. Deze weet al van het Paasgebeuren en wat geloof betekent tegen de achtergrond van de overlevering van de Mensenzoon en zijn kruisdood en opstanding. Het is deze lezer die eveneens uitgedaagd wordt er voor te kiezen een wijs meisje te zijn.

 

Preekvoorbeeld

De meisjes van het evangelie wachten op de bruidegom. Dat is de grote beeldspraak van wat een christenmens te verwachten heeft: dat het einde niet je ondergang zal zijn, maar dat je Christus zult ontmoeten.
Niet dat je daar alle dagen zeker van bent of dat de tekenen der tijden zo geruststellend zijn. Nee, onze eerste ervaring is: hij komt niet, hij komt nu al eeuwen niet, uitstel, oponthoud. ‘Hier al op dit aardrijk zijt gij gezien nooit meer’.
Er zijn geen garanties, maar toch: je hoopt op God en je verwacht zijn Rijk, dat blijf je doen – je weet niets beters te doen – en ondertussen: hij komt niet!

Die meisjes van het evangelie, de dwaze en de wijze, ze worden slaperig en dutten in. Ze staan al zo lang met hun vlaggetje aan de kant van de weg, ze hebben hun gedichtje al duizend keer opgezegd, hun feestjurken zijn gekreukt, hun vlechten uitgezakt. Ze leunen met hun hoofd de een op de schouder van de ander en dromen van de prins op het witte paard. Ze snurken van vermoeidheid, ze ronken een voor een, dwaas en wijs. Waken, waar het evangelie elders zo hoog van opgeeft, is er niet bij.
Als lezer van het evangelie weet je dat je je daarover geen oordeel kunt aanmatigen:
dat de kerk slaapverwekkend is, maar jij bent wakker… Nee, ze slapen allemaal, ook jij behoort tot de ingedutte soort.

Het beeld verschuift. Op den duur gaat het niet meer om slapen en waken, maar komt het op je reserves aan. Na zoveel eeuwen, of een mensenleven lang, met alles wat daarin is voorgevallen, wat heb je nog bij te zetten? Wat heb je nog over om je licht te laten schijnen en in dat helder zicht de juiste beslissingen te nemen? Soms is het op, het licht is uit, opgebrand, de voorraad op, leeggezogen, uitgeput, verbruikt.
Die meisjes langs de weg zien er in de warme gloed van al die nog flakkerende vlammetjes op hun allervoordeligst uit, het ene lichtje brandt nog vrolijker dan het andere, daar ligt het niet aan. Sommige van die meisjes zullen precies wel geweten hebben hoe het moet en wat er hoort: ze dragen tot vervelens toe hun bijbelteksten voor, zingen van het licht der wereld en: ‘Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht.’ Maar daar maak je niet uit op of ze wijs zijn of dwaas. Uiteindelijk dutten ze allen in.
De gelijkenis gaat verder. Als het erop aankomt, te middernacht: hoorngeschal. De bruidegom is daar. Dan volstaan die vrolijke lampjes niet meer, ze branden of ze kwijnen, maar dreigen ze niet – net nu – allemaal te doven? Wat is wijsheid?
O ja, je kunt olie bijkopen en wie dan leeft die dan zorgt, maar in deze ure der waarheid, te middernacht, weet je: het komt op je reserves aan, of niet ergens in je geestelijke bagage toch nog iets zit dat zich nu laat aanspreken.
Tot je verdriet zijn je reserves ondeelbaar. Je zou graag bijgieten, overhevelen. Je zou het een ander graag meegeven, overdragen: wat je bij je draagt als een onvervreemdbaar bezit, de bron waaruit je put, het geloof dat in je leeft. Dat kan niemand je afnemen, hoe klein en breekbaar het misschien ook is, maar het is niet overdraagbaar. Op je geliefde niet, op je kinderen niet. Met alle rijkdom van het geloof sta je met lege handen.

Die tien lampen zijn van dezelfde makelij en ze branden gelijkelijk, dat is het punt niet. Maar de olie raakt op, verdampt, verdroogt in deze barre tijden en de bruidegom blijft uit.
De een houdt almaar aan haar oude vertrouwde lampje vast en verwacht daar wonderen van. De ander heeft gaandeweg een voorraad opgeslagen, voor als het wonder uitblijft en je moet toch door.
Dát heet wijs. Ja, dat heet wijs: er rekening mee houden dat het wonder niet geschiedt en toch moet je verder, daar ben je op bedacht.
De gelijkenis eindigt onverbiddelijk. Die vijf verstandige meiden zijn binnen, heilig verklaard bijna, de dwaze meiden lopen buiten, afgeschreven.
Ze hebben lopen zoeken in de nacht, dwaalden en doolden, en nu ten langen leste en ten einde raad zijn ze toch bij de feestzaal aanbeland. Maar ze komen er niet in.
Sommigen hebben daar vrede mee, dat de een wel… en de ander niet… de een voorbestemd voor de hemel, de ander ziet de hel al branden. Maar nog is de gelijkenis niet af.

Het evangelie weet dat een paar hoofdstukken later de bruidegom zelf in die buitenste duisternis is geworpen, struikelend de stad uitgejaagd, dat hijzelf buiten de poorten van Jeruzalem de dood vond. Niet dat binnen of buiten is uiteindelijk beslissend, maar waar híj is, dat is de laatste werkelijkheid.
Waar? Jezus is de bedelaar aan de poort van de stad, waar hij die dwaze meiden verwacht en weer ontmoeten zal en hij met al zijn dwaasheid de wijsheid van de wijzen te niet doet.
Of nog weer anders: op die bruiloft, te midden van het feestgedruis, vroeg iemand: Waar is de bruidegom toch gebleven? Die bleek in al het feestgeruis inmiddels ernstig zoek, de dans viel stil, een glas brak. Tot men hem buiten vond, bij degenen zonder licht, hen voorgaand als een vuurkolom. Ach, die geheime liaison van de bruidegom met zijn vijf dwaze meisjes, dat gaat niemand iets aan.

Voor ons komt het erop aan te leven met reserves, dat wij het volhouden het licht hoog te houden!
En misschien, misschien zal het toch mogelijk zijn dat de een de ander een beetje bijschenkt. Dat geve God!

 

inleiding prof. dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen