Preek 33e zondag door het jaar, A jaar, 15-11-2026

[featured_image]
  • Versie
  • Downloaden 0
  • Bestandsgrootte 246.13 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 8 oktober 2026
  • Laatst geüpdatet 8 oktober 2026

Preek 33e zondag door het jaar, A jaar, 15-11-2026

15 november 2026
Drieëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: Spr. 31,10-13.19-20; Ps. 128; 1 Tess. 5,1-6; Mat. 25,14-(15.19-20)30 (A-jaar)

 

Inleiding

Spreuken 31,10-31
Met het zogeheten loflied op de sterke vrouw, de eerste lezing van vandaag, eindigt het boek Spreuken. Dit laatste hoofdstuk begint met de woorden van Lemuël, de koning van Massa, die zijn moeder hem leerde (31,1-9). Maar liefst tweeëntwintig verzen – evenveel als het Hebreeuwse alfabet letters telt, wijdt de dichter vervolgens aan de sterke vrouw. De beginletters van deze verzen vormen in alfabetische volgorde een zogeheten acrostichon of lettervers. Aan zo’n acrostichon kon je niet alleen een geoefende schrijver herkennen, maar het diende waarschijnlijk ook als een praktisch geheugensteuntje.

De zoektocht naar de sterke vrouw wordt verwoord in de vorm van een retorische vraag: ‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?’ (31,10). Haar wijsheid en daadkracht worden geroemd. De zorg voor haar man, voor haar gezin, voor de armen en noodlijdenden tekent haar ten voeten uit.

Vijfmaal komt het woord ‘werken’ in deze perikoop voor (31,13.22.24.29 en 31) met als climax vers 31, waarin haar eigen werken, dat wil zeggen, haar daden, haar prijzen. De basis voor al die daden en kwaliteiten is echter haar ontzag voor de Heer, haar eerbiedige relatie met Hem. De pointe van dit lied is niet dat de sterke vrouw onvindbaar is – ook Ruth wordt een sterke vrouw genoemd (Ruth 3,11; Spr. 8,35; 18,22) – maar dat ze zo zeldzaam is en van onschatbare waarde, net als vrouwe Wijsheid zelf. Ze is zonder meer het navolgen waard.

1 Tessalonicenzen 5,1-6
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27

Matteüs 25, 14-30
Op de laatste twee zondagen van het kerkelijk jaar is het evangelie uit de eschatologische rede van Matteüs genomen (24,4b-25,46). Deze wordt in 24,3 ingeleid met de vraag van de leerlingen aan Jezus: ‘Zeg ons wanneer dat [de verwoesting van de tempel] zal gebeuren en wat het teken is van uw komst en van de voleinding van de wereld?’ De komst van messias Jezus aan het einde van de wereld staat centraal in deze rede, een komst die gepaard gaat met de nodige natuurverschijnselen en grote verschrikkingen. De (toehoorders en) lezers worden dringend opgeroepen om alert en waakzaam te zijn, want alleen de Vader weet wanneer dit alles zal gebeuren (24,36).

In de parabel die aan onze lezing voorafgaat – in totaal bevat deze rede vier parabels - wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken met vijf wijze en vijf dwaze meisjes (25,1-13) die de bruidegom tegemoet gaan. Die parabel eindigt met de woorden: ‘Wees dus waakzaam, want je kent dag noch uur’ (vgl. 24,42).

Onze evangelielezing sluit daar direct op aan met de woorden: ‘Want het is als (hoosper gar) met iemand die naar het buitenland ging…’ De meeste vertalingen (tot de weinige uitzonderingen behoort de Naardense Bijbel) laten dit ‘want’ achterwege, terwijl het juist wijst op het interne verband tussen deze twee perikopen. Daarom is ook in onze parabel waakzaamheid van levensbelang.

Tegelijkertijd vormt de terugkomst van de man, later ‘heer’(!) genoemd en de afrekening met de slaven de schakel met de aansluitende passage, waarin de komst van de mensenzoon wordt beschreven en de wijze waarop het oordeel over alle volkeren zal plaatsvinden (25,31-46): waakzaamheid dient in daden te worden omgezet; de onverwachte komst van de mensenzoon noopt tot een actieve houding.

De parabel van de talenten zoals hij meestal wordt genoemd, heeft een eenvoudige structuur:

  • Het vertrek van een man die voor onbepaalde tijd op reis gaat. Hij vertrouwt zijn bezit toe aan drie slaven (vv. 14-15).
  • Tijdens zijn afwezigheid gaan de slaven ieder op eigen wijze om met het aan hen toevertrouwde bezit (vv. 16-18).
  • De terugkomst van de heer en de afrekening met de drie slaven (vv. 19-30).

Een man gaat op reis. De reden en de duur van zijn afwezigheid worden niet nader toegelicht. De man riep zijn slaven – zij zijn dus (net als wij) geroepenen – en hij deelt zijn bezit aan hen uit. Niet ieder evenveel, maar ieder naar zijn vermogen. Dit laatste is belangrijk (en geruststellend), want daaruit blijkt dat de man zijn slaven kent. Hij overvraagt hen niet, dat zou alleen maar in zijn eigen nadeel uitvallen. Hij moet ervan op aan kunnen dat zijn enorme bezit in goede handen is. Want een talent is evenveel waard als ongeveer 41 kilo zilver – een dagloner werkte daar 15 tot 20 jaar voor – en vertegenwoordigt daarmee een enorme som geld zodat ook de slaaf met het ene talent er allerminst bekaaid vanaf is gekomen.

Het is onzeker wanneer de heer terugkomt. Desondanks begint de eerste slaaf onmiddellijk te werken met het kapitaal en dat legt hem geen windeieren. Overigens is het niet duidelijk of het woordje onmiddellijk (eutheos) hoort bij de voortvarende en waakzame slaaf of bij de man die onmiddellijk op reis ging.

Ook de tweede slaaf is waakzaam en gaat met succes aan de slag. Wat de beide slaven precies doen met de talenten en met welke handel ze deze weten te verdubbelen, is een (veelzeggende) open plek in de parabel. Alleen als de derde slaaf aan het woord komt, horen we hoe hij te werk is gegaan (25,24v). Hij heeft een gat in de grond gegraven en het talent van zijn heer – zo wordt ‘een man’ vanaf nu genoemd (25,18) – erin gestopt. Ook al is zijn handelwijze juridisch gezien in orde, hij maakt in elk geval geen winst. De vraag is waarom de slaaf zo handelt en hoe de heer dat zal waarderen.

De heer komt pas na lange tijd weer terug, een subtiele aanduiding van een probleem in de gemeente van Matteüs. Vergeefs wordt immers gewacht op de lang verwachte parousia van de Heer.

Nu volgt de afrekening (vgl. 18,21). De eerste twee slaven hebben het in hen gestelde vertrouwen niet beschaamd. De heer prijst hen beiden uitbundig en in letterlijk dezelfde bewoordingen voor hun bewezen trouw. Hoewel zij ieder een verschillend aantal talenten kregen en erbij verdienden, is hun beloning identiek (vgl. 20,1-16): ‘Kom binnen in de vreugde van je heer.’ Die beloning is voor de lezer een aanwijzing dat het hier niet om een gewoon iemand gaat, hier moet Jezus zijn bedoeld. De verbinding met God/Jezus brengt vreugde.

Maar hoe vergaat het de derde slaaf die in de tekst verreweg de meeste aandacht krijgt? Ongevraagd geeft deze als verklaring voor zijn handelwijze een weinig flatterend beeld van het karakter van zijn heer. Uit angst voor diens strengheid – hij oogst waar hij niet gezaaid heeft en haalt binnen waar hij niet uitgestrooid heeft – heeft hij het talent in de grond gestopt. De lezer komt hier voor een dilemma te staan. Deze slaaf geeft een volstrekt ander beeld van de heer dan tot nu toe geschetst werd. Hoezo angst, terwijl de heer vreugde is?

De reactie van de heer liegt er niet om, hij herhaalt de woorden van deze slaaf. Hij voegt toe dat als dat allemaal al waar zou zijn, dan had hij er toch minstens voor kunnen zorgen dat het geld rente had opgebracht. Hij ontmaskert de slaaf als ‘slecht en lui’; hij heeft het talent in de grond gestopt zodat hij rustig kan slapen en geen risico hoeft te nemen.
Zijn talent gaat naar de slaaf met de tien talenten, want wie niets (geen opbrengst) heeft, hem zal wat hij heeft (het talent) worden afgenomen. Voor de niet daadkrachtige slaaf kent de heer geen erbarmen. Duidelijk is dat de heer opbrengst wil zien.

Rest de vraag wat dan wel met het talent bedoeld is? Gaat het om onze natuurlijke talenten? Om het woord van God? Of zou, wanneer we bedenken dat de parabel iets van het koninkrijk, iets van God, van Jezus, in beeld wil brengen, met talent het vermogen tot liefhebben, onze liefde, bedoeld zijn? De afwezigheid van de man is dan te vergelijken met de afwezigheid van Jezus die alleen in talenten, in onze liefde, in de wereld aanwezig is. Omgerekend van talenten naar liefde betekent de laatste duiding dat de één misschien wat meer liefdestalenten heeft gekregen dan de ander, maar dat ieder mens, daar mag hij op vertrouwen, een immens vermogen tot liefhebben bezit dat groeit naarmate hij meer liefheeft. Wie zijn talent in de grond stopt, verklaart de liefde dood.

Literatuur
Dries van den Akker, Als er zoveel ellende is…, Amsterdam 1980, 85-89

 

Preekvoorbeeld

Op het eerste gezicht gaat er dreiging vanuit. Deze gelijkenis stelt je leven en de hele wereldgeschiedenis onder het voorteken van een uiteindelijke afrekening, bijltjesdag. De één na de ander moet zich verantwoorden. Er is sprake van verschúldigde talenten die je moet opbrengen.
Daarmee kán de gelijkenis een heel eigen weg met je gaan. Of beter gezegd: zou jíj zomaar een heel eigen weg met deze gelijkenis kunnen gaan en overvallen worden door een gevoel van machteloosheid, tekortschieten en schuld.

Wat heb je met je leven gedaan? vraagt de Heer. Daar sta je met de mond vol tanden: reparaties verricht, lieve Heer, hebbedingetjes aan de man gebracht of aan de vrouw.
Soms kun je zoiets aanwijsbaars niet eens zeggen. Je hebt geen concreet product in handen. Je hebt niet iets gemáákt, maar je hebt een administratie gevoerd, een ondersteunende dienst verleend, je was slechts een schakel in een onderdeel van een fragment. Of je arbeid is discutabel, omdat je je afvraagt of wat je doet wel bijdraagt aan een betere wereld.
De Heer, die zijn talenten terugvraagt, wat krijgt hij te horen? Hoe onbeduidend en aanvechtbaar mensen hun leven ervaren.
Die dienaars staan daar in de rij. De een is trots op wat hij met zijn talenten heeft kunnen verrichten. De ander voelt zich schuldig en in gebreke gebleven. Een derde weet niet zo zeker of wat hij aandraagt wel voldoet.
De inzet van het evangelie is dat mensen getalenteerde mensen zijn. Je kunt ze iets toevertrouwen. De Heer kan gerust een stapje terug doen. Hij weet de aarde in goede handen.

Nu zou dit een heel voorspelbaar en vervelend verhaaltje worden als het door zou gaan met hoe in de volksmond over talenten gesproken wordt: als je natuurlijke begaafdheden.
Dan zouden we vanmorgen blijven steken in: goed je best doen, kind, woekeren met je talenten!
Maar daar hebben we het dus niet over. Het gaat in deze gelijkenis niet om je aangeboren mogelijkheden of om wonderkinderen – en dat het wel eens een generatie overslaat (dat zeggen de opa’s en oma’s…).
Dat zijn de spreekwoordelijke talenten van Van Dale: ‘de natuurlijke begaafdheid, bekwaamheid en kundigheid,’ dat je goed kunt tekenen of zingen, dat je een talenknobbel hebt of een atletisch figuur.

Maar in de Schrift gaat het daar nóóit over. Niet over je natuurlijke aanleg – aan het begin van je leven jou ingegoten, niet over wat je van huis uit wel in je vingers hebt. Maar het gaat om dat wat God jou – midden in het leven – heeft toevertrouwd. Dat talent hier in de gelijkenis is niet je natuurlijke gave, maar een goddelijke opgave.

Hij heeft zijn Woord aan ons gegeven, verhalen aan je toevertrouwd, je bekend gemaakt met de religieuze dimensies van de taal. De sacramenten zijn aan jou bediend, zodat je ook lijfelijk het geloof hebt opgedaan en gevoelig werd voor symboliek en ritualiteit. Zo begint het, de eerste talenten waarmee jij voort kunt, zingend, biddend, naar binnen toe. Hij heeft je vergeven, heeft nieuwe mogelijkheden in je vrij geroepen, stelt je verantwoordelijk voor wat jouw hand is in het levensgeluk van anderen. Zijn Geest wekt inzicht in wat de samenleving nodig heeft aan betrouwbare relaties en rechtvaardige verhoudingen. Hij heeft zijn naam op ons gelegd. Hij heeft ons deelgenoot gemaakt van een concrete leefgemeenschap, dit dorp, en een geloofsgemeenschap, deze parochie. Dát zijn de talenten aan de mensen gegeven.
Of in wat minder kerkelijke taal: Hij brengt mensen op je pad en vraagt of je je over hen wilt ontfermen. Het talent dat jou in handen is gegeven, dat vreemde talent, niet lichaamseigen, niet aangeboren, is het talent van de humaniteit. Humaniteit komt nooit uit jezelf voort, je wordt ermee geconfronteerd.

Laten we het verhaal nog eens nagaan. Er is sprake van een heer, die het beheer van zijn hele vermogen bij zijn dienaars in handen heeft gelegd. Niet iedere gedienstige ontvangt een gelijk deel. Ieder krijgt naar wat hij of zij aankan, dat het geen last zou zijn, maar een vreugde.

Daar is er een met vijf talenten. Met blijdschap neemt hij ze in ontvangst, maar ook denkt hij bij zichzelf: Waarom ontvang ik er vijf? Mij is zoveel gegeven, wat een bevoorrecht mens ben ik!
Maar, al wat mij zomaar in de schoot geworpen wordt, de verantwoordelijkheden mij toegekend, komt dat niet straks tussen ons in te staan, tussen mij en degenen voor wie dit alles niet mogelijk is?
Die met de vijf talenten voelt de ongelijkheid van de situatie pijnlijk aan, maar hij gaat op weg en wint er nog eens vijf bij.

Dan is er de dienaar met de twee talenten, hij neemt ze met vreugde aan, maar ook hij realiseert zich het verschil. Die ander heeft er vijf. En het is heus niet uit afgunst, maar waarom heeft hij er nu maar twee? Het hadden er toch minstens drie kunnen wezen, of vindt de Heer dat hij dat niet waar kan maken?
Altijd op de tweede rang, je steeds bewust in een of ander opzicht achter te blijven. Er zijn mij beperkingen opgelegd. Maar ook hij gaat op weg en ook hij weet dat wat hem gegeven is te vermenigvuldigen.
Beide dienaars zijn hun talenten dubbel en dwars waard.

Nu is er ook nog een derde dienaar. Van hem wordt gezegd dat hij lui was, maar dat vraag ik me af. Misschien was hij wel bij voorbaat boos of ontmoedigd omdat het zo weinig is: maar één talent.
Ik denk dat hij bang was, bang om dat wat hem toch nog in handen gegeven was, te verliezen, te verspelen, te verprutsen. Was het luiheid, of was het omdat hij geen risico’s durfde nemen?
Het kan zijn dat jij geneigd bent zo te leven, een beetje angstig en achterdochtig. Je speelt graag op safe, anders doe je niet mee.
Maar nogmaals, het gaat in deze gelijkenis niet om waar wij van nature toe geneigd zijn, wat min of meer karakterologisch gegeven is, maar om jouw keuzes midden in het leven.

Na lange tijd komt de heer van deze dienaars en houdt afrekening met hen. Die eerste, die altijd het spits moet afbijten, treedt naar voren en zegt: ‘Vijf talenten, heer, had ge mij toevertrouwd, hier, ik heb er nog vijf bijverdiend.’ En zijn heer antwoordt hem: ‘Voortreffelijk, je bent een goede en trouwe dienaar. In het kleine ben je betrouwbaar geweest, over nog veel meer zal ik je aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.’

Dan komt ook de tweede naar voren en tot zijn grote vreugde bemerkt hij dat de heer geen onderscheid maakt. Hij krijgt exact dezelfde loftuitingen, woord voor woord: ‘Voortreffelijk, je bent een goede en trouwe dienaar. In het kleine ben je betrouwbaar geweest, over nog veel meer zal ik aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.’

Die derde, met dat ene talent, komt nu naar voren met een heel ander verhaal. Dat hij bang was en waarom: ‘Heer, ik heb u leren kennen als een streng man, ik was bevreesd en heb het talent veilig weggeborgen.’ Hij poetst zijn talent nog eens op en zegt: ‘Hier hebt u het ongerept en onbeschadigd terug.’

Maar de heer neemt daar geen genoegen mee. Die vreesachtigheid, dat doodvoorzichtig geen vuile handen durven maken. Die houding van de dingen nemen en conserveren zoals ze zijn, zonder durf, zonder visie. Behoudzucht zonder om zich heen te kijken.
Dat wordt aangemerkt als luiheid. Bang zijn en niet durven? Dan heb je het jezelf toch te gemakkelijk gemaakt.

Nu vraag ik me af. Hoe zou de Heer toch tegen de kerken aankijken? Want is dát niet juist wat je als gelovige in eerste instantie geneigd bent te doen: bewaren, conserveren, vasthouden, de risico’s uit de weg gaan, dat wat ons is toevertrouwd niet uit handen geven, de gok niet durven wagen.
Die onnutte dienaar, die door de heer wordt buiten geworpen, wordt hier met graagte weer binnengehaald en wij maken hem meteen kerkbestuurder, bisschoppelijk gedelegeerde, econoom. Er is ons zoveel toevertrouwd en wij durven zo weinig te riskeren.

Weet u, het staat niet in de Schrift, maar er was nog een vierde dienaar. Toen die andere drie geweest waren, trad hij binnen. De spanning steeg. De mensen mompelden en fluisterden: ‘Daar heb je hem. De heer heeft hem veel in handen gegeven. Niet een of twee of vijf, maar meer nog, veel meer. En alles is hij kwijtgeraakt! Als nu die bange en luie al… hoe zal hij wel niet…?
De vierde dienaar kwam naar voren, boog het hoofd en zei: ‘Heer, ge hebt mij veel toevertrouwd, maar er is niets mee van over. Ik heb zoveel geprobeerd, gedaan wat ik moest doen, maar het leidde tot niets. Soms dacht ik, nu zal het lukken, maar dan toch brak het me weer bij de vingers af. Het spijt me, heer, ik heb alles verspeeld.’
Toen werd het heel stil in het huis van de heer, tot de heer sprak: ‘Voortreffelijk, jij goede en trouwe dienaar! Veel heb je verprutst, over nog meer zal ik je aanstellen, want je hebt gewaagd en geleden. Jij kent de kou van de nacht en de hitte van de dag. Jij kent de frustratie en het visioen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.’

Maar wie van deze vier het geheim van de talenten het best begrepen heeft? Ik denk dat dat toch de derde was, angstig en lui, want hij spreekt over zaaien en maaien en oogsten: ‘Heer, ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant.’
Die beeldspraak van maaien en oogsten, daar kan het niet zonder. Want die vierde dienaar heb ik er maar bij verzonnen, maar als je te lang bij hem stil blijft staan, komt er iets uit in de trant van dat Onze Lieve Heer toch wel billijk is en begrip heeft voor ons feilen en falen. Ik weet niet of dat nu wel de strekking van deze gelijkenis is. Begrip tonen voor de tekortschietingen van onze medemens, dat kunnen we ook zelf wel bedenken.

De uitkomst van de gelijkenis is deze: dat onze Heer maait waar hij niet gezaaid heeft. Hij oogst dáár waarvan je denkt: Ja, maar die akker staat leeg, ligt braak, is al lang afgevreten door het ongedierte, de spreeuwen en de muizen, daar wil niets groeien. Dáár weet hij te oogsten.
Hij delft een schat op, dáár, waarvan je zeker weet: maar daar ligt helemaal niets. Je hebt er altijd overheen gekeken, maar híj weet die te vinden en brengt die aan het licht. Zie hem eens maaien, daar waar hij niet gezaaid heeft, de soevereine Heer.
Zie hem scheppen uit het niets. In een leeg graf, word je gewaar dat Hij leeft. In dagen van gemis zul je Hem ontmoeten en in je gebrek zul je vinden: de troost van het geloof.

Juist daar waar je vindt dat je tekortschiet, heeft Hij talenten gezien, die je van jezelf niet kent. Jíj komt met lege handen, Híj ziet er wat in!
Zelfs waar hij niet gezaaid heeft, zal hij oogsten. Hij neemt de oogst, de opbrengst in bezit, de vruchten waarvan jij niet weet, neemt hij in ontvangst. Dat is zijn mogendheid en zijn bewind. Daarom, als je in zijn dienst staat, past het je niet bang te zijn en zeker niet lui of ontmoedigd of wat daarop lijkt: angstvallig, benepen, wrokkig, zuinig of lamgeslagen, cynisch geworden door alles wat er van je wordt verwacht.

Ook in de dienst van de Heer geldt: wie niet waagt, die niet wint. Je moest die talenten maar weer opgraven – omwille van Hem aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.

 

Inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
Preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen