30e zondag dhj, A jaar, 29-10-2023

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 64
  • Bestandsgrootte 171.90 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 27 juli 2023
  • Laatst geüpdatet 27 juli 2023

30e zondag dhj, A jaar, 29-10-2023

29 oktober 2023
Dertigste zondag door het jaar

Lezingen: Ex. 22,20–26; Ps. 18; 1 Tess. 1,5c-10; Mat. 22,34-40 (A-jaar)

 

Inleiding

Exodus 22,20-26 – Naar een rechtvaardige(r) samenleving
De passage uit het boek Exodus die vandaag als eerste lezing is gekozen vormt onderdeel van een veel groter geheel (Ex. 20,22–23,33) dat in de exegetische literatuur bekendheid heeft gekregen onder de naam ‘Bondsboek’ of ‘Verbondsboek’, een term ontleend aan Exodus 24,7. Maar langzamerhand raken die termen in onbruik, onder andere omdat in dat geval de Decaloog (Ex. 20,1-17) erbuiten zou vallen, hetgeen tamelijk vreemd en onbegrijpelijk is. Zowel in de nbv uit 2004 als die uit 2021 is daarom voor het hele gedeelte van 20,22 tot aan 23,33 voor een veel neutraler opschrift gekozen: Regels en wetten.
De thematiek ‘weduwe en wees’ is niet alleen in het oude Israël een steeds terugkerend item. We komen het al tegen in de beroemde collectie wetten van de Babylonische koning Hammurabi (ca. 1793-1750 vChr.). Deze koning verklaart dat zijn Codex als doel heeft ‘dat de sterke de zwakke niet zal uitbuiten; dat recht gedaan zal worden aan weduwe en wees; dat zij die uitgebuit worden gerustgesteld mogen zijn’. De legendarische koning Keret van Ugarit wordt er door zijn zoon van beschuldigd zijn koningschap niet meer waardig te zijn: ‘Want je hebt je hand tot misdaad laten verleiden! Je hebt de rechtszaak van de weduwe niet beoordeeld’. En uiteraard dienden ook de koningen van Israël te beantwoorden aan de norm om gerechtigheid en vrede te waarborgen. Dat is bij voorbeeld mooi beschreven in Jeremia 22,3.15vv waar de profeet de opdracht krijgt om tot de koning te zeggen: ‘Handhaaf recht en gerechtigheid; red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen…’
In tegenstelling tot de omringende culturen speelde in het oude Israël naast ‘opkomen voor weduwen en wezen’ ook de thematiek van de vreemdeling een belangrijke rol. Dat is het directe gevolg van hun eigen (voor)geschiedenis, hun ervaring te hebben geleefd als slaven in Egypte. Wat ze daar hebben ondergaan moet hen altijd voor ogen blijven staan, wanneer ze met vreemdelingen te maken krijgen.
Bij dit alles is er nog één aspect dat aandacht en nadruk verdient. Het beschermen van de weduwe en de wees behoorde van oudsher tot de taak van de koning. Niet voor niets vormde het een steevast onderdeel van de zogeheten koningsideologie: de koning ziet in naam van de godheid toe op gerechtigheid en vrede in zijn rijk en staat daar als ‘zoon van god’ ook persoonlijk garant voor. In het oude Israël zien we deze opdracht ‒ zeker na het verdwijnen van het koningschap in en na de Ballingschap ‒ gedemocratiseerd worden: het wordt van elke mens geëist om die van oorsprong koninklijke opdracht uit te voeren. Of negatief geformuleerd: een arme, een behoeftige, een weduwe, een wees die om hulp schreeuwt, maar nergens gehoor vindt en dan als laatste uitweg zich tot zijn of haar God wendt om steun, klaagt daarmee in feite de samenleving aan. Van een ‘samen-leving’ is in dat geval trouwens helemaal geen sprake.
Ook de twee onderwerpen die na ‘vreemdeling, weduwe en wees’ in de Exoduspassage van vandaag ter sprake komen, hebben direct betrekking op het realiseren van een rechtvaardige(r) samenleving. Geen rente vragen over een geleend bedrag is zonder meer als een groot ideaal te bestempelen. Dit renteverbod is hier op een bijzondere manier verwoord en dat lijkt mij geen toeval. Er staat namelijk iets opvallends in de tekst van vers 24 waar je snel overheen leest. Er staat niet: ‘Als je geld leent aan iemand’, maar ‘aan iemand van mijn volk’. En dat bijvoeglijk naamwoord ‘mijn’ heeft betrekking op God. Het gaat er dus om dat je je gedraagt als lid van de met God verbonden gemeenschap.
Ook wanneer iemands mantel als onderpand voor een lening is afgegeven aan een geldschieter geldt een duidelijke restrictie. Die mantel is namelijk het enige ‘bezit’ waarmee een arme zich ’s nachts nog beetje warm kan houden. De geldschieter moet die ‘deken’ daarom weer teruggeven voordat de zon ondergaat. Gebeurt dat niet, dan is God de laatste instantie op wie nog een beroep kan worden gedaan.

1 Tessalonicenzen 1,5c-10
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem OFM, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27

Matteüs 22,34-40 – Discussie(s) in de tempel
Het loont de moeite om de evangelielezing uit Matteüs goed te situeren in de context. We zien Jezus in 21,23 de tempel binnengaan en deze pas in 24,1 weer te verlaten. De debatten en discussies die binnen deze ruimte en tijd plaatsvinden verdienen daarom alleen al extra aandacht. De twee meest prominente gesprekspartners daarbij zijn de Farizeeën en de Sadduceeën, twee groepen waarover we buiten de evangelies niet echt veel meer aan de weet komen. En dat is tot op zekere hoogte best problematisch, omdat de wijze waarop deze facties door de evangelieschrijvers worden afgeschilderd op z’n zachtst gezegd, niet echt objectief te noemen is.
De Farizeeën zijn een groep die het gewone volk weerspiegelt. De negatieve gevoelens die ze bij de evangelisten krijgen toegemeten zijn niet altijd even eerlijk. Laten we bijvoorbeeld niet vergeten dat Paulus zich ‘een Farizeeër uit een geslacht van Farizeeën’ noemt (Hand. 23,6). De Sadduceeën vertegenwoordigen meer de elite; ze erkennen alleen de vijf boeken van Mozes waarin bij voorbeeld helemaal niets te vinden is over de verrijzenis, die ze dus ook verwerpen. Wanneer Jezus de Sadduceeën daarover de mond heeft gesnoerd (Mat. 22,23-33), komen de Farizeeën weer in beeld. In twee rondes die met elkaar zijn verbonden met behulp van het werkwoord sunagoo ‘samenkomen’ (22,34 en 41) gaan belangrijke kwesties besproken worden. In de eerste ronde (22,34-40) stellen de Farizeeën de vraag, in de tweede ronde (22,41-46) poneert Jezus een kwestie.
Op de vraag van een wetgeleerde (!) wat het grootste gebod in de Wet is, antwoordt Jezus met een citaat uit Deuteronomium 6,5 ‒ ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand’. Binnen het bestek van deze bijdrage is het niet mogelijk om hier een nauwgezette vergelijking te presenteren met de versies van Marcus (12,28-32) en Lucas (10,25-28). Maar het is zeker de moeite waard om de drie passages naast elkaar te leggen. Zo opent Marcus bijvoorbeeld het antwoord van Jezus met een citaat uit Deuteronomium 6:4 ‒ ‘Luister, Israël: de Heer, onze God, de Heer, is de enige!’. Op deze manier herinnert de passage ons direct aan het Sjema Jisraël, het ochtend- en avondgebed dat ook uit Deuteronomium 6,5-9; 11,13-21 en Numeri 15,37-41 bestaat en waarna zegenspreuken volgen.
De vraag naar het grootste gebod krijgt bij Matteüs een verrassend vervolg, doordat er een tweede bijbeltekst wordt geciteerd (Lev. 19,18) die uitdrukkelijk met de eerste (Deut. 6,5) wordt gelijkgesteld. Marcus is iets minder expliciet: ‘Er zijn geen geboden belangrijker dan deze’ (12,31). Matteüs heeft dus een volkomen parallellie gecreëerd tussen ‘God liefhebben’ en ‘je naaste liefhebben’.
Er is naar mijn mening een duidelijk verschil tussen de context van het citaat uit Leviticus 19,18 en dat in Matteüs 22,39. In Leviticus vormt de zinsnede ‘Heb je naaste lief als jezelf’ de climax en tegenstelling van een passage (19,17v) die oproept om niet haatdragend te zijn, om geen wraakzucht of wrok te koesteren. In de evangelieteksten is die achtergrond afwezig, tenzij de schrijvers deze hebben ondergebracht in het (uitdagend) op de proef stellen van Jezus.
En mocht het begrip ‘naaste’ te abstract of weinig zeggend zijn, de lezing uit Exodus biedt een goede opstap naar een antwoord, zeker ook vanuit de actualiteit van onze hedendaagse samenleving.

 

Preekvoorbeeld

Een joodse wetgeleerde doet de aftrap vandaag: Wat is het grootste gebod in de Wet? Deze Wet in de Schrift is niet een verzameling kerkelijke geboden en verboden, geen wetten die dwingen en klein houden met opgeheven vingertjes.
De Tora van Israël is geen machtswoord maar een vrijheidswoord, geen ballast maar leeftocht. Een wetboek van strafrecht kun je respecteren, maar je kunt er niet van houden. Van de Tora wel, je kunt er mee dansen!
Natuurlijk staan er in de Tora ook gewone wetten, regels voor de goede orde op het gebied van gezondheid en eigendom. Ze beginnen met ‘Je zult’, ‘je zult je eigen slavernij en bevrijding serieus nemen.’ Woorden vol belofte, die richting geven. Op deze woorden grijpt Jezus terug. ‘Heb de Heer, uw God lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand.’

Dat liefhebben van God hoe doe je dat? We weten niet zoveel van God! Doe het met heel je hart, staat er. Dus met alles wat daarin is, dat wil zeggen liefde en trouw, maar ook seksuele verlangens en je creativiteit en je verdriet om verlies of aftakeling.
God liefhebben met heel je hart betekent dat we uitgedaagd worden om onszelf met heel ons hebben en houden in dienst te stellen van God, opdat we mens worden naar Gods hart.
God liefhebben met heel je ziel. Dat betekent dat je de kern van jezelf, je meest eigen identiteit in het teken zet van liefde tot God. Alles wat je doet krijgt zin doordat je het doet ter ere van God, doordat je eraan meehelpt dat God aan het licht komt in deze wereld.
Doe het met heel je verstand. Al je intelligentie en ervaring is erbij nodig want je moet er wel je hersens bijhouden om te zorgen dat je trouw en rechtvaardig bent in de liefde.. 

Als tweede deel van zijn antwoord citeert Jezus het gebod: je naaste lief te hebben als jezelf.
Welke naaste? De vreemdeling, want die is als jij. Weet je nog? Zelf was je vreemdeling in Egypte. Welke naaste? Weduwen en wezen, rechteloze mensen, bijstandtrekkers. Die zijn als jij! Weet je nog? Zelf was je zonder rechten, afhankelijk van farao’s. Van de verkoper van de straatkrant leerde ik dat ieder van ons dakloos kan worden, dat je heel vlug in de schulden kunt komen en zonder huis komt te staan. Zoveel kwetsbare mensen in onze wijken.
Wie aan deze kwetsbare naasten komt, zegt de Tora, die komt aan God zelf. God ís die minste naaste, die jou aanspreekt in jouw medemens, jouw buurman.
Tegen God spreek je niet vanuit de hoogte. Daarom mag ons spreken met de armen niet vanuit de hoogte gebeuren. Als we voor hen zorgen en opkomen is dat niet een kwestie van liefdadigheid en bedeling, het is een recht dat ze hebben, omdat God dat van ons vraagt.
Die arme is als jij. Mijn ervaring is dat ze beter dan ik oog hebben voor mensen in problemen.
Ik trek me op aan hun vaak vanzelfsprekende manier van delen vanuit hun tekort.

Je naaste liefhebben als jezelf… de vreemdeling liefhebben als jezelf. Dat is in elke cultuur een moeilijke opgave. Want de vreemdeling is zo anders, ondoorgrondelijk en daardoor soms bedreigend. Vreemdelingen hier in Nederland komen overal vandaan.
Sommigen zijn hier vanwege studie, anderen zijn er omdat ze hun land moesten ontvluchten of omdat er geen werk was. Het blijkt ook hier geen paradijs te zijn.
Heb die vreemdeling lief want hij is als jij, staat er. Is hij als jij? Voel jij dat echt zo? Als je eerlijk bent, moet je dat beamen. Want in onze steden leven mensen uit allerlei landen. Met meer dan honderd nationaliteiten. We zijn langzaam allemaal vreemdeling geworden. We ontmoeten elkaar op de markten, vol met nieuwe vruchten en etenswaren. we horen elkaars muziek en ruiken in het trappenhuis de kooklucht van elkaar.
De vreemdeling liefhebben betekent dat we samen er wat van proberen te maken in onze buurten. Het betekent dat we op bezoek gaan in het Asielzoekerscentrum, waar je elkaar niet hoeft te bewonderen, maar wel wederzijds respect tonen. Liefhebben betekent je realiseren dat ook jij voor hem of haar een vreemdeling bent.

Het bijzondere van Jezus is dat hij niet alleen zegt wat de kern van ons leven is, maar het ook doet. Hij kiest voor de arme, de weduwe, de zieke en de vreemdeling. Daardoor sterft hij als een slaaf aan het kruis, van zijn mantel en dekking ontdaan. Dat doen van Jezus is geestdriftig herkend door het volk van armen en rechtelozen. Daarom hebben ze in verhalen en in het teken van brood en wijn zijn droom doorgegeven. Juist in onze samenleving vol armen en asielzoekers en ontredderde naasten als jij en ik, is Jezus’ droom van grote waarde. Een droom die ons lastig valt en bij de les houdt. Een droom van liefde die is te doen!

Lieve mensen, sinds God in Jezus mens is geworden, zijn de liefde tot God en de liefde tot de naaste niet meer los van elkaar verkrijgbaar. God heeft geen andere handen dan de onze, hij heeft onze handen nodig om zich te ontfermen over zijn mensen, die in nood tot hem bidden.
Als we zo onze handen uitsteken naar elkaar, dan is God ons nabij.

Inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld drs. Paulus van Mansfeld