- Versie
- Downloaden 0
- Bestandsgrootte 218.24 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 10 april 2026
- Laatst geüpdatet 10 april 2026
Preek Hemelvaart, 14-5-2026
14 mei 2026
Hemelvaart van de Heer
Lezingen: Hand. 1,1-11; Ps. 47; Ef. 1,17-23; Mat. 28,16-20 (A-jaar)
Inleiding
Op het feest van Hemelvaart, veertig dagen na Pasen (vgl. v. 3), wordt ieder jaar, zowel in de A-, B- als C-cyclus, de lezing Handelingen 1,1-11 gelezen, de andere lezingen variëren. Het verhaal over de opname van Jezus in de hemel staat dus centraal en verdient daarom in deze inleiding het eerst de aandacht.
Handelingen 1,1-11
Het evangelie van Lucas sluit af met een kort verslag van het einde van de dag dat Jezus uit de dood werd opgewekt en zich opnieuw verenigde met zijn leerlingen. In vers 24,51 staat: 'Terwijl Hij hen zegende ging Hij van hen heen en werd Hij in de hemel opgenomen'.
Bij het begin van het boek Handelingen wordt deze scene hernomen en uitgewerkt in het verhaal dat de lezing van vandaag vormt. Deze herhaling hangt samen met het feit dat Lucas-Handelingen als een dubbelwerk geconcipieerd is. De gebeurtenis van de hemelvaart is daarbij het scharnierpunt geworden, wat het belang ervan aangeeft. Ik wijs in het volgende op enkele aspecten die dat belang accentueren.
In Handelingen 1,1 staat in het Grieks dat Lucas in zijn eerste boek (het evangelie) heeft verteld over wat Jezus begon te doen en te onderwijzen vanaf het begin tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen. In de vertalingen valt dat woordje ‘beginnen’ veelal weg, wat jammer is. Het woord ‘beginnen’ suggereert namelijk dat Jezus na zijn hemelvaart verdergaat met handelen, en dat is eigenlijk precies wat er in het boek Handelingen verteld wordt en al in het evangelie is voorbereid. Met de gave van de heilige Geest, die hier wordt aangekondigd (v. 5) en met Pinksteren daadwerkelijk plaatsvindt, zet Jezus nu in de leerlingen, in de groeiende Kerk, zijn werk voort.
Dat werpt een speciaal licht op de hemelvaart. Dat is dus geen breuk of afscheid, maar eerder een moment van besef van een nieuwe relatie. De verrijzenis is de ervaring van de voortgezette aanwezigheid van Jezus. Hij is levend onder ons, en Lucas doet alle moeite om te benadrukken dat we dat heel concreet moeten opvatten (vgl. Luc. 24,37-43 en hier v. 3). Maar er is tegelijk iets veranderd, iets anders geworden in die aanwezigheid. In het verhaal van de hemelvaart wordt dat geaccentueerd; de hemelvaart symboliseert die verandering: ‘een wolk onttrok Hem aan het gezicht.’ De leerlingen moeten wennen aan de nieuwe relatie, ze staren naar de hemel, totdat de twee mannen in het wit hen wakker schudden. ‘Hij komt terug zoals Hij is weggegaan’, zeggen ze. Omdat Hij niet echt is weggegaan, hoeven we ons ook geen zorgen te maken over zijn terugkomst.
De vraag van de leerlingen naar de komst van het Koninkrijk (v. 6) is het verlangen naar tastbaar resultaat, naar veranderingen die blijvend zijn. Dat zijn onze eeuwige, menselijke en waarschijnlijk wat ongeduldige verlangens bij alles wat we doen. Die worden bij de leerlingen ook na veertig dagen van voorbereiding niet gestild. Alleen God weet wanneer de voltooiing komt, maar wij zullen de heilige Geest, de kracht ontvangen om te doen wat we moeten doen.
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73
Matteüs 28,16-20
Aan het eind van het evangelie keert Jezus als Verrezene weer terug naar de berg in Galilea. Die plek refereert aan de berg van de Bergrede (5,1). Deze laatste woorden van Jezus aan zijn leerlingen kunnen we daarom in nauw verband zien met die uitgebreide toespraak waarmee Jezus zijn optreden begon. Die was in eerste instantie ook gericht tot de leerlingen. Als Jezus hier zegt: ‘Leer alle volken om alles te onderhouden wat Ik jullie geboden heb’, dan gaat het zeker om wat Hij die andere keer op de berg zijn leerlingen op het hart gedrukt heeft: ‘Doe wat je zegt, vervul de Wet op de speciale manier die Ik voordeed: vergeld kwaad met goed, wees bescheiden, verras met je goedheid.’
