- Versie
- Downloaden 0
- Bestandsgrootte 208.83 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 8 oktober 2026
- Laatst geüpdatet 8 oktober 2026
Preek Allerzielen, 2-11-2026
2 november 2026
Allerzielen (Eucharistieviering I)
Lezingen: Jes. 25,6a.7-9; Ps. 23; Apok. 21,1-5a.6b-7; Luc. 23,44-46.50.52-53; 24,1-6a
(Eucharistieviering II en III zijn verschenen in respectievelijk jaargang 2024 en 2025)
Inleiding
Eerste lezing: Jesaja 25,6a.7-9
De hoofdstukken 24–27 van Jesaja worden algemeen beschouwd als het jongste grotere geheel in dit bijbelboek, dat een lange ontstaansgeschiedenis heeft gekend. Ze worden vaak ‘de Apokalyps van Jesaja’ genoemd en ze schetsen een toekomst waarin Gods koningschap definitief wordt gevestigd, de machten van het kwaad worden overwonnen en alle volkeren worden verzameld in Jeruzalem.
Uit dit geheel is een korte perikoop gekozen als eerste lezing. De heer richt op zijn berg een overvloedig feestmaal aan voor alle volkeren. Een maaltijd sticht gemeenschap; een verbondssluiting ging vaak met een maaltijd gepaard (zie bijvoorbeeld Gen. 31,46-54: het verbond tussen Jakob en Laban wordt bezegeld met een maaltijd; en Ex. 24,9-11 over het Sinaiverbond: Mozes en de oudsten bestegen de berg, waar zij ‘aten en dronken’). We mogen dus verstaan dat God een verbond sluit met alle volken (v. 6). Dit betekent meteen het einde van alle droefheid, gesymboliseerd door het scheuren van het rouwkleed dat de wereld bedekt (v. 7). In het nieuwe rijk van God is geen plaats meer voor de dood: de Eeuwige vernietigt de dood voor altijd en veegt de tranen van alle gezichten (v. 8). Op deze beschrijving volgt een korte dankpsalm, waarin Gods reddende tussenkomst op zijn heilige berg op het einde der tijden bezongen wordt (v. 9).
Antwoordpsalm: Psalm 23
Psalm 23, ‘De Heer is mijn herder’, is misschien wel de bekendste en de meest geliefde uit heel het psalterium. Het lied is doordrongen van het serene Godsvertrouwen van de psalmist, dat hij uitdrukt in een variatie van beelden. In de eerste verzen is God de herder die zijn kudde in de steppe weidt, in vers 4 leidt Hij een reiziger door een gevaarlijk dal, en in vers 5 is Hij de gastheer die een maaltijd bereidt en het hoofd van zijn gast met olie zalft. Ten slotte blijkt uit het laatste vers waar de psalmist zich bevindt: ‘Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.’
Tweede lezing: Apokalyps 21,1-5a.6b-7
De tweede lezing is het begin van het grote overwinningsvisioen op het einde van het allerlaatste Bijbelboek, de Apokalyps of Openbaring van Johannes. De ziener aanschouwt ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’, dat wil zeggen een nieuwe schepping en een vernieuwde mensheid. Hij ziet ‘de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, van God uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich voor haar man heeft getooid’. Voor dit visioen vond de auteur inspiratie bij de profeten, vooral in Jesaja 65,17-25.
Het visioen drukt uit, dat God ondanks alles trouw blijft aan zijn schepping (vv. 1-2) en aan zijn verbond (vv. 3 en volgende). God blijft zijn tent opslaan te midden van de mensen. Hij zal hun God zijn en zij zijn volk: dat is de traditionele verbondsformule (zie Ex. 6,7; Lev. 26,12; Jer. 24,7; 31,33; 32,38; Ezech. 11,20; 36,28; 37,23.27). In vers 4 herkennen we beelden uit de eerste lezing: ‘Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn’ (vgl. Jes. 25,7-8). In vers 7 wordt de verbondsformule hernomen, maar nu over een verbond met ieder mens afzonderlijk: ‘Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon’ (vgl. in 2 Sam. 7,14 een soortgelijke formulering voor het verbond van God met David). Wie dorst heeft, mag drinken uit de bron van het water des levens.
Evangelielezing: Lucas 23,44-46.50.52-53; 24,1-6a
De evangelielezing bevat enkele uittreksels uit de laatste twee hoofdstukken van het Lucasevangelie: het verhaal van Jezus’ dood en graflegging, en het verhaal over de vrouwen die op paasmorgen naar het graf gaan en daar de boodschap van de verrijzenis vernemen.
In de versie van Lucas sterft Jezus sereen, met een vertrouwvol gebed op de lippen: ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest’ (23,46). Jozef uit Arimatea, lid van de joodse Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man die ‘leefde in de verwachting van het Rijk Gods’ (vers 51, niet opgenomen in de lezing), zorgt ervoor dat Jezus een waardige begrafenis krijgt.
