2022-94- aflevering 6

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 159
  • Bestandsgrootte 589.44 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 december 2022
  • Laatst geüpdatet 2 december 2022

2022-94- aflevering 6

Nummer 6 – 94ste jaargang 2022 – november/december

TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING

UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN

1 november 2022 Allerheiligen
inleiding dr. P. Kevers; preekvoorbeeld T. Brouwer OP

2 november 2022 Allerzielen (Eucharistieviering III) 
inleiding G. van Buul OFM; preekvoorbeeld M. Wisse

6 november 2022 Tweeëndertigste zondag door het jaar 
inleiding dr. J.C.M. Holman SVD;
preekvoorbeeld B. Van Laer OFM

13 november 2022 Drieëndertigste zondag door het jaar 
inleiding dr. V. Kabergs;
preekvoorbeeld prof. dr. H.W.M. Rikhof

20 november 2022 Vierendertigste zondag door het jaar 
inleiding H.M.J. Janssen OFM;
preekvoorbeeld B. de Groot-Kopetzky

27 november 2022 Eerste zondag van de Advent 
inleiding drs. M.G.J. van der Post;
preekvoorbeeld P. Heysse

4 december 2022 Tweede zondag van de Advent 
inleiding dr. Y. van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld dr. J. van den Eijnden OFM

11 december 2022 Derde zondag van de Advent 
inleiding prof. dr. E.M.M. Eynikel;
preekvoorbeeld drs. J.E.M. Schoorlemmer

18 december 2022 Vierde zondag van de Advent 
inleiding dr. H.L.M. Ottenheijm;
preekvoorbeeld drs. K. Touwen

24 december 2022 Geboorte van de Heer – Nachtmis 
inleiding prof. dr. R.H. Reeling Brouwer;
preekvoorbeeld drs. J. van Poppel

25 december 2022 Geboorte van de Heer – Dagmis 
inleiding drs. W.H.J.M. Berflo;
preekvoorbeeld drs. F.A. Wiersma

Homiletische hulplijnen 99 – drs. K. Touwen

 

1 november 2022
Allerheiligen

Lezingen: Apok. 7,2-4.9-14; Ps. 24; 1 Joh. 3,1-3; Mat. 5,1-12a


Inleiding

Eerste lezing: Apokalyps 7,2-4.9-14
De Eerste lezing op het hoogfeest van Allerheiligen is niet genomen uit het Oude Testament, maar uit het allerlaatste boek van het Nieuwe Testament en van de hele Bijbel: het boek Openbaring of Apokalyps. Dat was al zo in het preconciliaire Romeinse missaal, waarin Apokalyps 7,2-12 als ‘epistel’ fungeerde. De term ‘apocalyptisch’ verwijst in het gewone taalgebruik naar chaos, catastrofe of de ondergang van de wereld, en velen denken dat in het gelijknamige bijbelboek alleen maar rampen worden aangekondigd. Maar dat klopt niet: het boek is geschreven voor christenen die lijden onder vervolging en wil hun een hart onder de riem steken en een hoopvol perspectief bieden. Ondanks alle moeilijkheden, lijden en dood wacht hun de overwinning. Er worden rampen aangekondigd in het boek, maar er is ook hemelse liturgie en er zijn visioenen die vertroosting bieden. Zo bijvoorbeeld in dit zevende hoofdstuk.

De verhaallijn gaat als volgt. Zes van de zeven zegels van de geheimzinnige, verzegelde boekrol (zie hst. 5) zijn al verbroken, en telkens werden rampen aangekondigd. Nu wacht de ziener vol spanning op het verbreken van het zevende zegel. Maar dat gebeurt nog niet; er volgt eerst een pauze, een tussenspel. Dat ‘uitstel’ is typisch voor de apocalyptische verhaaltechniek. De lezer wordt erdoor aangemaand de kans tot bekering te grijpen, nu er nog tijd voor is. Bovendien wordt zo, midden in het relaas van de rampen, onze aandacht gevestigd op de uiteindelijke bedoeling: de redding van de mensheid door God. Want daarover gaat het in dit visioen.
De ‘vier engelen aan wie macht gegeven was schade toe te brengen aan de aarde en de zee’ (we kunnen er een mythologische voorstelling van de natuurkrachten in zien) worden in bedwang gehouden. Eerst moeten Gods dienstknechten door de engel van God op hun voorhoofd getekend worden. Het zijn er honderdvierenveertigduizend uit heel Israël (twaalfduizend uit elk van de twaalf stammen, die in de weggelaten verzen 5-8 één voor één worden opgesomd) en nog veel méér: ‘een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen’ (v. 9). Het heeft geen zin het getal 144.000 als een beperkende predestinatie te beschouwen, zoals sommige sekten doen. Twaalfmaal twaalfduizend, een onafzienbare menigte: dat is alles omvattende universaliteit.
De taal van de Apokalyps kan bedreigend overkomen, maar is bedoeld als aansporing om in moeilijke tijden de juiste keuze te maken tussen leven en dood. Aan allen wordt de mogelijkheid geboden om tot de geredden te behoren, om ‘hun gewaden wit te wassen in het bloed van het Lam’ (v. 14). Zulk een ‘onmogelijk’ beeld – hoe kun je met bloed iets wit wassen? – is als taalspel uiterst suggestief. Het doet denken aan dat andere ‘onmogelijke’ beeld: het Lam dat geslacht is en toch rechtop staat (5,6). Het bloed van het Lam, het lijden van Jezus en van zijn volgelingen in vervolgingstijd is geen doodlopende weg, maar een doorgang naar het leven (gesymboliseerd door de ‘witte gewaden’), naar de overwinning, naar de uiteindelijke aanbidding van God en het Lam (vv. 10-12). Zoals gezegd lijkt de Apokalyps een boek vol rampen, maar uiteindelijk is het een boek van vertroosting.

Antwoordpsalm: Psalm 24,1-6
Psalm 24 omvat drie erg verschillende delen. Het lied begint met een lofprijzing van de Eeuwige als schepper (vv. 1-2), vervolgt met een poëtische opsomming van de morele eigenschappen die men moet bezitten om de tempel van de Eeuwige binnen te gaan (vv. 3-6) en eindigt als een processielied voor Gods koninklijke intocht in de tempel (vv. 7-10, niet in de antwoordpsalm opgenomen). Het middendeel vertoont dezelfde literaire structuur als Psalm 15 en Jesaja 33,14b-16. Na een inleidende vraag wordt een reeks morele vereisten opgesomd. Was dit oorspronkelijk een drempelliturgie bij het betreden van het heiligdom? Of hoort het vraag-en-antwoordschema in de catechese thuis, en is deze literaire vorm in het religieuze onderricht ontstaan? Of is het een combinatie van beide? Onderrichting door priesters kan best een plaats hebben gehad in de tempel, ter gelegenheid van een liturgische samenkomst. In de liturgische context van Allerheiligen is deze antwoordpsalm een eerbetoon aan de tallozen die ‘de berg van de Eeuwige mochten beklimmen’ (zie v. 3) en die nu thuis zijn in Gods heerlijkheid.

Tweede lezing: 1 Johannes 3,1-3
Deze lezing uit de eerste brief van Johannes behandelt een thema dat ook in de proloog van het Johannesevangelie aan de orde wordt gesteld: ‘Aan allen die Hem wel ontvingen, aan die geloven in zijn Naam, gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden’ (Joh. 1,12). Kind van God zijn is zowel een gave (Hij gaf ons het vermogen) als een opgave (wij moeten het worden). Vers 1 van de lezing gaat in op het aspect ‘gave’: zo groot is Gods liefde, dat wij kinderen van God genoemd worden en het ook zijn. Het kindschap is ons al helemaal geschonken. Vers 3 vertolkt het aspect ‘opgave’, de groeidynamiek in het kindschap: wij moeten het steeds meer worden, wij moeten ons daarvoor rein maken zoals Christus. Vers 2 verkondigt de spanning tussen ‘reeds’ en ‘nog niet’, tussen ‘zijn’ en ‘zullen zijn’. Nu reeds zijn wij kinderen van God, maar pas bij de wederkomst van de Heer zullen wij helemaal gelijk zijn aan Christus, de Zoon van God, en Hem zien zoals Hij is.

Evangelielezing: Matteüs 5,1-12a
Net zoals de Eerste lezing hoort ook het evangelie van de ‘acht zaligheden’ uit Matteüs van oudsher bij het feest van Allerheiligen. De zaligsprekingen van Jezus zijn ons in twee versies overgeleverd. In het Matteüsevangelie staan ze in het begin van de Bergrede (Mat. 5–7), en in het Lucasevangelie in de zogeheten ‘vlakterede’ (Luc. 6,17-49). Bij Lucas zijn er slechts vier zaligsprekingen, verbonden met vier parallelle wee-woorden (6,20-26). Als we de versie van Matteüs met die van Lucas vergelijken, dan valt bij Matteüs de verinnerlijking op: zalig de armen van geest, zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, zalig de zuiveren van hart. In de zaligsprekingen die Matteüs méér heeft, worden levenshoudingen zalig geprezen (zachtmoedigheid, barmhartigheid, zuiverheid, vredelievendheid), geen concrete situaties zoals bij Lucas (armoede, verdriet, honger, vervolging).
Toen Jezus de zaligsprekingen uitsprak (wellicht in een vorm waar de versie van Lucas nog het dichtst bij aansluit), moeten ze geklonken hebben als een messiaanse proclamatie, een toezegging van geluk van Godswege, geformuleerd in de tweede persoon: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God’ (Luc. 6,20). Met Jezus breekt Gods koninkrijk aan. De armen en verdrukten zijn gelukkig, omdat aan hun ellende nu een einde komt. In Jezus trekt God zich immers hun lot aan.
In de schriftelijke neerslag bij Lucas en Matteüs krijgen de zaligsprekingen een nieuwe betekenis. De nadruk komt te liggen op het menselijke antwoord. Lucas onderstreept de armoede als noodzakelijke voorwaarde om toegang te krijgen tot het koninkrijk Gods, en wijst op de gevaren van de rijkdom. Bij Matteüs krijgen we een christelijke deugdenlijst, waarbij het accent van het materiële naar het innerlijke niveau verlegd wordt. Matteüs schrijft voor mensen die al een tijdlang christen zijn. Rijken worden niet automatisch buiten de gemeenschap gesloten, en materiële armoede alléén volstaat niet als toegangskaartje voor het rijk Gods. De innerlijke gesteltenis van het hart is zeker zo belangrijk.
Het valt op dat Matteüs de eerste acht zaligsprekingen (de deugdenlijst of ‘de acht zaligheden’) heel algemeen in de derde persoon formuleert (‘Zalig de armen… Zalig die vrede brengen…’). Daarna volgt echter nog een negende zaligspreking in de tweede persoon: ‘Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt…’ (v. 11). Deze zaligspreking bleef haar volle actualiteit behouden, ook toen Matteüs zijn evangelie schreef. Vervolging om Jezus’ wil bleef – en blijft in sommige streken tot op vandaag – voor christenen een reëel en actueel risico. Maar zoals in de Eerste lezing uit de Apokalyps is het perspectief hoopvol: ‘Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel’ (v. 2).

 

Preekvoorbeeld

Een van de commentaren op de Schriftteksten van deze feestdag gebruikt voor het begrijpen van de Eerste lezing (uit het laatste bijbelboek, het boek van de Apokalyps), het woord ‘röntgentaal’: in dit boek wordt zoiets als een röntgenfoto gepresenteerd, dat wil zeggen er wordt een ‘doorzien’ van het geschiedenisgebeuren gegeven; de diepte en binnenkant van de geschiedenis worden naar voren gebracht, aldus deze commentaar.
En wat wordt er dan in die röntgentaal verteld? Wel, je kunt lezen hoe er in de geschiedenis talloze mensen zijn die heel veel goeds deden/doen, maar dat dit goede niet vanzelfsprekend is. Het wordt steeds weer bedreigd en beproefd door chaos, catastrofes, door ondergang. Dit gaat immer door – onze tijd is niet minder slecht of goed dan voorgaande tijden! Maar, zegt de lezing uit de Apokalyps, uiteindelijk zal er paal en perk gesteld worden aan de bedreigende, negatieve krachten – dit is de hoop op grond van Gods gerechtigheid! – er wordt ze een ‘halt’ toegeroepen, ze worden afgestraft. Degenen die de keuze voor het goede maakten en het kwaad op afstand hielden, zullen in glorie ‘binnengehaald’ worden en komen in eeuwig licht van God te staan. Het goede zal zegevieren en voor altijd in God geborgen zijn! Eind goed, al goed.
Heel concreet ziet de ziener Johannes, hoe deze confrontatie tussen goed en kwaad, z’n sterkste uitdrukking vindt wanneer diegenen in de wereld komen, die Christus in zijn liefde en goedheid hebben nagevolgd. Zij zullen te maken krijgen met vervolgingen en dood. Het kwaad slaat toe. Hun getuigenis zal het heel moeilijk krijgen. Zij delen in de vernedering en de dood van hun meester. Maar eveneens zullen zij delen in zijn verrijzenis. Hun uiteindelijke geluk vinden ze bij de levende God, op de troon gezeten, en bij het Lam, dat, al was het geslacht, toch overeind is gebleven en het vaandel van de overwinning meevoert.

De ziener staat verbaasd over het feit dat het zulke enorme aantallen zijn die tot de eindoverwinning komen. Op het voorhoofd zijn zij getekend. Het betreft 144.000 uit alle stammen van Israël, en daarnaast een onafzienbare menigte uit alle rassen en talen. Zij staan rond de troon van God en het Lam en zingen lofgezangen, een hemelse liturgie, lof en dankbaarheid uitdrukkend. Alle leed is geleden, alle tranen zijn gedroogd. Het bloed van het Lam en het lijden van Jezus’ volgelingen bleken geen doodlopende weg, maar een doorgang naar het nieuwe leven (gesymboliseerd door de witte gewaden), naar de uiteindelijke aanbidding en eerbetuiging van wie centraal staan in de geschiedenis: God en het Lam.

Degene die te midden van de ontelbare menigte op de troon gezeten is, is God zelf. De menigte ziet Degene die tegelijk Alfa en Omega is: Alfa, omdat Hij aan het begin van de schepping stond, toen alles in gang werd gezet, niet door een grootse machtsdaad, maar door een gezagvol woord (God sprak en het was: wat in Gods eeuwige gedachten besloten lag, kwam tot ‘zijn’, tot ‘bestaan’, tot ‘aanzijn’); Omega, omdat op Hem, dezelfde God als aan het begin, de schepping zal uitlopen en zijn voltooiing zal vinden. Binnen dit geheel van de ‘geschapen werkelijkheid’– door God, Alfa en Omega, omvat en in stand gehouden – neemt de mens een unieke plaats in. Hij immers krijgt een vrije wil om te kiezen tussen goed en kwaad, tussen leven en dood, wat aan geen enkel ander wezen gegeven is. Bij hem ligt de confrontatie: hij kan de Schepper (die zag dat het ‘goed was’, ja zelfs ‘heel goed’ was) navolgen in diens tot stand brengen van het goede, of hij kan zich tegen de Schepper keren en kiezen om kwaad te doen.

Helaas weten we maar al te goed dat het reeds aan het begin bij de eerste mensen verkeerd liep. Er werden al heel spoedig keuzes ten kwade gemaakt, onheilige keuzes. Wat paradijs was werd ruwe aarde om te bewerken en te struikelen. Deze onheilige keuzes lopen tot in onze tijd door (Denken we alleen al aan het verschrikkelijke wat nu weer gebeurt in de Oekraïne).

Toch wilde God de falende mens niet aan zijn lot over laten, maar richting geven en helpen uit het kwaad weg te komen. God liet van zich horen. Het Joodse volk ontdekte zijn Woord heel vlakbij. Door profeten en heilige mensen werd Israël geholpen en aangespoord om op de goede weg te blijven, de weg van de Tora, gegeven op de Sinai, en de geboden daarin opgenomen, aan te houden. Zelfs indien daarvan werd afgeweken, was er toch weer door Gods barmhartigheid de mogelijkheid terug te keren, zoals bijvoorbeeld koning David na zijn overspel met Batseba.

Het hoogtepunt van Gods helpende hand, uitgestrekt naar onze armzaligheid, was de komst in de wereld van Gods Gezondene bij uitstek: Jezus, helemaal zoon van Israël, maar ook helemaal Gods Zoon (‘Dit is mijn veelgeliefde Zoon, luistert naar Hem’). Zojuist hoorden we in de Evangelielezing, hoe deze, Gods veelgeliefde Zoon tot spreken komt en, als een tweede Mozes, tijdens de Bergrede, woorden sprak, die we ons eigen kunnen maken, kunnen navolgen, maar die we ook links kunnen laten liggen, er geen acht op slaan, de vrije keuze laat beide toe. Een menselijk antwoord wordt gevraagd.
Deze woorden, de Zaligsprekingen, nodigen ons uit tot bescheiden, liefdevol, vergevend, vredelievend, mild gedrag. Op geen enkele manier roepen ze het beeld op van agressiviteit en geweldpleging, integendeel, eerder doen ze denken aan de houding van een dier, dat niemand ooit kwaad doet, een lam of een duif. Ze bevatten een troost voor wie in het leven geslagen zijn of door droefheid getroffen: de ‘losers’ in de samenleving. Als Jezus zelf deze gedragingen in praktijk brengt ten opzichte van zondaars en tollenaars, ook hen liefdevol benadert, tot bekering uitnodigt, dan wekt dit kwaad bloed. Degenen die als de beroepsmatige uitleggers van het woord van God werden beschouwd, de wetgeleerden en de Farizeeën, verdragen zijn woorden niet: ‘Hij gaat om met tollenaars en zondaars’. De gedachte komt op Hem te elimineren, hetgeen uiteindelijk zal gebeuren. Het kruis wacht Hem. Hij wordt het onschuldig Lam, geslacht voor de zonden van de wereld.

De heiligen, die we vandaag in één feest gedenken, de eindeloze rij uit de Apokalyps, passen allen in het profiel van de Zaligsprekingen in navolging van het Lam. De keuzes die ze maakten waren telkens weer vóór het goede, vóór het milde, vóór het vergeven, vóór het bescheidene (geen eer aan zichzelf toeschrijvend; de eer gevend aan Christus, die hen tot de goede keuzes bracht), noem ze maar op: Benedictus, Franciscus, Liduina, Titus Brandsma, Theresa van Lisieux, Bernadette, Edith Stein, Charles de Foucauld, moeder Theresa, om maar enkelen uit de ontelbare menigte te noemen. Zeker, ook heiligen schoten te kort en bleven in gebreke, denk alleen maar aan Petrus, die Jezus verraadde, of aan Paulus die, voor hij tot de grootste verkondiger werd, de eerste christenen vervolgde. Maar hun zonden en tekortkomingen ontmoedigden hen niet. Ze wisten zich liefdevol aangekeken door de vergevende blik van Jezus en snelden meteen naar Gods troon van barmhartigheid en liefde, ontdekkend ‘hoe groot de liefde is, die de Vader ons betoond heeft’ en ‘we mogen kinderen van God genoemd worden en we zijn het ook!’ (1 Joh. 3,1a). Na tekort te schieten, was onmiddellijk herstel mogelijk.

Dat er vandaag bij ons een diep verlangen en heimwee mag opkomen om ook tot deze ontelbare menigte te behoren, hun gedragingen van liefde, mildheid en vergeving over te nemen, daar door onze manier van leven getuigenis van te geven om dan eens: ‘God te zullen zien, zoals Hij is’ (1 Joh. 3,2b).

Schriftinstuif, een werkboek voor groepen bij schriftteksten van de zondagen, Jaar B, blz. 298. Jan Groot en Henk Sechterberger. Gooi en Sticht, Hilversum, 1990 


inleiding
dr. Paul Kevers
preekvoorbeeld Tiemen Brouwer OP

 

 

2 november 2022
Allerzielen

Lezingen: Wijsh. 3,1-9; Ps. 116; Rom. 8,31b-35.37-39; Luc. 24,13-35


Inleiding

Wijsheid 3,1-9
Het bijbelboek Wijsheid behoort de deuterocanonieke geschriften van het Eerste Testament. In sommige bijbeluitgaven heeft het boek, gebaseerd op 9,7-8.12, de titel van ‘Wijsheid van Salomo’, volgens de Joodse traditie de wijze bij uitstek. In feite werd het boek echter pas zo’n halve eeuw voor de christelijke jaartelling geschreven door een onbekende auteur, naar alle waarschijnlijkheid uit Alexandrië, en is daarmee het ‘jongste’ boek van het Eerste Testament in de versie van de Septuagint.
Dit geschrift is echter niet het enige wijsheidsboek dat aan Salomo werd toegeschreven. Ook voor Prediker, een werk uit de derde eeuw voor de gewone jaartelling, gold dat. Waar het in Prediker over dood en leven gaat is daar de toon flink anders dan in Wijsheid. Volgens Prediker is er nauwelijks verschil tussen het leven en sterven van de mens en van die van de dieren. Het mensenlot is de sjeol, het rijk van de totale vergetelheid. Het boek Wijsheid richt zich op de eerste plaats tot de bestuurders der aarde met de oproep om God voor ogen te houden en de gerechtigheid lief te hebben (1,1), want die is onsterfelijk (1,15). De aanduiding ‘bestuurders der aarde’ kan misleidend zijn. Mogelijkerwijze kunnen we hier ook denken aan de leiders van joodse gemeenschappen in de Grieks sprekende diaspora, met de bedoeling hen gevoelig te maken voor het gevaar dat hun mensen zich laten ontmoedigen door de negatieve kijk op leven en dood van hen tussen wie zij leven, en om de traditionele ideeën met betrekking tot deze kwesties onder de Joden bij te sturen. De auteur wil het geloof stimuleren in het voortduren van het leven. Deze bezorgdheid komt tot uiting in hoofdstuk 2 van het boek.
Onze perikoop vergelijkt de opvattingen van de rechtvaardigen en de goddelozen. In dit kader speelt de kwestie van dood en leven een belangrijke rol. Traditioneel werd een lang en goed leven gezien als beloning van Gods kant, terwijl armoede en rampen golden als straf. Deze opvatting kwam niet altijd met de werkelijkheid overeen. Vaak was het leven van de goddelozen vol succes en welvaart, terwijl het voor de rechtvaardigen dikwijls kommer en kwel betekende. In deze ‘vergeldingstheologie’ ontstond een revolutionaire kentering vanaf de tijd van de Makkabeeën, wat in onze tekst tot uiting komt in de aanhef: de zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand en geen foltering zal hen deren. In de ogen van de dwazen schenen zij dood te zijn en hun heengaan werd als een onheil beschouwd, hun verdwijnen uit ons midden als een vernietiging (vv. 1-3). Na de mening van de ‘dwazen’ naar voren te hebben gebracht, die blijkbaar van invloed was op de kijk van de Diasporajoden, schrijft de auteur nu over de onsterfelijkheid van de rechtvaardigen: Zij zijn echter in vrede, ook al worden zij naar de mening van de mensen gestraft, zij zijn vervuld van één hoop, de onsterfelijkheid (v. 4). God heeft hen waardig gekeurd om bij Hem te zijn (v. 5) en dan zal het hun beurt zijn om de dwazen te oordelen en te heersen over de naties (v. 8; vgl. Mat. 19,28).
De auteur behandelt hier een thema dat opkwam in de tijd van de Makkabeeën en hun strijd tegen de Syrische Seleuciden, toen veel vrome Joden sneuvelden omwille van de heiliging van Gods Naam (kidoesj hasjem) en ter verdediging van het leven volgens de Tora. Onmogelijk om de dood van deze geloofsgetuigen te zien als een straf. Als zij niet tijdens dit leven beloond konden worden voor hun trouw aan de zaak Gods, dan, zo concludeerden steeds meer wijzen, zouden zij die beloning zeker ontvangen in een leven na de dood. De focus van deze overtuiging was in het begin slechts gericht op de situatie van de martelaren, maar langzaam breidde die zich uit tot alle rechtvaardigen die in trouw volgens de Wet geleefd hadden. Toch werd deze overtuiging nog niet direct gemeengoed. In het Tweede Testament kunnen we lezen hoe er nog steeds verdeeldheid bestond met betrekking tot het leven na de dood zoals verdedigd door de Farizeeën, terwijl de Sadduceeën het geloof in een leven na de dood nog steeds verwierpen (vgl. Mat. 22,23-33; Mar. 12,18-27; Luc. 20,27-40; Hand. 23,6-10).

Psalm 116
Vanaf vers 7 komt het thema van deze psalm sterk overeen met de thematiek van de Eerste lezing. God heeft de bidder ontrukt aan de dood. Hij mag wandelen in het land van de levenden, omdat het leven van de getrouwen kostbaar is in Gods ogen.

Romeinen 8,31b-35.37-39
In deze perikoop bevestigt Paulus wat hij in de voorafgaande verzen geschreven heeft. Daarom kan hij hier eenvoudigweg beginnen met Wat valt er nog te zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? Deze houding van God gaat verder dan het sterfelijk leven zoals blijkt uit de opwekking van Jezus die nu aan Gods rechterhand zit. Geen enkel kwaad kan deze verbintenis teniet doen. Deze overtuiging beschrijft Paulus met een hele serie voorbeelden die de kracht van deze verbintenis moeten doen uitkomen. Verdrukking, benauwenis, honger, naaktheid, gevaar, geweld, en zelfs dood, engelen, geestelijke machten, heden en toekomst, wat boven of beneden ons is, kortom welk schepsel dan ook, zijn niet in staat om Gods liefde teniet te doen.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

 Lucas 24, 13-35
Volgens velen zou het derde evangelie geschreven zijn voor zogenaamde heiden-christenen door iemand die zelf eveneens christen uit het heidendom was. Als dat zo is dan is hij wel een heel bijzondere heiden-christen. Hij lijkt misschien niet volledig op de hoogte te zijn van bepaalde toestanden en gebruiken en van de geografie van het Joodse land. Daarom moet de lezer niet te snel naar verifieerbare feiten en gegevens in het lucaanse werk proberen te zoeken. Van de andere kant ontpopt de auteur zich als een geweldige kenner van de Joodse Schrift en van hoe daar mee om te gaan. Juist daarom is deze perikoop een waar eldorado voor spoorzoekers.

Op dezelfde dag (v. 13)
Met deze opmerking verbindt de auteur het komende verhaal met het voorafgaande, te weten wat er gebeurd was op de eerste dag van de week (24,1). Onze perikoop maakt daarmee deel uit van het Paasverhaal.

Twee leerlingen (v. 13)
Tweetallen komen bij Lucas meer voor. Waar bij Matteüs (28,2-7) een engel en bij Marcus (16,5) een jongeman zich bij het open graf van Jezus bevinden, ontmoeten bij Lucas de vrouwen op de Paasmorgen twee mannen (24,4). Ook bij de Hemelvaart (Hand. 1,9-11) verschijnen er volgens Lucas weer twee mannen op het toneel. Deze tweetallen zijn aankondigers van iets dat met Jezus te maken heeft. Maar waarom twee en niet één enkele persoon zoals bij de andere synoptici? Is Lucas geïnspireerd door de twee spionnen die Jozua uitgestuurd had om het gebied rond Jericho te verkennen en die later terugkeerden en vertelden wat hen overkomen was (Joz. 2)? Het aantal twee is eveneens van belang als garantie en om kracht bij te zetten aan de verklaring die de leerlingen aflegggen bij hun terugkomst in Jeruzalem, te midden van de anderen. Volgens Deuteronomium 17,6 kan een vonnis alleen rechtsgeldig zijn op basis van de verklaring van minstena twee getuigen. Ook Paulus schrijft in 2 Korintiërs 13,1 dat twee of drie getuigen nodig zijn om het waarheidsgehalte van een getuigenis te garanderen.

Emmaüs (v. 13)
Waarom naar Emmaüs? Gewoon, net als andere pelgrims naar huis terug aan het einde van het Pesachfeest? Of zij gedesillusioneerd waren wordt niet met evenzoveel woorden vermeld. Toch laat Lucas zijn lezers wel iets zien van de gemoedstoestand van die twee. Ze bleven staan met een ‘bedrukt gezicht’ toen de vreemdeling hen vroeg waarover zij aan het praten waren. Vers 17 vermeldt dat zij ‘somber gestemd’ waren en dat wordt soms eveneens als motief van hun tocht aangevoerd. Ze zagen het niet meer zitten. Dat zou ook blijken uit wat ze tegen Jezus zeggen: Wij leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles is gebeurd. Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, vonden ze zijn lichaam daar niet en kwamen ze vertellen dat er engelen aan hen waren verschenen, die zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen zij niet (vv. 21-24). Op het eerste gezicht lijkt dat een heel plausibele verklaring, maar waarom laat Lucas die twee naar een onbekende plaats gaan die nergens in het evangelie vermeld is?
Als hellenistische gelovige gebruikte Lucas vanzelfsprekend de Griekse Septuagintversie van de Bijbel. In het deuterocanonieke boek 1 Makkabeeën wordt in 3,40 en 4,3 de plaats Emmaüs (Ammaüs) genoemd (de enige keer dat er in het Eerste Testament sprake is van die plaats). Het gaat daar om een versterkte vesting in de strijd van de Israëlieten tegen de Syrisch-hellenistische overheersing. Op die plaats overwon Judas de Makkabeeër de vijand. Emmaüs is zodoende een plaats van hernieuwd leven voor de Israëlieten. Naar die plaats van leven trekken de twee leerlingen na de dood van Jezus, wel bedrukt, maar misschien toch vol hoop na hetgeen ze van de vrouwen en hun gezellen hebben vernomen. Nergens wordt duidelijk waar dat dorp lag. Lucas vermeldt slechts de afstand van Jeruzalem naar Emmaüs, als zijnde zestig stadie, dat is ongeveer 11 kilometer. Deze onduidelijkheid zet zich tot vandaag de dag door, want drie plaatsen pretenderen het lucaanse Emmaüs te zijn: Qubeibe en Abu Gosh, beide op ongeveer 11 km van Jeruzalem en Nicópolis dat echter op 160 stadie van Jeruzalem af ligt. Mogelijk een latere aanpassing in verscheidene evangeliemanuscripten, aangezien in de Byzantijnse tijd die plaats bekend was als Amvas.

Kleopas en zijn gezel (v. 18)
Slechts een van de twee wordt bij name vermeld: Kleopas. Nergens anders in het Tweede Testament komt deze naam voor, tenzij in verbinding met een van de vrouwen die onder het kruis van Jezus stonden, ‘Maria van Kleopas’ (Joh. 19,25). Over de identiteit van Kleopas zijn de meningen dan ook nogal verdeeld. Sommigen beweren dat het om een broer van Sint Jozef zou gaan, en dus om een oom van Jezus. Volgens anderen zou zijn vrouw Maria, een zus van de moeder van Jezus zijn en dus een tante van Jezus. Of het dan om twee zussen gaat die met twee broers getrouwd waren blijft onduidelijk. Volgens een andere overlevering zou Kleopas dezelfde zijn als Alfeüs, de vader van de apostel Jacobus (vgl. Luc. 6,15).
Een tweede enigma is de kwestie wie de metgezel van Kleopas is. Sommigen zijn van mening dat het om een zekere Sim(e)on zou gaan, een zoon van Kleopas, oomzegger van Jezus en opvolger van Jakobus, de broeder des Heren als ‘bisschop’ van Jeruzalem. Weer anderen hebben de hypothese geopperd dat het om de vrouw van Kleopas zou gaan (de Maria van Kleopas uit Joh.19,25?).

En het geschiedde (kai egeneto) (v. 15)
Steeds als in de Schrift deze uitdrukking wordt gebezigd, die overigens in de verschillende vertalingen niet altijd goed uit de verf komt, wordt de lezer erop gewezen dat er nu iets heel nieuws gebeuren gaat. In het verhaal van deze perikoop is dat de ontmoeting van de leerlingen met de verrezen Heer en hoe zij Hem herkenden.

De verrezen Heer herkend in Schrift en broodbreking (vv. 26-31)
Tijdens hun tocht spraken de twee leerlingen met elkaar en wisselden van gedachten over de gebeurtenissen van de laatste dagen. De evangelist gebruikt hier de Griekse werkwoorden homilein, wat naast ‘spreken’ ook ‘verkondigen’ kan betekenen en sudzètein, dat een vertaling kan zijn van het Hebreeuwse darasj wat ‘onderzoeken van de heilige teksten’ of ‘trachten duidelijkheid te krijgen’ betekent. We zouden kunnen zeggen dat de twee hier worden getekend als ware leerlingen in een proces van ‘lernen’. Hun beeld van Jezus als een groot profeet die veroordeeld was terwijl zij leefden in de hoop dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen, was, naar zij meenden, in duigen gevallen. Maar zoals bij het Emmaüs van de Makkabeeën de vrede hersteld werd, zo wordt nu op diezelfde plaats het geloof van de leerlingen nieuw leven ingeblazen.
Deze reanimatie vindt op twee manieren plaats: de verdieping in de Schriften, eerst onder elkaar (sudzètein) en vervolgens in het gesprek met Jezus en diens verklaring (exègeomai) van de Schriften en vervolgens in het breken van het brood. Voor Lucas waren de verdieping in de Schriften, het breken van het brood (en het delen van hun bezittingen) de basiskenmerken van de Jezusgemeente zoals hij later in zijn ‘Handelingen van de Apostelen’ schrijft (Hand. 2,42; 4,32-35). De evangelist gebruikt hier een thema dat zowel in zijn evangelie als in de Handelingen van de Apostelen regelmatig voorkomt, namelijk de overgang van blindheid of verblinding naar zien of waarnemen. Waar in andere evangelies de verrezen Heer herkend wordt aan zijn wonden, aan het feit dat Hij door gesloten deuren binnenkomt of iets eet, in feite dus aan wonderbaarlijke gebeurtenissen, herkennen, de Emmaüsgangers Hem wanneer zij samen lernen en het brood breken. Dat Lucas hier op symbolische wijze over blindheid en zien spreekt kunnen we opmaken uit het feit dat op het moment dat de leerlingen ‘zagen’ dat het Jezus was zijn lijfelijke aanwezigheid niet het belangrijkste was. Die zagen ze niet meer en die hoefden ze ook niet meer te zien.
Als we deze perikoop lezen als een soort ‘lucaanse parabel’, ook al wordt die misschien zelden zo genoemd, wordt het overbodig om te weten waar Emmaüs precies lag, wie de metgezel van Kleopas was, en welke precies de motieven waren om naar Emmaüs te gaan waren. Dan zal de lezer of de christelijke gemeente de aandacht moeten toespitsen op de omgang met de Schrift en op het breken van het brood om te trachten daarin de verrezen Heer te herkennen. Dat lijkt wat Lucas voor ogen had voor zijn gemeente; dat is eveneens van belang voor latere kerkgemeenschappen.

 

Preekvoorbeeld 

Vandaag, op Allerzielen, zijn we hier samen om te gedenken wie we missen: een geliefde, een vriend, een vriendin, een kind. Dat roept herinneringen op, gedachten, gevoelens, vaak te veel voor woorden. Soms weet je niet goed meer hoe het verder moet.
Omgaan met een groot verlies. Daarover vertelt de evangelist Lucas ons vandaag. En hoe er toch licht kan dagen juist wanneer de duisternis valt.
De twee leerlingen onderweg naar Emmaüs hebben een groot verlies geleden. Hun rabbi en vriend Jezus is gedood. Hun hoop op toekomst, hun houvast, de bodem ingeslagen. Ze zijn somber en bedrukt. Ze lopen wég van Jeruzalem, waar alles hen aan Jezus’ einde herinnert. Ze praten, ze wisselen van gedachten. Zoals wij mensen dat doen in zo’n situatie, proberen ook zij duidelijk te krijgen wat er gebeurd is en vooral waarom.
Er komt een vreemde op hen toe en loopt met hen mee. Het is Jezus. De leerlingen herkennen hem niet in zijn nieuwe gestalte, zijn verrijzenisgedaante. Hij maakt zich ook niet bekend, nee, hij vráágt: ‘Wat is dat voor een gesprek dat jullie voeren?’ En als Kleopas antwoordt, vraagt hij verder, vraagt hij dóór: ‘Wat dan?’
Hij gedraagt zich als een vreemde die van niets weet om hen zo de gelegenheid te geven hun verhaal te doen. Heel hun verbijstering, hun verdriet, hun verloren hoop, hun verwarring omdat het graf van hun vriend leeg bleek: alles mag uitgesproken worden. Jezus geeft hen ruimte voor hun verdriet. Als herder – pastor – weet hij dat dit eerst moet gebeuren, voordat er plaats komt voor iets nieuws.

Is dat ook niet onze ervaring? Hoe weldadig is het niet, wanneer er iemand is, die heel jouw verhaal wil horen, die luistert en vraagt, en haar of zijn eigen ervaringen op de achtergrond houdt.
Pas wanneer heel het verhaal van de leerlingen eruit is, begint de vreemde te spreken. Hij maakt zich nog steeds niet bekend. Nee, hij legt de Schriften uit. Hij geeft hen exegese, staat er letterlijk. Waarom? Wat heeft dat voor zin bij mensen die zo verdrietig en vol verwarring zijn? Jezus probeert hen duidelijk te maken, dat zijn leven en lijden in een groter verband staan. Als je kritisch bent over onrecht, dan ontloop je de woede van onrechtvaardigen nu eenmaal niet, legt hij uit. Dan ontkom je niet aan lijden. De Schriften echter laten zien, dat God de rechtvaardigen trouw blijft door de eeuwen heen. Gods constante is liefde. Zou God dan ook niet trouw zijn aan hun Jezus, die rechtvaardigheid voorleefde in eigen persoon? Zo krijgen de twee leerlingen in de chaos van hun gedachten, in hun zoeken naar betekenis, een verband, een samenhang aangereikt. Er begint een vonk in hun hart te branden.
Wij komen hier om onze geliefden te gedenken. We doen dat niet voor niets hier en gezamenlijk. Hoe stuurloos of leeg we ons op dit moment misschien voelen, ook wij zijn geen eenlingen: wij staan in een groter verband. We zijn verbonden met mensen vóór en na ons. Ook wij zijn opgenomen in diezelfde geschiedenis van God en mensen, waarover Jezus vertelde. Hetzelfde zinsverband. Dezelfde liefdevolle omvatting door God door de eeuwen heen. Dat geldt ook voor onze geliefden die wij missen. Hun leven en ons leven is niet zinloos, maar een deel van dat grote geheel.
De twee leerlingen hebben Emmaüs bereikt. Jezus doet alsof hij verder moet: hij is er merkbaar op uit hen iets duidelijk te maken. Hij wil hen verder brengen dan hun verdriet. Daartoe heeft hij eerst de rol op zich genomen van onbekende medemens en pastor, en vervolgens van rabbi die de Schriften verklaart. Nu gaat hij in op hun aanbod om samen te eten, en pakt de rol van voorganger. Hij neemt het brood, zegent het, breekt het en reikt het hen toe. Het is zijn speciale, karakteristieke gebaar. Op dát moment herkennen de leerlingen hem. Het is niet zijn uiterlijk, het is zijn kerngebaar dat het hem doet. Hij is er weer! Zodra de leerlingen dat zien, wordt Jezus’ lijfelijke aanwezigheid onbelangrijk. En hij verdwijnt uit hun gezicht…
Voortaan echter hebben ze voor altijd een reisgenoot. Ze staan op, ze weten weer, wat ze moeten doen: erover vertellen en het brood blijven breken en delen, zoals hij het deed.
Hier ligt ook voor ons een handreiking. Overmand door verdriet of verlamd weten we soms niet meer hoe het verder moet na het gemis van een geliefde. Laat je dan meenemen door dit kerngebaar van deze voorganger, niet alleen hier, maar in je dagelijks leven: ontvang wat anderen met je willen delen, neem het dankbaar aan. En blijf zelf breken en delen. Al zijn het maar heel kleine beetjes, omdat je vanuit je leegte niet veel te geven hebt. Het oergebaar zal je verder helpen. Het zal je doen opstaan, al is het met vallen aanvankelijk. En wie weet, dat je eens zal zien met de ogen van je ziel: ook naast jou gaat een reisgenoot.


inleiding
Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld Marian Wisse

 

6 november 2022
Tweeëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: 2 Makk. 7,1-2.9-14; Ps. 17; 2 Tess. 2,16–3,5; Luc. 20,27.(34-)38

 

Inleiding

In de herfst stemt de kerk haar liturgie af op dit jaargetijde van de afstervende natuur. Degenen die in de herfst of winter van hun leven zijn aangeland, voelen zich wellicht daardoor speciaal aangesproken.
We hebben gedenkdagen als Allerheiligen en Allerzielen die extra tot nadenken stemmen, net achter de rug. De liturgie richt in deze context onze gelovige blik op wat ons ná de dood te wachten staat: een eeuwig leven bij God na de verrijzenis uit de doden?

De opstanding uit de doden in het Oude Testament
Het geloof in een leven na de dood is een laatbloeiertje in het Oude Testament. Eén van die later gegroeide geloofsovertuigingen, vrucht van een voortschrijdend inzicht, was het geloof in de verrijzenis der doden. De opstanding van de overledenen komen we in de Bijbel pas in de tweede eeuw voor Christus uitdrukkelijk tegen (Dan 12,1-3; 2 Makk. 7,1v.9-14). Dit is de gewone opvatting onder bijbelwetenschappers.
Mijn leermeester, de Amerikaanse Libanees Mitchell Dahood sj (1922-1982), vond echter met name ook in de Psalmen verwijzingen naar een leven na de dood. Voor hem was het onwaarschijnlijk dat het volk van Israël (le génie religieux d’Israël, aldus Henri-Dominique Lacordaire op 1802-1861 – geduchte ‘preektijger’ in de Notre Dame van Parijs), niet al vóór de tweede eeuw voor Christus een hiernamaals gekend zou hebben. Israël was immers vóór de Exodus (ca. 1200) reeds door historische banden met Egypte verbonden. De Uittocht had bovendien bewezen dat het beloofde land van Israël ‘op loopafstand’ van Egypte ligt. Dat was het land, waar farao’s en hun ambtenaren dag en nacht bezig waren met hun eigen voortbestaan na de dood door middel van ingewikkelde mummificaties en piramiden te verzekeren.

Het traditionele uitgangspunt evenwel voor beschouwingen over het ontstaan van het bijbels geloof in een leven na de dood luidt: ’Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd’ (Dan 12,1-3 in de NBV 21).
De uiterst dramatische situatie waarin het Joodse volk toen leefde, heeft in niet geringe mate bijgedragen tot de rijping van het geloof in de verrijzenis der doden. Tijdens de bloedige vervolging onder de Syrische koning Antiochus iv (175-164 vChr.) en de Makkabeese oorlogen (167-141 vChr.) krijgt de vraag naar de geldigheid van Gods beloften voor zijn getrouwen een hoge actualiteit. Waren het niet juist de joodse gelovigen die voor Jahweh, de God van Israël, hun leven over hadden? Kon men zich voorstellen dat de God van de beloften de mensen die voor Zijn eer het leven lieten, aan hun lot over zou laten?
Nee, Gods trouw reikt verder dan de grenzen van dood en graf, vonden joodse mensen destijds. Een voorbeeld van deze geloofsovertuiging hebben we vandaag in de Eerste lezing over de marteldood van de Makkabeese broers kunnen horen. Het laatste vers daarvan (v. 14) laat niets aan duidelijkheid te wensen over. ‘Toen hij (de vierde Makkabeese broer) op het punt stond te bezwijken, zei hij: ‘De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat Hij ons weer zal opwekken. Voor u (de beul) zal er geen opstanding tot nieuw leven zijn.’
Voor een jood kon dit slechts betekenen dat God de doden zou doen verrijzen. De gedachte aan een geestelijk beginsel in de mens (de ziel), dat na de dood apart voortleeft, was bij de joden destijds onbekend. Lichaam en ziel vormen in hun Semitisch denken een eenheid die niet gescheiden wordt. Deze geloofsovertuiging omtrent de opstanding van de doden was in Jezus’ tijd intussen algemeen verspreid, ook onder het gewone volk.
Ten tijde van een bezetting van het Heilige Land en onderdrukking door een tiran ontstond in de literatuur het genre dat we de apocalyptische literatuur noemen. Apocalyps is een Grieks woord dat ‘openbaring’ betekent, een onthulling van dingen die niet eerder bekend waren. Kenmerkend daarvoor was dat het de gelovige blik nadrukkelijk op het hiernamaals richtte. De boeken Daniël en Makkabeeën horen tot dit apocalyptisch literair genre.
Terzijde zij opgemerkt dat ons Nieuwe Testament, met name de evangeliën, ontstaan in een periode van Romeinse onderdrukking, nogal sterk op de hemel gericht zijn. Gevolg hiervan is dat de katholieke spiritualiteit tot het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) een theologie van de aardse waarden enigszins uit het oog verloor, onder het motto ‘Red uw ziel’.

2 Tessalonicenzen 2,16–3,5
Zie M.J.J. Menken, ‘De tweede brief aan de Tessalonicenzen. Oproep tot nuchtere standvastigheid’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 57-63

Lucas 20,27-38
De conservatieve Sadduceeën blijven echter dwarsliggen. Zij argumenteren tégen de verrijzenis der doden vanuit de tekst over het zwagerhuwelijk in Deuteronomium 25,5v. Wanneer een getrouwde man kinderloos stierf, moest zijn broer de weduwe, zijn schoonzuster, trouwen en voor de overledene alsnog kinderen verwekken. In Jezus’ tijd was dit zwagerhuwelijk echter in onbruik geraakt.
Het antwoord van Jezus op de casus die de Sadduceeën voorleggen, is tweevoudig. In de verzen 34-36 verwerpt Jezus het argument van de Sadduceeën. De toekomstige wereld is geen duplicaat van de tegenwoordige. De verrezenen horen thuis in de sfeer van God. Daar hebben wij met onze binnenwereldse voorstelling van zaken geen vat op.
De Sadduceeën maken dezelfde fout als tegenwoordig de tegenstanders van ons geloof. Die zeggen: ‘Het moet wel erg druk zijn daarboven met al die lichamelijk verrezen mensen van alle eeuwen’. Zij spreken in áárdse termen over het hiernámaals. Onze aardse, menselijke voorstellingen gelden daar niet.
In het tweede gedeelte van onze evangelielezing (vv. 37-38) geeft Jezus een positief argument ten gunste van het geloof in de opstanding der doden. Jezus ontleent dat argument aan het Boek Exodus 3,6. God zegt tegen Mozes: ‘Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’. Er staat: ‘Ik bén’ en niet: ‘Ik wás’. Toen God dit zei, was Abraham al eeuwen dood volgens het bijbelverhaal. Dit betekent dat God de overleden aartsvaders als levend beschouwde. Leven was voor de jood lichamelijk én geestelijk leven in eenheid. Het impliceerde dus de lichamelijke verrijzenis van de overledenen.
Gods belofte van trouw wordt niet ongedaan gemaakt door de dood van het lichaam. Wat voor Abraham geldt, geldt voor ons allemaal. ‘Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven’ (Luc. 20,38).

Tot slot, Gods trouw is sterker dan de dood. En deze trouw geldt voor iedere gelovige, ook voor ons. ‘Ik geloof dat God zijn hand naar ons uitsteekt, wanneer wij op het punt staan de sprong te maken. Je moet je in de handen van de Heer overgeven, in je eentje kun je het niet opbrengen’ (aldus paus Franciscus in: Jorge Bergoglio, Abraham Skorka, Over hemel en aarde, Paus Franciscus over geloven en leven in de 21ste eeuw, Lannoo, Tielt 2013, 70)

 

Preekvoorbeeld

Het evangelie dat we net hoorden kan voor sommigen onder ons heel confronterend overkomen. Voor anderen zal het een vraag oproepen die een antwoord verwacht op twijfels en onzekerheid omtrent het leven na de dood. En voor nog anderen zal het klinken als een bevestiging op een rotsvast geloof in het hiernamaals. Maar dat is zeker geen meerderheid meer.
Inderdaad: voor de meeste mensen klinkt de uitdrukking ‘dood is dood’ als een definitieve bevestiging dat er geen nieuw en eeuwig leven voor ons is weggelegd.
Dat was ook de overtuiging van een conservatieve priestergroep ten tijde van Jezus. Dat waren de Sadduceeën. Zij geloofden niet in de verrijzenis van de doden. En met die overtuiging kwamen zij Jezus aan de tand voelen om te weten hoe hij zou reageren. Zij wilden zijn geloof testen. Wellicht is het evangelie van vandaag een goed moment om Jezus’ standpunt beter te kennen inzake ons geloof of twijfel of vragen in verband met een leven na de dood.
De Eerste lezing van vandaag uit het boek van de Makkabeeën getuigt van Joden die ten tijde van vervolging vasthielden aan hun geloof in een leven na de dood. Dit geloof was tamelijk recent en is bij de Joden ontstaan rond de tweede eeuw vóór Christus. Een tijd waarin Joden bedreigd waren. Het doet me denken aan de oorlogsjaren bij ons: toen zaten onze kerken vol en konden mensen bidden. Een tijd waarin mensen bang waren en zich tot God wendden. Zij botsten brutaal op de grenzen van hun bestaan. Zij werden plots bewust dat er een God is die trouw beloofd heeft aan zijn mensen. Ook Joden konden niet geloven dat die God een verbond met zijn volk had gesloten en hen in de uiterste nood in de steek zou laten. Zij geloofden dat die God trouw blijft over de grenzen van alle dood heen. In dat geloof stonden zij trouwens niet alleen: zij woonden naast Egypte, waar farao’s reeds lang piramiden bouwden vanuit hun geloof in een leven na de dood.

Aan het verrijzenisgeloof houdt ook Jezus vast. Als hij tijdens zijn verkondiging van het Goede Nieuws gaandeweg weerstand ziet groeien bij de godsdienstige leiders en hij bedreigd wordt met de kruisdood, dan weet en gelooft hij: mijn Vader blijft trouw over de dood. En in dat geloof is hij niet beschaamd geworden! Het is niet voor niets dat wij elk jaar het Paasfeest vieren als hoogtepunt van het kerkelijk jaar. Kernpunt van ons geloof! En bij dat feest wordt uitdrukkelijk wereldwijd en plechtig gevierd en beleden dat God zijn zoon Jezus uit de dood heeft bevrijd om Hem het eeuwig leven te schenken. Dat wil zeggen: Jezus leeft nu vandaag nog altijd.
En de apostel Paulus voegt er onmiddellijk aan toe: Jezus is de eerste die verrezen is van allen die in geloof in hem ontslapen zijn. Paulus gelooft en bevestigt dat God trouw blijft aan ons over de grenzen van de dood heen. En hij verklaart verder dat dit nieuwe leven geen kopie zal zijn van ons leven nu. In die zin sluit het aan bij wat Jezus vandaag zegt: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven.’ Die nieuwe realiteit kunnen wij ons gewoon niet voorstellen. Vroeger, toen mensen nog arm waren, stelden zij de hemel voor als de plek waar wij rijstpap zullen eten met gouden lepeltjes. Waar we wel in kunnen geloven is dat wij opgenomen zullen worden in een grote liefdesgemeenschap, in een diepe verbondenheid met allen die ons in dat geloof zijn voorgegaan. Is het precies niet dat wat wij elke zondag na de homilie samen uitspreken, wellicht niet altijd bewust als wij belijden: Ik geloof in de heilige Geest, de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.
Blijkbaar vindt Jezus nóg een argument voor dit geloof, wanneer hij in het evangelie van vandaag verwijst naar Mozes bij de brandende braamstruik. Aan hem zegt God: ‘Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ God zegt: ‘Ik ben’ en niet ‘Ik was’. Dit wil zeggen dat God de overleden aartsvaders nog altijd als levend beschouwt.

Met het perspectief op een leven na de dood, in een liefdevolle gemeenschap samen met onze geliefden, krijgen we een beter zicht op wat wij kunnen noemen: onze pelgrimstocht door de woestijn van ons leven naar de Vader die ons opwacht zoals wij dit lezen in het verhaal van de verloren zoon. Soms kunnen we klagen als we tegenslagen te verwerken krijgen. Dan worden we bekoord om ons neer te zetten en de tocht op te geven. Maar vandaag opent de Heer ons het perspectief waarin Hij ons reeds is voorgegaan. Hij wacht ons op, maar dat niet alleen: als wij straks ter communie gaan, komt Hijzelf ons voeden met zijn lichaam opdat wij onderweg niet bezwijken maar ooit samen met Hem ten volle tot leven komen.


inleiding
dr. Jan Holman SVD
preekvoorbeeld Bob Van Laer OFM

 

13 november 2022
Drieëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: Mal. 3,19-20a; Ps. 98; 2 Tess. 3,7-12; Luc. 21,5-19

 

Inleiding 

Geef me vleugels
Wanneer je last hebt van een energiedip, kan je volgens een bekende reclameslogan terecht bij het drankje Red Bull. De oorspronkelijke toehoorders van bijbelverhalen verkeren vaak ook in een situatie van energieloosheid en moedeloosheid. En net als de makers van de genoemde energiedrank, trachten de bijbelse auteurs mensen ook terug meer vleugels te geven. Zelden zijn echter in de laatstgenoemde situatie de verhoopte vleugels meteen voorhanden. Moedig en hoopvol in het leven blijven staan ondanks tegenspoed blijkt vaak het resultaat van een veel moeizamere weg van leren vertrouwen op een belofte van goddelijke nabijheid, ondanks alle tegenschijn.

Maleachi 3,19-20a
De vleugels worden expliciet genoemd in de Eerste lezing uit het profetenboek Maleachi. Het gaat bovendien om specifieke vleugels: ze behoren toe aan de ‘zon van de gerechtigheid’. De symboliek van een ‘gevleugelde zon’ is al terug te vinden in het oude Egypte en Perzië en wordt er vaak ook verbonden met een godheid. In de bijbelse tekst verwijst de gevleugelde zon naar een specifiek aspect van Gods kracht: JHWH zal ervoor zorgen dat recht geschiedt en dat zal mensen genezen. Ook in andere bijbelse teksten situeren redding (cf. Ex. 14,25, Hos. 6,2; Mar. 16,2) en herstel van recht (Hos. 6,5; Sef. 3,5; Job 38,12-15) zich niet toevallig bij zonsopgang. Het is een bekend motief in het oude Nabije Oosten dat het verdrijven van de duisternis verbonden wordt met het wegebben van kwaad in al haar vormen.
Voor hedendaagse lezers ademt de besproken tekst uit Maleachi nochtans veel gewelddadigheid uit. De aangekondigde ‘dag van JHWH’ roept afschrikking op. Toch is het karakteriseren van die dag als een die ‘zal branden als een oven’ neutraler dan men op het eerste zich zou denken. Het beeld van een brandend vuur wil allereerst wijzen op Gods aanwezigheid. Denk maar aan de gekende passage uit Exodus 3,2, waarbij God aan Mozes verschijnt in de gedaante van vuur dat uit een doornstruik oplaait. Wel is het zo dat het te midden van deze alomtegenwoordigheid van JHWH heel duidelijk zal blijken wat goed en wat kwaad is. Al wie kwaad veroorzaken, zullen geconfronteerd worden met de onvruchtbaarheid van wat ze doen. Vandaar het beeld van het kaf, hetgeen – in tegenstelling tot de tarwe – onverteerbaar en onvruchtbaar is. En kaf is nu eenmaal vatbaar voor vuur. In de aanwezigheid van JHWH zal het kaf bijgevolg als vanzelf vuur vatten en zichzelf vernietigen.

De schrijver van het boek Maleachi trad op na de ballingschap, in de Perzische periode (538-333 vChr.) en veronderstelt de heropbouw van de tempel. Met de tragedie van ballingschap en verwoesting van de tempel in het achterhoofd, valt te begrijpen dat deze schrijver heel veel belang hecht aan de heropgebouwde tempel. De tempel was immers Gods geprivilegieerde plek om op aarde te verblijven. Deze zorg voor JHWH's verblijf klinkt door in Maleachi’s aandacht voor de zuiverheid van de eredienst. Hij hekelt het onrecht van priesters die met hun wangedrag de voorschriften bij de offers verwaarlozen. Ook leken die hun plicht niet nakomen in het afstaan van tienden voor de tempel rekent Maleachi onder de onrechtvaardigen. In de ervaring van de onrechtvaardigen doet het er allemaal niet meer toe. Ze voelen God niet langer aanwezig in hun dagelijkse bestaan. God dienen lijkt zinloos, want mensen die kwaad doen, gaat het voor de wind, zo redeneren ze. Maleachi wil deze groep van mensen bemoedigen tot vertrouwen en hen aansporen om hun gedrag te keren. Volgens Maleachi zal God immers wel degelijk een onderscheid maken tussen de onrechtvaardigen – zij die zich niets van Gods geboden aantrekken – en de rechtvaardigen, zij die in eerbied voor JHWH en diens eredienst leven. Maleachi– hetgeen letterlijk ‘mijn (d.i. Gods) bode’ betekent – vertolkt hiermee de goddelijke belofte dat JHWH uiteindelijk recht zal spreken en dat mensen die het goede beogen zeker en vast erkend zullen worden in hun goedheid.

2 Tessalonicenzen 3,7–12
Zie M.J.J. Menken, ‘De tweede brief aan de Tessalonicenzen. Oproep tot nuchtere standvastigheid’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 57-63

Lucas 21,5-19
Ook voor de oorspronkelijke toehoorders van het Evangelie volgens Lucas zijn de vleugels van genezing verder weg dan ooit. In het jaar 70, te midden van de eerste Joodse oorlog (66-73), werd Jeruzalem verwoest en de tempel in brand gestoken. Sommige mensen werden vermoord, anderen moesten op de vlucht slaan. Lucas richt zich in de jaren 80 tot de christelijke gemeenschappen in de diaspora en probeert hen te bemoedigen.
Wellicht meer nog dan in Maleachi 3 is deze bemoediging in Lucas 21 moeilijk op het spoor te komen als hedendaagse lezer. Er klinkt immers opnieuw en vooral een afschrikwekkende taal omtrent ‘de dagen die zullen komen’ (v. 6). Jezus kondigt de verwoesting van de tempel aan en voorspelt allerlei rampen op algemeen werelds en kosmisch vlak (oorlogen, zware aardbevingen, hongersnood en pest,) zowel als op specifiek persoonlijk vlak (verraad, vervolging en doodsdreiging). Anders dan het verhaalde laat uitschijnen, was de tempel van Jeruzalem echter al verwoest en waren verraad en vervolging deel van het leven van vele christenen op het moment van Lucas’ schrijven. Het fragment dat in Lucas 21 voorligt, wil de lezers bemoedigen door hen met de ogen van Jezus te laten kijken naar de verwoesting van de tempel en naar de joden- en christenvervolging.
Lucas wil dit hernieuwd vertrouwen in God op verschillende manieren bewerken. Door Jezus zelf te laten aankondigen dat er geen steen van de tempel zal blijven staan, wil Lucas er zijn gemeenschap ten eerste van overtuigen dat de mogelijkheid tot verbondenheid met God niet zal ophouden met het verdwijnen van de tempel. Noch met de dood van Jezus zelf. Waar aanvankelijk de tempel werd aangezien als plaats waar JHWH op aarde verblijft, zal nu de verrezen Jezus zelf plaats van Godsontmoeting zijn en blijven. Zelfs in de meest vreselijke situaties van vervolging en verraad zal de verrezen Heer de getroffenen persoonlijk bijstaan met ‘taal’ en ‘wijsheid’.
In tweede instantie belooft Lucas niet alleen Jezus’ nabijheid te midden van het dagdagelijkse lijden, maar geeft hij ook uitzicht op het absolute einde van deze beproevingen. Het feit dat de christenen tot wie Lucas zich richt nu gebukt gaan onder verraad en vervolging luidt immers het begin in van een reeks van wereldse en kosmische tekenen die aan de komst van de Mensenzoon vooraf gaan (v. 27). Lucas verzekert er zijn toehoorders dus van dat ze de komst van deze Mensenzoon en bijgevolg ook hun verlossing te verwachten hebben.
Vanuit deze dubbele bemoediging tracht Lucas op zijn eigen manier vleugels te geven aan mensen die van hoop en vreugde beroofd zijn. Hij wil hen sterken om de gebeurtenissen niet passief te ondergaan, maar ze te herinterpreteren als kansen om getuigenis af te leggen (v. 13) van hun geloof in een nabije God en in Jezus Christus, die niet alleen van het leven beroofd is, maar het ook heeft teruggekregen. Wie volhardt in dat geloof, zal zijn ‘leven winnen’, aldus Lucas 21,19.


Preekvoorbeeld

Verhalen roepen beelden op. Welke beelden hangt af van het verhaal, maar ook van de beelden die aanwezig zijn in een cultuur, in een samenleving. De tijd dat de beelden die de teksten van vandaag oproepen alleen door kunstenaars gemaakt werden is voorbij. Als je denkt aan de Tweede Wereldoorlog, aan de Holocaust, aan de oorlog in Vietnam, dan komen haast automatisch foto’s bij je op van de soldaten op Iwo Jima met die Amerikaanse vlag, van dat meisje dat tussen de deuren van een veewagon je aankijkt, van dat andere meisje dat gillend op je af komt lopen onder de napalm. De invloed van foto’s is alleen maar groter geworden. Op de tv en de sociale media zien we dagelijks beelden van verwoesting en vernietiging, door natuurgeweld maar vooral door menselijk geweld. Die beelden kunnen afschuw oproepen, maar precies door hun veelheid ook tot afstomping en oververzadiging leiden, tot wegkijken.

Het is misschien door deze prominente aanwezigheid van beelden in onze cultuur en wat ze aan tegenstrijdige reacties bij ons oproepen dat in de lezingen van vandaag niet alleen opvalt dat er beschrijvingen gegeven worden van verwoesting en oorlog – beschrijvingen die al te herkenbaar zijn – maar dat het daar niet bij blijft. Het gaat, zeker in het evangelie, ook en vooral over onze dubbelzinnige en soms ook tegenstrijdige reactie daarop. De opmerkingen die Jezus tot zijn leerlingen en dus tot ons richt, raken allereerst die afstomping en oververzadiging, die diepe neiging in de mens tot wegkijken. ‘Blijf standvastig’, zegt Jezus. Loop dus niet weg, ga niet schuilen, ga niet met je rug naar die ontwikkelingen staan – als dat al kan – doe niet de gordijnen dicht, denk niet ‘het zal mijn tijd wel duren’, raak niet van je stuk. ‘Blijf standvastig’.

Maar bij die aansporing tot standvastigheid blijft het niet. Hij voegt er iets aan toe waardoor die standvastigheid ingekleurd wordt. ‘Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis’. Een opmerkelijke toevoeging. Wat bedoelt Jezus hiermee?

Ik denk dat Jezus met die opmerking – om het wat clichématig te formuleren – niet wil zeggen: je kunt die omstandigheden zien als een bedreiging, maar je kunt ze ook zien als een uitdaging. Het gaat niet om een keuze. Je moet ze zien als een uitdaging. Er zit voor zijn leerlingen, voor ons niets anders op. En dan gaat hij nog een stap verder: die uitdaging is een test. Je moet die omstandigheden gebruiken om te getuigen, om ergens voor uit te komen. Jezus zegt niet precies waarvoor we dan moeten uitkomen, maar hij geeft wel een aanwijzing: ‘omwille van mijn naam’.

‘Omwille van mijn naam’. Misschien is het nu goed even terug te gaan in het jaar: aan het eind van de kersttijd op het feest van de doop van de Heer wordt duidelijk van wie wij een paar weken daarvoor de geboorte hebben gevierd. Bij de doop van Jezus krijgt hij twee namen, of beter titels: de stem uit de hemel verklaart hem Zoon en de Geest van God zalft hem tot de Messias, de Christus. In het evangelie van Lucas is de doop als het ware het middenpaneel van een triptiek, waarbij de twee zijpanelen dat middenpaneel verduidelijken. Op het linkerpaneel, het paneel van de bekoring in de woestijn, stelt de duivel Jezus drie interpretaties voor van ‘zoon’, die alle drie een redelijke en voor de hand liggende visie op heersen verraden: mensen kopen met eten, mensen verblinden met spektakel en mensen afhankelijk maken. Op het rechterpaneel leest Jezus in de synagoge van Nazaret de profeet Jesaja over de taak van de Messias, over armen en gevangenen, over blinden en onderdrukten, over het genadejaar van de Heer.
Die twee wat tegendraadse invullingen van ‘Zoon’ en ‘Messias’ worden concreet wanneer Jezus later in het evangelie twee parabels vertelt die tot de ontroerendste en diepste verhalen horen van ons geloof: het verhaal van de verloren zoon en het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Twee verhalen die hij vertelt omdat hij uitgedaagd, getest wordt.
Uitgedaagd omdat hij de strakke grens tussen wij (goeden) en zij (slechten zondaars) doorbreekt. Uitgedaagd door de schriftgeleerden en Farizeeën, die die grens wél trekken. De Zoon staat dan voor de zorgzaamheid van de Vader, die klaar staat om ieder van ons, wat we ook gedaan hebben, weer op te nemen. Uitgedaagd om uit te leggen wie ‘mijn naaste is’, uitgedaagd door een man van de wet. Aan het eind van het verhaal herformuleert Jezus subtiel de vraag van de wetgeleerde en verandert daarmee zijn perspectief drastisch en dramatisch: niet ‘wie is mijn naaste’ is de goede vraag, maar ’wie is de naaste geworden van dat slachtoffer’. De Messias staat voor die omkering, voor die Geest die de Samaritaan bewoog om iemand die niet tot zijn volk behoorde, te verzorgen.
‘Omwille van mijn naam’ moeten wij christenen, wij kinderen van God ook verstaan als ‘omwille van onze naam.’ Als christenen, als kinderen van God worden wij getest of wij in onze moeilijke omstandigheden standvastig blijven en trouw blijven aan ons doopsel. In onze moeilijke omstandigheden worden wij uitgedaagd getuigenis af te leggen, worden we uitgedaagd de beloften en de opdrachten van ons doopsel waar te maken, moeten wij proberen te voorkomen dat we in de val van weerwraak lopen en moeten we niet in de spiraal van geweld en tegengeweld verstrikt raken. In onze moeilijke omstandigheden waarin we gemakkelijk op ons zelf terugvallen, ons afsluiten en ons haast vanzelf vastklampen aan rechten en privileges en die koste wat het kost verdedigen, wordt ons als christen en als kinderen van God gevraagd barmhartig te zijn.

 

inleiding dr. Valérie Kabergs
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof

20 november 2022
Vierendertigste zondag door het jaar

Lezingen: 2 Sam. 5,1-3; Ps. 122; Kol. 1,12-20; Luc. 23,35-43

 

Inleiding 

Profetenlezing: 2 Samuël 5,1-5

Samuel, geliefd bij zijn Heer,
            profeet van de Heer, stelde het koningschap in
            en zalfde leiders van zijn volk.
            Hij sprak recht over de gemeenschap volgens de Tora van de Heer,
            en de Heer keek welwillend naar Jakob.
            Door zijn geloofwaardigheid bleek hij een waar profeet te zijn,
            door zijn profetieën werd hij als een waarachtig ziener erkend.
            (Sirach 46,13vv)

Van begin af aan is in Israël (het instellen van) het koningschap niet onomstreden geweest. Wanneer Samuël zijn zonen als leidsmannen/rechters (sjofeet) over Israël aanstelt, komen de oudsten van Israël in verzet. De zonen van Samuël zijn geen voorbeeldige leidsmannen zoals hun vader: zij zijn omkoopbaar en verkrachten het recht. Hun gedrag is de aanleiding om aan Samuël om een koning te vragen.
Als motief geven zij aan: ook alle andere volken hebben een koning; zij willen zijn als de andere volken. Samuël vindt het ongepast dat de oudsten een koning willen hebben om leidsman over het volk van God te zijn: God is immers hun koning! Maar JHWH laat aan Samuël weten dat hij op het verzoek van het volk moet ingaan. JHWH weet dat zijn volk de neiging heeft Hem te verlaten en andere goden na te lopen, maar Hij behandelt hen als mondige mensen.
Wel moet Samuël tegen het volk zeggen dat zij goed moeten weten wat zij met een mensenkoning in huis halen. Hij zal zijn rechten als koning laten gelden: hij zal hun mannen opeisen voor zijn leger en om voor hem te werken. Hun vrouwen zullen voor hem moeten koken en bakken. Hij zal de beste akkers en wijngaarden voor zich opeisen en tienden heffen van de oogst. Voor zij het weten zijn zij weer slaven zoals destijds in Egypte. Wanneer zij dan zullen klagen zal JHWH hen niet antwoorden. Maar het volk wil toch een koning hebben en JHWH zegt tegen Samuël: Geef gehoor aan hun verzoek en stel een koning over hen aan! (vgl. 1 Samuël 8,1-22).

In de Tora geeft JHWH een profiel van een koning naar zijn hart: hij moet een volksgenoot zijn, hij mag er niet veel paarden op nahouden en ook niet veel vrouwen. Ook mag hij niet veel zilver en goud vergaren. Hij moet daarentegen altijd een afschrift van de Tora-rol bij zich hebben en er voortdurend uit voorlezen, zodat hij ontzag leert hebben voor JHWH, dé koning, en leeft en regeert volgens de Tora. Wanneer hij zo koning is zal hij zich niet verheven achten boven zijn broeders en zusters en zullen hij en zijn zonen lange tijd koning blijven in Israël (vgl. Deut. 17,14-20; Ps. 72).
De eerste koning in Israël, Saul, heeft laten zien dat het niet meevalt om koning te zijn volgens Gods profiel. Toch willen de stammen van Israël, na de dood van koning Saul en zijn zoon Jonatan (1,1-27), weer een koning hebben (5,1-5). Zij hebben fiducie in David omdat hij ten tijde van koning Saul de troepen van Israël succesvol leidde (1 Sam. 18,15v) en JHWH aan David beloofd heeft dat hij zijn volk als een herder zal leiden (3,9v; Ezech. 34,23; 37,24; Ps. 78,71).
Met de woorden die Adam tegen zijn vrouw sprak: been van mijn gebeente, vlees van mijn vlees (Gen. 2,23), stellen de stammen van Israël zich aan David voor: hier zijn we, uw eigen vlees en bloed (5,1; vgl. 19,12-15). Zij horen volledig bij elkaar, zijn bloedverwanten en bondgenoten. Zoals destijds David en Jonatan met elkaar een verbond sloten ten overstaan van JHWH, zo doet koning David dit nu met de oudsten van Israël (5,3; 1 Sam. 23,18). Zoals de mannen van Juda David tot koning zalfden over Juda (2,4) zo doen de oudsten van Israël dit nu ook: zij zalven David tot koning over Israël (5,3).
De dertigjarige David zal veertig jaar koning zijn, een God welgevallige tijd.
Koning David gaat voortvarend te werk. Hij maakt Jeruzalem tot hoofdstad van het rijk, verslaat de Filistijnen, brengt de ark naar Jeruzalem en wil een tempel bouwen – hetgeen ook niet onomstreden is. David mag van JHWH geen tempel bouwen – zijn zoon Salomo zal het later mogen doen – maar JHWH zal wel voor David zijn huis (dynastie) bouwen: zijn troon zal eeuwig blijven bestaan.
Voor dit alles is koning David God zeer dankbaar. Hij zegent en dankt Hem en bidt om rijkelijke zegen voor zijn huis (7,18-29).
Was koning Saul een gemankeerde messias, in koning David komen de eerste messiaanse trekken aan het licht. Het blijkt met vallen en opstaan voor een mens mogelijk te zijn om namens God, dé koning, koning te zijn tot zegen van mensen.

Epistellezing: Kolossenzen 1,12-20
Zie: H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46

Evangelielezing: Lucas 23,35-43
Jezus, zoon uit het huis van David, ontvangt van God, de Allerhoogste, de troon van David. Jezus zal eeuwig koning zijn en aan zijn koningschap zal geen einde komen. Deze blijde boodschap, die getuigt van Gods trouw aan zijn belofte aan koning David, verkondigt de engel Gabriël aan Maria (1,26-38). Jezus is zijn koninklijke weg gegaan door gerechtigheid te doen en vrede te zijn. In deze profeet, krachtig in daad en woord, is Gods koninkrijk aan het licht gekomen. Nu hangt hij tussen twee misdadigers aan het kruis (23,32-43). Boven zijn hoofd staat opgeschreven: Dit is de koning van de Joden. Een gekruisigde messias, die zichzelf niet kan redden! Ook aan deze schandpaal gedraagt Jezus zich koninklijk: Hij vraagt aan zijn Vader om vergeving voor de mensen die Hem dit aandoen en belooft aan de bekeerde misdadiger dat hij met Hem zal zijn in het paradijs. Tot op het kruis komt Jezus, de koning van de Joden op voor mensen die God, dé koning, aan hem heeft toevertrouwd.

De apostel Paulus bezingt deze messiaanse koning en dankt God de Vader met vreugde omdat Hij ons ontrukt heeft aan de macht van de duisternis en overgebracht heeft naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon: die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. Door Hem, het beeld van de onzichtbare God en het hoofd van het lichaam dat de kerk is, is er vrede gekomen en zijn alle wezens in de hemel en op de aarde met God verzoend (vgl. Kol. 1,12-23).

In Jeruzalem, stad van vrede, geschiedt recht, want daar staat de rechterstoel, de zetel van Davids huis. Voor gerechtigheid en vrede is de koninklijke messias Jezus opgekomen tot op het kruis en door zijn dood heen (vgl. Ps. 122).

Christus, Koning van het heelal, evenbeeld van God die dé Koning is, is de maatstaf voor alle koningschap op aarde. Zijn troon is de kribbe (2,12), op het kruis (23,33) en bij God (24,51).

            Wees Koning over ons, Gij Gerechte, Gij alleen,
            in verbondenheid en erbarmen
            en doe gerechtigheid met ons in recht.
            Gezegend, Gij Gerechte,
            Koning, die liefheeft gerechtigheid en recht.
            (Achttiengebed 11b)

Literatuur

Bijbel NBV-21, Haarlem/Antwerpen 2021
K. Deurloo e.a., Koning en tempel, Kampen 2004
E. Henau, Midden in het leven, Tielt 2001, 226-229
H.Oosterhuis/A. van Heusden, Het evangelie van Lukas, Vught 2007
B. Siertsema (red.), Er was eens een koning David voor altijd, Kampen 1999
H. Welzen, Lucas, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2011

 

Preekvoorbeeld 

Vandaag, de laatste zondag van het kerkelijk jaar, viert de kerk het feest van Christus Koning. Geen eeuwenoud feest, pas in 1925 ingesteld door Paus Pius XI, toen nog op de laatste zondag van oktober. Het werd groots gevierd om een eigen kerkelijk geluid te laten horen tussen de verwarde stemmen van toen: wij, gelovigen, ook wij zijn er en wij geloven en vereren de Heer, de God van hemel en aarde, Vader van onze Heer Jezus Christus! Het was een tijd van grote onrust, onlusten, economische crisis en polarisatie. De kerk vertaalde deze verschijnselen als geloofsafval. Met verve werd er gewezen op, gepreekt over de enige echte koning en heerser Jezus Christus. Jongeren waren actief bij dit feest betrokken in hun parochies en als jongerenbeweging. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft Christus Koning verschoven naar de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Christus staat aan het begin en aan het einde van het kerkelijk jaar: van advent en kerstmis, zijn passie en verrijzenis tot aan de laatste zondag.

De Eerste lezing uit het boek 2 Samuel confronteert ons met de vraag naar de leider, de heerser, de koning in Israël. De verschillende stammen van Israël kenden vanouds geen koning, wel een profeet, een rechter en leidsman in tijden van nood. Toch lijkt het voorbeeld van de omringende kleine koninkrijkjes veel aantrekkelijker. Droomt men van een koning naar wie men kan opkijken, op wie men trots is? Wij willen ook een koning hebben, zo zeggen de stammen tot Samuël, de profeet. Hij weigert, want God is de ware leider en koning van het volk. Toch blijven ze aandringen, en uiteindelijk stemt de Heer in met hun verlangen. Hij stelt een voorwaarde: Samuël moet duidelijk maken wat de gevolgen van het koningschap zijn! Een aardse koning betekent iemand die meer macht heeft, meer rijkdom kan verzamelen, die zich verheft boven zijn volksgenoten. De onderlinge verschillen worden groter.
Maar men blijft aanhouden en zo wordt Saul de eerste koning van Israël. Stap voor stap laat hij zien hoe hij zich verwijdert van God en hij en zijn familie wacht de ondergang. In onze lezing horen wij hoe de oudsten van Israël David vragen om óók koning over Israël te worden, hij is namelijk al koning van Juda. Hij is de koning naar het hart van God: hij heeft oog voor zijn volk, hij verzamelt niet te veel rijkdommen en verheft zich niet boven zijn volk.
De oudsten van Israël zalven David tot koning. Hij wordt dé koning, de koning bij uitstek, de koning van de belofte voor altijd. Je zou haast zeggen ‘en aan zijn koningschap komt geen einde.’

In de geboorteverhalen van Jezus wordt de verbinding met koning David gelegd. Jezus als de gezalfde, de Messias, staat in de lijn van David. Hij is koning, maar wat voor een koning is hij? Op het bordje van het kruis staat: Jezus van Nazaret, koning van de joden. Geen koning van pracht en praal, een lijdende man die de dood van een slaaf ondergaat. Jezus aan het kruis is hij die zich niet verheft boven zijn medemensen. Hij wordt beschimpt en uitgelachen. Waarom gebruikt hij niet zijn macht om zichzelf van het kruis te redden? Zo vragen de omstanders hem. Is hij niet belachelijk? Kom op voor jezelf! zo zouden wij vandaag kunnen roepen. Zo niet de gekruisigde. Hij ondergaat de pijn en smarten. Hij voldoet niet aan het beeld van een aardse koning. Hij is kwetsbaar en lijdt. Hij toont zich als de ware herder, die niet opkomt voor zichzelf maar voor zijn schapen, voor zijn broeders en zusters. Hij belooft aan een van de misdadigers naast hem aan het kruis dat hij hem niet vergeet, dat hij bij hem zal blijven! De vreugde van de Paasmorgen, van de verrijzenis en de hoop op leven kondigt hij zo aan, ook voor de gestorvenen.

Maar hoe kunnen wij vandaag dit feest vieren? Heeft het betekenis voor ons? Ik denk dat wij in onze tijd ons sterk bewust worden van wat leiderschap betekent, dat het zeer fout kan gaan met leiders. Leiders die te lang blijven zitten op hun plek, die vervreemden van hun volk en die uit zijn op hun eigengewin en niet het welzijn van allen. Leiders die niet schuwen voor oorlog en geweld en zichzelf voor onaantastbaar houden. Er zijn vele voorbeelden hiervan. Hardop zouden de oude waarschuwingen van de profeet Samuel in hun oren moeten klinken! Hun zelfoverschatting, hun trots en het verderf dat zij over hun mensen brengen.
Wij worden geroepen om kritisch te kijken naar wat er in onze dagen gebeurt. De maatstaf van de gekruisigde die niet voor zichzelf opkomt, die weigert om het spel van macht en rijkdom te spelen, maar die zijn kwetsbaarheid toont en zijn onmacht.

In de brief aan de Kolossenzen bezingt de apostel de gebroken en verrezen Heer die ons doet delen in het licht van de Vader. In zijn lied ontgrenst hij de tijd en opent hij de horizon naar het begin van de schepping en de eeuwigheid! Jezus de Christus staat aan het begin van alles. Het zijn beelden die haast over elkaar struikelen om te verwoorden dat hij het beeld van God is voor alle tijden en voor alle mensen. Zijn lijden verzoent allen en bevrijdt van zonden. Hij maakt het mogelijk dat ook wij heilig en rein voor hem zullen en kunnen verschijnen.

Jaren terug heb ik in Polen een klein kruis gekocht, uit hout gesneden. Het bijzondere van dit kruis is dat op de plaats van het corpus een uitgespaarde ruimte is, leegte. Deze open ruimte wordt door de kunstenaar niet ingevuld. Ik mag als kijker die ruimte zelf invullen. Zie ik een lijdende Heer, zie ik een koninklijke Heer? Paulus zong in zijn brief een lied. Wij kunnen zijn boodschap van geloof zingen en uitbeelden met voorstellingen van hemel en aarde, van de kosmos en het leven hier om Christus de Koning te vieren.

 

inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld Bärbel de Groot-Kopetzky


27 november 2022
Eerste zondag van de Advent

Lezingen: Jes. 2,1-5; Ps. 122; Rom. 13,11-14; Mat. 24,37-44 (A-jaar)

 

Inleiding 

Aan het begin van de Advent is Kerstmis maar een kleine vier weken weg. Dat is niet ver. De geboorte van de Messias is aanstaande, de tijd van voorbereiding kort. Met de lezingen van de eerste zondag van de Advent worden we opgeroepen deze tijd goed te besteden.
De drie lezingen samen hebben een heldere boodschap over wat God bij die voorbereiding van ons vraagt: dat we een kritische blik werpen op onze levensweg. Jesaja legt daarbij de nadruk op zoeken naar gerechtigheid en vrede en Paulus in zijn brief aan de Romeinen op een leven van vertrouwen en zelfbeheersing. In de lezing uit het evangelie van Matteüs gaat het om ontvankelijkheid en bereidheid om de Heer te ontvangen in ons leven. Dat mag misschien helder zijn, het levert genoeg stof op om over na te denken.

Jesaja 2,1-5
Het boek Jesaja heeft een lange ontstaansgeschiedenis. De profeet met die naam leefde rond 700 voor Christus en heeft zelf teksten geschreven en nagelaten. Dat was het begin. In de ruim drie volgende eeuwen zijn ontelbare teksten toegevoegd, veranderd en in een andere samenhang geplaatst, voor het laatst was dat dus rond 400 vChr.
Dat alles is niet op een willekeurige wijze gebeurd, integendeel. We kunnen gerust zeggen dat de laatste redactionele hand een meesterhand is geweest, die in staat was om de profetische uitspraken van Jesaja zelf, de teksten die geproduceerd zijn in de hoopvolle dagen van de terugkeer uit de ballingschap en alles wat geschreven is in de periode van de Perzische overheersing in een indrukwekkend zinvol verband te plaatsen. Het betekent wel dat het hele boek Jesaja, vanaf hoofdstuk 1 tot het laatste hoofdstuk 66, gelezen moet worden vanuit het perspectief van het Judea omstreeks het jaar 400.

Van onze tekst 2,1-5 is het eerste vers een introductie die het dan volgende visioen toeschrijft aan de profeet Jesaja, zoon van Amos. In werkelijkheid stamt dit visioen over Jeruzalem uit de Perzische tijd. Het is door de eindredacteur onderdeel gemaakt van een eenheid die loopt van hoofdstuk 2 tot 4. Als we daarnaar kijken zien we na het openingsvisioen, in het vervolg van hoofdstuk 2 en 3, een scherpe kritiek op de ongerechtigheid die heerst in Jeruzalem, veroorzaakt door zowel de mannen als de vrouwen van de heersende klasse. Hiertegen zal God ingrijpen (beschreven in het centrale gedeelte 3,12-15).

Deze kritische woorden zijn afkomstig van de historische Jesaja. In de context van Jeruzalem rond 400 waren ze echter evenzeer toepasselijk, want ook toen was er sprake van een scherpe tegenstelling tussen een kleine en rijke elite en een grote, uitgebuite rest van het volk. Door de eindredacteur zijn deze veroordelende profetische teksten echter ingebed tussen twee hoopvolle visioenen over Jeruzalem: 2,2-5 – onze tekst – en 4,2-6. Hij wilde daarmee aangeven dat, hoezeer God toen al (denk aan de verwoesting van Jeruzalem) en ook nu ongerechtigheid zal bestraffen, er altijd een herstel mogelijk is, en uiteindelijk God zich zal ontfermen over zijn volk en zijn stad. Dit hoopvolle perspectief is even karakteristiek voor het hele boek Jesaja als de scherpe sociale en religieuze kritiek.

De hoofdstukken 2 tot 4 in schema:

 

A         Jeruzalem, centrum voor alle naties (2,2-5)
B         de hoogmoed van de machtige mannen van Jeruzalem (6-22)
chaos en verwarring in Jeruzalem (3,1-11)
C         oordeel en ingrijpen van de jhwh (12-15)
B'        de hoogmoed van de rijke vrouwen van Jeruzalem (16-24)
verwarring onder de weduwen van Jeruzalem (3,35–4,1)
A'        Wie zijn overgebleven in Jeruzalem worden gezuiverd voor een nieuwe glorietijd (2-6)

De vrijmoedige hand waarmee de laatste redacteur van het boek Jesaja tekstmateriaal uit verschillende eeuwen heeft gehergroepeerd en eigen accenten gegeven, mag ons inspireren om ook met open blik, vanuit de noden en verwachtingen van onze tijd, bijbelse teksten te lezen, te interpreteren en te plaatsen naast onze gedachten en inspiraties.

Binnen de perikoop van vandaag zelf valt de nadruk op het beeld van de weg op. Uit alle volken stromen zij die zich willen laten leiden door JHWH naar Jeruzalem. Maar de weg is niet alleen een geografische, het is vooral een weg ten leven, gemarkeerd door verlangen naar onderricht door JHWH zelf, door inzicht in wat gerechtigheid is en door een krachtig streven naar vrede. Dit is de weg die het boek Jesaja voorstelt aan de lezers: ‘Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten wij leven in het licht van JHWH’ (v. 5).

Vanuit ditzelfde perspectief van het gaan van de weg ten leven is de voor vandaag gekozen bedevaartspsalm Psalm 122 perfect te lezen.

Matteüs 24, 37-44
De evangelieperikoop van vandaag is onderdeel van de eschatologische rede, die in het evangelie van Matteüs de hoofdstukken 24 en 25 omvat. Alle drie de synoptische evangelies hebben een eschatologische rede. Die van Matteüs is duidelijk geënt op die van Marcus en ook Lucas heeft daaruit geput. Maar het eerste evangelie heeft dat origineel van Marcus veruit het meest uitgewerkt, zodat die uiteindelijk twee volle hoofdstukken omvat. Na een inleiding van enkele verzen (24,1-3) volgt een zorgvuldige opbouw:
Het eerste deel 24,4-31 betreft de toekomstige gebeurtenissen: oorlogen, rampen, waarschijnlijk het einde van de tijden met daarin als centraal moment de komst van de Mensenzoon en het oordeel over alle mensen. In de schets van oorlogen en rampen zien we de Joods-Romeinse oorlog die in de jaren rond 70 in Palestina woedde weerspiegeld. De gemeente van Matteüs had die aan den lijve ondervonden en was erdoor getekend. Wat in de redevoering uit de mond van Jezus nog als toekomst geldt, was voor die groep eerste christenen realiteit geworden. Al hun aandacht ging nu uit naar het vervolg en de uitweg uit de ellende: het aanbreken van de laatste dagen van de wereld, dat niet lang meer op zich zou kunnen laten wachten.
Het tweede deel 24,32–25,30 gaat daarom over het heden, over wat de leerlingen ten overstaan van dit alles moeten doen. Het begint met het gedeelte dat de lezing van vandaag is. Die culmineert in de korte gelijkenis over de heer des huizes 24,42-44, met als boodschap: wees waakzaam. In het vervolg daarop zijn 24,45-51 (over een goede en een slechte dienaar) en 25,1-13 (over vijf wijze en vijf dwaze meisjes) twee parallelle gelijkenissen, en daarin luidt de boodschap: wees waakzaam en actief. Een vierde gelijkenis vinden we in 25,14-30, over drie dienaren die talenten toevertrouwd krijgen, met als ondubbelzinnige boodschap: wees actief.
Er zit dus een geleidelijke opbouw in deze vier gelijkenissen. Gaat het aanvankelijk over waakzaamheid, uiteindelijk komt de nadruk te liggen op actief zijn.
In het derde deel van de eschatologische rede 25,31-46 ligt de climax. Het vertelt over de komst van de Mensenzoon en over zijn oordeel over de gehele mensheid. Sommigen worden opgenomen in zijn heerlijkheid en anderen afgewezen. Het criterium blijkt te zijn: het al dan niet bijstaan van de minsten van de mensen. En de Mensenzoon weet heel goed wie wel en wie niet zich het lot van de armen aantrekken, want hij gaat onder hen schuil. Hier ligt dus alle nadruk op het handelen.

De eschatologische rede is niet de enige plek waar die praktische inslag van het evangelie zichtbaar wordt. In de Bergrede, de grote rede aan het begin van het evangelie, zien we hetzelfde, en eigenlijk overal valt op hoezeer Jezus steeds de daad voegt bij het woord. Tussen wat hij zegt en wat hij doet, is een volstrekte coherentie. De farizeeën dienen in het hele evangelie als contrast: zij praten veel en leggen van alles op, maar hun daden zijn daar niet mee in overeenstemming.

Aan het begin van de Advent is uit de eschatologische rede het fragment naar voren gehaald dat stilstaat bij de waakzaamheid. Het gaat bij handelen en actief zijn ook altijd, en zeker aan het begin, om goed opletten, om op je in laten werken wat er op het spel staat. Enkele aspecten in dit eerste gedeelte vallen op:

  1. De Mensenzoon komt spoedig, maar niemand weet het tijdstip. Dat wordt expliciet gezegd in het voorgaande vers 26. Die onbekendheid is een spannend gegeven. Het heeft geen zin om over het moment te speculeren, want het zal iedereen overvallen. Het is als met de eigen dood, waarop ook dat indringende zinnetje ‘de ene zal worden meegenomen en de andere achtergelaten’ (v. 40) van toepassing is. Dit legt een grote urgentie bij de dag van vandaag, bij wat we nu doen en laten. Hier komt het praktische handelen al om de hoek.
  2. In het oordeel van de Mensenzoon zal de een erbij horen en de ander niet. De een slaagt en de ander faalt, en dat verhoogt de urgentie nog eens aanzienlijk. De keuze om het goede te doen in het leven kan niet eindeloos uitgesteld worden.
  3. De waakzaamheid die van de heer des huizes gevraagd wordt stelt hem in staat om op elk willekeurig moment al kleine signalen op te merken. Het gaat om een permanente waakzaamheid, niet alleen gericht op grote gebeurtenissen, maar alles wat er gebeurt in het dagelijks leven.

Romeinen 13,11-14
Van de drie lezingen van vandaag is die uit Romeinen misschien wel het minst expliciet op de toekomst gericht en het meest op het heden. We lopen in hoofdstuk 13 tegen het einde van de brief aan. Paulus heeft in het voorgaande z’n grote thema's aangesneden en uitgewerkt. En dan blijken de conclusies van een heldere eenvoud te zijn, bijvoorbeeld die in vers 11: ‘De redding is ons meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij.’ We hebben al een hele weg afgelegd (en Paulus heeft in z'n brief, samen met de lezers/toehoorders, al vele toppen bestegen). Er is al het een en ander duidelijk geworden. Het komt erop aan het licht dat we ontvangen hebben en nog zullen ontvangen goed te gebruiken en de goede koers aan te blijven houden in ons leven.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

 

Preekvoorbeeld

Je kan op zo vele manieren zien dat de schepping nog niet is zoals God bedoelt. Door onze manier van leven verandert het klimaat en zullen natuurrampen ons blijven teisteren, en ook van het coronavirus hebben we het laatste nog niet gezien – om nog maar te zwijgen van de verdeeldheid en vijandigheid tussen mensen dichtbij en wereldwijd. Redenen genoeg om ons bezorgd af te vragen of het met mens en wereld ooit nog wel goed komt. Het lijkt wel alsof God de wereld heeft verlaten en dat Hij er niet meer is.
Dan trekken profeten een venster open en zeggen: ‘Toch wel!’. Als we over profeten horen dan denken we spontaan aan ‘toekomstvoorspellers’. Maar in de Bijbel zijn profeten allereerst mannen of vrouwen die spreken in naam van God. Zo zijn ze dikwijls heel kritisch wanneer hun tijdgenoten ontrouw zijn aan God. Dan houden ze hen een spiegel voor of luiden ze de alarmbel. Een andere keer spreken ze iedereen moed in en herinneren ze eraan dat God trouw blijft aan zijn gegeven woord en dat Hij met ons is, wat er ook gebeurt. Want God wil dat mensen leven, in de volle zin van het woord.

Zo hoorden we daarnet de profeet Jesaja op een moment dat zijn volksgenoten God uit hun leven hadden gebannen en ze gretig de wapens grepen en oorlog voerden: Eens komt de dag dat de berg met de tempel van de Heer rotsvast zal staan. Alle volken zullen daar samenstromen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen; zo staat er. Zulke visioenen zijn er niet om bij weg te dromen. Integendeel, ze roepen ons op te doen wat we kunnen om ze werkelijkheid te laten worden.
Ook Jezus voelde zich aangesproken door de woorden van Jesaja. In woord en daad kwam Hij op voor een manier van samenleven waarin God aanwezig kon zijn dank zij de oprechte liefde en solidariteit van velen, het koninkrijk van God. Zijn vurigste wens was dat wij het koninkrijk van God aan het licht laten komen in ons leven van elke dag. Die wens vervullen is de laatste en definitieve bestemming van elke mens. En al wie door hun menslievendheid die toekomst dichterbij brengen, kijken ernaar uit dat hun pogingen helemaal zullen lukken en dat God uiteindelijk ooit als een liefdevolle God helemaal aanwezig zal kunnen zijn in de wereld.
Dan krijgt Gods liefde alle kansen en heeft de schepping haar voltooiing bereikt. In de taal van de Bijbel heet dat wanneer de Mensenzoon komt. Dan zullen we bevrijd zijn uit elke vervreemding en zullen we genieten van pure vrijheid die alleen tot liefde in staat is en geen lijden of kwaad meer kent. Natuurlijk kan niemand zich van die toekomst iets voorstellen en wanneer het zal gebeuren weet niemand. Er is alleen onze vurige hoop dat Gods bedoeling met de schepping helemaal zal lukken, dat Hij zal voltooien wat Hij begonnen is en dat iedere mens zijn laatste definitieve bestemming bereikt. Daarom schudt het evangelie ons vandaag in eerder angstaanjagende beelden wakker en roept het ons op naar die toekomst toe te leven en het mogelijk te maken dat God – dankzij de inzet van zo velen – onder ons kan komen.

Die hoop levend houden en ons ervoor inzetten, dat oefenen we in deze vier weken van de advent. Eigenlijk is het een heel jaar advent, want God komt elke dag van het jaar naar ons toe in zo vele daden van menslievendheid. Maar in deze vier weken hebben we daar meer dan anders oog voor. Dan kunnen we met Kerstmis vieren dat God gekomen is in Jezus van Nazaret. Maar ‘wat heb ik eraan dat God in Jezus geboren is, als Hij niet geboren wordt in mij?’, vroeg meester Eckhart al in de veertiende eeuw. Als God mens kan worden in ieder van ons, dan is zijn menswording gelukt.
Wees dus waakzaam zegt Jezus. Dat is wakker en attent zijn voor wat zich afspeelt in ons eigen hart, voor onze verborgen pijn en ook voor de zorgen en noden van anderen naast ons. Als christenen hebben we het op ons genomen ons te laten volstromen door Gods liefdevolle Aanwezigheid en zoveel mogelijk Liefde te laten overlopen naar vele anderen. Als iedere mens tot zijn recht kan komen, als we onze beperkingen en die van anderen kunnen aanvaarden, als we in harmonie leven met onszelf en met onze omgeving, dan zal er recht en vrede zijn en is de Heer werkelijk tot ons gekomen.
Als teken van ons geloof in die toekomst, ontsteken we vandaag de eerste kaars van de adventskrans.

  

inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld Paul Heysse


4 december 2022
Tweede zondag van de Advent

Lezingen: Jes. 11,1-10; Ps. 72; Rom. 15,4-9; Mat. 3,1-12 (A-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 11,1-10
Jesaja 11 behoort tot het Immanuël (met-ons-God)-boek (Jes. 6–12) en vormt samen met Jesaja 9,1-6 de zogeheten messiaanse profetieën. De geboorte van een vredesvorst wordt aangekondigd. Die boodschap van heil wordt nog versterkt door het onheilsorakel in het voorafgaande hoofdstuk, waarin de opmars van de Assyriërs tegen Jeruzalem niets meer in de weg lijkt te staan (Jes. 10,28-32). God zal ingrijpen maar pas als alles verloren lijkt:

Met vreselijk geweld hakt de Heer, de Heer van de machten, de takken door.
De trotse reuzen worden kleingemaakt, en de hooghartigste worden vernederd.
Het struikgewas in het bos wordt met de bijl neergeslagen.
De Libanon wordt door een Machtige kleingemaakt (10,33-34).

De trotse reuzen verbeelden het Assyrische leger dat klaar staat om Jeruzalem in te nemen; ze doen denken aan de Libanon, beroemd om haar ceders. De trotse reuzen die staan voor de machtigen van de wereld, vallen om, terwijl het onooglijke twijgje, waarover Jesaja direct aansluitend spreekt, opschiet uit de wortels. Wat een contrast.

Isaï, de vader van David, wordt hier voorgesteld als de voorvader van het koningshuis van David, dat vergeleken wordt met een twijgje uit de stronk van een omgehakte boom. Die op het oog dode stronk zal leven in zich blijken te hebben, zal uitlopen en een twijg, een telg voortbrengen. Zo verwoordt Jesaja op poëtische wijze dat de Eeuwige een nieuwe David, een Messias, zal zenden die een einde zal maken aan de ellende en uitzichtloosheid van Israël.
Volgens de geslachtslijsten in Matteüs 1,1-17 en Lucas 3,23-38 stamt Jezus via Jozef af van koning David en is deze profetie van toepassing op hem.

Jesaja 11,1 en 11,10 vormen een inclusio (de stronk van Isaï/de wortel van Isaï). Daarbinnen beschrijven de verzen 2-5 de komst van de nieuwe en ideale telg uit het huis van David. Hij zal recht en gerechtigheid brengen – om zijn middel draagt hij een gordel van gerechtigheid en trouw – een wereld zonder vrees en geweld. Hij heeft oog voor de geringen en kwetsbaren. Gods geest, goddelijke aanwezigheid, rust op hem. Wijsheid en inzicht, beleid en kracht, kennis en ontzag voor de Heer zijn de gaven van de Geest en de kenmerken van deze ideale koning. Het is de aankondiging van Gods heerschappij op aarde.
De belofte van die heerschappij wordt als gevolg van de komst van de Messias in de verzen 6-9 concreet ingevuld: vrede en harmonie zullen er zijn onder alle schepselen: ‘Niemand doet nog kwaad of handelt nog verderfelijk op heel mijn heilige berg, want de kennis van de Heer vervult het hele land, zoals het water heel de bodem van de zee bedekt’ (11,9). Hoe meer kennis van en ontzag voor de Eeuwige, des te meer recht en gerechtigheid zal er zijn.

Romeinen 15,4-9
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 3,1-12
Het verhaal over de afstamming en vroegste jeugd van Jezus (Mat. 1-2) wordt gevolgd door de Evangelielezing van vandaag, het optreden van Johannes de Doper, en aansluitend de doop van Jezus door Johannes (Mat. 3,13-17).

De enige buitenbijbelse bron over deze Johannes is te vinden bij Flavius Josephus in De Oude Geschiedenis van de Joden (vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes, Amsterdam, z.j.):

Sommige Joden zagen in de ondergang van het leger van Herodes de hand van God, die zich terecht gewroken zou hebben voor de straf die Herodes had voltrokken aan Joannes bijgenaamd de Doper. Herodes had deze Joannes namelijk gedood. Joannes was een goed man. Hij riep de Joden op deugdzaam te leven, tegenover elkaar gerechtigheid te betrachten, en eerbied tegenover God, en zich door hem te laten dopen. Het eerste diende vooraf te gaan aan het tweede, want alleen dan was het dopen welgevallig in de ogen van God. De doop diende niet tot vrijstelling van zonden, maar was een manier om het lichaam ritueel te reinigen nadat ze daaraan voorafgaand hun ziel al gereinigd hadden door te leven in gerechtigheid.
Toen de mensen massaal toestroomden en ze door naar zijn woorden te luisteren bovenmate opgewonden werden, werd Herodes bang. Hij vreesde dat iemand die over zoveel overredingskracht beschikte, de mensen wel eens tot opstand zou kunnen oproepen. Het leek er namelijk op dat ze in alles zijn raad volgden. Hij vond het veel beter om, voordat er revolutie en ellende van zouden komen, zelf het initiatief te nemen en de man te doden dan om pas als het eenmaal zover was in te grijpen. Daar zou hij dan wel eens berouw van kunnen krijgen.
Herodes vertrouwde hem niet erg. Dus werd Joannes opgepakt, naar het eerder genoemde fort Machaerus overgebracht, en daar gedood. De Joden nu hielden het erop dat het leger ten onder was gegaan omdat God Herodes kwaad had willen doen en dat het een wraakactie was. (Ant. XVIII,116-119)

Deze Johannes nu wordt door alle evangelisten beschouwd als de voorloper van de Messias (Mat. 3,1-15; Mar. 1,1-8; Luc. 3,1-17; Joh. 1,19-34).
Uit het evangelie van Lucas weten we dat Johannes de zoon is van de priester Zacharias en van Elisabet, de nicht van Maria, de moeder van Jezus. Zacharias, vervuld van heilige Geest, profeteert kort na de geboorte van zijn zoon: ‘… En jij, mijn jongen, zult profeet van de Allerhoogste worden genoemd, want je zult voor de Heer uitgaan als zijn wegbereider; om zijn volk te leren hoe het gered kan worden door de vergeving van de zonden’ (Luc. 1,76v).

Dat Johannes de wegbereider van de Heer is, wordt aangegeven met de aanhaling van Jesaja aan het begin van deze lezing (Mat. 3,3 vgl. 11,10) en ook met het slot, wanneer Johannes nadrukkelijk zegt dat er iemand komt die krachtiger is dan hij, die ver boven hem staat, die niet zal dopen met water, maar met heilige Geest en met vuur (Mat. 3,11). Johannes belichaamt de stem die roept (letterlijk: brult, loeit) in de woestijn (lxx Jes. 40,3; vgl. Hebreeuwse tekst: ‘Hoor, een stem roept: Baan voor jhwh een weg door de woestijn’).

Johannes verkondigt de komst van het koninkrijk der hemelen, van Gods koningschap. Echter, God kan alleen koning zijn, als de mensen ‘anders gaan denken’, zoals er letterlijk in Matteüs 3,2 staat (metanoeite meestal vertaald als: bekeer u; zie verder het zelfstandig naamwoord metanoia in 3,8 en 11). Precies dezelfde woorden verkondigt Jezus – voor hem bereidt Johannes de weg – aan het begin van zijn openbare leven: ‘Ga anders denken, want het koninkrijk der hemelen is ophanden’ (4,17).

Hoewel Johannes deze oproep doet in de woestijn, stromen de mensen van alle kanten toe, zelfs vanuit Jeruzalem, dat met de tempel het religieuze centrum van het land is. Ook Jezus komt naar hem en zal zich laten dopen.
In Marcus 1,4 en Lucas 3,3 verkondigt Johannes een doopsel tot vergeving van zonden, echter niet in Matteüs. Want in dit evangelie is Jezus de enige die het werkwoord ‘vergeven’ in de mond neemt; alleen Petrus vormt hier een uitzondering op met zijn vraag in Matteüs 18,21, hoe vaak hij zijn broeder moet vergeven als deze hem iets misdoet?
Daarentegen dient het bloed van Jezus bij het laatste avondmaal alleen in Matteüs tot vergeving van zonden (26,28).
Anders gezegd, in het evangelie van Matteüs is Jezus de enige die zonden vergeeft en zo sprekend de Vader.

Kleding en voedsel karakteriseren het profeet-zijn van Johannes. Zijn kleding stemt overeen met die van de profeet Elia zoals beschreven in 1 Koningen 1,8: ‘Het was iemand met een haren mantel en met een leren gordel om zijn middel. Toen zei de koning: Dan was het Elia, de Tisbiet.’
Elia is opgenomen in de hemel (2 Kon. 2) en volgens de joodse traditie zal hij terugkeren om de komst van de Messias aan te kondigen (Mal. 3,1.23). Alles wijst erop dat Johannes de Doper de teruggekeerde Elia is (Mat. 11,14 en 17,1-13).
Voor de komst van het koninkrijk van God is metanoia, ‘anders denken’, nodig. Het citaat van Jesaja verwoordt dat heel poëtisch: 'Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht.’
Met de komst van het koninkrijk der hemelen is volgens Johannes het oordeel eveneens ophanden. Hij roept ‘de Farizeeën en schriftgeleerden’ (een typisch matteaans koppel) op om daden te doen, waaruit dit anders denken blijkt, hij heeft het niet over hun woorden! Als het goede handelen uitblijft, is er geen sprake van anders denken. Dan kan ook vader Abraham je niet helpen, de rechtvaardige bij uitstek, aan wie een groot en zegenrijk geslacht is beloofd. God kan immers uit stenen kinderen van Abraham verwekken, zelfs onder de heidenen. De ware zoon van Abraham is volgens Matteüs 1,1 Jezus.
In de toon van Johannes (‘adderengebroed’) en later die van Jezus (vgl. 12,34 en 23,33) klinkt waarschijnlijk de vijandigheid tegenover deze beide groepen door van Matteüs zelf.

Later zal Johannes wanneer hij in de gevangenis hoort over de daden van de Messias, Jezus laten vragen: ‘Bent u het die komen zou of hebben we een ander te verwachten? (11,2-3).
Die vraag is niet vreemd wanneer we de woorden in het slotvers van het evangelie beluisteren: ‘De wan heeft hij al in zijn hand, en hij zal zijn dorsvloer opruimen; zijn graan zal Hij verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur’ (3,12). Johannes staat kennelijk een heel ander beeld van de Messias voor ogen dan wat hij over Jezus heeft gehoord. Messias Jezus beantwoordt niet aan dat beeld: ‘Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd’ (11,5).

Literatuur
Dries van den Akker, Ga anders denken. Jezus leren kennen door de bril van Markus, Berne Media 2020


Preekvoorbeeld

Mooi, die Eerste lezing. Zoals die de toekomst schildert waarin iedereen tot zijn recht komt; waarin mensen elkaar niet meer naar het leven staan, een en al harmonie als het is, zelfs tussen de mensen en de dieren. Alsof het aardse paradijs is teruggekeerd. Jawel, het gaat er heel mooi aan toe in de Eer­ste lezing.
Misschien dat die beelden van wilde en tamme dieren die met elkaar grazen, kleuters die leeuwen weiden en kinderen die spelen bij het hol van een adder u wel bekend in de oren klinken. Op de een of andere manier hebben ze zich in ons geheugen gehecht, zozeer spreken ze tot de verbeelding.

Toch, tegelijk met de bewondering voor het paradijselijke van deze lezing kan de vraag opkomen of de profeet het zich niet allemaal heeft verbeeld. Zou hij dit nu echt allemaal gezien, voorzien heb­ben?
Gewoon, rondkijkend in zijn wereld om hem heen, kan de profeet helemaal niet zoveel goeds en moois hebben gezien. Hij spreekt niet voor niets over ‘de stronk van Isaï’. Met het rijk van Isaï’s zoon, David, gaat het helemaal niet goed. Het Davidische koningshuis is in verval, en het volk heeft daaronder te lijden. Wat een bloeiende boom had moeten zijn, vol rijpe vruchten, is een dooie stronk geworden. Aan Gods Woord wordt nauwelijks nog waarde gehecht. Ja, hier of daar mis­schien, bij de een of ander, zoals bij Jesaja. Gods volk stelt, de goeden niet te na gesproken, niet veel meer voor: onrecht overal, onbetrouwbare rechtspraak, machtsmisbruik. Wat de profeet ook ziet, geen vrede, geen paradijselijke toestanden.
Wat de profeet ziet lijkt op wat wij zien, de goeden niet te na gesproken. Als wij om ons heen kijken naar de vruchtbare boom die de Kerk had kunnen en moeten zijn, dan zien wij hier bij ons toch ook eerder een armetierige struik dan een bloeiende boom. Nogmaals, de goeden niet te na gesproken, het totaalbeeld van de Kerk is toch vooral doods en vruchteloos. Om moedeloos van te worden.

En niet alleen in de Kerk, ook in onze samenleving is er veel van wat ons het geloof kan benemen dat het ooit nog wat wordt met onze wereld. In plaats van vruchten van recht en vrede, omdat wij ons aan Gods Woord houden, wordt er gewelddadigheid geoogst, vreemdelingenhaat, verrechtsing; onbetrouwbaarheid bij onze eigen overheid en po­litici en wereldleiders schuwen steeds minder de leugen als politiek instrument. En het lijkt dat er veel te weinig mensen van goede wil zijn, en als ze er zijn lijken zij niet sterk genoeg, om dit tij te kunnen keren. Dit is wat wij zien om ons heen. Zouden wij het de profeet durven nazeggen dat dit allemaal ooit in zijn tegendeel zal verkeren, en wij weer een vruchtbaar volk van God zien, en een wereld waarin kinderen weer kunnen spelen bij het hol van een adder?
De profeet zegt van wel. Waarom eigenlijk? Hoe weet hij dat? Weet hij wat anderen, wij, gewone stervelingen, niet weten? Heeft hij een verschijning gehad of stemmen gehoord misschien? Of heeft hij anders gekeken?

Profeten, en Jesaja dus ook, kijken niet gewoon. Zij kijken met de ogen van het geloof. En het ge­loof ziet dit: die dooie stronk is en blijft Gods volk. Hoe uitgebloeid en verdord ook, zij blijven Gods mensen. Profeten kijken met een geloof dat weet dat God zijn volk niet als een dooie stronk heeft gewild maar als een boom die goede vruchten zal voortbrengen. En omdat God dit niet wil, ziet de profeet die stronk opnieuw uitlopen en in bloei staan en vruchten voortbrengen. Gods mensen kúnnen gewoonweg niet onvruchtbaar blijven, want God heeft ze geschapen om vruchtbaar te zijn. Daarom gelooft God bij monde van Jesaja in een nieuwe oogst van vrede.
Wij hier staan in een traditie van mensen die Jezus Christus herkend en erkend hebben als zo’n nieu­we vrucht van de weer uitlopende stronk van Isaï. Wij geloven dat de profeet gelijk heeft gekregen en dat God zijn stronk niet aan zijn lot heeft overgelaten, maar tot nieuwe bloei heeft gebracht.
Het bijzondere van deze nieuwe, vruchtbare loot aan die stronk is, dat wij ook vandaag nog, nu, er onze vruchtbaarheid aan kunnen ontlenen. Als wij van deze vrucht eten, worden ook wij vruchtbare loten aan de boom die God heeft geplant en wordt ook in ons Gods volk weer levend en vruchtbaar.
Dit kan, omdat wij dankzij Christus iets kunnen wat voor die vruchtbaarheid heel belangrijk is: wij kunnen leven als zusters en broeders van elkaar. Jezus heeft ons immers voorgehouden en voorge­leefd dat God de oorsprong van ieders leven is en het doel ervan. Allemaal danken wij ons leven aan God en God bewaart het voor ons tot in zijn eeuwigheid. Jezus heeft alle mensen aanvaard als zijn broeder en zuster, omdat zij voor Hem kinderen van dezelfde Vader zijn. Dit geloof kan ons tot mensen maken die, net als Jezus, vruchten voortbrengen van recht en vrede. Als wij serieus nemen dat wij elkaars broeders en zusters zijn, kunnen wij zo in vrede leven met elkaar dat de boom van Gods volk er weer een wordt die niet misstaat in het paradijs dat Jesaja gezien, voorzien heeft.
Vandaar ook Paulus’ oproep in de Tweede lezing, om eensgezind te blijven. Om onze broeder- en zusterschap sterker te laten zijn dan alles wat ons uit elkaar kan drijven. Dat wij broeders en zusters zijn van elkaar zou ons immuun moeten maken voor alles wat ons tegen elkaar kan opzetten, met zoveel kwalijke gevolgen van geweld, oorlog en maatschappelijke ongelijkheid. Er zijn van die mensen die immuun zijn voor gevoelens van haat en wrok. Nelson Mandela was zo iemand, en bis­schop Tutu. ‘Aanvaard elkaar als leden van één gemeenschap’ zegt Paulus, ‘want alleen op deze manier kan de stronk van de Kerk weer tot bloei komen en vruchtbaar worden.’
Het rijk der hemelen is nabij, roept een andere profeet, Johannes de Doper, voor Jezus uit. Het is na­bij, want als wij ons laten dopen met de Geest van Jezus, hoeven wij niet te wanhopen aan onze ei­gen vruchtbaarheid. Dat hoeft dan niet, ook al zien wij met de ogen van ons hoofd niet meteen, en misschien zelfs niet op de lange duur, hoe de vruchten van ons geloof de wereld ten goede komen.
Maar als wij met de ogen van ons geloof durven kijken naar de vruchten die wij voortbrengen, dan zien wij een bescheiden boompje dat in weer en wind te schudden staat, maar dat, omdat het Gods boompje is, door geen storm zal worden geveld. En als we er dan ook nog vruchten aan vinden, niet veel misschien en sommige misschien wel wormstekig, kunnen wij ons daardoor toch laten sterken in het vertrouwen dat God ons niet in de steek laat, en dat er dus hoop blijft op overvloedige, para­dijselijke vruchtbaarheid: een wereld vervuld van liefde tot God en dus van vrede.
Hij die gekomen is om de Geest te schenken die dit mogelijk maakt, is weer meer nabij dan ooit. En dat is zeker het geval als wij zijn komst, straks met Kerstmis, op zo’n manier vieren dat die Geest over ons vaardig kan worden.
Dat deze Adventstijd ons dat geve.

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld dr. Jan van den Eijnden OFM


11 december 2022
Derde zondag van de Advent

Lezingen: Jes. 35,1-6a.10; Ps. 146; Jak. 5,7-10; Mat. 11,2-11

 

Inleiding 

Jesaja 35,1-6a.10
De Jesajalezing van deze adventsdag komt uit de kleine apocalyps van Jesaja (34,1–35,10). Dit gedeelte bevat een zeer negatief oordeel over de heidenen, vooral over Edom, de buurstaat van Juda (Jes. 34), en een positief vooruitzicht voor Sion (35). Dat positieve hoofdstuk bestaat uit twee delen: 35,1-7 ‘de heilige lente’, dat JHWH's macht en heerlijkheid bezingt, en 35,8-10 ‘de heilige weg’, dat de terugkeer van het volk naar Sion aankondigt. In de oudtestamentische lezing gaat het vooral om het eerste deel van hoofdstuk 35. Het begint met een beschrijving van het opbloeien van de woestijn, die zal worden als de glorie van de Libanon, de Karmel en de Sjaron; dat zijn de drie vruchtbaarste gedeelten van Kanaän. Als dat gebeurt ‘zal men de glorie van JHWH zien’. Deze ‘men’ kan alleen slaan op de Judeeërs (in tegenstelling tot de heidenen uit hst. 34, die alleen straf krijgen). Die Judeeërs worden in de volgende verzen aangemaand moed te houden, en elkaar daarin te steunen want God zal wraak nemen op Judas’ vijanden. Wraak moeten we begrijpen als: vergelding brengen voor de misdaden tegen Juda. Ook de zieken en gebrekkigen zullen in die redding delen doordat ze zullen genezen (35,5-6a). Het zijn deze verzen waarop de Evangelielezing van deze zondag zinspeelt.
Daarop wordt eens te meer het beeld van de waterovervloed in de woestijn voor de gehele transformatie gebruikt, maar tegelijk wordt het tweede thema van dit hoofdstuk ingeleid: ‘de heilige weg’, de tocht door de woestijn naar Sion. Die weg zal rein en heilig zijn omdat zij die bevrijd zijn uit de diaspora over die weg naar Sion zullen terugkeren.

Jakobus 5,7-10
De Tweede lezing komt uit de het afsluitende hoofdstuk van de preekbrief van Jakobus. In de verzen 7-12 geeft hij troostende woorden aan de gelovigen. De wederkomst van Christus (de zgn. parousie) is gegarandeerd; men moet alleen maar niet ongeduldig worden. Uit de brieven van Paulus valt duidelijk af te lezen dat de eerste Christenen de wederkomst van Jezus als zeer spoedig verwachten (Rom. 16,20, 1 Kor. 1,7v;10,11; 15,51; Fil. 1,10; 4,5; 1 Tess. 3,13; 4,15; 4,17; 5,23). In die korte tijd voor de parousie moet men elkaar niet aanvallen of aanklagen maar geduld hebben met elkaar. De oudtestamentische profeten zijn voor Jakobus daarvan een voorbeeld, hoewel hij in vers 11 Job als voorbeeld aanhaalt. Het lijden dat men nu lijdt is niets als men het stelt tegenover het heil dat God spoedig brengen zal.

Matteüs 11,2-11
Jezus begint zijn openbare optreden in Galilea nadat Johannes de Doper door Herodes Antipas is gevangen genomen. Johannes verneemt via zijn leerlingen over het optreden van Jezus en wil weten of hij de verwachte messias is (= ‘de komende’), of slechts een voorloper. Met ‘de komende’ bedoelt Johannes ‘die na mij komt en sterker is dan ik’ (Mat. 3,11), die hij zelf heeft aangekondigd. Jezus antwoordt niet met een ondubbelzinnig: ‘ja’. Ook de Doper moet aan de daden van Jezus zien dat hij de Messias is: de zieken worden genezen, de doden staan op uit de dood en de Blijde Boodschap wordt verkondigd aan de armen. Dit zijn gedeeltelijke citaten uit de Jesajatekst van de Eerste lezing, en omdat ze een vervulling zijn van Jesaja’s woorden, zijn ze een duidelijke aanwijzing voor Johannes de Doper dat hij inderdaad de door hem aangekondigde Messias is.
Dit is voor Jezus aanleiding om een toespraak te houden over de Doper. Jezus stelt drie vragen aan zijn toehoorders: zijn jullie uitgetrokken naar de Jordaan om een ‘riethalm door de wind bewogen’ dat wil zeggen iemand die met alle winden meewaait te bekijken? Of ‘iemand in verfijnde kleding’, dat wil zeggen iemand die een grote show opbouwt en er zich nog voor laat betalen ook? Of is het om een profeet te zien? Dat laatste is inderdaad correct; Johannes is zelfs meer dan een profeet: hij is de door Maleachi aangekondigde wegbereider van de Messias (Mal. 3,1). Daarom is hij zelfs de grootste onder de profeten want ‘onder wie uit vrouwen geboren zijn’, (d.w.z. onder wie mens is) is niemand groter dan hij. Maar toch is ieder die gelooft in Jezus en daardoor behoort tot het Rijk der Hemelen, oneindig groter, want met het optreden van Jezus is een nieuwe tijd aangebroken. Johannes was dan wel de grootste profeet, maar hij was slechts een wegbereider: met Jezus is alles anders geworden.

Literatuur

A. Schoors, Jesaja (BOT), Roemond, 1972, pp. 205-208

  

Preekvoorbeeld

Het moet nog Kerstmis worden, maar de lezingen van dit adventsweekend beginnen met een paaslied: de steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen. Het geliefde paaslied dankt zijn woorden aan Jesaja, die we in de Eerste lezing hoorden. Bereiken die woorden ons, komen ze binnen? Krijgen we al een kerstgevoel?
Verderop in zijn visioen ziet Jesaja het al gebeuren, dat ogen van blinden opengaan, dat een lamme springt als een hert… Hoe anders het evangelie van deze zondag! Het neemt ons mee naar bittere realiteit, naar Johannes, die in de gevangenis zit. Johannes kon zijn mond niet houden. Hij geloofde als geen ander dat de Messias, degene die het visioen van Jesaja zou vervullen, nabij was. Dat de nieuwe wereld waarin Gods liefde de toon zou zetten, met Jezus’ komst zou beginnen.

‘Imagine all the people livin’ life in peace,
You may say I’m a dreamer’, zong Lennon.

Herodes, zetbaas van de Romeinse bezetter heeft de oproerkraaier Johannes in het gevang gezet. Daar zit hij nu. Geen wonder dat hij middels een gezantschap Jezus laat vragen: ‘Ben jij nu de Komende, met wie we dachten, dat alles anders zou worden? Of hebben we een ander te verwachten?’ Jezus’ leerlingen moeten Johannes vertellen wat ze horen en zien. Dat mensen die verlamd waren nu lopen, dat mensen die niets en niemand zagen, de ogen zijn open gegaan, dat mensen die voor dood werden versleten, tot leven zijn gekomen. Ongehoord, ongekend wat er gebeurt! We horen niet hoe Johannes reageert op de boodschap van Jezus’ leerlingen. Zou hij blij zijn… zou hij als een hert opspringen van vreugde? Uiteindelijk heeft Johannes zijn geloof met de dood moeten bekopen, maar dat betekent niet dat Jezus’ woorden niet bij hem binnen zijn gekomen…
Jezus zelf daagt de menigte die bij hem is en weet dat Johannes gevangen zit, uit: ‘Wat hadden jullie dan gedacht toen jullie naar Johannes in de woestijn gingen en je door hem hebt laten dopen? Zag hij eruit als koning, als iemand die het ging maken in deze wereld? Heb je niet gezien hoe kwetsbaar hij was in zijn kameelharen mantel? Hij leefde niet voor niets in de woestijn. Het lijden en de pijn, de armoe horen bij zijn leven en toch is hij een groot mens. Hij gelooft terwijl het Rijk van Gods liefde er nog niet is.
Wat kunnen wij met deze lezingen in deze dagen van Advent? We horen woorden en zinnen, die we herkennen. Nog steeds is er ‘dorre vlakte’, letterlijk en figuurlijk. Ook nu zijn er mensen met slappe handen, mensen die te verzwakt zijn om zelfs hun hand uit te steken om hulp te vragen, er zijn mensen met knikkende knieën, zo bang zijn ze. Zijn er ook lammen die springen als een hert? Zijn er dichtgeslagen mensen, die weer horen en zien? Toch wel, er is steppe die bloeit, lacht en juicht. Een verhaal van het afgelopen jaar, een verhaal van nos-journaliste Iris de Graaf, die afgelopen zomer in Kaliningrad was, de westelijke Russische enclave, die vanuit Rusland alleen te bereiken was per trein over Litouws gebied. Een strategisch gelegen Russische stad, waar door haar isolement de Westerse sancties veel armoede en ellende dreigde. Iris de Graaf interviewde een eigenaar van een betonfabriek, die door onze sancties al bijna failliet was. De journaliste dacht dat deze man verbitterd zou zijn door de westerse vijandigheid… Maar nee, zei hij: Het doet me pijn dat ik staatsburger ben van een land dat alle internationale regels overtreedt. Tot nu toe heeft Europa dat niet gedaan, normen en waarden verbroken. Sancties zijn sancties.’ Openhartig voegt hij er aan toe: ‘Ik maak me zorgen over mijn gezin, mijn kinderen. En mijn personeel, ziet hoe hun toekomst wordt verwoest. Maar uiteindelijk is het slechts geld dat we verliezen. Het is zoveel erger dat er granaten en raketten inslaan terwijl wij hier staan te praten. Dat er kinderen en vreedzame burgers sterven’. Ja er zijn er ook die in de voormalige schuilkelders, diep onder in de grond, concerten organiseren, zelfs cabaret, plekken waar je vrij kan lachen en huilen.
De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen… Sterker, de steppe bloeit, de steppe lacht en juicht. Niet te geloven, of toch wel…

inleiding prof. dr. Erik Eynikel
preekvoorbeeld drs. Hans Schoorlemmer

18 december 2022
Vierde zondag van de Advent

Lezingen: Jes. 7,10-14; Ps. 24; Rom. 1,1-7; Mat. 1,18-25

 

Inleiding

Jesaja 7,10-14
De perikoop maakt deel uit van het zogeheten ‘Immanuël-boek’, een verzameling profetieën (Jes. 6–12) waarin een niet nader omschreven persoon (‘Immanuel’) borg staat voor de presentie van God. De politieke context is er naar: het Noordrijk Israël en het Zuidrijk Juda staan onder permanent gevaar onder de voet te worden gelopen door de Assyriërs. De Syro-Ephraïmitische coalitie (736 vChr.) van de koningen Resin van Damascus en Pekach van Samaria probeert dit tegen te gaan. De koning van het Zuidrijk, Achaz, kiest echter strategisch eieren voor zijn geld en wordt op zijn beurt onder druk gezet door deze gelegenheidscoalitie. Uiteindelijk zal de hele onderneming op een farce uitlopen en zal eerst Damascus (733-732 vChr. – 2 Kon. 16,9) en uiteindelijk ook Samaria (722 vChr. – 2 Kon. 17,6) verwoest worden.
In deze crisis roept de profeet op om op God te vertrouwen, maar Achaz prefereert een politieke alliantie met de koning van de Assyriërs, Tiglatpilesar. De na Achaz regerende koning Hezekia wordt schatplichtig aan hem, maar het Zuidrijk blijft bestaan tot de neo-Babylonische verovering (587 vChr.). Deze profetieën stonden mogelijk in het teken van het einde van het Noordrijk. Achaz wordt door de profeet opgeroepen een teken (v. 11) te vragen aan God, hetzij uit de onderwereld, hetzij van boven, maar hij weigert omdat hij God niet op de proef wil stellen. Had hij Saul en diens poging de geest van Samuel op te roepen uit de onderwereld in gedachten? De weigering is negatief geduid, mogelijk omdat de koning geen geloof hecht aan de profeet.
Zijn gebrek aan geloof zal niettemin gecompenseerd worden door een teken dat God zelf zal geven (v. 14): een jonge vrouw (alma) zal zwanger worden, zij zal een kind baren dat Immanuël (‘God bij ons’ of ‘onder ons’) zal heten, en hij zal zich voeden met boter en honing (v. 15) voor hij onderscheid zal maken tussen goed en kwaad. Het is niet helder wat exact het ‘teken’ is: de geboorte, de naam, het voedsel, of het gehele ensemble? Maar duidelijk is wel dat voordat de jongen groot zal zijn geworden het land van de twee koningen die Judea bedreigen ‘ontvolkt’ (v. 16) zal zijn. Het voedsel staat mogelijk voor die ontvolking (vgl. Jes. 7,22), een terugkeer naar een uiterst primitieve staat van het herdersbestaan, waar de steden zijn verwoest. Niettemin staan boter en vooral honing ook voor delicatessen die de overlevende ‘rest’ (Jes. 7,22) mag eten, en is de dubbelheid beoogd. Of Hizkia of iemand anders in de Immanuël-profetie is aangeduid blijft ongewis, maar de profetische betekenis van deze passage laat zich lastig opsluiten in welke historische toepassing dan ook.

Psalm 24
Mogelijk herinnert Psalm 24 aan de rituele intocht van de ark van het Verbond in de Tempel. De psalm verbindt God als schepper van de aarde met de heilige berg, de cultusplaats in Jeruzalem. Die samenhang is intentioneel: de cultusplaats is een microkosmos. Deze God, aanwezig in Zijn Tempel, is ook degene van wie de gehele aarde is ‘en al die haar bewonen.’ Het particuliere van de plek en het universele van de schepping sluiten elkaar in. Centraal staan de prachtige retorische vragen in de verzen 3-6 en de oproepen in de verzen 7-10. Vers 4 is het hart van de eerste sectie: wie reine handen heeft en puurheid van hart (handen staan voor handelingen, het hart staat voor de beslissingen die een mens neemt), en die geen valse eed heeft gezworen, die mag de heilige berg betreden. Hier klinkt profetische taal door: het gaat niet om de priesters of levieten, maar om iedere mens die aan deze maatstaf beantwoordt. De verzen 7-10 roepen de tempelpoorten op hun ‘hoofd te heffen’ om de Koning door te laten, waarbij de poorten als actieve karakters meedoen. Die koning is de ‘Heer der heerscharen,’ een term die we weinig in de Psalmen maar wel bij de profeten (Jes. 6,3!) aantreffen. Op deze plaats, met mensen rein van handen en hart, raken hemel en aarde elkaar, is Zijn Koningschap zichtbaar.

Romeinen 1,1-7
De brief aan de Romeinen is rond 55-56 tot stand gekomen, als laatste brief die Paulus zou schrijven. De openingsverzen zijn programmatisch, geheel conform de gangbare briefretoriek van de laatantieke Oudheid. Paulus stelt zich voor als een ‘slaaf van Christus’ (v. 1) en door God geroepen ten dienste van het evangelie, dat wil zeggen, een getuigenis omtrent de betekenis van Jezus en diens dood. Hij is geen directe leerling van Jezus. Zo levert hij zijn geloofsbrief af met zijn ‘evangelie’ (‘Goede boodschap,’ de term is ontleend aan Jesaja’s beeld voor een aanbrekend Koningschap van God, bijv. Jes. 52,7): Jezus is (v. 3) ‘naar het vlees’ geboren als zoon van David, en (v. 4) door heilige Geest aangesteld als ‘Zoon van God’, ‘in kracht, door zijn opstanding uit de doden.’ De interpunctie ontbreekt in Griekse manuscripten en daarmee is ook de vertaling van die laatste frase ongewis: is ‘in kracht’ (en dunamei) een kwalificatie van het aangesteld zijn tot ‘Zoon van God’, zoals de KBS heeft, of is ‘in de kracht’ de Geest zichtbaar geworden en wel vanuit de opstanding uit de doden?
De Davidische afstamming van Jezus en diens door God bewezen aanstelling krachtens de opstanding zijn de grondslag voor een nieuwe manier van leven en samenleven van Joden en niet-Joden, en wel zonder eerst de besnijdenis te hoeven ondergaan. Dat is de kern van zijn leer: alle volkeren (v. 6) deze ‘gehoorzaamheid van geloof” te onderrichten. Dat geloof immers (Rom. 1,16) in de rechtvaardiging door God zelf is het kernthema van de brief, en kristallisatiepunt van een nieuwe gemeenschap van ‘eerst de Joden maar ook de Grieken’. Daarin wortelt Paulus’ uitleg van het Koningschap van God, dat voorbij het Goddelijke oordeel mensen verbindt op basis van geloof.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 1,18-25
De perikoop is het tweede deel van het hoofdstuk dat begint met de geslachtenlijst van Jezus (Mat. 1,1-17), maar beide secties gaan over de ‘wording’ van Jezus Christus (v. 1: biblos geneséoos, v. 18: génesis) in de geschiedenis van Israël. Benadrukt de geslachtenlijst de lijn vanaf Abraham, in dit deel van het hoofdstuk staat diens afstamming van David centraal, en wel via Jozef, ‘zoon van David’ (v. 20). Maria, met wie hij is verloofd, een vorm van ondertrouw die niet wezenlijk verschillend is van de huwelijkse staat, blijkt zwanger te zijn ‘van de heilige Geest’ (v. 18). Letterlijk staat er dat zij iets in haar buik blijkt te dragen ‘uit heilige Geest’. Het Grieks vermeldt nimmer het lidwoord, zoals vertalingen wel doen, de term duidt een traditioneel beeld van de ingrijpende of aanwezige kracht van God.
Jozef zendt haar niet publiekelijk weg omdat hij een ‘rechtvaardige’ (v. 19) is, maar overweegt het in stilte te doen. Via een engel die hem in een droom verschijnt (v. 20) wordt hij hiervan weerhouden: de engel bevestigt (vv. 20-21) wat de lezer al wist, namelijk dat dit kind ‘uit heilige Geest’ is, maar voegt toe dat deze Jezus zijn volk zal redden ‘van hun zonden (apo toon hamartioon autoon)’. Engelen spelen in dit evangelie een bijzondere rol: als boodschappers van Godswege (vgl. Mat. 2,19), als uitvoerenden van het goddelijk oordeel van de ‘Mensenzoon’ (Mat. 13,41; 25,31; 26,53) en als getuigen van het lege graf (Mat. 28,2.5). De verschijning in dromen doet aan de Jozefcyclus in Genesis denken, maar de engelen representeren ook een apocalyptisch motief als bemiddelaars van goddelijke wijsheid.        Zijn naam, Jezus (Hebreeuws: Jehosjua, Aramees: Yesju, Griek: Jesous), ‘Jah (=JHWH) redt’, verwijst naar de ‘redding’ die Matteüs concretiseert in de ‘redding van hun zonden’ (v. 21). Het gaat hier niet om een verlossing uit erfzonde, zoals de theologie sinds Augustinus die leert, maar om iets anders: de eerste lezer van dit evangelie ziet zich geconfronteerd met een religieuze en politieke crisis: de afwezigheid van de Tempel. Jezus zelf zal daar op zinspelen (Mat. 24) en tijdens het laatste maal duidt hij zijn martelaarsbloed als verzoenend (Mat. 26,28). Het verhaal rond Jezus’ optreden, dood en opstanding (het lege graf) vullen die leegte op nieuwe wijze in. Voorbij de crisis van de oorlog van 66-70 biedt Matteüs zo een visioen van een nieuwe toekomst voor het Godsvolk, met Jezus als belichaming daarvan.
Matteüs biedt hier, als eerste van zijn ‘vervullingscitaten’, de Immanuël-profetie uit Jesaja (vv. 22-23), in de versie van de LXX. Die geeft het Hebreeuwse alma, ‘ongehuwde jonge vrouw’ weer met parthenos, in het Grieks een aanduiding voor een ongehuwd meisje, vrouw of man (!), niet noodzakelijk maagd. Niettemin is het vers een grondslag geworden voor de mariologie in de latere kerk, bezegeld in de theotokos (‘God-barende’)-formule van het concilie van Efeze (431). Wat in deze Christelijke theologie zichtbaar wordt is de overgang van parthenos van een sociale status van ongehuwd zijn naar een ‘biologische’ staat van seksuele maagdelijkheid. Echter, bij Matteüs spelen verwijzingen naar wonderbaarlijke bijbelse geboortes (Isaak, Elia, Samson) een rol. God zelf grijpt zo in binnen de geschiedenis van het volk. Net zoals daar is ook dit kind nu voorbestemd tot een bijzondere taak, als Immanuël, ‘God onder ons’. Presentie van dat Koningschap is de rode draad in de lezingen, en ook de aanstaande geboorte van Jezus maakt deel daarvan uit. De profetie van Jesaja’s Immanuël is zo opnieuw realiteit.

 

Preekvoorbeeld

Er is een vrouwelijke lijn waaruit Jezus voortkomt en er is een mannelijke lijn. Die vrouwelijke lijn is ons het meest bekend. Het is het verhaal van: ‘ontvangen van de heilige Geest’, ‘geboren uit de maagd Maria’. Het is van: hoe de engel Gabriël bij Maria kwam: ‘Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u’. Zo vertelt het Lucasevangelie.
De mannelijke lijn is die van Jozef. Wat heeft die ermee te maken? Als ze Jezus’ achtergrond moeten weergeven: ‘van wie ben je er een?’, dan doen zowel het Lucasevangelie als het Matteüsevangelie dat via Jozef. Met een geslachtsregister dat van Jozef terugredeneert helemaal tot Adam, die op zijn beurt staat beschreven als ‘de zoon van God’, zoals Jezus de zoon van God is, zo staat het in het Lucasevangelie. En in het Matteüsevangelie – ook een geslachtsregister, ook van Jozef, dat Jezus terugleidt tot Abraham. Dat begint zo: Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, en dat gaat zo de eeuwen door tot er veertig generaties verder weer een Jakob is die Jozef verwekte.
Je ziet daar oude verteltechnieken: dat het einde van het verhaal overeen moet komen met het begin van het verhaal. Dat geslachtsregister kun je dus van begin tot eind samenvatten met: Abraham, Isaak, Jakob (die wordt verdubbeld), Jozef. Jezus wordt dus geboren in een aartsvaderlijk milieu.
Vandaar dat Jozef een meesterdromer is: die oudtestamentische Jozef met zijn dromen en de dromen van de farao, en deze nieuwtestamentische Jozef  die in zijn droom een engel ontmoet: ‘Wees niet bang, Jozef’ jij moet de zwangere Maria bij je nemen en voor het kind als een vader zijn.
Het speelt zich allemaal af alsof het zich in aartsvaderlijke tijden afspeelt. Ook de kindermoord in Betlehem, dat verschrikkelijke verhaal dat we meestal overslaan, van als de wijzen uit het oosten net weg zijn: ‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet getroost worden, want ze zijn er niet meer.’ Ja, Rachel, zij is de vrouw van Jakob, de moeder van Jozef. Zo schakelt dat allemaal in elkaar, althans in het Matteüsevangelie; in het Lucasevangelie heeft Jozef een andere vader, en wordt het verhaal dus op een heel andere manier verteld.
Het Matteüsevangelie heeft niet alleen al die aartsvaders maar ook vier vrouwen, vier aartsmoeders: Tamar, Rachab, Ruth, Batseba en bovendien Maria. Er is een vrouwelijke lijn en er is een mannelijke lijn. Jezus’ komst wordt in de verteltrant van de Bijbel, ons uit de doeken gedaan als een inbreuk van Godswege, die alles overhoop trekt, een onmogelijkheid, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

Voor die onmogelijkheid is vooral de vrouwelijke lijn nodig. Onvruchtbaarheid kwam in de oudheid alleen bij vrouwen voor, zo meende men, men sprak van vrouwen als van vruchtbare of onvruchtbare akkers, terwijl mannen goed waren voor het zaad. Aan dat zaad werd niet getwijfeld. Een ontmande, een castraat, dat is een ander verhaal, in de Bijbel is dat een hele kwestie, maar zolang er een ploegijzer op zit kan er geploegd worden en als de akker dan toch geen vrucht draagt ligt dat aan de akker, als er sprake is van onvruchtbaarheid, dan ligt dat aan de vrouw, aldus de oudheid.
Maar als God een nieuw begin wil maken dan zal de stokoude Sara – die onvruchtbaar was – het kind van de belofte baren. Want vader Abraham had zeven zonen, zeven zonen had vader Abraham, maar die ene, geboren uit de oude Sara, dat is de zoon van de belofte. En als God een nieuw begin wil maken dan wordt de onvruchtbare Hanna zwanger en de profeet Samuël wordt geboren. Dan krijgt de onvruchtbare Elisabet een baby, en de oude Zacharias loopt achter de kinderwagen.  In het midden van de tijd wordt voor de maagd Maria en de oude Jozef een kind geboren, Jezus, God redt, Immanuël.
Steeds die menselijke onmogelijkheid van de stokoude Sara, Elisabet, de onvruchtbare Hanna, de maagd Maria. Het is de verteltrant van de Bijbel die niet uitgaat van onze al dan niet vruchtbare bodem maar van een groot geluk dat ons in de schoot wordt gewórpen! Door natuurlijke zwangerschap of niet.

In de Oudheid en de Middeleeuwen stelde men zich het kinderen krijgen, de ‘voortplanting’, op een heel plantkundige wijze voor. Daarbij was de man dus goed voor het zaad, en de vrouw was eigenlijk niet meer dan een bloemperk, een zaaibed.
Zwangerschap ontstond, zo meende men, doordat de man een zaad plantte in de schoot van de vrouw. Dat zaad was – alles zat er al in – een klein mensje, dat daar in negen maanden uitgroeide tot een voldragen kind. Pas in de zeventiende eeuw kregen wij een heel ander inzicht, namelijk dat zwangerschap ontstaat doordat een vrouwelijke eicel door mannelijk sperma wordt bevrucht. Het kind dat geboren wordt heeft dus vanzelfsprekend de eigenschappen zowel van de vader als van de moeder.
De vrouw is geen zaaiperk en geen akker, maar heeft zelf iets bij te zetten, die maandelijkse eicel. En dat zaad waar die mannen zo hoog van opgeven is helemaal geen zaad, hooguit wat ronddwarrelend stuifmeel.

U begrijpt dat met de ontdekking van de vrouwelijke eicel in de zeventiende eeuw er een hele symboliek aan barrels viel. Een heel archetypische beeldspraak  – waar ook de bijbel van doordrenkt is – bleek niet te kloppen.
Neem alleen al – klein voorbeeld – het gegeven dat we zo weinige van de Bijbelse vrouwen bij name kennen. De moeder van Simson kennen we niet. Wel zijn vader, die heette Manoach, want die man die plantte zich voort in zijn zoon Simson, met Gods hulp en met een engel en een wonder, maar de moeder blijft ongenoemd.
Waarom? Omdat naar dat toenmalig inzicht, zij zich niet voortplantte. Zij zorgde er alleen voor dat de vrucht tot groei kwam. Zij voedde de vrucht met haar bloed, want zo dacht men, de groei van zo’n mensenkind in aanleg heeft te maken met bloed. Bij een zwangerschap is dat maandelijkse bloeden gestopt en in het Hebreeuws is het woord voor bloed – dam – heel nauw verbonden met de akkergrond – adama – en dus met mens – adam.
            Mét dat je níet weet hoe die vrouwen heetten, krijg je heel rare kronkels in zinnen. Jakobus en Johannes zijn de zonen van Zebedeüs. In het evangelie komt ook hun moeder voor, naamloos, zij wordt dan aangeduid als: ‘de moeder van de zonen van Zebedeüs.’ Ja, dat is wel een lange omweg om tot haar te geraken.

In dát oude denken is Jezus geboren. Hij is ‘ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.’ Hij is de ‘Zoon van God’. Wat de Bijbel daarmee bedoelt is dat Jezus alle goddelijke eigenschappen heeft meegekregen, een goddelijke natuur heeft. Hij komt van al zo hoge, van alzo veer. De kerk heeft er nog veel werk aan gehad om te beklemtonen, te onderstrepen en veilig te stellen dat hij ook ‘waarlijk mens’ is, want volgens dat oude denken had hij die menselijke natuur níet vanzelfsprekend van Maria meegekregen, zij, die maagdelijke akker, die voedingsbodem, het bloemperk. En ook niet van Jozef, die zo goede voor hem gezorgd heeft en hem het timmermanswerk heeft geleerd.

Zijn voorgeschiedenis ligt bij God, niet bij de mensen. Maar, zo wil Matteüs, er is toch een hele geschiedenis aan voorafgegaan. En dan neemt hij de stamboom van Jozef. Het Matteüsevangelie vertelt van een mannelijke lijn en een vrouwelijke lijn.
De vrouwelijke lijn wordt belichaamd door Maria en het wonder, een vrucht van de heilige Geest, een maagdelijke geboorte. Niet hoe mensen elkaar bezwangeren, wat haar in de schoot is gelegd, komt van God.
In de kunsten wordt Maria verzinnebeeld als de maan. Want Christus is de zon, het licht gaat van hem uit. ‘Reeds daagt het in het oosten’. En Maria is de maan die dat licht weerkaatst, zodat ook in de nacht het licht van Christus blijft schijnen, weerspiegeld door zijn moeder, de maan.
In de Openbaring van Johannes kun je de vrouw die een zoon gebaard heeft, herkennen aan de maansikkel aan haar voeten. Christus is de zon, het licht gaat van hem uit, de zonne der gerechtigheid, Maria is de maan, die zelf geen licht geeft maar het licht weerkaatst.

Maar nu die mannelijke lijn. Die wordt belichaamd door Jozef.  Geen hemellichaam maar een rechtvaardige hier op aarde. Er is geen licht te zien in zijn doorwaakte machten. In zijn twijfel en aanvechting komt het in hem op in stilte van Maria te scheiden. Zwanger, hij wil haar niet in opspraak brengen. Met Maria treedt uit de hemel de toekomst binnen. Jozef staat met beide voeten op de aarde, verankerd in de geschiedenis.
Jozef, in de kunstgeschiedenis wordt hij doorgaans afgebeeld als een stokoude man, bij wie Maria veilig was. Maar in de negentiende eeuw bij de opkomst van het socialisme kreeg hij een verjongingskuur en werd een viriele dertiger, het toonbeeld van de kerkelijke arbeidersbeweging, die met deze veel jongere Jozef, de jonge timmerman, de arbeiders binnen de schoot van de kerk probeerde te houden.

De Bijbel vertelt als het over de geboorte van Jezus gaat, over een mannelijke lijn en over een vrouwelijke lijn, zodat Jezus als een mensenkind deelde in onze geschiedenis met alles wat daarin mogelijk en onmogelijk is, met al onze deugden en ondeugden, het menselijke en al te menselijke.
Maar hij wordt ons daarin uitgetekend als de toekomst zelve, die inbreekt in onze geschiedenis en ons van alle doem en noodwendigheid verlost, want bij God is niets onmogelijk.

 

inleiding prof. dr. Eric Ottenheijm
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

24 december 2022
Geboorte van de Heer – Nachtmis

Lezingen: Jes. 9,1-6; Ps. 96; Tit. 2,11-14; Luc. 2,1-14

 

Inleiding

Jesaja 9,1-6
Het is goed dat de lezing van Jesaja 9 bij vers 1, en niet bij het voorafgaande vers inzet. Niet een historische context, maar het contrast van duisternis (chaos) en licht (schepping) zet zo meteen de toon, en verbindt de boodschap van de profeet aan Genesis 1 en Johannes 1. Degene die het licht schenkt en vreugde verwekt bij wie wonen in het land van duisternis, verkrijgt in vers 2 aanspraak, als een Gij. Drie nader verklarende verzen beginnen elk met ki (‘want’), en wel in een opklimmende reeks: de stok die de verdrukker – desgewenst te verbinden aan Assyrië’s geweld, maar die herinnering is secundair, want alle nadruk ligt op de toekomst, die nu al aan het beginnen is – op de schouder van het volk legde en het juk waaronder deze hem voortdreef zijn verbroken (v. 3), de dreunende laarzen zijn nutteloos geworden (v. 4), en bovenal: een kind is ons geboren – waarbij het baren vooral een motief is van het nieuwe begin, van nataliteit (Hannah Arendt) –, een zoon is ons gegeven, op wiens schouder (!) de heerschappij is komen te liggen (v. 5); de Gever van de zoon is evenzeer bekend als de Schepper van het licht aan het begin van de tekst en klinkt door in de namen die het kind draagt. De Septuagint beperkt zich tot ‘Bode van de grote raad’, waarmee de vertalers (misschien terughoudend vanwege associaties in hun hellenistische context) een te grote nabijheid van de Gever en de zoon blijkbaar willen vermijden. En Martin Buber trekt de eerste twee namen samen tot ‘Ratsmann des heldischen Gottes’, waaruit een Joodse huiver spreekt om God en dit nieuwe kind te nauw aan elkaar te verbinden. Des te meer valt op, hoe sterk de overgeleverde masoretische tekst in de beide gekoppelde namen ‘Wonder-Raad’ en ‘Gods-Held’, samen met ‘Vader der Eeuwigheid’ en ‘Vorst des Vredes’ een nieuw gebeuren, een wonder, een directe daad van Godswege oproept, die de verwachtingen bij louter een nieuwe generatie in het huis van David verre transcendeert, ook wanneer het afsluitende vers 6 het wonderbare weer in de banen van dat huis terugleidt.

Psalm 96
Psalm 96 spreekt niet van geboorte, maar bezingt wel het komen van de koning. De gerechtigheid van diens bewind verbindt het lied met de Jesajatekst (Jes. 9,6 ‘recht en gerechtigheid’, Ps. 96, 13 ‘gerechtigheid en trouw’). In zijn naam liggen zijn ‘wonderen’ besloten (v. 3), maar ook zijn ‘stralende verschijning’ (v. 3), zijn ‘vreeswekkendheid’ (v. 4) en zijn ‘bevrijding’ (jesjoea, lxx: sotèroion, v. 2) – woorden die terugkomen in de navolgende lezingen. Jesaja 9 sprak alleen van het ‘volk’ (vv. 1-2), hier gaat een boodschap uit onder de omringende volkeren (v. 1-6), wordt aan ‘de geslachten’ van deze volkeren de opdracht gegeven zich in de voorhoven van de tempel te vertonen om de boodschap te ontvangen (vv. 7-10) en worden tenslotte nog breder hemel en aarde (de laatste samen met de zee, het veld, de bomen) aangeroepen, te delen in de vreugde nu JHWH komt om de aarde te richten.

Titus 2,11-14
In de epistellezing lijkt het verschil tussen het volk Israël en de volkeren te zijn opgelost in de ene term van ‘de gemeente [Gode] ten eigendom’ (Tit. 2,14, Naardense Bijbel, vgl. Ex. 19,5 en Ex. 23,22 lxx). Toch moeten we daar niet te snelle conclusies uit trekken of van ‘vervangingstheologie’ spreken. Voordat de apostel in vers 11 spreekt over de verschijning van Gods ‘bevrijdende genade’ (charis sotèrios), heeft hij in de verzen 9-10 de slaven opgeroepen, zich te onderschikken. Dit doet denken aan het lied in Filippenzen 2,8, waar Jezus Christus zich in de gestalte van een slaaf heeft vernederd en heeft gehoorzaamd totterdood. Hij voert daarmee op de spits wat de Hebreeën in het slavenhuis doormaakten, hoe ze dat in geduld en volharding hebben doorstaan. Hij belichaamt het tot slaaf gemaakte Israël, en heeft zich gegeven om ‘ons’ (niet-Israël, vanuit de Tora: de niet-slaven?) los te kopen van ons staan buiten de wet (van Mozes) en ons te reinigen (van de wereld die geregeerd wordt door begeerten, v. 12), zodat we tot die ‘gemeente ten eigendom’ kunnen behoren (v. 14). Hij is verschenen, zoals de profeet en de psalmist hebben aangekondigd – maar deze verschijning biedt niet de volledige vervulling, want wij blijven de stralende verschijning van God en van onze bevrijder (sotèr) Jezus Christus verwachten (v. 13). Ook wat straks in het evangelie klinkt zal daarmee tegelijk vervulling én voorproef zijn. Door de Epifanie van Christus Jezus leven we eens te meer in de verwachting, in het opvoedingsregime (v. 12) tot verzaking van goddeloosheid, tot godvruchtig leven in de bestaande wereldtijd, en onder het gebod aan Titus ons te bewegen in het rechte ethos, en niet onder de maat van deze boodschap te blijven (v. 15).

Zie: Y. van den Akker-Savelsbergh, ‘De brief aan Titus. De glorie van onze grote God en redder Jezus Christus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Skandalon 2015, 94-98

Lucas 2,1-14
Wat valt er nu, in de samenhang van deze beide lezingen en de Psalm, op in de Evangelielezing voor de Nachtmis? ‘En het geschiedde… een decreet van Caesar Augustus… inschrijving… en zij gingen allen’ (vv. 1-3): de volkeren komen in beweging, waartoe de Psalm opriep. Maar weten zij wat zij doen? Wanneer zij met hun hele imperiale ordening ook Galilea en Judea bevelen, dan bewerken zij alleen onbewust dat het andere geschieden, dat dáár plaatsvindt, ook voor hun eigen ‘geschiedenis’ beslissend zal zijn. ‘Ook Jozef ging op … naar de stad van David, die Betlehem heet, omdat hij uit het huis en de vaderlijke stam van David was’ (v. 4). De stad van David is uiteraard Jeruzalem, waar zich de tempelberg verheft waar de volkeren conform de Psalm hun instructies halen. Maar de werkelijke geschiedenis duikt te Betlehem onder de daar verwachte spectaculaire plaatjes door. Jozef geeft naar apostolische raad (Rom. 13,1) gehoor aan het machtsbevel en daardoor valt zijn handelen niet op. Zijn toebehoren tot het huis van David krijgt een vermelding, vergelijkbaar met die aan het slot van de Jesajatekst: dit is op zichzelf niet het wonder van Godswege, maar waar dit wonder gebeurt, voegt het zich wel in de keten van geslachten. ‘En het geschiedde… zij (Mariam) baarde haar zoon, de eerstgeborene… en legde hem in een stal, omdat hun plaats niet was in het gastenverblijf’ (vv. 6-7). Hier is de nataliteit, het kind waarvan Jesaja sprak. En het contrast tussen stal en hotel brengt ons in de nabijheid van de verarmden en de slaven, omdat alleen bij hen een zicht ontstaat op de ‘gemeente, Gode ten eigendom’. ‘En er waren herders… wakende de nachtwacht’ (v. 8): deze waakzaamheid is in overeenstemming met het gebod van de apostel, in welke gesteldheid de bestaande eeuw van duisternis door te komen. ‘De bode van de Heer stelde zich bij hen, de stralende verschijning van de Heer omstraalde hen, zij vreesden met grote vreze’ (v. 9). Deze stralende verschijning dient volgens de psalm verteld (Ps. 96,3) en volgens de apostel in hoop verwacht te worden (Titus 2, 3): de God die zich de zaak van het verdrukte mensenkind tot de zijne maakt toont een heimelijke glorie, ook als die nog vaak onder misère schuilgaat: het is de glans van de werkelijke geschiedenis die de glitter van de valse geschiedenis ontmaskert, en het is de ‘eer’ zowel van deze God als van zijn apostel zich zó te betonen. ‘De bode zei: vreest niet… grote blijdschap voor geheel het volk’ – en hoe wijd valt hier ‘volk’ te nemen? – ‘U is heden geboren’ – nataliteit is één ding, maar kan niet zonder de bekendmaking ervan – ‘de bevrijder’ – heel het evangelie van Lucas getuigt van de sotèr en van de sotèria (Luc. 3,6) die hij brengt (v. 11). ‘En dit is het teken: een kindeke, in windsels, in een stal’ (v. 12) – Jesaja kondigt het wonder aan, dat alle verwachtingen van een gangbare koning uit het huis van David transcendeert. Zelfs dit kind is niet direct het wonder zelf, het is er teken van. ‘En daar was … de menigte van het hemelse heir, zeggend: stralende verschijning’ (met het daarbij behorende gewicht, de eer) ‘in de hoogste aan God’, omdat hij in de sotèr nu ‘op aarde vrede’ aankondigt – te midden van de stampende laarzen uit de profetentekst – ‘onder de mensen van zijn welbehagen’ (v. 13v.) – waarbij de notie ‘volk’ een geheim blijft, besloten in Gods verborgen raad waarin Hij zich een gemeente ten eigendom neemt.

Gebruikte literatuur
Reinhard Feldmeier, Hermann Spieckermann, Menschwerdung. Topoi Biblischer Theologie 2, Tübingen: Mohr Siebeck, 2018, 111-115 (Jes. 9) en 252vv (die Rettung und der Retter bei Lukas und in der Paulusschule)
‘De koning komt. De Psalmen 90-100‘, Amsterdam: Prof. Dr. van der Leeuwstichting [serie Voor de kinderen van Korach. Dramatiek en Liturgische Gestalte van de Psalmen], 1991, 76-84 (Ps. 96)
Th. J. M. Naastepad, Om de langste adem. Uitleg van zeven apostelbrieven, Baarn: Ten Have, 2003, 207-212
F.H. Breukelman, ‘En het geschiedde…’, in: Bijbelse Theologie III/1, Kampen: Kok, 1984, 179-206

 

Preekvoorbeeld

Regelmatig ontmoet ik mensen, die mij vertellen dat het moeilijk of onmogelijk is om te geloven in God. Ze zeggen dat, omdat er zoveel verdrietige, pijnlijke of moeilijke gebeurtenissen zijn. Nu eens in hun eigen leven, dan weer in dat van anderen. Ze zijn ervan overtuigd geraakt dat God er niet is voor de mensen die lijden. Ze zijn bodemloos teleurgesteld. Ze voelen zich verlaten – godverlaten.
Het tegenovergestelde komt ook regelmatig voor. Dan komen er gelukkige en opgewekte mensen bij mij. Zij voelen zich gezegend. De één heeft de liefde gevonden. De ander heeft een kind gekregen. Ze zeggen dat ze kunnen merken dat God bestaat.

Het is voor mij een herkenbare beweging. Het geloof bloeit op wanneer het leven rooskleurig is. De afwijzing van God komt wanneer het leven te hard is. Als vrijwel alles donker lijkt. De Bijbel staat vol met verhalen over mensen die God afleiden uit dat wat hen overkomt. Ze keren zich tot God of wenden zich van Hem af – parallel aan de pieken en dalen in hun leven.
Dat wij mensen zo denken, vormt de achtergrond voor het Kerstevangelie. En het Kerstevangelie zelf vormt een scherpe breuklijn met die manier van geloven. Het verwoordt en belichaamt namelijk de wijsheid dat het geloof niet gaat over gelukkig zijn of gelukt zijn. Het geloof gaat over jezelf kunnen wenden tot een liefdevolle macht te midden van alles wat er gebeurt. Het gaat over vrede kunnen zoeken, ook wanneer de wereld om je heen lijkt in te storten. Het gaat over deel hebben aan, maar ook het delen van dat wat leven geeft.

Het goede en het kwade horen bij het leven. Dat wat ons overkomt, vertelt ons niet wie God is, maar zegt iets over het leven. Tijdens ons leven ervaren we dat het onmogelijk is om enkel in het licht te leven, of enkel in het duister. Het leven zal altijd een mengeling zijn van licht en donker. Donker en licht. De overgangen komen en gaan zonder dat ons gevraagd wordt wat we nodig hebben, verlangen, of verdienen. Niemand wordt op voorhand gespaard voor het donker. Zo is het leven niet.

Het Kerstevangelie vertelt ons dat er iets is dat ons in vrede laat leven. Dat iets wordt samengevat als dat God werd geboren op aarde en dat Hij het mens-zijn met ons deelt. En dat dit geschiedde uit liefde. Maar wat betekent dat? Vaak zeggen we dat het een geschenk is. En dat is het ook, in de zin dat er iets aan ons gegeven is. Niet in de zin van een cadeau dat je kunt uitpakken en dat dan meteen duidelijk is wat het is. Het Kerstevangelie is in die zin een mysterie. Iets waar we dichter bij kunnen komen, kracht uit kunnen putten, mee kunnen leven, maar tegelijkertijd niet helemaal kunnen bevatten of verklaren. We kunnen heel dichtbij komen, maar dan haalt het leven ons er weer bij weg en vinden we het moeilijk om dat wat we gezien hebben een plaats in ons leven te geven en vast te houden. Het donker komt terug en zo ook de twijfel.

Vanavond op Kerstavond leven we op vele manieren in het Kerstevangelie. Het is wat makkelijker om te geloven op deze feestdag. De glimlach van de buurman betekent plotseling net iets meer. Onze eigen vrijgevigheid is ook meer aanwezig. Hetzelfde geldt voor de naastenliefde, de vrede en de zachtaardigheid. Het is alsof we door het licht van de stal worden aangeraakt. We zien het licht en geloven. En tegelijkertijd is de oorlog zoveel dichterbij, het ongeluk, het verdriet en gemis, alle pijn die komt met het leven. Dat alles bij elkaar maakt ons kwetsbaar: te leven tussen verwachting en angst in. En het mooie van de Kerstnacht is dat het ons allen in die spanning houdt. Het houdt ons daar met hoop. Het houdt ons daar met geloof. Het houdt ons daar met liefde. Samen met anderen. Samen met God.

En het is wonderlijk hoe de sterkste hoop en de grootste liefde in ons gaat dagen, als we het licht zien in dat wat eerst volkomen duister lijkt. Verhalen van het oorlogsfront waar vijanden de wapens laten liggen, omdat het kerst is. Beelden van mensen schuilend in een metrostation die met elkaar psalmen zingen. Een moeder die op de vlucht haar kind omwikkelt in een deken tegen de koude nacht. Zij vangen het pijnlijke en het schone in één ogenblik. Donker en licht op hetzelfde moment. Een stille boodschap in een wereld vol lijden. In de nacht wordt een kind ons geboren en een zoon ons gegeven.

Wanneer we als gelovigen God zoeken te midden van stro, dan ligt daar ook een ethiek in besloten. Een ethiek die opkomt uit het leven zelf. Het leven vraagt om bescherming. Natuurrampen, oorlog, terreur, economische en ecologische wantoestanden, asociale politiek. Alles roept ons om in te grijpen. En het kindeke Jezus vertelt ons dan dat kwetsbaarheid onze grootste schat is. Wanneer we kwetsbaar zijn, zijn ook de handen die wij uitstrekken anders. Ze lijken op Gods hand. Zijn hand zoekt de gemeenschap in plaats van de macht. Zoekt de herkenning in plaats van overheersing. Zo wil Hij samen met ons zijn, omdat Hij ons liefheeft. Zo wil Hij dat wij samen met elkaar leven en elkaar liefhebben.

Wij zijn mensen. Niets meer en niets minder. Wij worden geliefd in alles wat ons mens maakt, in licht en in donker. Gods liefde is als water. Het verzamelt zich op het diepste of laagste punt. Gods liefde verzamelt zich in onze diepste twijfel. In onze pijnlijkste afwijzing. In onze grootste wanhoop. En het is nooit te laat om onszelf op dat punt open te stellen. Om de plaats waar het het donkerste is in ons – die plaats waardoor we menen dat we niet kunnen geloven – te openen. De zwakste plek, het kwetsbaarste punt, de kerstnacht van ons leven. Het is de plaats waar God mogelijk geboren wordt in ons.


inleiding prof. dr. Rinse Reeling Brouwer
preekvoorbeeld drs. Joline van Poppel

25 december 2022
Geboorte van de Heer - Dagmis

Lezingen: Jes. 52,7-10; Ps. 98; Heb. 1,1-6; Joh. 1,1(-5.9-14)-18

 

Inleiding

Jesaja 52,7-10
De lezingen van de Nachtmis brengen de vierende geloofsgemeenschap de geboorte van Jezus te binnen, als de vervulling van een lange verwachting in het Eerste Testament. Deze teksten van de Dagmis willen de diepte peilen van de betekenis van Jezus’ komst in de geschiedenis. Vooral dat het verhaal van Jezus’ leven vanuit Gods perspectief van de eeuwigheid gezien kan worden.
De Eerste lezing van de Dagmis is een tekst van rond 540 vChr. van de Tweede Jesaja. Hij heeft het over een vreugdebode die vrede komt melden, ‘goed nieuws’ verkondigt. Het is een belofte voor de mensen die in Babylon zitten. Zij zijn uit Jeruzalem gedeporteerd door de koning van Babylonië na de verovering van hun stad in 587 vChr. Nu komt de belofte van een nieuwe toekomst, door JHWH via de profeet die zich bij Jesaja aansluit. Deze vreugdebode komt vrede brengen, en de terugkeer van JHWH uw God naar Jeruzalem. Alle reden tot juichen en jubel! De Heer, JHWH, heeft zich weer eens laten gelden voor zijn volk, voor het oog van andere volken, jubelt de profeet. Goed Nieuws!!!

Psalm 98
De antwoordpsalm is een selectie uit Psalm 98 die de vreugde en de jubel van de zojuist gelezen tekst op de hoorders wil laten overspringen. De vreugde van de komst van de Heer mag de gemeenschap tot zingen en muziek en dansen leiden.

Hebreeën 1,1-6
De combinatie van de lezingen in de liturgie van de Dagmis gaat uit van een model van heilsgeschiedenis waarbij de komst van Jezus het draaipunt in deze geschiedenis is. De liturgische lezing uit de brief aan de Hebreeën is het begin van deze brief. Inhoudelijk stelt de onbekende auteur zich op het zelfde standpunt als de auteur van het Vierde Evangelie, ook onbekend, maar op naam van een Johannes gezet. Na vele profeten als woordvoerders gebruikt te hebben, heeft God nu tot ons gesproken door zijn Zoon. Die is zijn erfgenaam, neemt dus alles over van zijn Vader. Maar de schrijver kiest tegelijk ook het perspectief van het begin van de kosmos. Hij is erfgenaam van al wat bestaat en door wie God alles geschapen heeft. Je denkt direct aan Genesis 1, waarin op poëtische manier gezegd wordt dat God door zijn Woord de kosmos heeft geschapen. God als dichter, die met woorden zijn wereld schept. De Zoon is dus het Woord van het begin en ook de Eerstgeborene, van een nieuwe schepping. In de vorm van een retorische vraag en directe verwijzing naar de tekst van Psalm 2, wordt dit gestaafd.

Johannes 1,1(-5.9-14)-18
De lezing uit het Evangelie is ook het begin van een grootse tekst. Gebruikelijk wordt dit de proloog van het Evangelie genoemd. Het is niet de vorm van de tekst, maar de functie die ermee wordt uitgedrukt. Deze functie bestaat erin om de lezer het perspectief te bieden waarin de daarna volgende tekst gelezen en begrepen kan worden. Dat vervolg is het vertellende verhaal dat in vers 19 begint met het getuigenis van Johannes (de Doper) die in de proloog in vers 6 al genoemd is. Maar aan dat historische moment van het optreden van deze Johannes, die getuigt van het Licht, gaat de wording van het Licht nog vooraf. En als je zoekt naar het begin van het Licht, dan kom je nog verder terug bij de Logos (het Woord) die bij God is en God is. En door Hem is alles geworden wat er geworden is (vers 3). In dit perspectief van het begin van alles wordt de komst van Johannes geplaatst als door God gezonden om te getuigen van het Licht. Hij was niet het Licht, maar wel getuige van het Licht. Dit Licht kwam in de wereld, maar de wereld kende hem niet. De schrijver noemt nog steeds geen naam, maar alleen de functie van het ware Licht: iedere mens verlichten. Wie het Licht wel aanvaardden, kregen het vermogen kinderen van God te worden, aan hen die in zijn naam geloven. Zij zijn uit God geboren! De naam zélf is nog niet genoemd!
En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen, en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd (v. 14). Hier blijkt voor het eerst iets van een auteur: het staat er in de eerste persoon meervoud: ‘onder ons’ en ‘wij hebben aanschouwd’. Dit laat zien dat deze tekst het product is van een collectief, een geloofsgemeenschap, die getuigt van haar geloof. Niet dus die van een enkeling, een geïnspireerde gewijde schrijver, zoals oudtijds gezegd werd. Wat hebben zij dan aanschouwd? De heerlijkheid van de Eniggeborene van de Vader, vol genade en waarheid. Als dit laatste ‘vol van genade en waarheid’ een ‘hendiadys’ – één begrip in twee woorden - is, dan betekent het ‘vol van de ware genade’. Van Deze komt Johannes getuigen dat Hij ‘chronologisch’ wel na hemzelf komt, maar ‘ontologisch’ – in de zijnsorde, metafysisch – aan hem voorafgaat, ‘want Hij was eerder dan ik.’ Dan gaat de hymne verder dat wij uit zijn volheid allemaal hebben ontvangen, ‘genade op genade’. Dit woord ‘volheid’ komt verder in dit Evangelie niet meer voor. Dan is er ineens een verwijzing naar de heilsgeschiedenis van Israël: de Wet werd door Mozes gegeven, de ware genade werd door Jezus Christus gegeven. Opmerkelijk is eerst dat er staat ‘door Mozes’ gegeven’ niet áán Mozes. Hij is wel een bemiddelaar van Gods woord – vergelijk wat Jezus zelf zegt in Johannes 5,46: ‘Want als U Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven; over Mij immers heeft Mozes geschreven.’ Maar nog opmerkelijker is dat nu pas de naam van Jezus, met zijn titel Christus, in de tekst verschijnt. En bijna als een dubbelnaam: Jezus Christus. Nu pas wordt voor de eerste lezer of hoorder van de tekst openlijk gezegd over wie het ging tot nu toe als er sprake was van Het Woord dat in het begin er was (v. 1) en het Licht der mensen (v. 2), het Woord dat ‘vlees’ geworden is (v. 14), dat aan Johannes vooraf ging (v. 15).
Voor de eerste lezer of hoorder, lijkt het zo een verrassende onthulling. Maar in de liturgie van Kerstmis zitten vooral mensen die juist voor Jezus Christus komen. Wij komen om zijn menswording te vieren en zijn betekenis voor ons leven: om ‘genade op genade’ te ervaren. Voor ons geldt ook vers 18: ‘God’ heeft niemand ooit gezien, de eniggeboren God die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft hem doen kennen’ – uitgelegd! staat er in het Grieks! Daar gaat het dus over Jezus. ‘Eniggeboren zoon’, dat is de unieke zoon, zoals van Isaak gezegd werd in Genesis 22,2.
Het is duidelijk dat er een denkmodel gebruikt is uit het jodendom om dit verhaal van Jezus Christus zo te kunnen vertellen. Zoals de Wijsheid bij de Schepping God al ter zijde stond (Spreuken 8,22-30), zo werd ook over de Tora gedacht – de Wet, met gezag als Gods Woord. Deze bestond ook al bij God vóór het begin van de Schepping. God is van buiten deze schepping, dit bestel, transcendent. Maar Hij is niet on-kenbaar. Hij is geopenbaard in en door Jezus Christus. Hij brengt nog ‘genade op genade’. Dat is het Goede Nieuws.
De geschiedenis van ons mensen is lang niet altijd ‘heilsgeschiedenis’. Het onheil omringt ons meer dan ons lief is: met oorlogen en geweldsmisdrijven. Maar de liturgie van Kerstmis met het Evangelie volgens Johannes, wijst een oude weg: het Woord is mens geworden, en voor de gemeenschap van Johannes is deze Jezus Christus ‘naar het vlees’, weer Woord geworden. Woord van God in het Evangelie, opgeschreven voor de lezers om ‘kinderen van God’ te worden! Vergelijk Johannes 20,31

 

Preekvoorbeeld

Komt allen tezamen, / jubelend van vreugde, of Adeste fideles. Traditioneel beginnen zo onze kerstvieringen. Volle kerken en uit volle borst. Maar gaat het om samenkomen in de kerk? Als je de tekst goed beluistert, zijn het niet de vieringen met Kerstmis in welk kerkgebouw dan ook, maar hier wordt opgeroepen om samen te aanbidden. Drievoudig. Komt, laten wij aanbidden, venite adoremus.
Samen aanbidden, soms op afstand, dan weer online, maar in de volle verbondenheid rond het kind: O kind ons geboren. Een kind dat oplicht in het donker van de tijd: Het licht van de Vader, / licht van den beginne, / zien wij omsluierd, verhuld in ’t vlees. Van donker naar licht onder ’t sterrenblinken. Mensen kunnen niet zonder licht: uit de verborgenheid wordt het licht op aarde ontstoken.
Het is dan ook het eerste dat in de Bijbel wordt bezongen: de eerste dag is de dag van het licht. Geen wetenschappelijke vaststelling over het ontstaan van de aarde, maar een loflied op het leven. Het leven begint in het licht. De nieuwe morgen is de dag dat het licht wordt geboren. En het is goed, tov. Mensen koesteren zich in het licht en vertrouwen dat na de nacht de morgen komt.
Want soms is de nacht zo ontzettend donker dat het lijkt alsof het nooit meer licht zal worden. In het overgewicht van de grote machten waar kleine mensen geen plaats hebben, wordt het verstikkend donker. Je trekt door de duisternis als een woestijn van angst, onder de dreiging van de ondergang. Van donker naar licht. Maar het licht komt niet zomaar uit de lucht vallen. Er zijn woorden nodig, aarzelend gezongen of zachtjes gesproken, maar woorden die waar worden. Betrouwbare woorden die onder mensen klinken en tot leven komen. Geen loze beloften of lege kreten, maar woorden die daden worden. Er zij licht en er is licht. Schepping opnieuw, licht dat iedere mens verlicht.
Er zij licht en er is licht: Johannes de evangelist, lift mee op dat scheppingslied. Het wordt ook bij hem een lied. Over het waarachtige licht zingt hij. Dat scheppingslied uit Genesis zingt over hoe woorden werkelijkheid worden. Op het moment dat er sprake is van licht, wórdt het ook licht. In de taal van Johannes is dat bepaald geen wonder. Want wanneer hij het begrip woord gebruikt, betekent dat voor hem automatisch ook daad. Immers, je doet wat je zegt en je zegt wat je doet. Dat is betrouwbaarheid. Dat is nu precies waaraan het in onze tijd totaal ontbreekt. Niet alleen in het fake news in het buitenland, maar net zo goed in ons eigen land. Mooie woorden die licht lijken te brengen, maar die alleen maar diepe duisternis oproepen, uitzichtloze schaduw.
Mooie woorden die leeg blijven. De mensen in Groningen, vluchtelingen, oorlogsslachtoffers, asielzoekers, daklozen, toeslagenslachtoffers, uit huis geplaatste kinderen, gebroken gezinnen: ‘geen plaats’. Het klinkt als een vals evangelieakkoord. Allemaal loze woorden die niet in daden worden omgezet. Daar heeft de Bijbel geen boodschap aan.
De bijbelse boodschap gaat precies over een woord dat daad wordt, dat handen en voeten krijgt. Het woord is lichaam geworden. Daar zingt het scheppingslied over en daar gaat Johannes mee verder. Woorden die oplichten in het donker. Het licht van de Vader, / licht van den beginne, / zien wij omsluierd, verhuld in ’t vlees of: Wij treden biddend in uw licht.
Om dat verder te vertellen, geschiedt er een mens. Even wordt het lied van de evangelist hier onderbroken en er wordt iets verteld. Ook al een Johannes, of is het stiekem dezelfde? We weten het niet en het is ook niet van belang. Hij is zo iemand als die ‘vreugdebode’ over wie Jesaja vertelt. Die komt aansnellen met woorden van vrede en vreugde. Op de achtergrond klinkt de vreugdepsalm: Juich aarde alom, zet de zang in.
Want het moet verder worden verteld, voorgezongen. Het principe van waaruit God scheppend met de wereld bezig is. Niet ooit een keer, lang geleden in het begin, maar nu sinds het begin is God schepper. Het gaat niet om het moment waarop het ooit eens gebeurd zou kunnen zijn. Het gaat om het principe, het begin(sel) dat in de geboorte van het kind, van ieder kind steeds iets zichtbaar zal zijn van bevrijding en vrede. Een zoon die hij gesteld heeft tot erfgenaam voor alles… ik heb jou heden verwekt. Er is (zo zingt Johannes alweer) ruimte gemaakt voor genade en waarheid. Die zullen verder worden uitgedragen, schrijft hij. In de mens Jezus zal het scheppingswoord opnieuw gestalte krijgen, handen en voeten. Jezus = God redt. In hem kun je het nog weer eens zien. Door hem kun je opnieuw geïnspireerd worden. Hij is de betrouwbare.
Alsof God zijn tent onder ons opslaat. Geen kathedraal, geen paleis, geen bunker, maar een tent. Zo weer af te breken en op te nemen. Zoals ze ooit op reis door de woestijn met zich meedroegen, die tent. God niet gefixeerd op een bepaald punt, ondergebracht in een bepaald gebouw, gebonden aan een bepaald land, in beslag genomen door een bepaalde kerk. Hij slaat zijn tentje op bij mensen – daar waar het uitkomt.
In die tent wordt een stormlantaarn aangestoken. Een vaag lichtje in het donker, maar de duisternis heeft het niet opgenomen, niet eronder gekregen, overmocht. Dat is principieel voor die God. God die handen en voeten krijgt. Er is uit ’s werelds duistere wolken / een groot licht stralend opgegaan of: Scheur toch de wolken weg en kom. Dat zingt allemaal door het hoofd van Johannes. Dat schrijft hij op, hij zingt het voor. Wanneer we dat niet ieder jaar vieren dan gaan we onder in een automatische cyclus van doelloosheid, die zonder enige richting er maar zinloos op los leeft.
Steeds zijn er dreigende machten die onze wereld verduisteren. Heeft het zin om feest te vieren om dat ene kind in een wereld waar de ontelbare kinderen in de hongerlanden geen leven hebben, als vluchtelingenkind? Heeft het zin om licht te vieren tussen de duister dreigende schaduwen van razend om zich heen grijpende virussen, van mensen in zorg en ziekenhuis die zich geen raad weten? Heeft het zin om saamhorigheid te vieren terwijl de oorlog mensenlevens vernietigt? Wat doen wij eigenlijk?
Er zijn nu twee mogelijkheden: wij zitten in een kerk of thuis onze tijd te verdoen omdat je de wereld beter kunt opgeven en redden wat er voor jezelf te redden valt. We laven ons aan lege woorden en loze beloften over zorg in de regio of de hele wereld. We sussen ons in slaap: het valt vast wel mee. Of: wij houden de hoop levend en het licht brandend, dat het toch ondanks alles anders kan en anders moet. Om het woord juist niet in leegte te laten verleppen, maar om het woord ook werkelijk daad te laten zijn. Goed nieuws te laten worden, met handen en voeten.
De wereld waarin het kind Jezus werd geboren, verschilt eigenlijk niet eens zoveel van de wereld waarin de kinderen van nu worden geboren. Het is een wereld die niet zonder licht kan. Wij zullen het wel zélf in die wereld moeten uitdragen. Het is ons toevertrouwd: laat het niet uitgaan, maar geef het door aan anderen. Wij delen met elkaar het licht, het lied, de zegen. Wij zijn Gods kandelaar, wij gaan het donker tegen.

 

inleiding drs. Henk Berflo
preekvoorbeeld drs. Frans Wiersma


Homiletische hulplijnen 99
Kinderen en heiligen

Gelukkig zijn er nog steeds parochies waar ook kinderen meedoen. Vaak gaan ze naar een eigen ruimte, maar het begin van de mis maken alle leeftijden mee en dan is er soms ook een gesprekje met de kinderen. Liefst zonder hen iets te vragen of alleen met open explorerende vragen waar ook ouderen aan mee kunnen doen. En waarom toch menen de ouderen dat die momenten met de kinderen vooral om te lachen zijn? Pijnlijk soms.
In het moment met de kinderen wordt dikwijls teruggegrepen op een spiegelverhaal, maar mij dunkt, die tijd hebben we gehad. De verhalen uit de bijbel en uit de christelijke traditie zijn bij oud en jong zover weggezakt, dat ik die voorrang zou willen geven. Natuurlijk zonder het gras voor de voeten van de leiding in die nevendienst weg te maaien. Vooral heiligenlegendes lenen zich ertoe om voor kleine en grote oren verteld te worden

In september gaf het lectionarium de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus aan (Lucas 16,19-31). Dat gaf aanleiding om een tegenverhaal te vertellen, van de heilige Elisabeth van Thüringen (ook wel de heilige Elisabeth van Hongarije).

Maandag werd koningin Elizabeth begraven,
de grote klok de Big Ben sloeg 96 keer, voor elk levensjaar één keer,
we hoorden doedelzakken
en zagen paarden, kanonnen, matrozen, berenmutsen.
Het was prachtig.

Maar weet je naar wie zij heette? Koningin Elizabeth?
Zij heette naar een prinses die 800 jaar geleden leefde,
de heilige Elisabeth van Thüringen.
Ik moest aan haar denken omdat zij in alles wat zij deed
alles anders deed dan de rijke man.

Zij woonde op een kasteel,
een heel groot, hoog kasteel bovenop een berg,
ik ben er wel eens geweest, de Wartburg,
en beneden onderaan de berg woonden arme mensen
en zieke mensen, melaatsen,
en ze hadden honger want er heerste hongersnood.

Elisabeth zei op een dag:
ik wil alleen nog maar eten
waar we eerlijk aangekomen zijn,
wat groeit in onze eigen tuin
en alles waar we niet eerlijk aangekomen zijn
omdat we onze boeren uitbuiten, dat eet ik niet meer.
Ze werd wel een beetje mager.

En ’s avonds als het donker was
ging Elisabeth naar de keuken,
pakte zoveel broden als ze dragen kon,
verstopte ze onder haar mantel
en bracht ze naar moeders die hun kinderen niet konden voeden,
onderaan de berg.

Waar is toch al dat brood gebleven?
Het kwam uit.
Er wordt verteld dat ze Elisabeth betrapt hebben
en zeiden: wat draag jij daar allemaal onder je mantel?
Doe die knopen eens open?
En toen Elisabeth haar mantel opende
zagen ze geen broden maar geurige witte rozen,
dat was een wonder dat Elisabeth beschermde,
zo wordt verteld.

Ze hebben Elisabeth weggejaagd,
uit het kasteel, de berg af, naar beneden,
daar ging de prinses bij de allerarmsten wonen
en van haar eigen geld bouwde ze een hospitaal, een ziekenhuis,
waar ze zelf de melaatsen waste,
met hun vieze zweren
en waar ze zelf de zieken verpleegde
en met hen waakte
en met hen bad.

De heilige Elisabeth is maar 24 jaar geworden,
totaal uitgeput.
Wat haar bewoog?
Eén zinnetje: ‘We moeten de mensen blij maken’
En ieder Sint Elisabeth gasthuis en Elisabethziekenhuis
heet naar haar
en ook die oude koningin.

In deze legende wordt de thematiek van rijk en arm, ziek en gezond, hoog en laag al aangereikt, maar zonder de clou van het evangelie al weg te geven. Het verhaal dubbelt niet maar creëert spanning, een tegenstelling tussen de oude rijke man en deze jonge vrouw die van haar rijkdom afzag. Het verhaal geeft ook aanleiding om haar in de voorbede te noemen:  ‘Laten wij bidden voor allen aan wie wij vreugde beleven, en dat wij met de heilige Elisabeth de mensen blij maken’.

Gelukkig dat de kerk heiligen vereert, zij geven ook onder ons en met ons gestalte aan de kerk van alle tijden en alle plaatsen.

 

drs. Klaas Touwen