- Versie
- Downloaden 1
- Bestandsgrootte 138.41 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 1 augustus 2025
- Laatst geüpdatet 1 augustus 2025
Homiletische hulplijnen 116
Homiletische hulplijnen 116
Hoop
In het kielzog van Nirwana (2023), de laatste grote roman van Tommy Wieringa, verschenen twee kleinere werken: Konvooi. Reizen naar een land in oorlog (2024) en het essay Optimisme zonder hoop in opdracht van Stichting Maand van de filosofie (2025).
Konvooi en Nirwana hebben een gemeenschappelijk verleden. Ze grijpen met verbijstering terug op ondermeer De SS’ers van Armando en Hans Sleutelaar (1967). Optimisme zonder hoop en Nirwana hebben een gemeenschappelijke toekomst, die er niet is! ‘De angst die me met stomheid slaat is die over de toekomst waarin mijn dochters het grootste deel van hun leven zullen moeten doorbrengen, als ik allang dood en begraven ben. Het onbewoonbare land dat wij voor ze achterlaten’ (13).
Wieringa droeg Optimisme zonder hoop op aan zijn dochters, onderstreept met een motto ontleend aan de dichter Leonard Nolens: ‘Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen’. Wieringa’s dochters figureren ook in Nirwana: ‘twee blonde meisjes met linten in het haar’ (156). En ergens in het tweede deel laat Wieringa een zin te water als flessenpost op volle zee, in de hoop dat Hazel en Zoë hem eens zullen lezen en weten dat hij op hen doelde: ‘Dochters zijn een geschenk uit de hemel’ (269). Maar wat als het geen lezers zijn? Of snel afgeleid en ze komen niet zover? Zal die zin hen ooit bereiken?
Wieringa heeft in Optimisme zonder hoop de hoop afgeschreven. Zijn belangrijkste motief: ‘Wie de hoop opgeeft, geeft ook de hopeloosheid op.’ ‘Waar de hoop in het licht van de crisis van milieu en klimaat verzuimde een duurzaam activerend principe te zijn, is het optimisme zonder hoop een blijvende stuwende kracht die je in staat stelt de goede dingen te blijven doen zonder dat er een onmiddellijke beloning op volgt’ (84).
Hij gaat in op de hoop die Václav Havel door zijn gevangenschappen sleepte, maar laat die varen. ‘Hoop bewijst zijn waarde in het voorbijgaande, in levenssituaties met een mogelijk eindige duur, zoals een gevangenschap, een oorlog of een ziekte – maar waar niet langer een positieve verwachting bestaat en de toekomst zelf een ongeneeslijke zieke is, schrompelt hij tot iets onbruikbaars ineen’ (79).
Het verschil met Havel is, dat die nog toekomst voorhanden ziet. Onderzoeksbureau Ipsos registreert echter een steeds groter verlies van toekomst, 75 procent van de respondenten ziet er door de klimaatcatastrofe geen been meer in. Het verschil is: we hebben altijd crises gehad die het zicht op de toekomst wegnamen: oorlogen, pandemieën, financiële crises, maar een toekomst die zelf de crisis is, dat is nieuw.
Wieringa wendt zich dus tot het optimisme dat hij bij Voltaire vond: Candide, ou l’optimisme (1759). Niet het wijsgerige optimisme dat de wereld beschouwt als het beste van alle mogelijke werelden (Leibniz), ‘maar een optimisme van het temperament, dat zich ziende blind houdt en me in staat stelt te handelen zonder de verwachting dat het beter wordt. Of slechter. Of welke verwachting dan ook. Het is heel krachtig omdat het onafhankelijk is van het verlangen; het beeldt zich geen toekomst en geen betere wereld in, het is alleen maar een tevreden knecht van het onmiddellijke heden’ (83).
Wieringa is zich ervan bewust dat hij met zijn definities de hoop tekort doet. De hoop is niet alleen passief, maar zet ook tot handelen aan. Hij citeert Bloch: ‘Het werk van deze emotie vereist mensen die zich actief storten op wat aan het worden is, waartoe ze zelf behoren’, maar even later valt Wieringa weer terug in zijn eigen systematisering. ‘Schematisch gesproken vormt hoop de verwachting en optimisme de handeling – maar wordt deze Siamese tweeling van elkaar gescheiden, dan heeft de handeling een grotere levenskans dan de verwachting’ (83).
‘Wat kan ik mijn dochters zeggen. Misschien dit. Wat te hopen vervangen door wat te doen. We moeten onze tuin onderhouden, zegt Candide monter aan het eind van zijn ongelukkige avonturen. “Plant een boom, dat is voldoende,” schreef ik lang geleden aan een kleuter op een basisschool wiens ballonkaart ik in een weiland gevonden had, “hang daarin al je goede herinneringen voor wanneer je bang bent in het donker.” Een kwarteeuw later is dat het meest fundamentele wat ik kan verzinnen om een snipper toekomst te verdedigen: bomen planten. Voor mijn dochters en al het nog ongeborene dat popelt om deze aarde te bevolken’ (85).
(De brief aan de kleuter met het advies om een boom te planten en nog een hele bladzijde aanwijzingen en raadgevingen meer, is te vinden in het verhaal ‘Ballon’ in: Ga niet naar zee (2010), blz. 34v).
Ook van Luther wordt verteld dat hij gezegd zou hebben: ‘Als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, dan zou ik vandaag een appelboompje planten…’ Het is echter een citaat dat nergens in Luthers omvangrijke oeuvre voorkomt. De oudste vermelding dateert van 5 oktober 1944: in een brief van Karl Lotz, predikant van de Bekennende Kirche, die zijn collega’s een hart onder de riem steekt in hun verzet tegen het nationaalsocialisme.
Wat Wieringa afschrijft is de verwachting van een Deus ex machina, een passieve hoop die zich geruststelt omdat de prognoses meevallen of de verwachtingen gunstig zijn. Hij heeft een ander woord nodig om tot handelen te komen: optimisme. Dat woord was echter ook besmet, maar Voltaire heeft het op Leibniz teruggevorderd.
In plaats van het optimisme te omarmen, met de klank van een zonnige natuur, keer ik liever terug naar de actieve hoop als een kracht die een heel volk in beweging kan zetten en blijf Václav Havel citeren: ‘Hoop is een kwaliteit van de ziel en hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt. Hoop is niet voorspellen of vooruitzien. Het is een gerichtheid van de geest, een gerichtheid van het hart, verankerd voorbij de horizon. Hoop in deze diepe en krachtige betekenis is niet hetzelfde als vreugde omdat alles goed gaat, of bereidheid je in te zetten voor wat succes heeft. Hoop is ergens voor werken omdat het goed is, niet omdat het kans van slagen heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme; evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen. Het is de zekerheid dat iets zinvol is onafhankelijk van de afloop, onafhankelijk van het resultaat.’
drs. Klaas Touwen