- Versie
- Downloaden 7
- Bestandsgrootte 169.05 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 30 juli 2026
- Laatst geüpdatet 30 juli 2026
Preek 24e zondag door het jaar, A jaar, 13-9-2026
13 september 2026
Vierentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Sir. 27,30–28,7; Ps. 103; Rom. 14,7-9; Mat. 18,21-35 (A-jaar)
Inleiding
Hoe kun je samen volk van God zijn? Wat betekent dit voor je handelen jegens de ander, je medemens? En wat als er dan iets scheefloopt in de relatie? Als er een misstap wordt begaan door jou of door de ander? Als er onrecht is gedaan aan jou, aan de ander of aan God? In de schriftlezingen van vandaag wordt dit vraagstuk vanuit verschillende perspectieven belicht.
Sirach 27,30–28,7 (Vulgaat 27,33–28,9)
Wijsheid van Jezus Sirach wordt gerekend tot de deuterocanonieke boeken van de canon in de katholieke en christelijk-orthodoxe kerken. De in het Grieks geschreven tekst maakt deel uit van de Septuagint. De proloog stelt dat het een Griekse vertaling betreft van de Hebreeuwse tekst van de hand van Ben Sirach, gemaakt door de kleinzoon voor de Griekssprekende diaspora in Egypte. Pas aan het eind van de 19e eeuw en in de loop van de 20ste eeuw zijn fragmenten van dit oorspronkelijke Hebreeuwse geschrift teruggevonden. De Hebreeuwse tekst van Ben Sirach wordt gedateerd in het eerste kwart van de 2e eeuw vChr. en de Griekse vertaling in het derde kwart van de 2e eeuw vChr. Het boek behoort tot de Wijsheidsliteratuur in de Bijbel, waartoe ook Spreuken, Prediker, Job en Wijsheid van Salomo worden gerekend. Het taalgebruik is kenmerkend voor het genre poëzie en de tekst bevat tal van wijsheidsuitspraken in de vorm van spreuken, gezegden, gelijkenissen, etc.
Het tekstgedeelte uit de lezing van vandaag over het koesteren van wrok en woede (KBS 1975: gramschap) maakt deel uit van een langere passage waarin allerhande gedragingen worden besproken die de harmonie in de gemeenschap verstoren. Het tekstgedeelte bespreekt twee mogelijke reacties op situaties waarin de ene mens onrecht is aangedaan door de andere. Deze situaties veroorzaken een disbalans in de relatie, er staat als het ware een schuld uit. Deze openstaande schuld vraagt om een reactie die gericht is op het vereffenen van die schuld, zodat de disbalans wordt opgeheven. Sirach geeft advies over twee mogelijke reacties: wraak (kwaad met kwaad vergelden) en vergeving (kwijtschelden). Hij plaatst beide opties lijnrecht tegenover elkaar. De eerste wijst hij in de stelligste bewoordingen af: wrok en woede zijn afschuwelijk! (v. 30); waarna hij aanspoort tot de tweede: ‘Vergeef…!’ (v. 2).
Sirach verbindt de manier waarop de persoon reageert naar zijn medemens met de wijze waarop God op hemzelf zal reageren: Wie wraak neemt, kan Gods wraak verwachten (v. 1); wie vergeeft, zal – wanneer hij daarom bidt (!) – door God vergeven worden (v. 2). Sirach onderbouwt deze stellingen niet argumentatief, maar maakt gebruik van een retorisch hulpmiddel om de lezer te overtuigen: hij stelt drie retorische vragen die ‘nee’ als antwoord impliceren, waarmee de onderliggende logica als het ware door de lezer zelf wordt beaamd. Als mens kun je van God niet iets verwachten, dat jij zelf niet betracht in jouw eigen handelen naar je naaste toe. Een denkwijze die twee eeuwen later opnieuw klinkt in de woorden van het ‘Onze Vader’ dat Jezus zijn leerlingen leert: ‘En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben (in het Grieks staat een perfectum) aan onze schuldenaren’ (6,12). Een principe dat kennelijk zo belangrijk is voor Jezus, dat Hij het direct na de woorden van het gebed onderstreept: ‘Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven’ (6,14v).
Na drie keer ‘wat niet’ te hebben onderstreept, eindigt Sirach zijn betoog met een viervoudig ‘wat wel’, namelijk met wat je wel voor ogen moet houden en wat het daaruit voortvloeiende gewenste gedrag is: ‘houd op met haten’, ‘volhard in de geboden’, ‘haat je naaste niet’ (verg. Lev. 19,18) – en ‘zie voorbij aan de onwetendheid.’
Sirach gaat met zijn inzet op vergeving in plaats van vergelding in zijn ethische denken over rechtvaardigheid nog een stap verder dan de Lex talionis, dat is de wet gericht op herstel van recht middels proportionele vergelding (‘oog om oog, tand om tand’, zie Ex. 21,23vv; Lev. 24,19v, Deut. 19,21), waarmee de toenmalige praktijk van onbegrensde vergelding werd ingeperkt.
Romeinen 14,7-9
De verzen uit tweede lezing vormen een onderdeel van een tekstpassage die gaat over het eigen handelen en dat van een ander gericht op het onderhouden van Gods geboden. In het eerste deel van de perikoop (vv. 1-13a) staat het beoordelen of veroordelen van de ander op zijn of haar gedrag centraal (vv. 1-23: 8x krinoo; 1x diakrinoo; 1x katakrinoo). De geadresseerden worden gemaand om geen oordeel over de medegelovige in Christus te vellen op grond van diens interpretatie van de spijsvoorschriften en feestdagenkalender en diens inspanningen om daaraan te voldoen; met andere woorden over de wijze waarop de ander zijn of haar religiositeit vormgeeft. Want: ‘Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of het wel of niet goed is wat hij doet, bepaalt alleen zijn eigen heer.’ (v. 4). Ergo: dit oordeel is niet aan de jou!
De verzen uit de lezing (vv. 7-9) lichten dit standpunt toe. Achter de verschillende handelswijzen van de gelovigen, ligt een vergelijkbare zorg, eenzelfde intentie: de wil om de eigen heer te eren. We zijn op ‘hetzelfde’ of beter gezegd op Dezelfde gericht: de Heer, Christus. Ons hele leven en sterven draait om Hem. In Hem zijn we verenigd. Jij, die andere gelovige en ik, Paulus, staan niet tegenover elkaar, maar vormen een wij: wij zijn broeders en zusters van elkaar. Vanuit dit besef dat er een gedeelde intentie achter de verschillende handelingswijzen schuilgaat én dat er een gedeelde relatie is tot die ene zelfde Heer, vloeit de vermaning van Paulus voort om geen oordeel te vellen over de ander. Het is aan de Heer aan wie het oordeel toekomt. Ieder komt uiteindelijk voor Zijn rechterstoel te staan, zal tegenover Hem verantwoording afleggen. Daarmee haakt de tweede lezing aan bij de laatste verzen (Sir. 28,6v) van de eerste lezing, die eveneens het eschaton en de eigen sterfelijkheid in herinnering brengt en in het licht daarvan maant om voorbij te zien aan het gebrek aan inzicht, de onwetendheid die je bij de ander meent te bespeuren. Wat dat betekent voor je eigen handelen werkt Paulus uit in het tweede deel van dit hoofdstuk: niet de religieuze handelingen vormen de basis van het Koninkrijk Gods, maar de onderlinge vrede.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 18,21-35
De Evangelielezing betreft een leergesprek tussen de leermeester Jezus en zijn leerlingen. Eén van zijn leerlingen stelt Jezus een vraag over hoe een voorschrift uit de Tora concreet moet worden toegepast – in de rabbijnse traditie wordt dit een ‘halachische vraag’ genoemd. De vraag luidt: ‘Hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven?’ Direct gevolgd door een tweede vraag, waarin al een mogelijk antwoord op de eerste vervat zit: Klopt het dat je iemand tot zeven keer toe – een getalswaarde die in de Bijbel staat voor volheid – zou moeten vergeven? Het antwoord van Jezus luidt: Nee, een veelvoud van zeven (70x7!). Het gaat om een zodanig veelvoud dat het een overtreffende trap lijkt te zijn van wat naar menselijke maat nog kan worden verwacht. Dit antwoord sluit aan bij de hoge lat die Jezus eerder in de Bergrede heeft gelegd met zijn interpretaties van de geboden.
Jezus licht zijn antwoord toe met behulp van een gelijkenis (ingeleid met de werkwoordsvorm homoiooo = gelijkstellen/vergelijken; verg. Mat. 7,24.26; 11,16; 13,24; 22,2 en 25,1; Luc. 7,31; 13,18.20; Mar. 4,30), een didactisch instrument om in de vorm van een voor een mens herkenbare werkelijkheid iets te zeggen over de goddelijke werkelijkheid die het menselijk begrip te boven gaat. De gelijkenis bestaat uit twee delen. De uitwerking van de gelijkenis in de vorm van een verhaaltje (vv. 32-34), een parabel. Gevolgd door de ethische toepassing van de gelijkenis (houtoos kai = zo ook…). De gelijkenis maakt duidelijk dat de schuld die een mens bij God heeft vele malen groter is dan de schuld van mensen onder elkaar. Als God een mens zo’n grote schuld kwijtscheldt als hij daarom smeekt, dan zou dat moeten betekenen dat de mens op zijn beurt de per definitie veel kleinere schuld van zijn broeder of zuster zou moeten kwijtschelden als deze daarom smeekt. Met andere woorden: vergiffenis van God ontvangen brengt een verwachting met zich mee ten aanzien van je eigen houding tegenover je medemens; deze verwachting is niet enkel de verwachting van je medemensen, ook God verwacht dit van jou.
De parabel laat zien dat het relationeel handelen tussen God en de mens enerzijds en tussen de mens en zijn medemens anderzijds op elkaar betrokken zijn. Hoe de Heer omgaat met de mens heeft consequenties voor hoe de mens dient om te gaan met zijn medemens. De mens dient zo te handelen naar de ander, zoals hij behandeld is door de Heer. Het mededogen dat hij krijgt, moet hij ook geven aan de ander als die daar een beroep op doet.
Het dubbel gebod van de liefde
De relatie tussen God en mens (verticale relatie) is niet los te zien van de relatie van mens tot mens (horizontale relatie). Daarover gaat het dubbelgebod (Deut. 6,5 & Lev. 19,18), waarover de verschillende Evangeliën spreken (Mar. 12,28-31; Luc. 10,25-27):
Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.
(Mat. 22,37-40 – zie in dit nummer ook blz. 34)
De drie lezingen laten alle drie hun licht schijnen op de verschillende relaties waarover dit dubbelgebod spreekt. Sirach start vanuit de verhouding van de mens tot zijn medemens, zijn naaste, om iets uit te zeggen over de verwachting die de mens mag koesteren richting God; Paulus laat in de brief van de Romeinen het licht vallen op de relatie tussen medemens-God om iets te zeggen over de relatie tussen de mens en zijn medemens. Matteüs tenslotte laat Jezus aan het woord die een parabel vertelt. In deze parabel vertrekt Jezus vanuit de houding van God jegens de mens om iets te zeggen over diens verwachting ten aanzien van de houding van de mens jegens zijn medemens, zijn naaste.
Zo wordt zichtbaar hoe de dynamiek van het voornaamste gebod dat uit twee gelijkwaardige geboden bestaat, in elkaar steekt: de wederzijdse relaties tussen God en mens, God en de medemens en de mens en zijn medemens, vormen samen als het ware een relationele driehoek, waarin de verschillende relaties onlosmakelijk op elkaar betrokken zijn. Een driehoek waarin alle relaties zich kenmerken door wederzijdse liefde: geliefd zijn en liefhebben. Een liefdesrelatie die bij mensen, feilbaar en onvolmaakt als wij zijn in een gebroken wereld, ontelbare keren om vergeving vraagt. Vergeving die God, als wij daarom bidden, in Zijn barmhartigheid telkens weer bereid is te schenken. Daarom: ‘Zegen de Heer, mijn ziel, en heel mijn hart zijn heilige Naam. Zegen de Heer, mijn ziel, en vergeet al zijn weldaden niet’ (Ps. 103,1v).
Literatuur
Skehan, Patrick W. and Di Lella, Alexander A. O.F.M. The Wisdom of Ben Sira, Anchor Bible. Vol. 39. New York: Doubleday, 1987.
Preekvoorbeeld
Als iemand ons kwaad heeft berokkend, grijpt dat ons sterk aan. We zijn enorm ontgoocheld en gekwetst, we voelen ons gekrenkt en we haten de persoon die ons dat heeft aangedaan. Maar zolang we in gekwetste gevoelens blijven ronddolen, hebben we nog niet echt een stap naar vergeving gezet. De stap naar vergeving zetten betekent immers de dader niet langer alleen maar veroordelen, maar hem opnieuw benaderen als een mens die niet alleen slechte maar ook goede kanten heeft. Daarbij kan helpen dat we niet uit het oog verliezen dat wijzelf mensen zijn die ook tot kwaad in staat zijn, en dus meer dan eens ook vergeving nodig hebben.
Dan raakt Petrus wel een heel gevoelige snaar wanneer hij aan Jezus vraagt: ‘Heer, hoe dikwijls moet ik vergeving schenken?’ (Mat. 18,21). Sommige mensen vinden het heel moeilijk iemand te vergeven. Ze vinden het zelfs een teken van zwakte. Maar dat is het hoegenaamd niet. De zwakke kan niet vergeven. Vergeving is een eigenschap van de sterke (Gandhi). Om dat duidelijk te maken vertelt Jezus het verhaal van een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden (vgl. Sir. 27,30–28,7). Daarmee wil Hij ons aan het denken zetten en onze verbeelding prikkelen. In het koninkrijk van God – de manier van samenleven waar de Liefde van God alle kansen krijgt – nemen degenen die zeggen in God te geloven het op zich om zelf ook barmhartig te zijn. Dat is de logica van heel de bijbelse boodschap. Hoe kan een mens die geen erbarmen heeft met zijn medemens, bidden om vergeving voor zijn eigen zonden? (vgl. Sir. 28,4) hoorden we daarnet in de Schriftlezing. Gods goedheid wordt zichtbaar in onze vergevende houding tegenover een ander.
Mensen zeggen dan wel eens: ‘Het is allemaal vergeten en vergeven.’ Maar vergeven betekent niet dat je ook vergéét. Als je gekwetst bent, vergeet je dat niet zomaar. Nee, vergeven is geen manier van vergeten. Integendeel, het is een speciale manier van onthouden: je voelt nog heel goed wat je werd aangedaan en je ziet het opnieuw onder ogen. En wat doe je ermee? Je laat het los, je laat ook de dader gaan en je maakt hem het leven niet zuur; maar je geeft hem een nieuwe kans. Iemand vergeven betekent immers dat je de ander die zijn fout bekent, niet pakt op zijn bekentenis. Je erkent dat de dader meer is dan wat hij misdeed. Hij wordt niet voor altijd op zijn daad vastgepind. Hij blijft een mens en een medemens. Het kwaad dat hij heeft aangericht is misschien onherroepelijk en onherstelbaar, maar daar stopt het niet. Je wilt niet dat het kwaad het laatste woord heeft.
Maar iemand vergeven is niet hetzelfde als je met iemand verzoenen. Als je denkt dat je door te vergeven je weer met de dader zult moeten verzoenen, kan het gebeuren dat je ervoor terugdeinst te vergeven. Vergeven betekent niet dat je je verzoent en dat je weer de beste vrienden wordt. Soms kan dit, soms kan dit echter niet; en heel uitzonderlijk is het zelfs niet wenselijk (bijvoorbeeld als de veiligheid van het slachtoffer in gevaar komt). Dat betekent niet dat verzoening onbelangrijk zou zijn. Ze voltooit de vergeving, maar je kan niet zeggen dat de vergeving pas echt is als er een verzoening op volgt. Hoe dan ook, elkaar vergeven, elke keer opnieuw, zeventigmaal zevenmaal, is een hele opdracht. We zijn dan wel beeld van God, maar we zijn toch ook nog altijd maar mensen.
En als ik van God vergeving verlang, word ik uitgenodigd in gebed naar mijn onmacht te kijken vanuit Gods liefdevolle blik. Het gaat niet alleen om een schuldbelijdenis, maar vooral om een geloofsbelijdenis: ik mag geloven dat Gods Liefde me vergeeft en me in staat stelt anderen te vergeven. Maar de aandacht gaat niet zozeer naar concrete daden, wel naar fundamentele levensoriëntaties. Niet langer: wat heb je mispeuterd? Hoe? Met wie? Waar? Hoeveel keer?... Centraal staat waarop je in je leven ten diepste gericht staat, zoals: ik leef mezelf en God voorbij, ik heb te weinig oog voor de ander naast mij, ik laat onrecht bestaan. Zonde wordt dan een woord om verschillende verstoorde relaties aan te duiden: mijn verhouding tot God, tot mezelf, mijn medemens en andere levende wezens. Dat laat toe aandacht te hebben voor ons bredere levensverhaal: voor wie wij als persoon zijn, en niet zozeer voor wat we al dan niet gedaan hebben; ook al blijken onze grondhoudingen natuurlijk altijd uit concrete daden. En vergeving van Godswege is dan de beweging waarin God zich telkens opnieuw naar mensen toewendt, ons bevrijdt uit onze verstarring en het mogelijk maakt dat wij nieuwe levengevende verhoudingen aangaan.
inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
preekvoorbeeld Paul Heysse
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,