Homiletische hulplijnen 121

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 0
  • Bestandsgrootte 212.38 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 16 juni 2026
  • Laatst geüpdatet 16 juni 2026

Homiletische hulplijnen 121

Homiletische hulplijnen 121

Gaza

In de Amerikaanse oorlogsretoriek speelt de Bijbel een bedenkelijke rol. Bekend is het voorbeeld van Pete Hegseth, de huidige minister van oorlog van de Verenigde Staten, die in een gebedsbijeenkomst Ezechiël 25,17 voorlas, althans dat gaf hij voor te doen. Hij las echter een fictieve versie, zoals die door Samuel L. Jackson in de film Pulp Fiction (1994) wordt uitgesproken. In de film luidt de tekst:

The path of the righteous man is beset on all sides by the inequities of the selfish and the tyranny of evil men. Blessed is he who, in the name of charity and good will, shepherds the weak through the valley of darkness, for he is truly his brother's keeper and the finder of lost children. And I will strike down upon thee with great vengeance and furious anger those who would attempt to poison and destroy my brothers. And you will know my name is the Lord when I lay my vengeance upon thee.

In werkelijkheid leest Ezechiël 25,17:

Ik zal mij meedogenloos op hen wreken, in mijn toorn zal ik hen straffen, en dan, als mijn wraak hen treft, zullen ze weten dat ik de Heer ben.

Hegseth had het citaat ook maar in handen gekregen. Hij was niet zelf in de Bijbel op zoek gegaan. Toen de aap uit de mouw kwam dat hij een niet bestaande bijbeltekst had gebeden, en uit welke bron, was hoongelach zijn loon. Zulk bijbelgebruik wordt als typerend beschouwd voor het Amerikaanse evangelicalisme.

Daar valt meer over te zeggen. Onder Amerikaanse evangelicals woedt een richtingenstrijd die zich het eenvoudigst als volgt laat uitleggen. De evangelist Billy Graham, een vooraanstaand evangelical, was de geestelijke die aan maar liefst negen presidentiële inauguraties deelnam. Die van Dwight D. Eisenhower (1953), Lyndon B. Johnson (1965), Richard Nixon (1969), Ronald Reagan (1981), George H.W. Bush (1989), Bill Clinton (1993 & 1997) en George W. Bush (2005). Hij was geen partizaan, hij leidde het gebed zowel bij Republikeinse als Democratische presidenten.
Zijn zoon Franklin Graham echter heeft alleen bij de inauguratie van Republikeinse presidenten gebeden: bij die van George W. Bush (2001) en Donald Trump (2017 & 2025). Hij is wel een partizaan en een rabiaat Trumpist.
Het Amerikaanse evangelicalisme is zich aan het hergroeperen langs deze waterscheiding die zich in de Graham-dynastie laat aanwijzen.

Daarbij hoort ook bezinning op bijbelgebruik. De media hebben zich wel smalend uitgelaten over Pete Hegseth’s Ezechiëllezing, maar hadden grondiger onderzoek kunnen doen. De betreffende Ezechiëltekst maakt deel uit van een perikoop (vv. 15-17) die zich richt tegen de Filistijnen:

Dit zegt God, de heer: De Filistijnen zijn wraakzuchtig geweest, ze hebben zich vol minachting gewroken; gedreven door een eeuwigdurende haat hebben ze verwoestingen aangericht. Daarom – zegt God, de heer – zal Ik mijn hand tegen de Filistijnen opheffen. Ik zal die Kretenzers uitroeien, en wie er van hen in de kustvlakte nog in leven is, richt Ik te gronde. Ik zal me meedogenloos op hen wreken, in mijn toorn zal Ik hen straffen, en dan, als mijn wraak hen treft, zullen ze beseffen dat Ik de heer ben.’

In fundamentalistische kringen worden de bijbelse Filistijnen en de huidige Palestijnen gemakkelijk vereenzelvigd – het gaat immers om dezelfde woordstam.
Het is schrikbarend wat bij gevolg wordt omarmd als zijnde ‘bijbelse’ profetieën. En paar voorbeelden:

Verhongering

Juich niet te vroeg, Filistijnen,
nu de stok die jullie sloeg is gebroken.
Want zoals uit een wortel een plant groeit,
zo baart de slang een adder
en die brengt een vliegende gifslang voort.
Zelfs de allerarmsten hebben genoeg te eten,
de behoeftigen vlijen zich rustig neer,
maar jullie nazaten laat Ik verhongeren
en wie er nog over is, wordt omgebracht.
Weeklaag, poorten,
steden, schreeuw het uit,
beef van angst, Filistijnen.
Want uit het noorden nadert rook,
een leger in gesloten gelederen.
(Jesaja 14,29vv)

Totale vernietiging

Want de dag is aangebroken
om alle Filistijnen uit te roeien,
om Tyrus en om Sidon te beroven
van hun laatste bondgenoot.
De heer vernietigt alle Filistijnen,
het volk dat ooit van Kreta kwam.
(Jeremia 47,4)

Rivièra van het Midden-Oosten

Gaza zal verlaten zijn, Askelon een woestenij, Asdod wordt midden op de dag ontvolkt, Ekron ontworteld. Wee jullie, bewoners van de kustvlakte, Kretenzers! De heer spreekt zich uit tegen jou, Kanaän, land van de Filistijnen! Ik zal je te gronde richten, met al je bewoners. De kustvlakte wordt grasland, met weidegrond voor herders en kooien voor schapen en geiten. Het gebied zal toevallen aan wie er van Juda overblijven. Zij zullen daar weiden en ’s avonds rusten in de huizen van Askelon, want de heer, hun God, zal naar hen omzien en hun lot ten goede keren.
(Sefanja 2,4-7)

Evangelicale heroriëntatie kan slechts dan tot een gezond krachtenveld leiden als hun leiders bereid zijn het onder hen gangbare bijbelgebruik te herzien. Zulks is niet eenvoudig. Vooroordelen en kwaadwillende identificaties moeten een voor een worden weggenomen. Er is bezinning nodig op wat als bijbelse profetieën mag gelden. Dat zijn geen voorspellingen als de Prophéties van Michel Nostradamus (1555). Profeteren is spreken in naam van de Ene: ‘zo spreekt de Heer’, en dat laat zich nooit fixeren op eenzijdige belangen of op vijandsbeelden vastleggen.

Protestanten – en zeker fundamentalistische protestanten – zijn – meer dan katholieke bijbellezers – geneigd geloof te hechten aan uiteenzettingen in de trant van ‘Wat zeg de Bijbel over…?’ Katholieken daarentegen menen: de Bijbel zegt helemaal niets! Maar door een gelovige lezing in liturgie, diaconaat en spiritualiteit kan de Bijbel tot spreken komen. Fundamentalisten zijn zich er niet van bewust dat zij na hun bijbellezing ‘dus’ zeggen. Hun lezing en de interpretatie ervan vallen samen: ‘Het staat er toch?’ Katholieken daarentegen zijn zich ervan bewust dat vruchtbaar bijbellezen slechts voort kan komen uit een attitude die zich door de lezing laat gezeggen (de hermeneutische cirkel). Marc-Alain Ouaknin zegt: ‘Interpretatie is in opstand komen tegen wat in de tekst niet ethisch is.’

Ik zoek naar een volgende bijbeltekst om in een bidstond Pete Hegseth aan te reiken. Een passage die ruimte biedt en bestaande verhoudingen ontregelt.

In het Nieuwe Testament komen geen Filistijnen voor. Gaza wel. Eénmaal volgens de Nederlandse, tweemaal volgens de Griekse concordantie.

De eerste maal is in Handelingen 8,26:

Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Ga tegen de middag naar de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza.’

Eén vers later valt nogmaals het Griekse woord gaza. Dat is uiteraard niet toevallig, gaza is een Perzisch leenwoord, het betekent: de koninklijke schat(kist):

Filippus deed wat hem gezegd werd en ging naar die weg toe. Net op dat moment was daar een Ethiopiër, een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, die belast was met het beheer van haar schatkist.

In heel het Nieuwe Testament komt het woord niet voor, behalve hier direct aansluitend aan de gelijkluidende plaatsnaam. Dat is kenmerkend voor plaatselijke legendes, ze hebben een etiologische en (volks)etymologische interesse.

