- Versie
- Downloaden 2
- Bestandsgrootte 175.61 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 1 augustus 2025
- Laatst geüpdatet 1 augustus 2025
Preek 27e zondag dhj, C jaar, 5-10-2025
5 oktober 2025
Zevenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Hab. 1,2-3 en 2,2-4; Ps. 95; 2 Tim. 1,6-8.13-14; Luc. 17,5-10 (C-jaar)
Inleiding
Profeten-lezing: Habakuk 1,2-3; 2,2-4
Dan zijn er de twaalf profeten:
mogen hun beenderen in hun graf weer opbloeien.
Want ze hebben Jakob moed gegeven
en het volk door hoop en vertrouwen gered.
(Sirach 49,10)
Habakuk is één van de twaalf kleine profeten. Van hem is weinig bekend. Hij treedt in Juda omstreeks 600 voor de gewone jaartelling op. Juda wordt overheerst door de Chaldeeën; de Babylonieërs onderdrukken de mensen van Juda. Maar de profeet constateert ook dat de mensen van Juda niet naar de Tora luisteren en ongerechtigheid plegen.
Daarom roept Habakuk tot de Barmhartige om hulp. Het lijkt erop dat de profeet bij JHWH geen gehoor vindt. Daarom heft hij een klaaglied aan.
In een klaaglied kunnen we drie elementen onderscheiden: aanroeping van JHWH, klacht en smeekbede om redding. In Habakuk 1 en 2 heeft het klaaglied de vorm van een dialoog tussen Habakuk en JHWH. waarin deze drie delen verweven zijn.
Voor ‘rechtsverkrachting’ gebruikt de profeet verschillende woorden: onder andere ‘geweld’ en ‘arglist.’ De mensen die de Tora verkrachten en het recht verdraaien verdringen de rechtvaardigen: ‘deze wereld omgekeerd’! JHWH gebruikt de Chaldeeën om de ogen van de mensen in Juda te openen zodat zij omkeren en weer de weg van de Tora gaan (1,5-11).
Habakuk betrekt zijn post als wachter op het bolwerk: ‘kijkt uit wat het antwoord is van de Barmhartige’. Hij moet het visioen duidelijk op platen griffen, zodat het in een oogopslag goed te lezen is. Het visioen laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw’ (2,4; Rom 1,17). De verdrukker zal omkomen, het trouwe Juda zal leven. Emunah (2,4) is een geladen woord: vastheid, stevigheid, trouw van mensen onderling en trouw aan God. Met volharding wacht de getrouwe op de vervulling van het woord van God.
De profeet Habakuk verkondigt ook een blijde boodschap (3,17-19):
Al zal geen wijnstok dragen,
geen vijgeboom zijn vrucht,
al ligt het veld te klagen
onder een lege lucht,
God doet zijn hand toch open,
zijn lof krijgt stem in mij.
Daar ik op Hem mag hopen,
ben ik alleen maar blij.’
[Liedboek 448,4]
Lezing uit de brieven: 2 Timoteüs 1,6-14
Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.
Evangelie-lezing: Lucas 17,5-10
In devoorafgaande perikoop maakt Abraham duidelijk hoe belangrijk het is als het gaat over dood en leven, om naar Mozes en de Profeten te luisteren (16,19-31). Aan de hand van Mozes en de Profeten (de Bijbel van Jezus) duidt Jezus zijn leven, in al zijn kleuren. Hij benadrukt ook de zusterlijke verantwoordelijkheid voor elkaar. In goede en in kwade dagen heb je voor elkaar in te staan. Als leden van de gemeente, het lichaam van Jezus Christus, waarvan Jezus het hoofd is. Wanneer een zuster of broeder zondigt (door niet trouw te zijn aan elkaar en aan God) dien je haar of hem ernstig toe te spreken. Wanneer hij of zij berouw heeft en zich bekeert, dien je haar of hem te vergeven, zelfs tot zevenmaal toe op een dag (zusterlijke vermaning/correctio fraterna – Luc. 17,3v). Op deze woorden van Jezus, reageren de apostelen met de vraag om meer geloof/trouw. Blijkbaar kun je alleen door een groot geloof je zusterlijk barmhartig gedragen tegenover elkaar. Geloof zo groot als een mosterdzaadje is volgens Jezus echter genoeg.
Wanneer je doet wat je is opgedragen (door Tora en de Profeten, God, Jezus) zeg dan: ‘wij zijn maar eenvoudige knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan’.
Lieve Heer, Gij zegt kom en ik kom,
want mijn leven is onder de macht gesteld
van de Heer die mijn dagen en nachten telt
en de Heer zegt kom en ik kom.
[Liedboek 51]
Literatuur
Amy-Jill Levine & Marc Zvi Brettler, Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, Haarlem/ Antwerpen 2024.
Preekvoorbeeld
Jezus heeft het in zijn gelijkenis over een slaaf. We moeten het dus over slavernij hebben, over rechten en plichten, en over hoe de Heer met ons omgaat. ‘Als iemand van jullie een slaaf zou hebben.’
Relaties tussen mensen worden in geld uitgedrukt. Wij doen heel naïef alsof dat verwerpelijk is, maar ondertussen bouwen ook wij krediet op bij de een, bij wie we een potje kunnen breken, terwijl een ander schuld heeft aan wat ooit is misgegaan, en je draagt het hem of haar nog altijd na en kunt hem/haar niet vergeven.
Daarbij denken we wel niet meteen aan geld, maar onze taal is er wel naar: schuld, vergeving = kwijtschelding, krediet. Dat laatste is een mooi voorbeeld. Krediet opbouwen betekent: aanzien, geloofwaardigheid, invloed, vertrouwen opbouwen, maar ook: een afbetalingsregeling, een hypotheek, een lening. Relaties kunnen in geld en macht worden uitgedrukt.
‘Als iemand van jullie een slaaf zou hebben…’ Zo heb ik het wel gelezen, maar de Nieuwe Bijbelvertaling heeft die ‘slaaf’ wegvertaald en er ‘knecht’ van gemaakt, en in het tegenwoordige taalgebruik is die knecht ook al nergens meer te vinden, maar is een medewerker geworden.
De Nieuwe Bijbelvertaling heeft dat gedaan omdat het woord ‘slaaf’ (zo de NBG-vertaling 1951 en de nieuwe Willibrord) niet zo gemakkelijk postvat in het gedachtegoed van hedendaagse mensen. Slavernij behoort niet tot onze belevingswereld. Met het wegvertalen van het woord slaaf kijken we weg van vrouwenhandel, gedwongen prostitutie, dwangarbeid.
Heden ten dage worden wereldwijd 45.000.000 slaven gehouden, voor meer dan de helft in India, Pakistan, China, Bangladesh en Oezbekistan. De definitie van slavernij: ‘dat een persoon onder de controle staat van een ander persoon die geweld en dwang toepast om die controle in stand te houden, en als het doel van die controle uitbuiting is.’
Alleen al de omvang van kinderslavernij wordt wereldwijd geschat op 10 miljoen kinderen die werken als kindsoldaten, als slaaf in de steengroeven, in de tapijtindustrie in India, op cacaoplantages in Ivoorkust, de restavecs op Haïti, de kinderprostitutie, vooral in Zuidoost-Azië.
Jezus zegt: ‘Als iemand van jullie een slaaf zou hebben…’ Wij moeten de confrontatie met die gedachte aangaan; dat jij ongehinderd kunt beschikken over een ander, die doet wat jij zegt.
Als iemand van jullie een slaaf zou hebben, die ploegt of de kudden weidt, dan zal hij, die iemand van jullie, wanneer die thuiskomt van het land, toch niet tegen hem zeggen: “Ga maar meteen aan tafel”?
Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak iets te eten voor me klaar, doe je gordel om en bedien me terwijl ik eet en drink, en daarna kun je zelf eten en drinken”?
Hij bedankt de slaaf toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen?
En dan de perspectiefwisseling, de omkering. Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: ‘Wij zijn maar slaven, we hebben enkel onze plicht gedaan.’
Dus niet meer: stel, dat iemand van jullie slaven houdt, nee, jullie moeten zeggen: ‘Wíj zijn maar slaven, we hebben enkel onze plicht gedaan.’
‘Enkel onze plicht’, dat wil zeggen: er is iemand anders die recht op ons kan laten gelden. Hij is onze Heer, Hij heeft het over ons voor het zeggen, Hij heeft dat recht, wij zijn aan Hem verplicht.
Dit alles staat in de context van dat iemand je iets misdaan heeft. En het is je plicht – om Christus wil – hem of haar te vergeven.
Maar Hij zegt er wel iets bij: als diegene berouw toont. Dat is een voorwaarde. ‘Ik heb berouw’. Erkenning, spijt, berouw, inzicht – ja, dat is belangrijk, voor dader én slachtoffer. Dan komt er ruimte.
Christus zegt: dán is het je plicht. Niet als alles ontkend wordt, geloochend, je haalt je maar wat in je hoofd. Niet als je onder druk gezet wordt, gemanipuleerd met straf en beloning, niet als ze met bijbelteksten om je oren slingeren, niet als ‘vergeving’ je als algemene christelijke idee wordt opgelegd.
Maar in geval van berouw, ja, want dan kun jij verder en dan moet die ander ook verder kunnen. Dat is dan aan jou, als een daad van in vrijheidstelling, waarmee je vooral jezelf in vrijheid stelt: ik draag het je niet langer na.
Daar ben je soms wel mee bezig, met iets een ander nadragen, je loopt maar te zeulen, je tilt er zwaar aan, je blijft ermee bezig, het leidt tot niets.
Vergeving? Ik breng het niet op. Maar ik draag het je niet langer na. Ik houd ermee op. Ik loop er niet langer mee te slepen. Vooral ikzelf heb daar veel belang bij, want ik ben er moe van.
Ik draag het je niet langer na. En jij op jouw beurt, het ga je goed, je bent ook maar een mens.
Met die schuldvergeving, sta je voor de verleiding je macht te doen gelden, de ander door het stof te laten kruipen. Machtsfantasieën spelen op, je zou er een heel theater van kunnen maken, maar Jezus houdt je bij de les: ga jezelf niet te buiten.
Hij waarschuwt je voor te grote gebaren, houd het bij jezelf en zeg: ik heb slechts mijn plicht gedaan.
Wat is het, je vijand lief te hebben? Misschien wel dit, dat je hem blijft bejegenen als medemens, in de hoop dat hij het wórdt.
Rabbi Abbahoe (begin vierde eeuw) zegt: ‘Een dag met regen is groter dan de dag van de opstanding. Want de dag van de opstanding komt alleen de vromen ten goede, maar een dag van regen is zonder onderscheid goed voor vromen en zondaren.’ Ik wens u nog een regenachtige zondag.
inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen