2e zondag dhj, A jaar, 15-1-2023

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 58
  • Bestandsgrootte 130.71 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 december 2022
  • Laatst geüpdatet 2 december 2022

2e zondag dhj, A jaar, 15-1-2023

15 januari 2023
Tweede zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 49,3.5-6; Ps. 40; 1 Kor. 1,1-3; Joh. 1,29-34 (A-jaar)

 

Inleiding

Profetenlezing: Jesaja 49,1-6 

Groot was Jesaja en betrouwbaar in zijn visioenen.
In zijn tijd ging de zon achteruit
en werd het leven van de koning verlengd.
Met zijn grote geest zag hij de laatste dingen
en sprak hij de treurenden van Sion moed in.
Hij kondigde aan wat ging gebeuren, tot in de verste toekomst,
voordat het gebeurde voorspelde hij wat nog verborgen was.
(Sirach 48,22b-25)

In Jesaja 40–55 hebben wij niet te maken met één profeet die optreedt, maar met een redactieproces door een groep tempelzangers, ‘die de boodschap van troost en de nieuwe heilstoekomst verkondigen aan de Babylonische gola, de joden in ballingschap, en, na hun thuiskomst in het kader van de eerste grote terugkeer rond 520 vChr., ook aan de bevolking van Juda en Jeruzalem’ (Ulrich Berges).
De tempelzangers maken veel gebruik van ‘oudtestamentische tradities’, en met name ook van de Psalmen 96 en 98. Zij herlezen deze tradities met het oog op de opbouw van Jeruzalem van na de ballingschap.
In onze perikoop hebben wij te maken met de tweede profetie van de dienaar van JHWH. De ebed (dienaar/dienstknecht) is niet een bepaald ambt zoals koning, priester of profeet. In de Bijbel worden verschillende mensen ebed genoemd: aartsvaders (Gen. 26,24), Mozes (Ex. 14,31), Levieten (Ps. 113,1), profeten (Jes. 20,3), koningen (2 Sam. 3,18), een eenzame bidder (Ps. 27,9) en Israël (Jer. 30,10). De ebed is iemand die in een bijzondere verhouding tot JHWH staat, trouwe dienstbaarheid betoont en een speciale bescherming van JHWH geniet. In Jesaja 40–55 is er vaak van deze ebed sprake. Wie met de ebed bedoeld wordt, blijft vaak onduidelijk. In de loop der tijden is de benaming ebed toegepast op een nieuwe Mozes, de profeet Jesaja, koning Kores (45,1), Israël, de messias enz… Blijkbaar spreekt de opdracht van de ebed zo tot de verbeelding dat steeds opnieuw mensen zich erin kunnen herkennen en er bemoediging uit kunnen putten.
In de eerste ebed-profetie (42,1-4) wordt de profeet door JHWH aangesproken en wordt aan hem zijn zending opgedragen. In de tweede ebed-profetie spreekt de dienaar de verre volken aan. Hij stelt zich aan hen voor, belijdt wie hij is: Al in de schoot van mijn moeder heeft JHWH mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde Hij mijn naam (49,1.5; vgl. Jer. 1,4-10). Omdat zijn opdracht niet altijd gemakkelijk is, heeft JHWH hem goed uitgerust (49,2v). Hij zal niet voor niets ebed van JHWH zijn.
Hij is er vast van overtuigd dat JHWH hem bijstaat en recht zal doen: de Betrouwbare is zijn sterkte en hij geniet aanzien bij Hem.
De opdracht is niet gering: de stammen van Jakob terugbrengen, de stammen van Israël verzamelen en hen terugbrengen naar de Bevrijder. Bovendien zal de redding die JHWH brengt zich uitstrekken tot alle volken, tot de einden der aarde: Ik zal je maken tot een licht voor alle volken!
Voor deze opdracht heeft JHWH zijn dienaar nodig, in hem zal Hij zijn kabod (gewicht) tonen, zal Hij stralend aan het licht komen (49,6v).

Ach, mijn volk en mijn kinderen, luister,
ook vandaag klinkt het woord uit mijn mond.
Keer je om, keer je hart tot de Ene.
Ik verwacht je, vernieuw mijn verbond.
(Andries Govaart, lied 301,5)

Lezing uit de Brieven: 1 Korintiërs 1,1-3
De brief aan de Korintiërs is geschreven door Paulus, apostel – afgezant – van Christus Jezus en geroepen door de wil van God (16,21). De begroeting doet hij samen met broeder Sostenes met wie hij een pastoraal team vormt. Paulus richt zich in deze brief aan de ecclesia van God te Korinte, maar via hen ook tot allen die geroepen zijn om heiligen te zijn en aan allen die de Naam van Jezus Christus – waar ter wereld ook (vgl. Jes. 49,1-6) – aanroepen. De brief is dus bestemd voor de lokale kerk te Korinte maar ook voor heel de kerk, de gemeenschap van gemeenschappen. Genadevolle vrede van God en van de Heer Jezus Christus wensen zij hun toe.

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Evangelielezing: Johannes 1,29-34
In het Johannesevangelie ligt alle nadruk op de persoon van Jezus, terwijl het bij de synoptici gaat om de verwijzing naar Gods koninkrijk dat op handen is. Johannes raakt niet uitgezongen over de namen die hij aan Jezus geeft: Hij is de logos, het licht, de eniggeboren Zoon, de heilige van God, de profeet, de van God gekomen leraar, de Heer, het brood, de deur, de goede Herder, de weg, de betrouwbare ten leven. Jezus is de ware representant van God, degene die in zijn spreken en handelen één met God is.
Johannes herschept het scheppingsverhaal uit Genesis (1,1–2,4) met zijn lofzang op het Woord dat bij God was, mens is geworden en onder ons zijn tent heeft op geslagen, vol van genade en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.
Van Hem getuigt Johannes en vanuit Jeruzalem zijn priesters en Levieten naar Johannes gezonden met de vraag: Wie bent u? Johannes laat er geen onduidelijkheid over bestaan: Ik ben niet de Messias. Hij is ook niet Elia of een andere profeet. Met een verwijzing naar de profeet Jesaja, zegt Johannes: Ik ben de stem die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer.
Op de vraag waarom hij toch doopt, als hij niet de Messias is of een van de profeten, antwoordt Johannes: Ik doop met water, maar in uw midden is iemand die u niet kent, Hij die na mij komt. Johannes bekent dat hij onwaardig is om de riemen van zijn sandalen los te maken, terwijl dat gold als minderwaardig slavenwerk.
De volgende dag ziet Johannes Jezus naar zich toekomen: Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Johannes heeft ook langzaam moeten ontdekken wie meer en eerder was dan hij, wie Hij was.

amnos (lam) kan ook knecht/dienaar (Jes. 49,1-6) of kind (Ex.1,16) betekenen.
amartia (zonde) betekent: de gebrokenheid van het bestaan/afwezigheid van het goede (tof).
In de Eucharistie bidden we tijdens het communiceren: Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons (volgens mij is het beter om te bidden: zonde).

Vanuit de hemel krijgt Johannes antwoord: Wanneer de Geest als een duif uit de hemel neerdaalt en op Jezus blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.
Johannes, die doopt met water, heeft dit gezien en getuigt: Hij is de Zoon van God.
Het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt is voor Johannes de Zoon van God geworden, helemaal bij God horend, God.

Gekomen is wie leven doet en hoedt,
            de vredevorst van alzo hoge,
            Verschenen is het licht der wereld,
            wie ongezien was zien wij oog in oog.
            (Andries Govaart, liederen 171,3)

Literatuur

A. Heschel, De Profeten, Vught 2013
A. Govaart, De weg die je goeddoet. Verzamelde liederen, Middelburg 2022
H. Welzen, Tasten naar het Geheim, Berne 2016, 198-2001
A. van Wieringen, Jesaja, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2009

 

Preekvoorbeeld

Soms delen wij onze werkelijkheid in alsof er twee krachten in aan het vechten zijn: goed en kwaad, licht en duisternis, recht en slecht. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Welke van tweeën krijgt de overhand? Het is een dubbeltje op zijn kant. Dat wij de wereld zo indelen, heeft zijn redenen. Die redenen liggen in ons hachelijk bestaan, wij voelen ons soms een speelbal op de golven van goed en kwaad, licht en duisternis, recht en slecht. Alsof wij daar zelf geen invloed op hebben. Nee, dat hebben we vaak niet. We zijn afhankelijk van hoe de kaarten geschud zijn. Er zijn machten en krachten groter dan wij die het voor het zeggen hebben, die bepalen ons bestaan en onze lotgevallen, goed of kwaad, licht of duisternis, recht of slecht.
Het is de wijsheid van het geloof altijd een beetje tegen te sputteren als de wereld zo in tweeën wordt gedeeld. Zijn ze echt tegen elkaar opgewassen, van hetzelfde kaliber, vergelijkbaar? Het is de wijsheid van het geloof te zeggen dat alleen het licht ertoe doet. Duisternis is slechts afwezigheid van licht. Zodra je een klein kaarsje hebt aangestoken voor een foto, bij een crucifix, is de duisternis al op de vlucht geslagen, z’n schaduwen deinzen terug. De duisternis bestaat niet, en zij weet het. Zo is het ook met goed en kwaad. Het goede bestaat, het kwade heeft geen substantie, geen poot om op te staan. Het kwade is niet meer dan de afwezigheid van het goede. Door één goede daad raakt het kwaad geheel ontwricht. Met recht en slecht is het al net zo. Alleen het recht heeft raison d’être, bestaansrecht, een richting en een doel. Wat slecht is, is er slechts als het recht ontbreekt, met voeten getreden, geweld aangedaan wordt.
Daarom moeten wij onze wereld niet in tweeën indelen, alsof God en de duivel met elkaar in gevecht zijn en we ons af moeten vragen wie van tweeën met de eer gaat strijken. Nee, er is er Eén die regeert. De wijsheid van het geloof houdt het bij goed, licht, recht. Al het andere, dat ons soms te machtig is, is niet meer dan een afwezigheid van dat waar wij aan geloven. Het is niet alleen de wijsheid maar ook de moed van het geloof de wereld zo te zien dat kwaad, duisternis en wat in- en inslecht is, slechts schijngestalten zijn, er zit niets achter, je prikt er doorheen. Laten wij blijven bij wat goed is, licht en recht.

Ik kom hierop door die bekende zin in de het gloria en het agnus Dei: Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis. ‘Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U over ons.’ Die zin is ontleend aan het evangelie van vandaag. Johannes de Doper ziet Jezus naar zich toe komen, en hij zegt: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’
Dat lam van God, Christus, is Gods aanwezigheid in de wereld. Niet alleen daar en toen, historisch, maar ook en vooral hier en nu, sacramenteel. Het lam van God is Christus in zijn meest kwetsbare gestalte, de dienaar van de Heer, van wie de profeet Jesaja sprak. Geen keizer maar een knecht. Elders zegt de profeet van hem: ‘Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht’ (Jes. 53,3) en hij vergelijkt hem met ‘een schaap dat naar de slacht wordt geleid’ (Jes. 53,7). Ons woord ‘hostie’ is afgeleid van het Latijnse woord hostia, dat ‘slachtoffer’ of ‘offerlam’ betekent (Ef. 5,2). En elke keer dat wij brood en wijn ontvangen, komt hij ons tegemoet als de levende die herkend wordt aan zijn wonden, die hij opliep toen hij de zonde van de wereld wegdroeg.

