- Versie
- Downloaden 19
- Bestandsgrootte 231.18 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 16 juni 2026
- Laatst geüpdatet 16 juni 2026
Preek 17e zondag door het jaar, A jaar, 26-7-2026
26 juli 2026
Zeventiende zondag door het jaar
Lezingen: 1 Kon. 3,5.7-12; Ps. 119; Rom. 8,28-30; Mat. 13,44-(46)52 (A-jaar)
Inleiding
Weten wat werkelijk van waarde is en daar je hele en hebben en houden op afstemmen. Zo wordt het Koninkrijk Gods zichtbaar in en voor de wereld in het handelen van mensen.
Als je erom vraagt de dingen te begrijpen,
roept om scherpzinnigheid,
ernaar zoekt als was het zilver,
ernaar speurt als naar een verborgen schat –
dan zul je ontdekken wat ontzag voor de heer is,
dan raak je met God vertrouwd.
Want het is de heer die wijsheid schenkt,
zijn woorden bieden kennis en inzicht.
(Spr. 2,3-5)
1 Koningen 3,5.7-12
Met Salomo’s troonbestijging wordt de toezegging van JHWH dat Hij een ‘huis van David’ zou bouwen, gerealiseerd (7,11v). Aan het prille begin van zijn regeerperiode vindt er een gebeurtenis plaats die Salomo’s koningschap diepgaand heeft gevormd. Daarover gaat de tekstlezing van vandaag.
Salomo heeft op de hoogte van Gibeon offers gebracht aan JHWH. ‘s Nachts verschijnt JHWH in een droom aan Salomo en zij spreken met elkaar. JHWH richt zich tot Salomo met een heel concrete uitnodiging: ‘Vraag! Wat zal Ik je geven?’ (3,5).
Salomo beantwoordt deze vraag niet meteen. Als hij begint te spreken tot JHWH blikt hij terug op de relatie tussen JHWH en zijn vader David en zijn eigen plaats in dit geheel: de zoon die aan David is geschonken door JHWH om troonopvolger te zijn. Salomo verwoordt daarop zijn zienswijze op de onderlinge verhouding tussen JHWH en hemzelf: ‘Gij…, maar ik…’ (v. 6). Salomo benadrukt dat het JHWH is die hem tot koning heeft gesteld en dat hij grote schoenen heeft te vullen: die van zijn vader die zijn hele leven trouw is geweest in zijn relatie met JHWH . Daartegenover zet Salomo zichzelf neer als jong en onervaren. Dit beeld wordt in de Hebreeuwse brontekst benadrukt door het gebruik van een pleonasme (letterlijk: naʽar qaton = klein/jong/gering kind/jongen/jongeling). In de wijze waarop Salomo zichzelf, JHWH en hun onderlinge relatie beschrijft, drukt hij zich zo uit dat hij zich bewust is van de asymmetrie in de relatie: hij is afhankelijk van JHWH. Er spreekt ook een houding van nederigheid uit.
Zijn zelfdefinitie als ‘kleine jongen’ zet Salomo niet alleen af tegen de grootsheid van JHWH, maar ook tegen de taak die op hem wacht: het gaat om het leiden van ‘Uw volk, dat Gij hebt uitgekozen’, dus niet zomaar een volk, dat bovendien ontelbaar groot in aantal is. Met andere woorden Salomo schetst een beeld van een enorme discrepantie tussen de persoon die hij op dat moment is – jong en ontoereikend gevormd – en de omvang en verantwoordelijkheid van de taak van Godswege die op zijn schouders rust.
Voortvloeiend uit deze inschatting van de situatie volgt Salomo’s antwoord op de eigenlijke vraag van JHWH: Hij vraagt om een ‘luisterend hart’. Het hart, dat wij meestal associëren met de affectieve vermogens, is in het mensbeeld van het Oude Testament de zetel van het verstand en de wil. Het gaat Salomo dus om wat wij zouden beschrijven als opmerkzaamheid en scherpzinnigheid. Salomo licht zijn intentie toe door uit te leggen waarom hij juist deze menselijke faculteit, dit verstandelijke vermogen, vraagt: het gaat hem om het vermogen goed en kwaad te onderscheiden omwille van zijn taak als koning recht te spreken. Het is Salomo’s gerichtheid op het bevorderen van recht als wezenlijke taak voor zijn koningschap, die JHWH behaagt. Het ligt in lijn met JHWH's heerschappij als ware Koning van Zijn volk Israël.
Salomo staat dus in de juiste verhouding tot JHWH én hij heeft met zijn primaire gerichtheid op rechtvaardigheid als koning zijn prioriteiten inzake het koningschap op orde. Al de andere zaken die in de ogen van mensen gelden als kenmerken voor een succesvol koningschap – naam en faam, militaire successen en rijkdom – krijgt Salomo daarom geheel gratuit bij de door hem gevraagde wijsheid. Alleen de gave van een lang leven houdt JHWH onder voorbehoud, omdat het ook aan Salomo is om van zijn kant trouw te blijven aan de verbondsrelatie met JHWH door Zijn voorschriften te bewaren.
Zo wordt meteen aan het begin van zijn koningschap de tragiek van de ogenschijnlijk geslaagde ‘Gouden Eeuw’ van het koninkrijk Israël, waarover in de volgende hoofdstukken zo lovend wordt gesproken, al even geraakt: dat de koning aan wie het gegeven was om het huis voor JHWH's naam te bouwen en waaraan in de geschiedenis zijn naam werd verbonden – ‘Tempel van Salomo’ –, dat juist deze koning uiteindelijk ontrouw wordt aan JHWH. Aan het eind van zijn leven verliest Salomo zijn belangrijkste prioriteit– zijn relatie met JHWH – uit het oog. Zijn liefde voor vrouwen uit andere volkeren mondt uiteindelijk uit in het vereren van afgoden. JHWH scheurt daarop een groot deel van het koninkrijk van het koningshuis van David af (11,1-12).
Psalm 119
In psalm 119 bezingt de psalmist jhwh’s gave van de Wet die het de mens mogelijk maakt te leven in en vanuit de verbondsrelatie met jhwh. De psalmist wenst dan ook kennis van en inzicht in de wetten, geboden en voorschriften om het handelen daar zo goed mogelijk op te kunnen richten en zo een vreugdevol leven te leiden. De waarde van de Wet is kostbaarder dan zilver en goud (vv. 72.127).
Romeinen 8,28-30
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 13, 44-(46)52
Hoofdstuk 13 vormt de middelste van de vijf grote redevoeringen van Jezus in het Matteüsevangelie. In dit hoofdstuk spreekt Jezus in gelijkenissen (parabolè = gelijkenis, parabel, in het Hebreeuws masjal) om de menigte en de leerlingen het Koninkrijk der hemelen (= ‘hemelen’ is Godsrijk) te verduidelijken aan de hand van voor hen bekende beelden en situaties uit het dagelijks leven. De tekstlezing komt uit het tweede gedeelte van het hoofdstuk, waar Jezus – in tegenstelling tot wat in het rooms-katholieke lectionarium is aangegeven – spreekt tot de leerlingen (en dus niet tot de menigte). De menigte heeft Hij al naar huis gestuurd (v. 36). Jezus legt de leerlingen in dit deel vier gelijkenissen voor: drie over het koninkrijk Gods (vv. 44.45v.47v) en één over schriftgeleerden (v. 52). Het tekstgedeelte wordt omlijst door een inclusio: schat/schatkamer (thesauroo vv. 44 en 52).
De eerste twee gelijkenissen vormen zowel qua vorm als qua inhoud een paar. In de eerste gelijkenis wordt het Koninkrijk Gods vergeleken met een schat die verborgen ligt en gevonden wordt. De vreugde is groot. In de tweede parabel over de koopman en de parel, gaat het over zoeken, onderscheiden en vinden. Het Koninkrijk Gods is kennelijk in het verborgene aanwezig en wordt zichtbaar voor wie ernaar zoekt. De kern van beide gelijkenissen ligt in de overeenkomstige reactie van de mannen: wat zij vinden is in hun ogen zo waardevol dat zij daar alles wat zij bezitten voor over hebben. Ze maken een rigoureuze keuze. Daarmee laten zij zien dat er in hun leven een nieuwe prioriteit is ontstaan, waaraan alles wat voorheen belangrijk was ondergeschikt wordt gemaakt.
