21e Zondag dhj, C jaar, 21-8-2022

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 35
  • Bestandsgrootte 88.98 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 14 juni 2022
  • Laatst geüpdatet 18 augustus 2022

21e Zondag dhj, C jaar, 21-8-2022

21 augustus 2022
Eenentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 66,18-21; Ps. 117; Heb. 12,5-7.11-13; Luc. 13,22-30 (C-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 66,18-21
Jesaja 66 stelt de lezer voor raadselen. In volkomen onvoorspelbare afwisseling wordt gericht aangezegd en beloofd, en dat nu eens voor Israël, dan weer voor de volkeren. Nu eens wordt de offerdienst als een gruwel verworpen, dan weer wordt een machtige optocht naar de heilige berg in Jeruzalem voorzien, dat als zodanig al een offer is, vergelijkbaar met het reine vaatwerk dat de Israëlieten naar het huis des Heren brengen (66,22). Vers 66,1 lijkt te zijn vergeten. Tenzij we dat vers niet als een afwijzing van de tempeldienst zien (zoals veel christelijke exegeten wel hebben gedaan), maar als een profetische oproep om de tempeldienst samen te laten gaan met sociale gerechtigheid.
Het universele perspectief blijkt ook uit de echo’s uit Genesis: 66,18; volken en talen, doet denken aan de situatie voorafgaand aan de verdeeldheid van de Toren van Babel, en ook de opsomming van de volkeren in 66,19, Lud en Put, kennen we uit Genesis 10,6 en 13. De opsomming is niet overbodig, maar geeft de wijsheid van perspectief aan, zoals we dat ook kennen uit het Pinksterverhaal in Handelingen 2. Het is de moeite waard om de genealogie van deze volkeren zoals Genesis 10 dat vanaf Noach, tweede vader der mensheid, beschrijft, eens na te trekken.
Veel inkt is besteed aan de analyse van de brokstukken waaruit dit hoofdstuk 66 zou bestaan: inderdaad doet het pal naast elkaar stellen van oordeel en belofte grillig aan. We kunnen er echter ook van uitgaan dat het feitelijke resultaat is bedoeld door de laatste schrijver, dus dat die grilligheid samenhangt met het dubbele karakter van het eschatologisch perspectief: universele erkenning van Gods koningschap, God die zal richten over heel de mensheid (66,15-17, weggelaten uit de perikoop, maar wellicht onmisbaar!). De Godsopenbaring is vreeswekkend en tegelijkertijd fascinerend: zelfs de volkeren die nog niet van God gehoord hadden doen mee in dit machtige perspectief.
De omkering der waarden die Jesaja beschrijft gaat zo ver dat zelfs priesters en Levieten uit de niet-Joden kunnen worden gerekruteerd (66,21, tenzij ‘uit hen’ slaat op de Joden in de diaspora). Het is geen wonder dat kerkvaders hier een voorspelling van de christelijke kerk in zagen. Zolang dat niet leidt tot een karikaturale voorstelling van een particularistisch Jodendom is daar weinig op tegen.
De laatste drie verzen (weggelaten, maar met grote invloed op het Nieuwe Testament) gebruiken de metafoor van een eeuwige pelgrimage naar Gods huis, zoals we dat ook in Zacharia 14,16 kennen, daar verbonden met een universeel Loofhuttenfeest. Dat de laatste verzen zijn weggelaten zal wel samenhangen met vers 66,4, waar de serene vreugde eensklaps met een afgrijselijk perspectief eindigt.

Psalm 117
De meditatieve Psalm 117 wijst op de liturgie van offer en dank zonder enige reserve ten aanzien van de tempel als het huis des Heren. Als zodanig is deze psalm een belangrijk contrapunt op de kritiek van de profeten die gemakkelijk als radicale afwijzing van de tempel kan worden verstaan.

Hebreeën 12,5-7.11-13
De Hebreeënbrief is, zoals we weten, niet van Paulus, maar behoort wel tot de meest ‘Joodse’ geschriften van het Nieuwe Testament. Door middel van allerhande midrasj-achtige uitleg wil deze brief kennelijk Joden overtuigen van de waarheid van de boodschap van Jezus als vervulling van de Hebreeuwse Bijbel. Ook is deze brief door en door cultisch, doordat aan de hand van cultische gebruiken de betekenis van de dood van Christus als zoendood wordt uitgelegd. In onze passage gaat het over een weerbarstig thema: de beproevingen en vervolgingen zijn als de bestraffingen van een vader voor zijn kinderen. Die bestraffing, of ‘pedagogische tik’ uit een tijd dat dat nog niet verboden was, is afkomstig van onze Vader in de hemel, die in deze handelt zoals een aardse vader ook zou doen. Deze beproeving wordt niet plausibel gemaakt als zoethouder voor een beter leven in het hiernamaals, maar brengt de mens tot gerechtigheid, hier en nu! (12,11). Een gedurfde gedachte: tegenslagen maken de mens gevoeliger voor gerechtigheid dan louter voorspoed. Zoals gezegd ziet de Hebreeënbrief voortdurend vervulling van profetische beloften: zo ook hier. Door de ledematen te strekken en de knikkende knieën kracht te geven treedt er een messiaanse werkelijkheid op, die (alweer) in Jesaja wordt beschreven (hoofdstuk 35, let op het einde dat overeenkomt met Jes. 66). En natuurlijk mogen we hier ook denken aan de messiaanse tekenen waarmee Jezus zijn zending bekrachtigt: lammen lopen, blinden krijgen het gezicht.

Lucas 13,22-30
Deze perikoop behoort tot Q, dat wil zeggen de stukken die Lucas en Matteüs gemeenschappelijk hebben. Bij Matteüs 7,13-14 is het stuk over ‘de enge poort /deur’ in de Bergrede opgenomen en wel in de iets uitgewerkte vorm daar verwant aan de Twee Wegen, de keuze voor leven en goed doen, versus dood en verderf. (Deut. 11,26-28, Didache 1 en in Joodse geschriften). Bij Lucas gaan enkele parabels vooraf aan deze perikoop die een antwoord van Jezus vormt op een vraag van een onbekende: ‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’ Na de verwijzing naar de nauwe deur, geen poort, dus zonder wijde deur gaat de perikoop verder met een parabel, die ook over een deur gaat, zij het niet nauw, maar gesloten. De thematiek van de open of gesloten deur komt veel voor in parabels; denk aan de wijze en dwaze maagden. Een deur heeft een mythische dimensie: denk aan het Latijnse ianua, genoemd naar Janus bifrons, een god met twee gezichten, naar binnen en naar buiten, waar ook de maand januari de naam ontleent (verleden en toekomst). Ook in de joodse mystiek is het passeren van een deur/poort waar een wachter voor staat een bekend motief. Kafka heeft er zijn bekende verhaal Voor de Wet aan ontleend. Deze figuur wacht zijn hele leven en dan gaat de poort dicht en krijgt hij te horen dat hij de enige was die had kunnen binnengaan.
Zowel het unieke van het appel als (bij Kafka) het uitzichtloze van het binnentreden staan hier centraal. Bij Lucas gaat het om de deur van een huis waardoor men op de binnenplaats komt en die door de heer des huizes wordt gesloten, wellicht ’s avonds. Door deze deur binnentreden is volgens Lucas zeker wel mogelijk, maar het appel is even duidelijk: als de heer des huizes eenmaal de deur heeft gesloten is het te laat. Wat wil dat zeggen? Het gaat om waakzaamheid en om een handelen dat geen uitstel vergt: het gereedmaken voor het koninkrijk is een urgente zaak: ‘Als niet nu, wanneer dan?’ zegt de joodse wijze Hillel.
Hiermee komt de tijd onder messiaanse hoogspanning te staan, waarbij elk moment telt en jij alleen degene bent die de roepstem kan beantwoorden, niet je buurman of de samenleving of de regering of andere alibi’s. Het ‘eten en drinken’ in gezelschap van de heer des huizes duidt op een geloofshouding die God wel erkent, maar zonder een radicale levenshouding die daarmee correspondeert. ‘Ik ken jullie niet’, kan dan ook worden verstaan als ‘ik erken jullie niet’ en ook: ‘reken er niet op dat het behoren tot het volk van God voldoende zal zijn.’
Eschatologisch gaat het hier om een uitzicht op een toekomst die ver weg lijkt, maar in werkelijkheid ‘heden’ is en noopt tot radicale keuze en handelen. Concreet gaat het hier om een authentieke vervulling van de Tora die messiaans leven mogelijk maakt, niet om opheffing van de Tora. De toepassing van de parabel lijkt bovendien te zinspelen op bepaalde sociale verhoudingen, namelijk die van Joden tot heidenen. Zoals ook al in het boek Jona, waar het heidense Ninevé berouw heeft en handel en wandel verandert, gaat het hier om mensen die van de uiteinden der aarde zullen komen. Daarmee komen ze in het gezelschap van de aartsvaders, een voorrecht dat de ‘rechtsverkrachters’ (in Israël!) zullen hebben verspeeld. De aanspreking is bepaald niet zachtzinnig te noemen! Zoals in bovenstaande teksten gaat het om heil van Godswege dat enerzijds heel de mensheid omvat (alhoewel de aanduiding niet concreet is bedoeld, eerder als spiegel voor de hoorders), en anderzijds een scherpe kritiek uitoefent op de mensen tot wie Jezus zich richt, zijn mede-Joden. De kerk zal later deze teksten uitleggen als de afschaffing van de roeping van het Jodendom ten gunste van de (heidense) kerk, een gedachte waartegen Paulus zich in de Romeinenbrief heftig maar tevergeefs verweert.
Het kan nuttig zijn om ook Lucas 13,31 te lezen, waar de Farizeeën Jezus waarschuwen voor het gevaar van Herodes! Hiermee wordt de karikaturale voorstelling van Farizeeën als tegenstanders van Jezus behoorlijk gelogenstraft en zullen de ‘rechtsverkrachters’ dan ook niet concreet deze Farizeeën betreffen. Mogelijk gaat het zelfs niet om een identificeerbare groep, maar om een negatief contrast dat noopt tot kiezen. Uiteindelijk wil de parabel niet zeggen: ‘ik ken jullie niet’, maar: ‘kom binnen!’

Dat ‘de laatsten de eersten zullen zijn’ (13,30) is een zogeheten floating logion, dat op meer plaatsen wordt aangehaald. Het past daarom wellicht niet helemaal op de parabel, wel echter op die toepassing die de roeping van de heidenen ziet als opvolgend op de roeping van Israël.

 

Preekvoorbeeld

In het evangelie van vandaag speelt de deur een belangrijke rol. ‘De deur is nauw’, zegt Jezus, ‘span je tot het uiterste in om binnen te komen. En denk niet dat je alle tijd hebt. Wie te laat komt, vindt de deur op slot en krijgt van de huisbaas te horen: Voor vreemden doen we niet open!’
Vol verwachting, gespannen of bang gaan we in ons leven door allerlei deuren, van een nieuwe woning, van een feestzaal of van een ziekenkamer. Soms staan we voor een gesloten deur, geïrriteerd of teleurgesteld: ‘geen toegang voor onbevoegden’, ‘alleen op werkdagen tussen 9 en 5’. Een deur is open of op slot. Je kunt naar binnen. Je kunt ook naar buiten, tenminste als je niet in een gevangenis zit.
Vanouds hebben mensen het gevoel gehad dat hun hele leven een deur was, een passage tussen waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat. Janus, de Romeinse god van de deuren, heeft dan ook twee gezichten, een om naar de toekomst en een om naar het verleden te kijken. In het boek Genesis is de deur de passage van de aarde naar de hemel. Jakob ziet in zijn droom een ladder waarlangs de engelen van God neerdalen en opstijgen en wanneer hij wakker wordt, roept hij: ‘Dit kan niets anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel.’ Om die deur naar het waarachtige leven, het blijvende geluk gaat het in het evangelie. ‘Zet alles op alles, om langs die deur binnen te komen’, zegt Jezus.
Rabbijnen in de tijd van Jezus discussieerden over de vraag of veel of weinig mensen dat zouden redden. Sommige rabbijnen stelden dat alle Israëlieten gered zouden worden. Andere rabbijnen zagen het minder rooskleurig. Zij zeiden ‘dat degenen die ten onder gaan talrijker zijn dan zij die gered worden.’
De man of vrouw – het kan een leerling van Jezus of Johannes geweest zijn – die Jezus vraagt ‘Heer, zijn het er weinig die gered worden?’ was blijkbaar intens met die vraag bezig en is benieuwd naar het antwoord van Jezus. Is Jezus een optimist of een pessimist?
‘Zijn het er weinig die gered worden?’ Ik hoor iets angstigs in deze vraag. Misschien wil de vragensteller zeggen: ‘Als ik zie hoe weinig de meeste mensen van de Joodse wet afweten, als ik afga op het kleine groepje mensen dat op de sabbat naar de synagoge komt, als ik zie hoeveel mensen vooral met zichzelf bezig zijn en met hun eigen belangen, dan zullen er volgens mij maar weinigen gered worden.’ Zo’n verzuchting klinkt ons bekend in de oren. Iedereen hoort wel iemand zeggen: ‘Er komen geen nieuwe vrijwilligers bij in onze kerk. Mensen hebben het te druk. Ze weten trouwen ook weinig of niets over Bijbel, liturgie en kerk. Soms vraag ik me af wat er van hen terecht komt.’ Het is min of meer de echo van de vraag van die Joodse man of vrouw in het evangelie: ‘Heer, zijn het er weinig die gered worden?’
Je verwacht dat Jezus zal antwoorden: ‘Goeie vraag, daar moeten we het inderdaad eens over hebben.’ Maar Jezus vindt het geen goede vraag. Hij geeft er geen antwoord op. Hij heeft geen zin in een theoretische discussie. Het is alsof hij tegen de vraagsteller zegt: ‘Kijk niet naar de anderen. Zorg jij maar dat jij binnenkomt, jij moet je inspannen, dat doet niemand anders voor jou, niet je buurman, niet je parochie, niet de pastoor, niet de kerk en ook niet de regering. Jij maakt je zorgen over anderen. Alsof de weg naar het koninkrijk voor jou zelf een gelopen race is. Span je tot het uiterste in.’

En je moet opschieten. Je hebt niet alle tijd. Het leven is geen videospelletje dat je naar believen kunt herhalen. Sommige momenten van genade komen maar één keer voorbij, of zoals rabbi Hillel zegt: ‘Als niet nu, wanneer dan?’ Zorg dat je niet te laat komt. Wanneer je voor een dichte deur staat, helpt het niet tegen de huisbaas te roepen: ‘We hebben toch nog samen aan tafel gezeten, en je weet toch nog wel dat we naar jouw onderricht geluisterd hebben?’, wat ik vertaal als: ‘Je weet toch dat ik katholiek ben, hier is mijn clubkaart, ik ben gedoopt, heb mijn eerste communie gedaan en weet het een en ander van de Bijbel!’ Er is volgens Jezus maar één toegangsbewijs: het doen van gerechtigheid. Voor rechtsverkrachters en boosdoeners blijft de deur gesloten: ‘Gaat weg van Mij, gij allen die ongerechtigheid bedrijft.’
Gaan er velen of weinigen door de poort? Jezus zegt ons vanmorgen: ‘Zorg dat jezelf op koers blijft. Wat er met de anderen gebeurt, laat dat maar aan Onze Lieve Heer over. In ieder geval zullen jullie grote ogen opzetten, wanneer jullie de vele volken zien aankomen, die volgens de profeet Jesaja zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods, uit oost en west, noord en zuid.’ Alleen God weet hoeveel mensen, kerkelijk en onkerkelijk, links en rechts, zich wereldwijd inzetten voor waarheid en gerechtigheid. En wie er gered worden? Hij is de Enige die daarover gaat.

 

inleiding prof. dr. Marcel Poorthuis
preekvoorbeeld dr. Jan Hulshof SM