26e zondag dhj, C jaar, 25-9-2022

By 13 augustus 2022 No Comments
[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 43
  • Bestandsgrootte 158.29 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 13 augustus 2022
  • Laatst geüpdatet 18 augustus 2022

26e zondag dhj, C jaar, 25-9-2022

25 september 2022
Zesentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Am. 6,1a.4-7; Ps.146; 1 Tim. 6,11-16; Luc. 16,19-31 (C-jaar)

 

Inleiding

Dan zijn er de twaalf profeten:
            mogen hun beenderen in hun graf weer opbloeien.
            Want ze hebben Jakob moed gegeven
            en het volk door hoop en vertrouwen gered.
            (Sir. 49,10).

Amos, profeet van Gods gerechtigheid
Amos behoort tot de Twaalf Kleine Profeten en is de eerste (Schrift-)profeet van wie de woorden op schrift zijn gezet. Hij komt uit het Judese Tekoa, een vestingstad in de buurt van Betlehem (1,1; 2 Kron. 11,6). Hij is geen profeet van beroep, maar een grootkuddebezitter die ook vijgen kweekt (1,1; 7,14). In 760 vóór de gewone jaartelling haalt JHWH hem achter zijn beesten weg en geeft hem de opdracht om als profeet (Nabi: geroepen-roepende) naar Israël te gaan (7,15). Het koninkrijk van koning Salomo is dan al bijna twee eeuwen lang verdeeld in een Zuidrijk (Juda, met Jeruzalem als hoofdstad) en een Noordrijk (Israël met Samaria als hoofdstad). Wanneer de zuiderling Amos naar het Noordrijk trekt, is Jerobeam II koning van Israël (1,1; 2 Kon. 14,23-29). Vanwege de politieke rust en de lange en stabiele regering van Jerobeam II is het een periode van vrede en welvaart; de laatste vóór de ondergang van het Noordrijk in 722 (de val van Samaria).
Israël leeft in een tijd van hoogconjunctuur. Het gaat hen voor de wind. Er is internationaal verkeer, de handel breidt zich uit en er is een bloeiende veeteelt en wijnbouw. Men woont in mooie huizen, houdt er een tweede huis op na en kan volop feestvieren en van het leven genieten. Men is trots op het bereikte resultaat en verlangt naar steeds meer. Tijdens liturgische vieringen en op bedevaarten naar de tempelplaats Betel dankt men de Heilige voor zoveel goeds. Zij zijn er vast van overtuigd dat JHWH met hen is – de welvaart en rijkdom beschouwen zij als een zichtbaar teken van Gods tevredenheid met hen, en dat Hij hen op de dag van JHWH zal bevestigen in hun goed leventje en al hun vijanden zal straffen en vernietigen.

Deze hoogconjunctuur kent echter ook haar schaduwzijden. De welvaart en het winstbejag heffen het gevoel van compassie en van solidariteit met minder bedeelde volksgenoten op (5,10-12; 8,4-6), de schuldslavernij neemt toe (2,7v; 4,1; 8,4), er heerst klassenjustitie (2,7; 5,12) en rechtvaardige en eerlijke mensen hebben niets meer in te brengen (5,10.13).

Kortom: de welvaart komt niet aan allen ten goede, in tegendeel zelfs. De rijken verrijken zich ten koste van de armen die steeds armer worden. De sociale tegenstellingen worden steeds groter. Grootgrondbezitters tegenover bezitloze pachters. De luxe en overvloed van de rijken tegenover de armoede en ellende van de verarmden. Het machtsmisbruik van de leidende klassen tegenover de rechteloosheid van de maatschappelijk zwakkeren. Bovendien een zelfvoldaanheid op religieus gebied die zich uit in formalisme en ritualisme.

In deze situatie moet Amos als profeet optreden (3,8; 7,10-17) en Gods boodschap van recht en gerechtigheid verkondigen: Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek (5,24). Amos legt de vinger op de rotte plekken in de samenleving en prikt de schone schijn door. Hij probeert de verblindheid weg te nemen en de ogen te openen voor wat er werkelijk aan de hand is. Hij roept de Israëlieten op om zich tot JHWH te bekeren en weer te gaan leven overeenkomstig de liefdesband die er tussen JHWH en zijn volk Israël is (3,2). Hij doet dit niet primair omdat hij een maatschappijcriticus is, maar omdat JHWH gesproken heeft (3,8; 7,1-9; 9,1-3; 9,1-4) en hem de opdracht heeft gegeven om als profeet tegen Israël op te treden. Het hart van Amos’ boodschap – zijn credo – van waaruit alle woorden van Amos geïnterpreteerd kunnen worden, vinden wij in 3,1v:

Hoort dit woord dat JHWH gesproken heeft, tegen jullie, kinderen van Israël,
            tegen geheel het geslacht dat Ik heb doen optrekken uit het land Egypte.
            Het luidt:
            Alleen jullie heb Ik lief uit al de geslachten van de aarde.
            Dáárom zal Ik jullie ter verantwoording roepen
            voor al jullie ongerechtigheden!

Amos verkondigt hier de volgende boodschap:

1) JHWH is metterdaad met de Israëlieten bezig geweest. Hij heeft hen uit (de onderdrukking van) Egypte geleid en aan hen het land van belofte gegeven.
2) Van alle volken van de aarde heeft JHWH alleen de Israëlieten lief. Deze liefdesband is een gave en een opgave. JHWH's liefdevol handelen dient metterdaad liefdevol beantwoord te worden. Door dit liefdesverbond is hun verantwoordelijkheid groter; wanneer zij door hun gedragswijze niet aan dit verbond beantwoorden, laden zij een grotere schuld op zich dan andere volken en zal de straf zwaarder zijn.
3) De Israëlieten moeten ophouden met het alleen met de mond belijden dat JHWH hen bevrijd heeft en hen alleen liefheeft. Zij moeten er ook naar handelen in hun leven van alledag, zodat zij een zegen zijn voor elkaar en voor alle volken.
4) JHWH's liefdesverbond is geen automatische levensverzekering en geen waarborg dat hen niets kan gebeuren.
5) JHWH komt hen streng straffen omdat zij niet aan de liefdesverbintenis beantwoorden en er zelfs misbruik van maken, tenzij… zij zich omkeren.

Amos spreekt de Israëlieten aan op het feit dat zij het volk van God zijn en dat zij belijden dat JHWH hen liefheeft en uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd (3,1-2; 2,10; 9,7). In krachtige bewoordingen probeert hij hen duidelijk te maken dat zij dit in hun leven van alledag, in hun handel en wandel en in de omgang met elkaar niet serieus nemen. Gedurende geheel zijn korte optreden wijst Amos op de wederkerigheid en het verplichtend karakter van de liefdesband die JHWH met zijn volk Israël heeft en laat hij zien welke consequenties en verantwoordelijkheid deze met zich meebrengt (3,2: Voorkeur en verantwoordelijkheid).
Israël beantwoordt aan dit verbond wanneer het JHWH alle eer brengt door recht en gerechtigheid te doen (5,24) en door zijn heilige Naam niet de ontwijden door onrecht te doen (2,7) en het recht in alsem te veranderen (5,7). Wanneer zij zich niet tot JHWH bekeren door het kwade te haten en het goede lief te hebben (5,15), zal JHWH hen streng straffen en is het einde van Israël nabij (8,2). Voor hen die zich bekeren is er echter redding (5,15; 9,8-10): JHWH zal zijn volk Israël herstellen in zijn vroegere staat en het zal voor altijd leven in een rijk van gerechtigheid en vrede waarin God met hen is, een paradijselijke toestand (9,11-15):

Ja, de dagen komen – spreekt JHWH 
dat de ploeger de maaier ontmoet en de druiventreder de zaaier,
dat de bergen druipen van de wijn en alle heuvels golven van koren (9,13).

Klaagzang en klacht over u,
            gij die de zwakken vertrapt,
            onschuldigen grijpt en mishandelt.
            Zo spreekt die gij noemt ‘onze God’:Ik
            kan uw psalmen niet luchten, spaar
            mij uw liedjes, uw fluiten.
            Doe stromen als een rivier onstuitbaar,
            – als levend water, – doe stromen ge-
            rechtigheid. Gij die uw plannen smeedt
            om de misdeelden te doden,
            gij die praat in uzelf:
            ik koop ze voor geld, de minsten,
            voor een paar schoenen de armen.
            Daarom wankelt de aarde.
            klaagzang en klacht over u, u.
              (Lied van Amos, Huub Oosterhuis, Verzameld Liedboek, 348v)

Profetenlezing: Amos 6,1-7
Na bovenstaande inleiding op de profeet Amos en zijn boodschap (die ook te gebruiken is bij de andere teksten van Amos in het Leesrooster: 7,12-15 op de 15e  zondag door het B-jaar; en 8,4-7 op de 25e zondag voor het C-jaar) kijken wij naar de perikoop van de 26ste zondag door het jaar.
Na de perikoop over de dag van JHWH en over het verband tussen liturgie en diaconie (bidden en het doen van gerechtigheid) en vóór de dreigwoorden tegen de trotse rijken (6,8-14) staan Amos’ woorden tegen de zorgeloze brassers (6,1-7). Een ‘vrouwelijke parallel’ vinden wij in Amos 4,1-3. Daar spreekt Amos de welgedane en egoïstische vrouwen van Samaria aan op hun verantwoordelijkheid als leidsters van het volk. Hij verwijt dit ‘vet Fries stamboekvee’ (Jullie koeien van Basan) dat zij in weelde baden ten koste van de armen, en onbekommerd met volle teugen genieten van het goede der aarde. Voor straf zullen zij als slachtvee worden weggesleept (= verbannen).

In onze perikoop spreekt Amos de mannen aan op hun verantwoordelijkheid. Amos stelt het vadsige, onbekommerde en zelfzuchtige leven van de hogere standen aan de kaak: Wee jullie, zorgelozen op de Sion, argelozen op de berg van Samaria, leiders van dit uitverkoren volk, tot wie de Israëlieten zich wenden! (6,1). Het zijn mooie leiders tot wie het volk Israël zich wendt. Zij leven er goed van, zij doen of er niets aan de hand is, of de dag van onheil veraf is (6,3). In plaats van het naderende onheil te voorkomen, geven zij zich onbezorgd over aan allerlei genietingen (6,4-6). De onaanvaardbaarheid van hun levenswijze zien zij niet in. Zij zijn zelfverzekerd en in hun overmoed menen zij op eigen mogelijkheden te kunnen vertrouwen (6,1-2). JHWH zal hen echter vanwege hun gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en hun decadente levenswijze straffen (6,4-6). De eersten in Israël zullen ook de eersten zijn die in ballingschap gaan; hun einde zal tragisch zijn, wanneer zij zich niet bekeren tot bekommernis om de ondergang van Jozef (6,1.7).

Epistellezing: 1 Timoteüs 6,11-16
Zie A.B. Merz, ‘Pseudo-Paulus stelt voor altijd orde op zaken’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 69-79.

Evangelielezing: Lucas 16,19-31
Vanaf het moment dat Jezus weet dat zijn tijd gekomen is dat Hij weggenomen gaat worden (= zijn lijden, dood, opstanding en ten hemelopneming), gaat Hij vastberaden op reis naar Jeruzalem (9,51) en onderstreept Hij de blijvende betekenis van Tora en Profeten voor het binnengaan in het koninkrijk van God (10,25-28; 16,17.29.31; 24,27.44). Ook in onze perikoop spelen Tora & Profeten een sleutelrol.

De parabel die Jezus vertelt speelt zich af tijdens het leven van een rijke man en van de arme Lazarus (16,19-21) én na hun dood in het dodenrijk (16,22-31). Evenals bij Amos heeft de rijke man geen naam (dus in de ogen van God geen aanzien; vgl. farao en de Hebreeuwse vroedvrouwen Pua en Sifra in Exodus 1), én de verarmde wel. Bij Amos: Jozef en hier Lazarus (= God helpt). Zij worden door God wel gezien (Ps. 146,6-10). Jezus zet zo de gewone gang van zaken op zijn kop (Deze wereld omgekeerd).

Tot en met vers 25 speelt deze omkeer van verhoudingen een rol: tijdens zijn leven heeft de rijke man het goed en de arme Lazarus het slecht (16,19-21). Lazarus sterft en de engelen dragen hem in de schoot van Abraham De rijke man sterft en wordt begraven (16,22). In het dodenrijk lijdt de rijke man pijn en wordt de arme Lazarus getroost. (16,23-25). Het is een troostrijke boodschap dat de ontrechten in de schoot van Abraham tot hun recht komen en de rijken in het dodenrijk gestraft worden.

Maar dit is niet de hele boodschap van het verhaal. Jezus doet een appel op mensen die belust zijn op geld (16,14-18) om zich tijdens hun aardse leven om te keren en toe te keren naar de verarmden. Lazarus ligt aan de poort van de rijke man. Een poort kan uitnodigend mensen binnenlaten en mensen de toegang versperren. Tijdens hun leven hebben de rijke feestvierder en de bedelaar Lazarus geen contact, maar het was wel mogelijk (16,1v). Het appel dat van de verarmde Lazarus uitgaat wordt door de rijke man niet beantwoord, hij laat hem links liggen. Tijdens het leven op aarde is de tweedeling tussen armen en rijken te overwinnen. In het dodenrijk niet meer; dan is er een onoverbrugbare kloof (16,23-26). Zelfs met een beroep op vader Abraham is grensverkeer niet meer mogelijk. Noch tussen de schoot van Abraham en het dodenrijk (16,23-26) noch tussen het dodenrijk en de aarde (16,27-31). Op aarde kunnen poorten naar elkaar opengaan en kunnen rijken de armen in gerechtigheid laten delen in hun rijkdom. In het dodenrijk zijn de poorten definitief gesloten en is de kloof onoverbrugbaar.

Tijdens zijn leven ziet de rijke man Lazarus niet staan, heeft hij geen medelijden met hem gehad. Nu hij in het dodenrijk gekweld wordt wil hij via Abraham Lazarus gebruiken om zijn dorst te lessen en zijn vijf broers te waarschuwen opdat zij zich omkeren en de poort voor de verarmden wel openen.
De onverbiddelijkheid van Abraham maakt duidelijk dat alleen op aarde communicatie tussen rijken en armen mogelijk en geboden is. De boodschap van Tora en Profeten is hierover zeer duidelijk, de kloof tussen rijk en arm is te overbruggen: Het recht moet stromen als water, de gerechtigheid als een nooit opgedroogde beek! (Am. 5,24; Ps. 146).

Van de overtuigingskracht van Mozes en de Profeten moeten wij het hebben: Maar Abraham zei: ‘Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat’ (16,31). Zij vormen een betrouwbaar kompas om tijdens ons leven op aarde God in de naaste en de vreemdeling te ontmoeten. Zij wijzen ons de weg om ons te laten naasten door de onderdrukten, de hongerigen, de vreemdelingen en de armen en zo goed als God voor hen te zijn (vgl. Ps. 146). Zo lezen wij in het Testament van Franciscus van Assisi:

De Heeft heeft mij, broeder Franciscus,
aldus het begin gegeven van een leven in boetvaardigheid:
toen ik in zonden leefde,
vond ik het erg bitter melaatsen te zien.
En de Heer zelf heeft mij tussen hen gebracht
en ik heb hun barmhartigheid bewezen.
En toen ik bij hen wegging,
was wat ik bitter vond
voor mij omgeslagen in zoetheid naar ziel en lichaam
en ben ik een tijdje bij hen gebleven.
(Testament 1-3)

‘Er was eens een rijke man die bij een rabbi kwam. ‘Wat eet je meestal?’, vroeg de rabbi. ‘Och, ik leef heel bescheiden’, zei de rijke man, ‘brood met zout en water, dat is genoeg voor mij. ’’Ben je nu helemaal gek geworden’, riep de rabbi uit. ‘Gebraden kalfsvlees moet je eten en wijn zul je drinken zoals alle rijke mensen!’ En hij liet de man niet gaan, voordat deze hem beloofd had zich daar voortaan aan te houden. Later vroegen anderen aan de rabbi waarom hij zo’n wonderlijk woord had gesproken. ‘Pas als hij kalfsvlees eet’, antwoordde hij, ‘zal hij weten dat de arme brood nodig heeft. Zolang hij brood eet, denkt hij dat de arme wel met stenen toe kan.’

Literatuur
Bijbel NBV21, inclusief deuterocanonieke boeken, Haarlem/Antwerpen 2021
De Bijbel Literair, Zoetermeer 2003, 263-278
De Bijbel Spiritueel, Zoetermeer 2004, 449-455
M. Dijkstra, ‘Het boek Amos, in: E. Eynikel/A.van Wieringen, Toen zond de Heer een profeet naar Israël I, Averbode/Baarn 1996
G.P. Freeman, ‘De overdaad van Gods barmhartigheid volgens Franciscus van Assisi, in: Bulletin voor Charismatische Theologie, 2001, nr. 47, 55-66
A.J. Heschel, De Profeten, Vught 2013, 58-72
J. Hulshof, Zondag aan de rivier, Baarn 2018, 162-163
H. Janssen OFM, ‘Amos of Amasja’, in: Schrift-52 (Augustus 1977) 132-137
Idem, ‘Tsedaka, investeren in de verarmden’, in: Franciscaans Leven 1 (februari 1998) 12-18
B.J. Lietaert Peerbolte/Kl. Spronk, De Bijbel, Amsterdam 2021
H. Oosterhuis/ A. van Heusden, Het evangelie van Lukas, Vught 2007
H. Welzen, ‘De parabel over de rijke man en de arme Lazarus’, in: Schrift 183 (Juni 1999) 79-85
Idem, Lucas, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2011
J. Smit, Het verhaal van Lucas. Zoetermeer 2009

 

Preekvoorbeeld

Aan de andere kant van ons stadsdeel, waar de stad overgaat in het platteland, zijn in de afgelopen twintig jaar een heel aantal privéwijken gebouwd. Privéwijken zijn in Nederland goddank nog onbekend, maar op het Noord- en Zuid-Amerikaanse continent verschijnen ze steeds meer. Het zijn wijken met een groot hek of een grote muur eromheen. Door de bewaakte ingang worden alleen de bewoners toegelaten en hun bezoekers, die alleen naar binnen mogen als ze daar nadrukkelijk toestemming voor krijgen. Het is bijna overbodig te zeggen dat in deze privéwijken alleen mensen wonen met goede inkomens. Sommige van die wijken zijn heel groot en hebben winkelcentra, scholen, cafés en zelfs bioscopen en theaters. Dat zijn eigenlijk meer privésteden geworden.
De oudste privéwijk bij ons in de buurt lag, toen die gebouwd werd, nog in het vrije veld. Inmiddels is er echter aan de achterkant een arme wijk tegenaan gegroeid. Pal tegenover de metershoge muur staan huisjes met simpele golfplaten daken langs de onverharde straat. Tegen de muur is een kleine vuilnisbelt ontstaan.
Wat zullen de bewoners van de privéwijk van hun achterburen merken? Ze hoeven hen in elk geval niet te zien. Ondanks de fysieke nabijheid zijn de levens van deze armen en rijken volkomen gescheiden.

Over armen en rijken die leven in gescheiden werelden horen we ook al in de lezingen van vandaag. De rijke man en de arme Lazarus ontmoetten elkaar niet, ook al zat Lazarus bij de man voor de poort. De rijken van Samaria uit de eerste lezing lagen op hun ivoren bedden en namen niet de moeite om te zien naar degenen uit het volk die moesten lijden. Het is iets van alle tijden dat arm en rijk in verschillende werelden leven. En dat de rijken de zorgen en het lijden van de armen het liefst uit de weg gaan.

Als we om ons heen kijken, zien we het overal: armen en rijken leven in verschillende werelden. Als het je goed gaat, hoef je niet veel te merken en te zien van wie het minder goed gaat. Je hebt je eigen drukke bezigheden, ambities en ook sores. In onze wereld wordt er veel nadruk op gelegd dat iedereen voor zichzelf moet zorgen. We krijgen als het ware van bovenaf en van elkaar toestemming om iedereen die niet tot onze directe kring behoort buiten ons leven te laten. Ieder voor zich en God voor ons allen.
Als we goed om ons heen kijken zien we echter ook dat die werelden niet altijd gescheiden blijven. In de dagopvang voor dak- en thuislozen werken vrijwilligers uit alle maatschappelijke klassen. Als miljoenen Oekraïners hun land moeten ontvluchten maken mensen tot in West-Europa toe zolderkamers in hun eigen huis vrij om vluchtelingen op te vangen. Ook weet ik wel dat er door sommige mensen in die privéwijk aan de rand van mijn stadsdeel steun gegeven wordt aan een kinderopvang in de aangrenzende arme wijk. Gelukkig zijn er vele voorbeelden te geven van mensen die naar elkaar omzien hoewel ze dat misschien niet hoeven.

Ik wil even stilstaan bij die laatste zin die ik net uitsprak: ‘… er zijn mensen die omzien naar elkaar, hoewel ze dat misschien niet hoeven.’ Hoeven we niet naar elkaar om te zien? Kunnen we inderdaad onze eigen levens leiden met de mensen die we daarbij uitkiezen? Kunnen we zo ongehavend aan de eindstreep komen van een goed en welbesteed leven, vol interessante ervaringen en uitdagingen die we aangegaan zijn, met steeds heel veel lieve mensen om ons heen?

Wij zijn hier vandaag bij elkaar gekomen als christenen rondom het Woord, dat voor ons betekenis heeft en dat we willen horen om ons te helpen om ons leven een goede richting te geven. In de lezingen van vandaag horen we verontrustende antwoorden op de vragen die ik zonet stelde. Met de rijken van Samaria loopt het niet goed af en met de rijke man uit het evangelie evenmin. Het lijkt erop dat zowel de profeet Amos als Jezus hun toehoorders willen voorhouden dat het niet goed is voor een mens om zich af te sluiten voor andere mensen, mensen voor wie je misschien niet direct verantwoordelijkheid hebt, maar die je tegenkomt, die er zijn, die soms nota bene je buren zijn.
Het is trouwens interessant te kijken op welke manier het niet goed afloopt met de rijken van Samaria en de rijke buurman van Lazarus. De rijken van Samaria werden afgevoerd in ballingschap, een jaar of wat nadat de profeet Amos deze woorden sprak. Het ging al tijdens hun leven niet goed met hen. De rijke buurman sterft echter een rustige dood. Hij komt inderdaad ongehavend aan de eindstreep van een ogenschijnlijk goed en welbesteed leven. En toch zegt Jezus in zijn gelijkenis van hem dat het niet goed met hem afloopt. Na z’n dood welteverstaan.
Wat kunnen we zeggen over het leven na de dood? Niet veel concreets, maar wat we erover zeggen kan wel een raak spiegelbeeld zijn van ons leven voor de dood. De rijke man leefde er goed van, maar het was geen goed leven is het commentaar van Jezus. Er was eten in overvloed en de wijn vloeide rijkelijk, maar dat alles was er slechts voor de gasten, niet voor Lazarus en voor diens vele lotgenoten. Het was eigenlijk een leven van droogte en gebrek: gebrek aan solidariteit, aan verbondenheid, gebrek aan aandacht voor de mensen en misschien ook wel voor de dieren en de dingen om hem heen. Vroeg of laat openbaart zich dat gebrek als dorst en armoede.
De lezingen van vandaag zijn ongemakkelijk. Ze schudden wakker, roepen op en willen aansporen om onze ogen open te houden en onze oren te spitsen voor mensen die ons nodig hebben. Ze klinken streng, maar we weten dat God van ons houdt en het beste voor ons wil. Tegelijk wil hij het beste van ons, hij daagt ons uit dat we op ons best worden. Omzien naar anderen doen we, volgens Jezus en de profeten, uit noodzaak, vanwege de nood van anderen, maar ook uit innerlijke noodzaak. Zo worden we werkelijk mens, daar ligt het goede leven: in aandacht, in verbondenheid en solidariteit. 

inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post