In de derde gelijkenis wordt het Koninkrijk Gods vergeleken met een sleepnet – een net dat tussen twee vissersboten werd ingehangen waarmee vissers al varend alle vis bijeenbrengen en uiteindelijk insluiten. In aanvulling op de parabel zelf (masjal proper), geeft Jezus nu ook de uitleg wat het verhaal betekent (nimsjal). De parabel wil iets duidelijk maken over de eindtijd, de voltooiing van de wereld: dan volgt er een proces van onderscheiding tussen de rechtvaardigen (goede vissen) en de kwaadwilligen (slechte vissen). Alleen de eerstgenoemden zullen bewaard worden, behouden voor het Koninkrijk Gods. De gelijkenis met een sleepnet maakt duidelijk dat er sprake is van een gebeuren dat zich uitstrekt in de tijd en dat het moment van onderscheiding pas aan het eind plaatsvindt. Het Koninkrijk Gods sluit niet bij voorbaat mensen in of uit. Allen worden verzameld. Deze parabel sluit aan bij de parabel van de man die goed zaad zaaide in zijn akker eerder in het hoofdstuk (vv. 24-30. 37-43). Daarin spreekt Jezus op vergelijkbare wijze over het onderscheid en scheiding bij de voltooiing van de wereld. Daar heeft Jezus al duidelijk gemaakt wie tot de kwaadwilligen worden gerekend: diegenen die anderen ten val brengen en onrecht plegen (v. 41). De herhaling van de thematiek maakt duidelijk hoe belangrijk Jezus het vindt dat de leerlingen dit aspect van het Koninkrijk Gods begrijpen. Zij zullen immers in navolging van Jezus de zaaiers en vissers worden.
De laatste gelijkenis vormt onderdeel van de afsluiting van het leergesprek dat Jezus met zijn leerlingen heeft. Jezus specificeert hier een groep binnen een groep. Hij spreekt over schriftgeleerden – kenners van de Schriften, dat wil zeggen de Schriften van de Hebreeuwse Bijbel – die tevens geleerd hebben over het Koninkrijk der hemelen, de blijde boodschap die Jezus brengt. Deze schriftgeleerde vergelijkt Hij met een heer des huizes die de zeggenschap heeft over de voorraadkamers, de plek waar de rijkdommen van het huishouden worden bewaard. Het is de heer des huizes die bepaalt wat daarvan op welk moment wordt gebruikt. Jezus benadrukt dat zowel oud en nieuw ertoe doen. De schriftgeleerde moet zich van beide bedienen in zijn onderricht, met andere woorden niet enkel het oude, maar ook niet enkel het nieuwe. Beide zijn kostbaar en maken deel uit van de schat van de openbaring Gods.
Literatuur
Nitsche, Martin. “Salomo” in: Das wissenschaftliche Bibellexicon im Internet (www.wibilex.de), 2017.
Ottenheijm, Eric, Nikki Spoelstra en Martijn Stoutjesdijk. Parabels van wijsheid: Parabels, fabels en gelijkenissen in de wereldliteratuur. Leeuwarden: Adveniat 2024.
Weren, Wim. Matteüs: Belichting van het Bijbelboek. ’s-Hertogenbosch: Katholieke Bijbelstichting, 1994.
Preekvoorbeeld
Jezus kon goed verhalen vertellen. Hij vertelde kleine voorbeeldvertellingen, waarmee Hij de grote geheimen van Gods koningschap kon uitleggen. Elke vertelling laat weer een ander aspect zien van die alomvattende boodschap van Jezus. In het evangelie kunnen we met onze oren zijn woord beluisteren. In de eucharistie worden we uitgenodigd zijn goedheid te proeven. Met ons hart mogen we zijn nabijheid beleven.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het evangelie van vandaag biedt ons drie korte vertellingen die alle drie met dezelfde woorden beginnen: het Rijk der hemelen gelijkt op… Wat is dat Rijk, dat koninkrijk der hemelen eigenlijk? We komen dit begrip in de eerste drie evangeliën regelmatig tegen, Jezus sprak er vaak over. Wij denken bij een rijk of een koninkrijk aan een land dat een koning als staatshoofd heeft en eventueel ook door hem bestuurd wordt. Maar hier gaat het over een heel bijzonder koninkrijk, geen aardse natie. Het wordt het koninkrijk der hemelen genoemd. Dat woord hemelen is eigenlijk een versluierde manier om de naam van God aan te duiden. Je kunt dus net zo goed zeggen: koninkrijk van God. Daarbij gaat het natuurlijk niet om een land. Dat woord koninkrijk kan ook weergegeven worden met koningschap. Dan krijgt u al een beetje een beeld van wat er bedoeld is. Jezus vertelt verhalen over hoe het is als Gods koningschap geen theorie blijft, maar echt uitgeoefend wordt, echt waar wordt. God is de koning over de wereld, het heelal, over heel de schepping. Hij draagt en bestuurt alles. Er zijn in de Bijbel heel wat psalmen die het koningschap van God bezingen en de oudtestamentische profeten hebben ook onderstreept dat God de eigenlijke koning blijft, ook als er een menselijke koning over het land heerst.
Jezus vertelt dus verhalen over Gods koningschap. Hij wil zijn toehoorders gevoelig maken voor het geheim van het koninkrijk. Het is iets geheimzinnigs. Je kunt niet altijd zien dat God koning is. Daarom gaan sommige van die verhalen ook over iets dat nauwelijks zichtbaar is: een zaadje of zuurdesem in het deeg. Het is kennelijk een proces, iets dat groeit en zich onzichtbaar ontwikkelt en waar mensen dan onderdeel van zijn. God is koning, maar als zijn koningschap niet erkend wordt, als mensen Hem als koning niet zien staan, niet met Hem meewerken, dan kun je er ook aan twijfelen of Hij wel echt koning is, dan blijft het een verborgen koningschap.
Zo is het bijvoorbeeld met die schat in de akker. Iemand is als landarbeider aan het ploegen op het land van zijn baas. Hij stoot dan op iets dat begraven is, zeg maar een houten kist. Hij graaft het uit en bekijkt het en snapt wat voor een geweldige vondst hij gedaan heeft. Een kist met geld en kostbaarheden. Hij is enorm blij en opgewonden van die ontdekking. Hij begraaft hem weer en gaat dan al zijn bezit te gelde maken en misschien ook wel geld lenen hier en daar om die akker te kunnen kopen, zodat die schat dan legaal van hem is. Gods koninkrijk is als een schat die je toevallig vindt en die je dan wilt hebben en houden.
Wat kun je hiervan leren? Mensen kunnen, soms zonder dat ze er bewust naar op zoek waren, overvallen worden door een besef van Gods aanwezigheid. Je ziet. tegenwoordig ook in ons klooster, wel mensen die geen gelovige opvoeding hebben gehad, maar toch ontdekt hebben dat er een goddelijke aanwezigheid is en dat ze daar iets mee willen. Ze gaan bidden en in de Bijbel lezen en de liturgie mee beleven. En stukje bij beetje gaan ze die schat leren kennen en ontdekken ze hoe het geloof in Gods koningschap je leven verrijkt en verdiept.
De tweede vertelling lijkt er wat op. Het gaat over een koopman die parels wil inkopen. Overal is hij op zoek naar mooie parels, de een nog ronder en groter en glanzender dan de ander. Maar op een dag komt hij bij een verkoper een parel tegen zoals hij die nog nooit gezien heeft. Wat een schitterend sieraad. Die moet en zal hij hebben, maar hij is natuurlijk haast onbetaalbaar. Hij gaat er helemaal voor, verkoopt alles wat hij in voorraad heeft, om die ene parel te kunnen kopen.
Dit verhaal is toch wel wat anders dan het eerste. De man die de schat vindt stootte toevallig op de kist, maar deze koopman doet niets anders dan zoeken naar het meest waardevolle. Er zijn inderdaad mensen die actief zoeken naar de waarheid en de zin van het leven. Ze vinden allerlei mooie en goede antwoorden, maar uiteindelijk vinden ze Gods koninkrijk zelf, de allermooiste parel, dan ontdekken ze hoe prachtig het is als God het in je leven voor het zeggen heeft. Dan willen ze alles wel achterlaten, alles opgeven, om met God te leven. Er staat echter in deze parabel niet bij wat de koopman met die mooie parel wil doen. Maar als je die parel ziet als symbool voor Gods wijsheid dan is duidelijk dat wij die wijsheid in praktijk moeten brengen. Er klinkt hier iets door van koning Salomo die bidt om wijsheid om een goede koning te zijn. Wijsheid is toch de grootste gave van God. Al het andere, rijkdom, een lang leven, de dood van zijn vijanden en een vreedzaam leven, dat alles wil hij wel opgeven, als hij die wijsheid maar krijgt. God geeft hem ook nog die andere gaven. Maar het gaat hem om die ene, die parel, die grootste gift van God waardoor Salomo in zijn rijk Gods vrede en gerechtigheid kan verwezenlijken.
Dan is er nog de derde parabel over het Rijk van God. Deze is heel anders. Nu gaat het over een sleepnet dat door vissers over de bodem van de zee getrokken wordt. Daarmee verzamelen de vissers goede, eetbare vissen, maar ook allerlei vissen waar ze niets aan hebben. Als het sleepnet vol is en opgetrokken wordt zie je duidelijk hoe verschillend de inhoud is. De vissers moeten nog werken om de slechte eruit te gooien. Er wordt geschift, scheiding gemaakt. Dit is natuurlijk een verwijzing naar het laatste oordeel. Eens worden de mensen geoordeeld; God maakt onderscheid tussen de mensen die het goede gedaan hebben, en de mensen die God en hun medemensen geminacht of benadeeld hebben.
Hier staat het koninkrijk God dus opeens voor de eindtijd, als God zal komen oordelen de levenden en de doden. Dat koninkrijk is dus iets dat in de toekomst zal komen, maar dat er ook nu al is. In de toekomst zal er recht gedaan worden, zal God als koning volledig heersen, zullen de gerechtigheid en de waarheid en de goedheid zegevieren en zal er een einde komen aan onrecht en leugen en slechtheid. Maar dat koninkrijk is er niet alleen in de toekomst, het is er nu ook al, alleen op een verhulde manier, als iets waar je naar zoekt, of als iets dat niet zichtbaar is en wat je of plotseling of geleidelijk aan gaat ontdekken. Ook nu weten wij dat God heerst, maar we zien het vaak niet, Hij heerst op een verborgen manier. We mogen erop vertrouwen, het is waar, Hij houdt de wereld in de hand, maar vaak is zijn macht verborgen omdat er zoveel kwaad is dat mensen elkaar aandoen, waardoor Gods macht wordt gehinderd.
God kan eigenlijk alleen koning zijn als wij zijn koningschap erkennen, als wij zijn wil en zijn wet gehoorzamen, als wij het goede doen dat Hij van ons vraagt. Zijn koningschap wordt zichtbaar als mensen echt zijn onderdanen willen zijn. Hij wil geen koning zijn zonder zijn mensen; Hij heeft ons nodig om zijn koninkrijk waar te maken. Hij geeft ons in het verborgene zijn grote gaven, de schat en de parel, waardoor wij het goede kunnen doen. En Hij verzamelt ons aan de eindtijd, in dat sleepnet, om bij Hem thuis te komen als zijn koninkrijk volledig bloeit. De apostel Paulus vat dit heel mooi, kernachtig samen: ‘God bevordert in alles het heil van hen die Hem liefhebben om uiteindelijk gelijkvormig te worden aan zijn Zoon’ zegt hij in de tweede lezing van vandaag.
Drie kleine vertellingen, over de schat, de parel en het sleepnet, vertellen ons over het geheim van Gods koninkrijk. Mogen ook wij die schat of die parel vinden en uiteindelijk bij de Eeuwige verzameld worden.
inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
preekvoorbeeld dr. Johan te Velde OSB
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,