Het leggen van een direct verband tussen deze slotwoorden van het evangelie en de Bergrede haalt de verraderlijke angel uit de missionaire ijver waartoe Jezus hier oproept. Dat is namelijk een aspect dat misverstanden kan opwekken. Als je zozeer vervuld bent van het heil dat je uit te delen hebt, kan gebeuren wat meer dan eens gebeurd is in de twintig eeuwen die gevolgd zijn op deze zending van de allereerste christenen: dat het heil opgelegd wordt en daarmee verandert in onheil. Als je de volken wilt onderrichten in de geest van Jezus, onderricht je misschien nog het meest jezelf, of liever gezegd: laat je je onderrichten. De Bergrede wijst in de volle breedte op constante zelfcorrectie.
De woorden in vers 18: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde’, moeten we daarom in het licht zien van de kleine beweging die het christendom nog was op het moment dat Matteüs deze woorden schreef. Niet-christenen zullen toen bij het horen hiervan misschien gedacht hebben: wat kan de macht zijn van die gestorven man die volgens sommigen levend is? Er werd dus zeker niet de hegemonische macht bedoeld die er in later tijden vaak van gemaakt is. We moeten denken aan de macht van liefde, verzoening en vergeving, van de ene en de andere wang, van alles wat Jezus voorgeleefd heeft en waarin Hij levend aanwezig bleef bij zijn leerlingen alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.
Efeziërs 1,17-23
Wat in dit fragment uit de brief aan de Efeziërs gezegd wordt, kunnen we lezen als uitwerking van wat Jezus in Matteüs 28 wil dat de leerlingen leren aan alle volken. In het eerste deel van hoofdstuk 1 heeft de schrijver van de brief de lezers en toehoorders al een flink hart onder de riem gestoken: al van voor de grondvesting van de wereld heeft God ons in liefde uitgekozen om geheiligd en gereinigd voor Hem te staan (v. 4). Onze diepste bestemming is in liefdevolle relatie met God te leven. Christus wijst ons daarin de weg, we worden niet gegijzeld door onze beperktheid, zondigheid en mislukkingen. We zijn daarvan juist bevrijd!
Het gaat dan om dat we God zo beter leren kennen (v. 17), zijn overweldigende kracht, die zich niet aan ons opdringt, maar die er gewoon altijd is, die bij ons blijft en altijd mijn eenvoud, mijn transparantie en mijn volle menselijkheid wil.
Alle machten van de wereld zijn aan Christus onderworpen (vv. 21-22). Dat correspondeert direct met de macht waarover in Matteüs 28 werd gesproken. We weten dus dat het hier niet om grootspraak of triomfalisme gaat. In de tijd dat deze woorden geschreven werden (net als die van het evangelie van Matteüs ergens in de laatste twintig jaar van de eerste eeuw) was daar geen enkele aanleiding voor. De macht waar hier over gesproken wordt, heeft te maken met de wonderbaarlijke transformatie die mensen kunnen ondergaan wanneer ze zich gedragen weten door God en de levende Christus aanwezig weten in hun leven. Ogenschijnlijk kleine gemeenschappen kunnen zo, met Hem als hoofd, gezamenlijk de belichaming zijn van Gods macht en volheid.
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53
Psalm 47
Deze psalm is een van de koningspsalmen (net als bijvoorbeeld 2, 45, 93, 96, 97, 98, 99 en 110). Deze psalmen benadrukken de heerschappij van God en zijn gezalfde, de koning, en worden gebruikt in zowel de joodse als de christelijke traditie om de messiaanse heerschappij te verbeelden.
In Psalm 47 is God koning over alle volken en alle volken worden door Hem onderworpen aan het godsvolk. Dit koningschap zal pas aan het einde der tijden voor iedereen duidelijk zijn. Deze eschatologische lezing, die al oude, voorchristelijke papieren heeft, zet chauvinistische en nationalistische interpretaties buitenspel.
Het is op voorhand dus ook geen uitgemaakte zaak wie het godsvolk is, dat vanaf vers 4 aan het woord komt. Wij christenen kunnen aan onszelf denken, maar beseffen tegelijk dat dat gemakzuchtig en triomfalistisch is. Vruchtbaarder is het om het open te laten. God zelf nodigt ons uit om deel van het godsvolk te worden.