Johannes de Doper spreekt van ‘de zonde van de wereld’ (enkelvoud). De liturgie zingt van ‘de zonden van de wereld’ (meervoud), maar dat is te groots en meeslepend gedacht. Zonde is saai, het is altijd dezelfde makken met jou en met mij, nooit eens wat anders, we stinken er elke keer weer in, we doen het zelf, altijd het zelfde, die ene zonde.
De liturgie ziet ons veeleer in een creatief liederlijk leven, nu eens dit, dan weer dat, maar wat dit betreft houdt de liturgie ons maar puberale wensdromen voor, want het is niet waar. Wij zondigen niet in grote variëteit, wij laten telkens dezelfde steek vallen. Zonde is saai.
Wat de liturgie hier in dat meervoud wellicht ook parten speelt is dat het de zonde een beetje moraliseert, ja, en dan kun je er een hele catalogus op naslaan. Hoe dat gaat zie je aan de verschillen in associaties die wij hebben bij een zondaar en een zondares. Een zondaar knoeit met tweedehands auto’s, een zondares is een verleidster. Bij een zondaar denken we de zonde in zijn portemonnee, bij een zondares onder haar gordel. Dat alles is niet wat de bijbel onder zonde verstaat, het is moralisering van de zonde, eerder een inbreuk op kleinburgerlijk fatsoen dan dat het het bijbelse verhaal van God en de mensen vertelt.
Johannes de Doper spreek van ‘de zonde van de wereld’, enkelvoud. Dat is dat wij het laten afweten, niet thuis geven, onze verantwoordelijkheid links laten liggen, telkens weer. Het oerverhaal vertelt dat Adam de schuld afschuift naar zijn vrouw: ‘Nee, ik was het niet, U moet bij haar wezen, zij heeft mij de verboden vrucht gegeven.’ En dat zijn vrouw de schuld afschuift naar de slang. ‘Nee, ik heb het niet bedacht, er is hier maar een kwade genius en dat is de slang. Als u verhaal wilt halen moet u bij hem zijn.’ Zonde (enkelvoud) is telkens weer dit patroon, dat wij verstek laten gaan, dat wij de beslissing laten aan een ander, en dat die tenslotte terechtkomt bij de slang.

Zodat wat Johannes hier tegenover elkaar stelt, ons nu duidelijk wordt. Het lam van God is zijn aanwezigheid in de wereld, zijn presentia realis, zijn daadwerkelijke tegenwoordigheid die verschil uitmaakt, bevrijdt, verzoent, vergeeft, mensen in rechte verhoudingen zet.
En de saaie zonde waarvan hij spreekt, is onze afwezigheid in de wereld, ons afschuifgedrag, dat wij duiken, de schuld aan een ander gegeven, onze verantwoordelijkheid niet nemen.
‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’ We stonden er net bij stil dat alleen het licht bestaat, duisternis is slechts de afwezigheid van licht. Dat alleen het goede bestaat, het kwaad is niet anders dan de afwezigheid van iemand die goed doet. Dat alleen het recht bestaat. Zo is het ook met wat mooi is en lelijk. Alleen schoonheid bestaat, lelijkheid is slechts afwezigheid van schoonheid. En nu naar wat Johannes bedoelt. Alleen de aanwezigheid van het lam van God doet ertoe. De volgende dag wijst hij weer op hem: ‘Daar is het lam van God’ (v. 36). Onze afwezigheid, dat is onze zonde, verbleekt ten overstaan van hem. Onze afwezigheid deinst terug bij de aanblik van zoveel tegenwoordigheid van geestkracht, liefde en gehoorzaamheid. Daar staat de dienaar van de Heer, in volle verantwoordelijkheid. Onze afwezigheid – dat wij niet dáár zijn waar God ons verwacht – is slechts een schim van zijn aanwezigheid, midden in de wereld, waar God hem verwacht.
In bijzijn van het lam van God wordt alles anders. Daarom staat het hier aan het begin van het evangelie zoals het er staat: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’ Niet weg zál nemen, nee, alleen al door er te zijn néémt hij de zonde der wereld weg. Hij roept vrijheid en verantwoordelijkheid vrij bij ieder die opkijkt en de vinger van Johannes de Doper volgt. ‘Daar, het lam van God’, een en al aanwezigheid van Hem aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.

inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen