Preek 2e zondag veertigdagentijd, A jaar, 1-3-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 16
  • Bestandsgrootte 184.14 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 februari 2026
  • Laatst geüpdatet 2 februari 2026

Preek 2e zondag veertigdagentijd, A jaar, 1-3-2026

1 maart 2026
Tweede zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Gen. 12,1-4a; Ps. 33; 2 Tim. 1,8b-10; Mat. 17,1-9 (A-jaar)

Inleiding

Profetenlezing: Genesis 12,1-4a

Abraham is de aartsvader van een menigte volken,
er kleeft geen smet aan zijn roem.
Hij hield zich aan de Tora van de Allerhoogste
en had met Hem een verbond.
Dat verbond heeft hij in zijn lichaam gesneden,
en toen hij werd beproefd, bleek zijn trouw.
Daarom heeft de Heer hem onder ede beloofd
dat in zijn nageslacht de volken gezegend zouden zijn.
(Sirach 44,19-21a)

Kort en bondig vat Jezus Sirach het leven van Abraham en zijn roeping samen.

Terach, de vader van Abram, Nachor en Haran, verlaat Ur, de stad van de Chaldeeën.
Hij gaat samen met zijn familie naar Kanaän. In Charan aangekomen blijft hij daar tot zijn dood wonen (Gen. 11,27-31).
JHWH roept Abraham en Sara:

  • trek weg uit je land;
  • verlaat je familie en je naaste verwanten;
  • en ga naar het land dat ik je zal wijzen.

Abraham en Sara geven gehoor aan het woord van JHWH en gaan op weg naar Kanaän
(12,4v). Zij wagen het (op hoge leeftijd) met de roepstem van God. Alles loslaten, met God wandelen en een zegen zijn voor alle volken op aarde. JHWH zal hen tot een groot en befaamd volk maken en hen zegenen. Het getuigt van veel lef van hen om met God dit avontuur aan te gaan.
Sinds de roeping van Abraham en van Sara, is dit de opdracht van het volk van God. Het met God wagen en op weg gaan en een zegen te zijn voor de andere mensen. Met andere woorden: de wereld te humaniseren en tot een huis van vrede te maken voor naaste en vreemdeling.

Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd,
gehoorzaam op weg naar een plaats die hij als erfenis zou ontvangen,
en hij ging op weg zonder te weten waarheen
Door zijn geloof trok hij naar het land toe
dat hem beloofd was maar hem nog niet toebehoorde.
(Hebreeën 11,8v)

Lezing uit de brieven: 2 Timoteüs 1,8b-10
Zie A.B. Merz, ‘2 Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91

Evangelie-lezing: Matteüs 17,1-9
Nadat Jezus zijn leerlingen opnieuw geroepen heeft (16,14-28), neemt Hij Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op. De evangelist beschrijft Jezus als een nieuwe Mozes. Is de hoge berg de berg van de tien woorden, waar JHWH zich bekend maakt door van zich ter laten horen?
Alleen met de drie leerlingen verandert Jezus van gedaante, Hij ondergaat een metamorfose. Zijn gezicht straalt als de zon (vgl. Mozes, Ex. 34,35; Dan. 10,6). Mozes (de Tora) en de profeet Elia (de profeten) zijn met Jezus in gesprek. Houden zij een Leerhuis? Petrus ervaart deze glanzende bijeenkomst als goed. Hij wil deze ontmoeting vasthouden. Hij stelt aan Jezus voor om drie tenten op te zetten (is het Loofhuttenfeest?). Voordat Jezus Petrus kan antwoorden, gaat de hemel open: een stralende wolk daalt over hen heen en er klinkt een stem (van God?): ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’
Door de stem uit de hemel worden de leerlingen door angst bevangen en werpen zij zich ter aarde. Jezus komt naar hen toe, raakt hen aan en zegt: ‘Sta op, wees niet bang!’ Als zij weer tot zichzelf komen zien zij alleen Jezus nog.

Onderweg naar zijn dood en opstanding, geeft Jezus aan drie van zijn leerlingen een doorkijkje naar het einde van de weg die Hij naar de wil van de Vader gaat. Zij mogen er pas met anderen over spreken als de Mensenzoon (door God) uit de dood is opgewekt.

Uit Oer is hij getogen,
aartsvader Abraham,
om voortaan te geloven
in ’t land van Kanaän,
om voortaan als een blinde
te zien een donker licht,
om voortaan helderziend
te zijn op God gericht.
(Willem Barnard, Liedboek 803: 1)

 

Preekvoorbeeld

Abraham trekt in de eerste lezing samen met vrouw Sara en neef Lot weg uit z’n land en weg van zijn familie. Zij doen me onmiddellijk denken aan de miljoenen mensen die gedurende de hele geschiedenis en ook nu wegtrekken uit hun land, op zoek naar een betere toekomst. Abraham, Sara en Lot zijn migranten. We weten niet precies wat het was dat hen op weg deed gaan. Hadden ze het niet goed in Haran, de stad waar ze tot dan toe woonden? Het zou kunnen. Ze hoopten in elk geval dat het in Kanaän beter zou zijn.
We horen in het verhaal dat het God zelf was die Abraham riep en uitnodigde om op weg te gaan. ‘Ginds zul je zegen ontmoeten, is er toekomst voor jou en de jouwen en vooral, Ik zal bij jullie zijn.’ Alle migranten van alle tijden en van alle continenten gaan op weg met dezelfde hoop en verwachting als Abraham. Ze mogen zich in hun waagstuk gesteund voelen door dezelfde God.

Migranten en asielzoekers vormen al vele jarenlang het centrum van eindeloos veel politieke discussies en zijn binnen de samenleving een bron van tegenstellingen die eerder scherper dan milder worden. Verkiezingen worden gewonnen en verloren op dit thema. Tegenover de migranten die op zoek zijn naar een betere toekomst staan in een land de mensen die er al eerder waren en van wie gevraagd wordt ruimte te maken voor wie nieuw binnenkomen. Dat kan lastig zijn, want het vraagt misschien offers, en het vraagt zeker aanpassing aan andere culturen die opeens dichtbij zijn in plaats van alleen ver weg. En dat in tijden dat er toch al zoveel verandert en onzeker is. Je zou kunnen zeggen dat de grootschalige migratie zoals we die nu kennen van iedereen vraagt zich te verplaatsen en te veranderen. Willen we dat?

We zitten in de Veertigdagentijd, tijd van voorbereiding en bezinning op Pasen. Samen met Jezus en drie van zijn leerlingen bevinden we ons in de evangelielezing van vandaag op een hoge berg en worden we uitgenodigd na te denken over de koers die we met ons leven gaan. Jezus staat op een kruispunt. Tot nu toe waren er veel mensen enthousiast geworden over zijn optreden en over zijn boodschap. Maar in toenemende mate begon Hij tegenstand te krijgen, van farizeeën en andere schriftgeleerden en van de religieuze autoriteiten in Jeruzalem. Hij weet dat zijn leven voortijdig kan aflopen en Hij begint er met zijn leerlingen over te spreken.

Nu heeft Jezus zich even teruggetrokken, samen met zijn drie meest vertrouwde leerlingen. Het verhaal vertelt dat Hij van gedaante verandert, gaat stralen als de zon. Dan heeft Hij een ontmoeting met Mozes en Elia. De leerlingen raken diep onder de indruk. Het is alsof alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft bevestigd wordt door God zelf. Te midden van toenemende onzekerheid is er houvast te vinden: Mozes en Elia, die de Wet en de Profeten vertegenwoordigen, bieden oriëntatie. God zelf laat zich horen, er klinkt een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’

Al deze bevestiging neemt niet weg dat ze weer in beweging moet komen. Petrus zou wel op de berg willen blijven, hij stelt al voor om drie tenten te bouwen. Maar als de leerlingen die stem horen die besluit met te zeggen: ‘Luister naar Hem’, bevangt hen grote schrik. Ze weten dat Jezus niet iemand is die stil blijft staan. Hij had al met hen gesproken over de mogelijke afloop van zijn missie: Hij wilde het lijden niet uit de weg gaan en het kruis opnemen als dat nodig was. Moesten ze naar Hem luisteren, moesten ze Hem navolgen op zijn weg? Zouden ze dat aandurven?

Maar dan, staat er, als ze de schrik flink te pakken hebben, komt Jezus naar hen toe en raakt hen aan. ‘Sta op en wees niet bang,’ zegt Hij, ‘wees niet bang om in beweging te komen, vertrouw erop dat Ik bij jullie ben. Vertrouw erop dat jullie in een lange traditie staan, die al begint bij Abraham en Sara, bij Mozes en Elia, die via Mij loopt en die verdergaat de toekomst in. Er gebeuren onverwachte dingen, want zo is het leven. Er kruisen mensen onze weg die we nog niet kenden. We kunnen het er echter op wagen.’

De leerlingen dalen met Jezus de berg af. Wat ze meegemaakt hebben schreeuwen ze niet van de daken, dat houden ze bij zich, bewaren ze in hun hart. Zo dalen wij straks ook van de berg af, betreden wij weer ons dagelijks leven. Wat God ons vandaag gezegd heeft, mogen wij ook bij ons houden en mogen we verder laten groeien, daar is het Veertigdagentijd voor. Dat we ons daarbij beschermd en beschut weten, uitgenodigd en uitgedaagd, geïnspireerd en wakker geschud.

 

inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post