Het is een interessante gedachteoefening om bij het godsvolk in eerste instantie te denken aan de armen, vervolgden en uitgestotenen van deze wereld. Als zij het nu zijn bij wie, volgens vers 10, de vorsten van de volken zich aan zullen sluiten? Als de rijken en machtigen der aarde zich voegen naar de armen, dan zijn we waar we wezen moeten, in het rijk van recht en vrede, het Koninkrijk van God, waar Hij Koning is, Heer en Hoogste.
In het verband met de andere lezingen van Hemelvaart: deze psalm biedt ons een uiteindelijk perspectief. Dit vergezicht schonk de verrezen Heer aan zijn leerlingen toen Hij daar, ook weer op een berg (namelijk de Olijfberg), door een wolk aan het oog onttrokken werd.
Preekvoorbeeld
Slot van het evangelie van Matteüs
Vandaag een heel kort stukje evangelie, namelijk het slot van het evangelie van Matteüs. Een slot is toch altijd iets speciaals. Men wil daarin nog eens kort samenvatten waarover het ging en dus zich concentreren op de kern. In die tijd had men daar een speciale methode voor, de inclusio, letterlijk: insluiting. Dit wil zeggen, men verwijst nog eens naar het begin om zo de cirkel te sluiten. Daar zit ook iets logisch in. Men begint met iets te vertellen en op het einde van het verhaal laat men zien wat er ondertussen met dat begin of die beginsituatie uiteindelijk gebeurd is. Zo moeten we ook nauwkeurig deze enkele verzen van het slot van het evangelie van Matteüs lezen, met telkens aandacht voor het begin en de beginsituatie. En dan blijkt bijna ieder woord van het evangelie van vandaag belangrijk te zijn.
Galilea
In Galilea is Jezus zijn activiteiten begonnen en daar zal Hij ze als het ware ook afsluiten door zijn opdracht verder te geven aan zijn leerlingen. Voor Matteüs is de streek Galilea nog om een andere reden van bijzonder belang. Het is immers de plek van de heidenen en dat zegt hij uitdrukkelijk als Jezus begint te verkondigen. Hij citeert in dat verband de profeet Jesaja: ‘Galilea van de heidenen. Het volk dat in duisternis zit heeft een groot licht gezien, en over hen die in het land en in de schaduw van de dood zitten, over hen is een licht opgegaan’ (Mat. 4,13-17). Matteüs schrijft vooral joodse christenen die onder de heidenen leven. Dat wordt hier nog eens onderstreept. Trouwens enkele verzen verder wordt uitdrukkelijk gezegd: ‘maak alle volkeren tot mijn leerlingen.’
Op een berg
Ook dit woord doet onmiddellijk aan het begin denken, namelijk de berg die Jezus beklom om van daarop de bergrede of bergleer te verkondigen. In het begin van het evangelie lezen we: ‘Bij het zien van de menigte ging Jezus de berg op. Hij nam het woord en onderrichtte zijn leerlingen met deze toespraak’ (Mat. 5,1-2). Alleen al daardoor wordt duidelijk wat de leerlingen aan de volken moeten onderrichten, namelijk die bergleer met zijn zaligsprekingen.
Met deze bergleer is er indirect tevens een verwijzen naar de berg Sinai, waar Mozes de Tora ontvangen heeft. Matteüs heeft van begin af aan Jezus willen tekenen als een nieuwe en grotere Mozes. Op het einde van het evangelie krijgen we daarvan nog eens de bevestiging en ook de voltooiing. Als de verheerlijkte is Jezus de nieuwe en uiteindelijke Mozes, dé profeet bij uitstek die in de wereld moest komen.
Berg doet nog op een andere manier denken aan het begin, namelijk aan het bekoringsverhaal waar Satan vanop een berg Jezus alle koninkrijken laat zien en Hem dus alle macht beloofd. Jezus weigert uitdrukkelijk die macht. Dat feit is hier ook belangrijk omdat het verduidelijkt wat Jezus bedoelt met de woorden: ‘Mij is alle macht gegeven…’ Het gaat duidelijk niet om politieke, economische of wereldse macht. Het gaat alleen maar om de ‘kracht’ van Gods woord. Dat heeft zich nu kwetsbaar getoond in deze wereld. Jezus is omwille van dat ‘woord’ veracht, gekruisigd en gedood. Dat zal dus ook gelden voor zijn leerlingen die zijn leer verder zullen verkondigen. Zij zullen ook weerstand en vervolging ondervinden. Maar toch zal Gods Woord uiteindelijk het laatste woord hebben. Dat is de betekenis dat Hij zit aan de rechterhand van de Vader en allen zal oordelen. Zijn leer en leven zijn uiteindelijk dit laatste oordeel, dat is het criterium van waarheid en leugen, van boosheid en goedheid. Maar dit criterium is nu nog altijd broos en kwetsbaar in onze geschiedenis.
Dat Jezus het laatste woord zal spreken, was voor de eerste christenen een hoop gevende boodschap. Hier stond niet zozeer de angst voorop maar wel de hoop. Hij zal terugkomen om de waarheid aan het licht te brengen, om hen zo in hun recht en waardigheid te stellen tegen alle leugen en bedrog van deze wereld in. Matteüs schrijft voor een vervolgde gemeenschap, die standhield in de waarheid en verwachtte in die waarheid, in Gods waarheid bevestigd te worden. Dat is de diepe dynamiek achter de gelovige uitdrukking, die we formuleren in onze geloofsbelijdenis: ‘Hij zit aan de rechterhand van God, zijn almachtige Vader; vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.’
De leerlingen vielen op de knieën
Doorheen heel het evangelie van Matteüs zie je hoe de leerlingen voortdurend worstelen met de vraag: wie is die Jezus van Nazaret nu eigenlijk. Dat is de kernvraag, die heel evangelie draagt. Zo heb je eerst de belijdenis van Petrus: ‘je bent de Christus’ en onmiddellijk nadien blijkt hij er niets van begrepen te hebben en moet Jezus hem verwijten: ‘Ga weg, satan.’ En op het einde verloochent Petrus Jezus driemaal. In deze uitdrukking: ‘ze vielen op de knieën’ moet je dus het einde horen van een moeizaam leerproces van de leerlingen: ‘Al twijfelden enkelen.’ Wellicht wil Matteüs daarmee duidelijk maken dat dat altijd een moeizaam leerproces voor hen zal blijven. En dus ook voor ons, christenen van deze tijd.
Maak alle volkeren tot leerlingen en doop hen
Eerst en vooral staat er ‘alle volkeren’. Matteüs schrijft joodse christenen die onder de heidenen wonen. Alle volkeren zijn geroepen door God in Christus. De leerlingen krijgen in lijn daarvan de opdracht al de volkeren te verzamelen. Ook mag je hier een verwijzing in zien naar het begin zelf van de Bijbel, namelijk naar de uitverkiezing van Abraham. In Abraham zijn alle volkeren uitverkozen. Zo is de hele grote cirkel rond. Wij zijn dus opgenomen in een groots avontuur van God met de mensen. Paulus zal dat laatste vooral ontwikkelen in zijn verkondiging aan de volkeren.
Bij ‘leerlingen maken’ komt iets bij: ‘doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest’. Ook hier weer een verwijzing naar het begin van het evangelie van Matteüs, namelijk de doop van Jezus in de Jordaan. Na de doop steeg Jezus op uit het water en zie, daar opende zich de hemel voor Hem en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Hem neerkomen. Er kwam een stem uit de hemel, die zei: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’ Christen worden is niet zomaar een leer aanhangen en zich aan regels houden. Het is opgenomen worden in het mysterie van God zelf en zelf in zekere zin Gods zoon worden en bezield worden door Gods Geest. Het is verankerd en geborgen zijn in God.
Ik ben met jullie
Hier weer een verwijzing naar het begin van het evangelie, namelijk waar de engel voor Jozef de profeet Jesaja citeert: ‘Zie de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en ze zullen Hem de naam Immanuël geven, wat betekent: ‘God met ons.’ Dat is Jezus geweest: Gods gelaat in onze mensengeschiedenis. Maar na zijn dood zal Jezus dat op een andere manier verwezenlijken. Hij zal zijn Geest zenden. Zo verwijst dit feest al direct naar het feest van Pinksteren.
Ook hier kunnen we nog verder teruggaan, naar het begin van het Hebreeuwse volk, waar God zelf aan Mozes zijn naam openbaart: ‘Ik ben er voor u.’ Dit heeft God uiteindelijk en ten volle verwezenlijkt in Jezus van Nazaret. En dat zal Hij blijven doen, maar nu in die Jezus, gezeten aan Gods rechterhand.
inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld André Jansen OFM
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,