In Handelingen wordt dus de etymologie van Gaza opnieuw bepaald. De naam die – in het Hebreeuws – oorspronkelijk gehoord werd als ‘versterking’, ‘vesting’, krijgt hier omwille van de uitbreiding van de reikwijdte van het evangelie een nieuwe herkomst. Gaza wordt nu afgeleid van de legendarische rijkdom van de kandake, van haar schat die wordt beheerd door deze bijbellezer, geloofsleerling en dopeling: een eunuch, een Ethiopiër – ook een minister, niet van oorlog, maar een die op de derde dinsdag van september het koffertje draagt. Onze aandacht wordt afgeleid van de militaire notie van de onneembare vesting, naar een oikonomia van rijkdom en overvloed.

De naam Gaza markeert een beslissende wending in het vroege christendom, toen het de dei-waarden begon te omarmen, die maga (Make America Great Again) recentelijk heeft uitgebannen:

diversity – diversiteit
equity – gelijkwaardigheid (eigenlijk kansengelijkheid)
inclusion – inclusiviteit

Als de heilige Paula van Rome (347-404) in 385 Gaza bezoekt, overdenkt zij bij zichzelf ‘hoe de Ethiopische eunuch als voorafschaduwing van de heidenvolkeren, “van huid was veranderd”, en bij zijn lezing van het Oude Testament de bron het Evangelie had gevonden’ (Hieronymus, Epistula 108 XI,1).

In haar bespiegelingen geeft dus vooral de huidskleur van de man haar te denken. De Ethiopiër is zwart. Desalniettemin betrekt zij hem bij de lieve christenheid, want – met een toespeling op Jeremia 13,23 – hij is ‘van huid veranderd’. Volgens Jeremia is dat onmogelijk: ‘Sal oock een Moorman sijne huyt veranderen? ofte een Luypaert sijne vlecken?’(Statenvertaling 1637 – in de kanttekeningen spreekt de Statenvertaling van een ‘Mooriaen’).
Diezelfde Statenvertaling heeft in Hooglied 1,5: ‘Ick ben swart, doch lieflick.’ Hetzelfde ‘desalniettemin’ dat Paula overpeinst. ‘Nigra sum sed formo(n)sa,’ vertaalt de Vulgaat. Zo klinkt het in de Vespro della Beata Vergine van Claudio Monteverdi: ‘Zwart, maar…’
De huidige Nieuwe Bijbelvertaling van Hooglied heeft een zelfbewust: ‘Donker ben ik, en mooi als de tenten van Kedar, als het doek van Salomo’s tenten.’ Maar ook hier weet de vrouw van achterstelling: ‘Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben, omdat de zon mij heeft gebrand’ (v. 6).

In Handelingen daarentegen speelt de huidskleur van de Ethiopiër geen rol. Kleur wordt wel gezien, denk aan ‘Simeon, die Niger werd genoemd’ (Hand. 13,1), maar maakt geen verschil. De heilige Paula daarentegen ziet hoe zwart de Ethiopiër is, maar redeneert de kleur weg: nu hij Christus volgt, is hij niet zwart meer. Met de beste bedoelingen – zij meent heel inclusief te zijn – ontkent ze hem zijn kleur: ‘hij is van huid veranderd’, hij heeft zich aangepast aan de witte norm.

Zoals gezegd, in Handelingen speelt kleur geen rol. De aandacht gaat veeleer uit naar het feit dat hij een eunuch is, een castraat. ‘Een Camerling,’ vertaalt de Statenvertaling verhullend, maar licht in de kanttekening toe: ‘dat is, gesnedene, gelijck sodanige meest voor Camerlingen by groote Princessen gebruyckt wierden’. Een kamerling bij die grote prinsessen, dat klinkt toch teveel als harembewaarder. Plutarchus schrijft in zijn Demetrius XXV,5: ‘Het was (onder koningen) gebruikelijk om eunuchen als schatbewaarders aan te stellen.’

Kan een eunuch in de gemeente worden opgenomen? Deuteronomium 23,2 is er duidelijk over: ‘Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, moet de toegang tot de gemeenschap van de heer worden ontzegd’.
De Ethiopiër echter – zo wil het verhaal – heeft zich in Jeruzalem bekend gemaakt als een niet-jood die God vereert, een ‘godvrezer’ (zie Hand. 10,2; 17,4.17; 18,7). Op de vraag wat een volgende stap voor hem zou kunnen zijn – hoe besnijd je een eunuch? zou hij proseliet kunnen worden? (Mat. 23,15; Hand. 6,5) – is hem een Jesajarol overhandigd. Daarmee reist hij nu naar huis. In de hele Hebreeuwse Bijbel is het namelijk alleen de profeet Jesaja die zich met kracht keert tegen uitsluiting van eunuchen:

De vreemdeling die zich met de heer heeft verbonden,
laat hij niet zeggen:
‘De heer zondert mij zeker af van zijn volk.’
En laat de eunuch niet zeggen:
‘Ik ben maar een dorre boom.’
Want dit zegt de heer:
De eunuch die mijn sabbat in acht neemt,
die keuzes maakt naar mijn wil,
die vasthoudt aan mijn verbond,
5hem geef Ik iets beters dan zonen en dochters:
een gedenkteken en een naam in mijn tempel
en binnen de muren van mijn stad.
Ik geef hem een eeuwige naam,
een naam die onvergankelijk is.
En de vreemdeling die zich met de heer heeft verbonden
om Hem te dienen en zijn naam lief te hebben,
om dienaar van de heer te zijn
– ieder die de sabbat in acht neemt en niet ontwijdt,
ieder die vasthoudt aan mijn verbond –,
hem breng Ik naar mijn heilige berg,
hem schenk Ik vreugde in mijn huis van gebed;
zijn offers worden op mijn altaar aanvaard.
Mijn tempel zal heten Huis van gebed voor alle volken.
(Jesaja 56,3-7)

Jesaja heeft niet in het luchtledig geprofeteerd. In de deuterocanonieke boeken klinkt in het boek Wijsheid zijn echo:

Gelukkig is de eunuch die geen zonde heeft begaan en geen kwaad heeft bedacht tegen de Heer: hij ontvangt een uitgelezen geschenk voor zijn trouw en een bijzondere plaats in de tempel van de Heer.
(Wijsheid 3,14) 

Het verhaal wil dat – tegen deze intertekstuele achtergrond – de Ethiopiër in zijn reiswagen Jesaja 53 zit te lezen. Nog drie hoofdstukken en hij is bij de passage die hem verwelkomt en toegang verleent tot – waar het boek Deuteronomium hem van wilde uitsluiten – ‘de gemeenschap van de heer’.
Filippus is hem voor, loopt langs de wagen op en wordt verzocht in te stappen. De hardop gelezen – al het lezen in de Oudheid was oplezen – passage Jesaja 53 is een van de meest geciteerde hoofdstukken in het Nieuwe Testament. Met deze schrifttekst als uitgangspunt begon Filippus met hem te spreken over het evangelie van Jezus (Hand. 8,35). Dan gaat het snel, de eunuch wil gedoopt worden: ‘Kijk, water! Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?’ (v. 36). Te snel volgens sommige handschriften, die hem eerst een geloofsbelijdenis in de mond willen leggen. Zij voegen toe: ‘Filippus zei tegen hem: “Als u gelooft met heel uw hart, is het toegestaan.” Hij antwoordde: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is’’’ (v. 37). Dan is het ook het laatste beletsel weggenomen, ‘hij liet de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch, waarna Filippus hem doopte’ (v. 38).

In deze passage – en de overlevering ervan – blijken drie hindernissen de opname van de Ethiopiër in ‘de gemeenschap van de heer’ in de weg te hebben gestaan: het feit dat hij zwart is, het feit dat hij een eunuch is, het feit dat hij de geloofsbelijdenis niet kent. In het boek Handelingen van de apostelen worden deze hindernissen met gemak genomen. Huidskleur, seksuele identiteit en confessie bepalen en beperken ‘de gemeenschap van de heer’ niet, die wordt veeleer gekenmerkt door diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusiviteit.

Het woord waar Handelingen 8 dit alles aan ophangt is gaza, rijkdom, een schatkist aan kostbaarheden, de flonkering van gouden en zilveren munten, de staatskas. Dat is nieuw, voorheen werd Gaza militair gedefinieerd als vestingstad. Heel beslist echter onttrekt het boek Handelingen de stad aan het ministerie van oorlog. Dit is de kosmopolitische stad aan de oude handelsroute, waar culturen elkaar ontmoeten en wereldreligies met elkaar in vrede leven. Zo was het nog aan het begin van de twintigste eeuw.

 

Klaas Touwen