20e zondag dhj, B jaar, 18-8-2024

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 8
  • Bestandsgrootte 117.14 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 18 juni 2024
  • Laatst geüpdatet 18 juni 2024

20e zondag dhj, B jaar, 18-8-2024

18 augustus 2024
Twintigste zondag door het jaar

Lezingen: Spr. 9,1-6; Ps. 34; Ef. 5,15-20; Joh. 6,51-58 (B-jaar)

 

Inleiding

Johannes 6,51-58
De evangelielezing vormt de vierde perikoop in een doorlopende reeks lezingen uit het zesde hoofdstuk van het Johannesevangelie die in het B-jaar in de zomerperiode de lezing van het Marcusevangelie onderbreekt. In zekere zin is het gedeelte dat op deze zondag wordt gelezen, het hoogtepunt van de reeks. De verzen 60-69 die op de hierna volgende zondag aan bod zullen komen, vormen een anticlimax in die zin dat eruit blijkt dat veel van Jezus’ leerlingen diens woorden als schokkend hebben ervaren en afhaakten.
Iedereen die vertrouwd is met de synoptische evangeliën zal bij het lezen van hoofdstuk 6 associaties krijgen met de instellingsverhalen waarin Jezus brood breekt en deelt en dit duidt als zijn lichaam. In dit gedeelte wordt de samenhang met het instellingsverhaal expliciet gemaakt. Dit is des te opmerkelijker omdat het vierde evangelie zelf, zoals bekend mag worden verondersteld, geen instellingsverhaal kent en de auteur van dat evangelie – in plaats daarvan? – het verhaal van de voetwassing vertelt (hfst. 13). Verschillende exegeten, waaronder Rudolph Bultmann, hebben de hypothese geopperd dat de verzen 51-58 een latere, ‘sacramentele’ invoeging zouden zijn en dat het brood in de overige gedeelten op een geestelijke manier verstaan zouden moeten worden: ze zouden verwijzen naar Jezus maar niet naar de eucharistieviering. Andere exegeten zijn van mening dat heel hoofdstuk 6 niet tot de oudste kern van het evangelie behoort. Wie de auteur of redactor van de verzen 51-58 ook geweest mogen zijn, twee dingen staan in ieder geval vast: deze passage maakt deel uit van het Johannesevangelie zoals dat is overgeleverd door de handschriften, en de auteur/redactor moet bekend zijn geweest met een versie van een instellingsverhaal. Wat echter niet minder belangrijk is: de interpretatie die de auteur/redactor geeft van de traditie die ten grondslag ligt aan de instellingsverhalen, wijkt op enkele punten af van die van de synoptische evangeliën en die van Paulus in de eerste brief aan de Korintiërs. Opmerkelijk is allereerst dat deze traditie niet wordt gekoppeld aan de laatste maaltijd van Jezus, maar aan het verhaal van de broodvermenigvuldiging (6,5-15). Verder valt op dat wanneer Jezus het brood op zichzelf betrekt, hij niet het Griekse woord soma – dat de persoon aanduidt – maar het woord sarx gebruikt dat meestal met ‘vlees’ wordt weergegeven en verwijst naar de lichamelijke en sterfelijke dimensie. In combinatie met het drinken van het bloed kan dit cru – en zelfs ‘kannibalistisch’ – overkomen en het is begrijpelijk dat de Joden die met Jezus in discussie zijn, zich eraan storen. Maar om de betekenis te vatten die deze term in het Johannesevangelie heeft, moeten wij terug naar het begin van dat evangelie, de zogenaamde proloog waarin we lezen dat het Woord vlees (sarx) is geworden. Dat betekent dat het Woord van God echt is geïncarneerd, een mens van vlees en bloed is geworden. Ten slotte is er nog iets wat opmerkelijk is: in de hele passage wordt geen (expliciete) link gelegd met de kruisdood of offerdood van Jezus, zoals in de synoptische evangeliën en bij Paulus gebeurt. De nadruk ligt hier in plaats daarvan op het feit dat wie dit ‘brood uit de hemel’ eet – en het bloed drinkt – niet zal sterven, maar deel zal krijgen aan het eeuwig leven. De auteur/ redactor van Johannes 6 – wie het ook precies geweest moge zijn – legt hier eigen accenten die vooral in de westerse theologie van de eucharistieviering met haar nadruk op de dood van Christus en het offerkarakter – wat op de achtergrond zijn geraakt.

Spreuken 9,1-6
De eerste lezing, die is genomen uit Spreuken, is duidelijk gekozen met het oog op de evangelielezing en wel vanwege de verwijzing naar de maaltijd en het brood en de wijn. De context waarin die steekwoorden functioneren heeft echter weinig gemeen met die van het Johannesevangelie. Om de passage uit Spreuken te begrijpen, moet men eigenlijk het hele negende hoofdstuk lezen. Er is sprake van een tegenstelling tussen de wijsheid en de dwaasheid die worden gepersonifieerd als twee gastvrouwen die een maaltijd hebben bereid en mensen die geen wijsheid bezitten en onervaren zijn, uitnodigen om naar die maaltijd te komen. Door aan de maaltijd van Vrouwe Wijsheid deel te nemen, kun je inzicht verwerven. Degenen die naar de maaltijd komen die Vrouwe Dwaasheid heeft klaargemaakt, worden nog dommer dan ze al zijn en ze zullen afdalen naar het dodenrijk (dit gedeelte over de Dwaasheid wordt echter niet gelezen). Heel veel meer samenhang tussen de eerste lezing en de evangelielezing valt er niet te ontdekken.

 

Psalm 34
Enigszins raadselachtig is de keus van psalm 34 als antwoordpsalm, zeker voor wie uitgaat van de Hebreeuwse tekst. De sleutel is te vinden in vers 11 en dan volgens de Septuagint (de Griekse vertaling) en de Vulgaat (de Latijnse vertaling). In de Hebreeuwse tekst staat: De wilde dieren (de leeuwen) lopen hongerig rond; wie de Heer zoekt ontbreekt het aan niets. Maar de Griekse en de Latijnse vertalingen geven het woord voor ‘wilde dieren/leeuwen’ weer met ‘rijken. Zo ontstaat een tegenstelling tussen rijken, degenen die rijkdom zoeken, en degenen die God zoeken. Vermoedelijk hebben de samenstellers van het lectionarium hier een overeenkomst gezien met de dwazen en de wijzen uit het boek Spreuken. Mij schiet ook nog een vers uit de Lofzang van Maria (Luc. 1,53) te binnen: ‘Wie honger heeft overlaadt Hij met gaven, maar rijken stuurt Hij weg met lege handen’. En hoe zit het met de eucharistieviering? Is het de tafel van de armen of van de rijken?

 

Efeziërs 5,15-20
De tweede lezing uit de brief aan de christenen van Efeze maakt deel uit van een semi-continue lezing – dat wil zeggen dat de brief in zijn geheel wordt gelezen, maar dat soms gedeelten worden overgeslagen – op een achtereenvolgende reeks van zondagen. Het gedeelte is zo gekozen dat het aansluit op de lezing uit Spreuken. Ook hier de tegenstelling tussen wijsheid en dwaasheid. Er wordt met name gewaarschuwd voor het gebruik van (teveel) wijn. In plaats van zich te laten benevelen door wijn, moeten christenen zich laten vervullen door de Geest.

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

 

Preekvoorbeeld 

De lezingen van de afgelopen weken uit het evangelie van Johannes en de bijbehorende lezingen uit het Oude Testament zijn zoiets als bouwstenen voor een eucharistische spiritualiteit. De vorige week hebben we gehoord dat Jezus zegt ‘ik ben het brood van leven’. Vandaag gaan we een stap verder: van brood en wijn naar vlees en bloed. Vandaag gaat het over het realisme van de eucharistie, misschien wel het moeilijkst te aanvaarden. Dat horen we de volgende week ook: een breekpunt voor veel mensen

We gaan er eigenlijk altijd van uit dat de ander ons begrijpt en dat wij de ander begrijpen, dat het proces van communicatie goed en zonder problemen verloopt. Daar moet je ook vanuit gaan, want anders durf je je mond niet meer open te doen. Maar dat betekent niet dat het ook altijd goed gaat, dat er geen misverstanden kunnen optreden en ook optreden. Dat betekent ook niet dat die misverstanden niet vaak voorkomen en een grote rol spelen. Politieke partijen hebben niet voor niets communicatiedeskundigen en spindokters in dienst om te zorgen voor een goede profilering en vooral om misverstanden te voorkomen. En, er zijn heel wat komedies, op het toneel en in het leven, ontstaan vanwege misverstanden en heel wat tragedies, op het toneel en in het leven, ontstaan vanwege misverstanden.

Johannes speelt met misverstanden. Telkens in zijn evangelie begrijpen mensen het niet echt, zien ze de dubbele bodem niet, blijven ze te snel staan en dringen ze niet verder door. Johannes speelt met misverstanden. Als ik dat zo zeg, dan lijkt het een soort trucje in de communicatie met zijn lezers, zoals de schrijver van een toneelstuk zo kan schrijven dat de toeschouwers de misverstanden doorhebben die de spelers niet doorhebben, een trucje om iets over te brengen.

Maar er is meer in het gedeelte uit het evangelie dat we vandaag gehoord hebben, denk ik, meer dan een schrijverstrucje. Die misverstanden zijn er echt en niet alleen toen. Misverstanden rond de eucharistie, misverstanden rond het realisme van de eucharistie. Misverstanden die te maken hebben met het schokkende realisme van de eucharistie, met het schokkende realisme van sacramenten in het algemeen. Dat was schokkend toen en schokkend nu.

Wat is het schokkende in het verhaal? De sterke taal van ‘mijn vlees’, ‘mijn bloed’ met een suggestie van kannibalisme? Zeker, en in de loop van de geschiedenis is die suggestie ook voortdurend een verleiding en een ontkenning geweest, de bron van vreemde volksdevoties en van grote theologische twisten. Jaren geleden kreeg ik een video te zien over eucharistische wonderen: bloedende hosties, hosties waarin het gezicht van Christus te zien was en zo voort. Ik herinner me die video goed omdat de uitleg van het realisme van de eucharistie té schokkend was en niet schokkend genoeg. Té schokkend, omdat het echt de kant van het kannibalisme uit ging en ik weet uit de geschiedenis van de theologie en de kerk dat dat niet de bedoeling is van deze tekst en van de eucharistie. Niet schokkend genoeg, omdat het in feite voorbijgaat aan het realisme van de sacramenten.

Het realisme van de sacramenten, het schokkende realisme van de sacramenten heeft te maken met concreetheid. Met de concreetheid van de tekenen: brood, wijn, water, olie. Met de concreetheid van de betrokkenen: ik doop jou, ik zalf jou, neem jij hem tot jouw man, neem jij haar tot jouw vrouw, jouw zonden zijn vergeven, mijn lichaam en bloed voor jullie. Met de concreetheid van het gebeuren: het doopsel, het huwelijk, de wijding zijn niet momenten uit het verleden, maar zijn een voortdurende agenda voor het leven, de eucharistie is niet als een geïsoleerd uurtje, maar de bron en het hoogtepunt van de geloofsgemeenschap, van het leven van de geloofsgemeenschap. Het schokkende realisme van de sacramenten, van de eucharistie is die concreetheid. En alsof het nog niet genoeg is, die concreetheid is ook nog eens gewoon. Geen ingewikkelde constructies en gedachten, geen groots en meeslepende zaken, geen vreemde verschijnselen, maar brood en wijn, ons dagdagelijkse leven. Gewoner, eenvoudiger kan niet.

Het realisme van de sacramenten, het schokkende realisme van de sacramenten heeft ook te maken met het heden, het nu. Natuurlijk, wij zijn mensen die altijd ons verleden met ons meedragen en altijd bezig zijn met toekomst, maar als we alleen bezig zijn met ons verleden, of met onze toekomst, leven we niet echt, want echt leven is op de eerste plaats leven in het nu. En de omgang met God, het leven met de Eeuwige, het eeuwige leven, begint dan ook niet pas als we dood zijn. Daarvoor is het te belangrijk. Het leven met de Eeuwige, het eeuwige leven is nu. Straks wordt dat nu niet opgeheven, maar versterkt. Zoals dat in de prefatie van de dodenmis staat: ‘Gij neemt het leven niet van ons af, Gij maakt het nieuw’.

Het realisme van de sacramenten, het schokkende realisme van de sacramenten heeft te maken met de kern van ons geloof. Zoals de mensen in Nazaret Jezus niet kunnen accepteren, omdat ze toch zijn familie kennen, zoals die mensen niet kunnen aanvaarden dat God zo gewoon en zo concreet is, zo ook de mensen in het gedeelte dat we uit de broodrede hebben gehoord. Het schokkende van het realisme van de sacramenten is ten diepste het schokkende van de menswording van God. Dat is schokkend over de eeuwen heen.

inleiding prof. dr. Gerard Rouwhorst
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof