Preek 27e zondag door het jaar, A jaar, 4-10-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 4
  • Bestandsgrootte 149.46 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 30 juli 2026
  • Laatst geüpdatet 30 juli 2026

Preek 27e zondag door het jaar, A jaar, 4-10-2026

4 oktober 2026
Zevenentwintigste zondag door het jaar 

Lezingen: Jes. 5,1-7; Ps. 80; Fil. 4,6-9; Mat. 21,33-43 (A-jaar)

Inleiding

Jesaja 5,1-7
Jesaja 5 neemt het thema van het oordeel tegen Jeruzalem op dat al eerder in dit profetenboek geklonken heeft (1,1-31 en 3,1–4,1). Het doet dat in drie stappen: met het lied van de wijngaard (v. 1-7), een serie weespreuken (vv. 8-23) en een aankondiging van een buitenlandse invasie (vv. 24-30).
In het lied van de wijngaard is nog niet onmiddellijk duidelijk om wie het gaat: pas in vers 7 vernemen we dat het de profeet is die de relatie bezingt van ‘zijn vriend’ JHWH en diens geliefde ‘wijngaard’ Israël. Het lied begint als een liefdeslied: in de verzen. 1-2 tonen vooral de werkwoorden (spitte, verwijderde, beplantte, bouwde, kapte) de zorg van JHWH voor zijn wijngaard.
De liefde van JHWH blijkt niet belangeloos: zij gaat gepaard met een verwachting dat de wijngaard vruchten zal opbrengen, een verwachting echter die niet vervuld wordt. Het woord ‘verwachten’ komt tot drie keer terug in het lied (vv. 3, 4, 7, de laatste keer vertaald als ‘hoopte’), en tekent de omslag die in het lied gebeurt. Die omslag wordt voelbaar in de verzen 3-4 waar de zanger van het lied zijn teleurstelling uitzingt: er is iets helemaal misgegaan tussen JHWH en de wijngaard, de verwachting is niet uitgekomen.
In de verzen 5-6 wordt duidelijk wat de consequenties zijn van het niet uitkomen van de verwachting, en opnieuw zijn het de werkwoorden die kleur geven: weghalen, vernielen, tot wildernis maken, verbieden: alles wat JHWH heeft gedaan voor zijn geliefde wijngaard wordt ongedaan gemaakt.
In vers 7 volgt tenslotte de uitleg van het lied: de ‘goede vruchten’ die JHWH verwachtte van zijn wijngaard blijken te gaan over sociale verhoudingen, over recht en gerechtigheid. Twee woordspelingen maken de ommekeer duidelijk: in plaats van misjpat (recht) is er misjpah (bloedvergieten, dat wil zeggen het soort sociale en economische verhoudingen die armen verwonden en dood laten bloeden) gekomen, in plaats van tsedaqa (goede sociale relaties) is er tse’aqa (geschreeuw, het maatschappelijk protest van degenen die slachtoffer zijn geworden van onrechtvaardige sociale verhoudingen). Zo maken de woordspelingen, in het Nederlands mooi vertaald met ‘in plaats van betrachting verkrachting van recht’, de overgang van wijngaard-taal naar de taal van maatschappelijke relaties. In de Missaaltekst is dit woordspel verdwenen.

Filippenzen 4,6-9
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95

Matteüs 21,33-43
Het verband tussen de eerste lezing en het evangelie is duidelijk, deze zondag: Matteüs grijpt terug op het lied van Jesaja voor zijn eigen parabel. De inleiding op de parabel in Matteüs 21,33 is immers nagenoeg gelijk aan het begin van het lied in Jesaja 5,1-2.
Hij verandert ook iets aan het lied: waar het in Jesaja gaat om een conflict tussen de wijnbouwer (God) en de wijngaard (Israël), spreekt Matteüs over een conflict tussen een landeigenaar en wijnbouwers die het land van hem pachten. Dat was een bij iedereen bekend gebruik in Jezus’ tijd: in afwezigheid van de landeigenaar doen de wijnbouwers het werk in de wijngaard, en krijgen als beloning een deel van de opbrengst. Het grootste deel blijft naar de landeigenaar gaan, die op ieder willekeurig moment naar de wijngaard kan komen om zijn deel op te eisen.

Dat doet deze wijnbouwer echter niet: hij stuurt knechten om het voor hem te doen. Als de knechten geslagen, gedood en gestenigd worden, verwacht de lezer dat de landeigenaar zal komen om wraak te nemen. Dat doet hij echter niet: hij zendt een andere, grotere groep knechten, die hetzelfde lot ondergaan. Zo wordt de grote generositeit van de landeigenaar al zichtbaar: zelfs de moordzuchtige pachters krijgen een nieuwe kans. Als de tweede groep knechten hetzelfde lot ondergaat als de eerste, blijkt de landeigenaar vertrouwen te schenken tot op een punt dat menselijk gezien niet meer begrijpelijk is: hij stuurt zijn zoon, een duidelijke verwijzing naar Jezus zelf, die daarmee apart komt te staan van de knechten. Het ligt voor de hand om in de knechten de profeten te herkennen: Jezus als zoon is meer dan een profeet. Het plan van de pachters om ook de zoon te doden toont de diepte van hun perversiteit, en doet denken aan de broeders van Jozef in Genesis (37,3v).

De parabel is in alle drie de synoptische evangelies te vinden, maar waar bij Marcus de vraag ‘Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen?’ (Mar. 12,9) nog een retorische vraag is, heeft Matteüs de vraag omgewerkt tot een echte dialoog met de hogepriesters en oudsten van het volk met wie Jezus als sinds vers 23 in gesprek is. De tegenstanders van Jezus worden uitgedaagd hun eigen conclusies te trekken op basis van de parabel, op een manier die doet denken aan het verhaal dat de profeet Natan vertelt aan koning David in 2 Samuël 12,1-7. Uit het vervolg in Matteüs dat in de liturgie niet meer gelezen wordt (vv.45-46) blijkt dat de hogepriesters en farizeeën begrijpen dat het verhaal op hen slaat, maar waar koning David berouw toonde, zoeken zij naar een gelegenheid om Jezus vast te nemen.

Het belangrijkste punt van de parabel is om het lijden en sterven van Jezus in lijn te plaatsen met de mishandelingen van Gods boodschappers door de eeuwen heen. Vers 43 (‘Het koninkrijk van God zal u ontnomen worden en gegeven worden aan een volk dat de vruchten van het koninkrijk voortbrengt’) wordt door sommigen geïnterpreteerd als zou Jezus Israël afwijzen en in plaats daarvan de heidenen als zijn volk zou aannemen. Ook als Matteüs benoemt dat de verrezen Jezus aan het einde van het evangelie zijn leerlingen opdraagt om alle volkeren tot zijn leerling te maken (28,19) is deze interpretatie incorrect. De verwerping die de parabel benoemt is een verwerping van de leiders van het volk die Jezus niet erkennen. Het is niet de taak van christenen om uit te maken wie Jezus wel of niet kan volgen. Eerder is het onze taak om zoals de hogepriesters en de oudsten onszelf in de parabel te herkennen. Onszelf als christenen zien kan ons immers blind maken voor het gegeven dat we soms ook als deze hogepriesters en oudsten zijn geworden, bij wie het gevoel van verantwoordelijkheid voor de traditie is verworden tot trotse vooringenomenheid.

Matteüs laat ons zien dat wij Christus niet kunnen kennen zonder met vallen en opstaan zijn leerlingen te zijn. En wie bezig zijn met steeds meer leerling worden, hebben geen tijd voor speculatieve spelletjes over wie er wel en niet bij hoort.

Literatuur
W. Brueggemann, Isaiah 1-39, Westminster Bible Companion, Louisville KY, 1998
Daniel Harrington, The Gospel of Matthew, Sacra Pagina Series, Liturgical Press, Collegeville MN, 2007
Stanley Hauerwas, Matthew, Brazos Theological Commentary on the Bible, Brazos, Grand Rapids MI, 2006.
Craig S. Keener, The Gospel of Matthew, A Socio-Rhetorical Commentary, Eerdmans, Grand Rapids MI, 2009.

 

Preekvoorbeeld 

Wie in Israël een wijngaard heeft aangelegd, kan daar zeer trots op zijn. Het klimaat is er droog, maar de wortels van de wijnstok kunnen wel twintig meter diep naar water zoeken. De wijngaard wordt beschermd met een muur en een wachttoren. Als de druiven rijpen, houdt hij de wacht. Een dak van loof beschermt hem tegen de zon. Na de oogst is er feest: het Loofhuttenfeest. De overnachting onder het loofdak roept het verhaal op van hun voorvaderen, hoe zij eens hun huizen in Egypte verlieten en op zoek gingen naar vrijheid en een nieuw land.
De oogst is de tijd van de liefde, van het Hooglied. Mannen en vrouwen werken en rusten samen; zij zingen en dansen met elkaar. Blij wordt een liefdeslied gezongen over de weelde van een wijngaard.
De profeet Jesaja gebruikt dit lied voor zijn boodschap. Zijn luisteraars mogen raden: wat zal de eigenaar doen als hij uiteindelijk een mislukte oogst krijgt en de schaarse druiven zuur blijken te zijn? Men heeft goed geluisterd: ‘Hij zal woedend tekeergaan in de wijngaard!’
‘Welnu,’ gaat Jesaja verder, ‘die eigenaar is God, en zijn boosheid treft jullie!’

Matteüs herneemt dit thema eeuwen later wanneer hij over Jezus vertelt. Jezus’ parabel begint eveneens met de zorg van een eigenaar voor zijn wijngaard — met Gods liefde dus voor zijn volk. Maar nu zijn het niet de vruchten die hem teleurstellen; het zijn de wijnbouwers naar wie hij de gezanten stuurt om zijn aandeel te innen. Dat loopt uit op een bloedbad.
Aan het slot van dit gewelddadige verhaal stelt Jezus onverwacht kalm vast: ‘De steen die de bouwers hadden afgekeurd, is hoeksteen geworden.’ De gezanten van de eigenaar zijn mishandeld en vermoord, en tenslotte treft eenzelfde lot zelfs zijn eigen zoon, de erfgenaam. Zij beseffen niet dat degene die zij verwierpen, door God was uitverkoren.
Zo dikwijls hadden de profeten het volk gewaarschuwd dat het de Tora moest volgen en God trouw moest blijven. Keer op keer werden die waarschuwingen in de wind geslagen, en telkens wachtte het volk zware tijden. Je kunt het ook andersom zeggen: telkens wanneer het volk gebukt gaat onder een gewelddadige bezetter, die gevangenen maakt en het volk belast met bijna ondraaglijke lasten, wordt dat ervaren als de afwezigheid van God. Zijn nabijheid wordt opnieuw ervaren waar mensen de wegen van gerechtigheid gaan.
Jezus vat het samen met een eenvoudig beeld uit de wereld van de bouw: ‘De steen die de bouwers afkeurden, is hoeksteen geworden.’
Bouwlieden zochten stenen in de groeve. Sommige werden bestemd om mee te bouwen; andere werden terzijde geworpen. Tussen dat afval bleek later een hoeksteen te liggen.
Huizen in die tijd werden doorgaans gebouwd met steen en hout. Timmerlieden, zoals Jozef en Jezus, werkten mee aan de bouw. Meestal lag er een stenen fundament onder de muren, en waarschijnlijk maakte de hoeksteen daarvan deel uit. ‘Fundament’ en ‘hoeksteen’ worden in de Bijbel vaak in één adem genoemd. Men denkt daarbij meestal aan de dragende steen op de hoek van het fundament. Die moest stevig zijn, anders zouden de samenkomende muren gemakkelijk uit elkaar vallen. Hij moest groot genoeg zijn om beide muurvlakken te dragen.
Let dus op — dat is de boodschap. Alles wat mensen afkeuren, wat lage verkoopcijfers heeft, vernietigende recensies krijgt, of weinig likes op Facebook ontvangt: daar kunnen juweeltjes tussen zitten. Sterker nog: misschien verkiest God wel het jonge meisje uit het verre, onaanzienlijke Nazaret boven een koningsdochter.

Het onaanzienlijke – de leerling die wat achterblijft, de baby die laag scoort bij bepaalde testen, de reisbestemmingen waar men de neus voor ophaalt, de buurtbewoner die met de nek wordt aangekeken, de vijftienjarige meisjes die spijbelend en rokend giechelen voor een etalage, de jongeman die maar geen werk kan krijgen, de tante die niemand mag omdat ze alleen over zichzelf praat en niet kan luisteren, de invalide die geen raad weet met zijn leven, zich anderen tot last voelt en liever doodgaat – noem ze maar op, die hele stapel afgekeurde stenen...
Juist te midden van hen is God op zoek naar bijzondere mensen, misschien wel naar zijn woordvoerder. Want bij de aangepaste, normale mensen is dikwijls weinig respect te vinden voor anderen. God zoekt elders.
Laten wij daarom met die ogen wat vaker naar de wereld kijken.

 

inleiding dr. Stefan Mangnus OP
preekvoorbeeld Harrie Brouwers