De apostelen hebben Jezus bij zijn arrestatie in de steek gelaten (hoewel Lucas dit niet expliciet vermeldt; zie echter Mar. 14,50 en Mat. 26,56), maar de vrouwen die hem van in Galilea gevolgd waren, zijn er wel. Volgens Lucsa kijken ‘allen’ – de vrouwen en de apostelen – van op een afstand toe hoe Jezus sterft en begraven wordt (vv. 49 en 55-56, niet opgenomen in de lezing). Na de sabbat gaan zij op weg naar het graf, om het lichaam van Jezus te balsemen. Dat is alles wat zij voor hun dode meester nog kunnen en moeten doen, lijken afleggen was een vrouwentaak.
Toch zijn er tekenen van nieuw leven: de eerste dag, de vroege morgen, de weggerolde steen (zie 24,1-2). Maar de vrouwen begrijpen die tekenen nog niet. Jezus is dood en begraven, en zij gaan binnen in het graf, een plek waar de dood regeert. In plaats van het lichaam van Jezus treffen zij er twee mannen in een stralend wit kleed aan, boodschappers van God, die hun de verrijzenis aankondigen: ‘Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is niet hier, hij is verrezen’ (v. 6a). De vrouwen keren van het graf terug en brengen het goede nieuws aan de elf apostelen en aan al de anderen (vers 9, niet opgenomen in de lezing).
Leven en dood
De Schriftlezingen voor Allerzielen brengen een tweevoudige boodschap. Enerzijds: de dood wordt ernstig genomen. Jezus heeft het lijden en de dood in al hun bitterheid ervaren en doorstaan. Anderzijds: de dood heeft niet het laatste woord. In het graf, de plek van de dood, krijgen de vrouwen een boodschap van leven. Over dat leven dat de dood overwint spreekt de Schrift in beelden: een feestmaal op Gods heilige berg (eerste lezing); verblijven in het huis van de Heer tot in lengte van dagen (antwoordpsalm); een nieuw, hemels Jeruzalem (tweede lezing). Beelden zijn betrekkelijk, maar de hoop, dat de God van het leven ons in het uur van onze dood getrouw zal zijn, is sterker dan elk beeld.
Preekvoorbeeld
Onze God is een God van gemeenschap, die ons tot gemeenschap roept. Hij is Liefde: Vader, Zoon en Geest. En Hij roept tot liefde: van ons naar Hem en van ons naar elkaar toe. Dat kleurt ook de gelovige omgang met de dood, zowel die van anderen als die van jezelf.
In het ‘heidendom’ van onze dagen is de dood de absolute catastrofe, het eind van alles. Het leven is om te genieten en dat doe je het beste samen, maar de dood is isolement. Alles breekt af. Een mens sluit zijn mond en reageert niet meer. Voortaan is alle communicatie onmogelijk. De dood is stom in de dubbele betekenis van het woord: zonder woorden en dom. Nu zeg ik wel dat het moderne ‘heidendom’ zo tegen de dood aankijkt en dan lijkt het net, alsof dat alleen voorkomt bij heel erge mensen in onze maatschappij. Maar dat is niet zo, dat ‘heidendom’ zit dichterbij. Het steekt af en toe ook de kop op in onszelf. En zoals elke dwaling bevat ook deze dwaling nog wat waarheid ook. Ik bedoel: de dood heeft iets van stomheid over zich, iets dat ons negatief slaat, iets van dat het allemaal zo niet hoort.
Ik zei dat het moderne ‘heidendom’ echt leven definieert als: leven met kwaliteit, leven waarin genoten wordt. Voor dat genieten heb je anderen nodig. Tegelijk verkeert het zo genietende leven zelf al in isolement, wanneer de ander er alleen maar in voor komt als middel voor mijn genoegen, als iemand waar ik niet buiten kan. Het isolement wordt het eerst gevoeld door degene, die niet meer functioneel is voor het genieten van anderen. Die kan vertrekken. Dat is een ramp voor degene die wordt weggegooid als afval. Maar is degene die zo een ander weggooit niet ook al dood? Ik moet even denken aan de begrafenis van een drugs-gebruikende zwervervrouw – ik ben haar naam vergeten –, die in Amsterdam doodgeschopt was, nadat ze ervan verdacht was in de supermarkt een blikje bier gestolen te hebben. Haar ouders waren er niet voor overgekomen. Bij mij maakte dat alles nog eens extra schrijnend! Ik kan geen moreel oordeel uitspreken over die ouders. Ik weet niet, hoe lang en hoe zeer ze met hun dochter getobd hebben. Ik weet niet, of ze na lange tijd niet meer durfden hopen, omdat hopen zo’n pijn doet, als dingen telkens weer opnieuw mislukken. Ik bedoel: er kunnen echt begrijpelijke excuses zijn, maar het resultaat is in elk geval schrijnend: doe haar maar weg. Wat U ook doet, doe het zonder ons. Leven en dood lijken daar op elkaar: stom isolement.
Hoewel de dood ons echt scheidt van elkaar en de normale manier van met elkaar omgaan ruw onderbroken wordt, kan dat niet het laatste woord zijn, als het waar is dat onze God gemeenschap is en tot gemeenschap roept. En die gemeenschap is niet de schijngemeenschap van een Ik dat anderen tot middel maakt van het eigen streven naar geluk. De gemeenschap die God is en waartoe Hij ons roept, is de gemeenschap van liefde. In die gemeenschap wordt juist dat geluk gevonden, waarvan ter wille van de ander afstand is gedaan. Die achtergrond werkt door in de hele verbeelding rondom de dood.
Bij de profeet Jesaja valt allereerst op dat de toekomst geschilderd wordt als een feest, als een banket. Een feest is juist een feest, omdat mensen er iets komen vieren. Op een bruiloft komen mensen samen, omdat ze het bruidspaar geluk gunnen. Bij een jubileum of een afscheid van iemand die grote verdienste heeft zie je mensen soms verbaasd zijn dat al die anderen ook gekomen zijn en dan spontaan zeggen: wat leuk voor hem/haar. En dan is er die stemming die het samen-zijn tot een feest maakt. Mensen die naar een feest gaan, moeten zich als het ware disponibel houden voor de vreugde, ertoe bereid zijn. Dat is heel iets anders dan: ik ga me eens gratis vullen op kosten van een ander. Dat laatste wordt nooit een feest. Jesaja ziet een feest. Hij ziet er ook verschillende partijen: het volk en de volkeren. De volkeren hebben Israël bespot: jullie altijd met die verhalen over recht en vrede, laten we genieten, dood is dood, je leeft maar één keer. Dat was het verhaal van de volkeren: daarom staat er over hen dat ze door een grauwsluier bedekt waren. In het visioen van Jesaja wordt die sluier van de volkeren afgetrokken en zullen ze Israël gaan eren. ‘Jullie hebben het goed gezien. Jullie God is inderdaad een Redder. Hij heeft jullie gered en nu ook ons.’ Waar volkeren elkaar zo vinden, daar is er echte vrede, daar kan het vredesbanket aangesproken worden. En als Israël dit visioen zelf vergeet, moeten we het hen als volkeren voorhouden: kom mee feesten en bombardeer niet langer.
Ook in de lezing uit de Apokalyps wordt ons het eeuwige en definitieve leven weer als een leven in gemeenschap getoond. In de nieuwe hemel en de nieuwe aarde – dat is: deze aarde en hemel van tegenwoordig als het ware door het niets heen gehaald en dan helemaal vernieuwd, verheerlijkt – daalt het nieuwe Jeruzalem uit de hemel op de aarde neer en staat dan als een bruid tegenover haar Bruidegom, haar Heer. Ons definitieve leven is een stadsleven: leven van een gemeenschap. Die stad heet: Gods woning onder de mensen. Hoort U weer dat meervoud: Gods woning onder de mensen. Waar God onder de mensen woont, worden die mensen een gemeenschap. En omgekeerd, waar mensen een gemeenschap zijn, kan God onder hen wonen.
In het evangelie komen we de spanning tussen isolement en gemeenschap op zijn scherpst tegen. Jezus hangt aan het kruis, verlaten, de mensen die Hem kenden worden op afstand gehouden.
Deze dood is echte duisternis, hier heeft de zonde zijn klauwen uitgestrekt naar de Liefde. De zon geeft geen licht meer, ze kan het niet langer aanzien. En in de tempel, de plek waar God bij de mensen woont en de mensen bij God, scheurt het voorhangsel middendoor. Gaat God zich definitief terugtrekken van deze aarde? Wordt het Verbond van God en de mensen doorgeknipt, afgesneden? In dat duister horen we Jezus roepen: ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.’ Daar wordt in een laatste roep gemeenschap gesticht, gemeenschap onderhouden.
Daarna horen we, hoe God Hem niet in de dood heeft gelaten, maar heeft doen verrijzen. Sindsdien is voor gelovigen overlijden: met Christus sterven, bij Hem horen. De hemel dat is: waar Christus is. En dus is naar de hemel gaan: met Christus zijn. Daarom is dood-zijn niet meer: isolement. Het is: in gemeenschap zijn met de Levende. En omdat deze Levende contact met ons onderhoudt, daarom zijn ook onze doden niet definitief weg. Als de Heer in de Eucharistie met ons verkeert, komt Hij nooit alleen. Hij is er met al die miljoenen, die bij Hem geborgen zijn. In die zin mag elke zondag, elke dag iets van Allerheiligen en Allerzielen hebben. Maar af en toe moet je daar apart bij stilstaan.
Inleiding dr. Paul Kevers
Preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,