- Versie
- Downloaden 2
- Bestandsgrootte 174.93 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 1 augustus 2025
- Laatst geüpdatet 1 augustus 2025
Preek Kruisverheffing, 14-9-2025
14 september 2025
Kruisverheffing
Lezingen: Num. 21,4-9; Ps. 78; Fil. 2,6-11; Joh. 3,13-17 (C-jaar)
Inleiding
Numeri 21,4-9
De Israëlieten vertrekken vanaf de berg Hor, waar later Aäron begraven zou worden, naar de Rode Zee. Zij moeten om het land Edom heen reizen. De tocht is zwaar en niet eenvoudig. De moeilijke levensomstandigheden tijdens de woestijntocht doen het geloof en het vertrouwen van het volk wankelen. Ze worden ongeduldig en beginnen tegen God en tegen Mozes te klagen. Deze uiting van ongenoegen is het laatste van de klaagverhalen in het boek Numeri. Hierbij valt op dat het volk rechtstreeks tegen God klaagt, en niet – zoals dat meestal het geval is – tegen Mozes en/of Aäron.
‘Maak zo’n vuurspuwer en zet die op een paal’, zegt God tegen Mozes, ‘iedereen die gebeten is en ernaar opziet, zal in leven blijven.’ God stuurt ‘giftige’ – beter: ‘vurige’ – slangen als oordeel over het volk, die velen van hen bijten en doden. De Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden. betekenen letterlijk ‘vurige slangen’, waarschijnlijk verwijzend naar het brandende gevoel van een slangenbeet op de menselijke huid.
Het volk komt naar Mozes en belijdt: ‘Wij hebben gezondigd’, en ze vragen Mozes om tot God te bidden om de slangen weg te nemen. Omwille van dit verzoek bidt Mozes tot God, die hem de opdracht geeft om een bronzen slang te maken. Wie naar die slang opkijkt, wordt gered. De Hebreeuwse woordcombinatie voor ‘een bronzen slang’ in 21,9 is een woordspeling, aangezien de woorden ‘slang’ (nāḥāš) en ‘brons’ (neḥošet) in het Hebreeuws nauw verwant zijn.
Enkele honderden jaren later laat koning Hizkia de bronzen slang van Mozes, Neḥuštān genaamd, verbrijzelen (2 Kon. 18,4). De bronzen slang wordt in de tempel van Jeruzalem als een heilig object bewaard, maar mensen beginnen er offers aan te brengen alsof het een afgod of een beeld van jhwh is. Dit is duidelijk een schending van het eerste van de Tien Geboden, dat afgoderij en het maken van beelden verbiedt (Ex. 20,3v).
Misschien viert men in deze cultus de beschermende kracht van God, maar het is waarschijnlijk ook een genezingscultus met sterke Kanaänitische associaties. Zo heeft de bronzen slang in Numeri 21 enige relatie met een genezingsritueel dat in het oude Nabije Oosten gebruikelijk is. Als een individu aan het gif van een plant of een dier lijdt, dan moet het staren naar een afbeelding van diezelfde giftige plant of datzelfde giftige dier de persoon genezen en/of tegen verdere aanvallen beschermen. Als onderdeel van zijn poging om de eredienst in Juda te hervormen, vernietigt koning Hizkia de bronzen slang in de tempel.
Literatuur
Ph.J. Budd, Numbers (Word Biblical Commentary, Vol. 5), Grand Rapids, Zondervan, 1984.
D.T. Olson, Numbers (Interpretation. A Bible Commentary for Teaching and Preaching), Louisville, John Knox Press, 1996.
Psalm 78
In Psalm 78,4-8 geeft de psalmist de overleveringen die hij van de vorige generatie heeft ontvangen aan de volgende generatie door, opdat ook zij niet dezelfde fouten zullen maken. Dit doorgeven van de traditie gebeurt in de vorm van een ‘gelijkenis’. Deze bestaat uit een samenvatting van de vroege geschiedenis van Israël die de nadruk legt zowel op het gebrek aan geloof van het volk als op de dankbaarheid voor Gods vele genadige daden voor hen. De terugblikken op de uittocht (vv. 12-14 en 43-53), de woestijn (vv. 15-41) en de pre-monarchale tradities (78,54-64) zijn illustraties die de zelfbeheersing van God laten zien wanneer Hij door de Israëlieten werd geprovoceerd (vv. 38-39). Juda moet, aldus de psalmist, niet alleen van de fouten van zijn voorvaderen leren, maar ook met gepaste dankbaarheid reageren op Gods’ geschenk van de koningen uit het huis van David.
Filippenzen 2,6-11
Hoewel er andere onderverdelingen mogelijk zijn, kan men de christologische hymne in de Filippenzenbrief in twee gedeeltes verdelen: 2,6-8 (de vernedering van Christus) en 2,9-11 (de verhoging van Christus).
In het eerste deel betoogt Paulus dat Christus aan alle mensen gelijk is geworden. Zijn vernedering gaat tot het uiterste: Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Deze dood is de grootste uiting van vernedering, speciaal in de ogen van Romeinse burgers. Alleen slaven en vreemdelingen ondergaan deze doodstraf.
In het tweede deel drukt Paulus de verhoging van Christus uit, die hier symbolisch door het geven van een naam wordt weergegeven. Deze naam is niet de persoonlijke naam Jezus, die Hij al in zijn vernedering had, maar een titel om de nieuwe situatie uit te drukken, namelijk de naam boven alle namen, Christus de Heer. Die titel drukt de nieuwe werkelijkheid uit van de verheerlijkte Christus, een situatie die Hem boven alle andere schepselen plaatst.
Literatuur
P. Ortiz, ‘Filippenzen’. In: E. Eynikel, E. Noort, T. Baarda en A. Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel. Band 2, Kampen: Kok, 2001, blz. 1959-1970.
Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95.
Johannes 3,13-17
Nikodemus behoort tot de leidende kringen van de farizeeën. ’s Nachts komt hij naar Jezus toe, vermoedelijk uit vrees voor zijn collega’s, nadat zij met Jezus - bij diens tempelreiniging - een conflict hadden. Nikodemus is onder de indruk van de tekens die Jezus heeft verricht. Hij bewondert Jezus en beschouwt Hem als een leraar zoals hijzelf er een is. Maar hij weet niet wie Jezus echt is noch wat hij van Hem verlangt. In feite is hij het type van de zoekende gelovige uit 2,23vv.
Het gesprek tussen Jezus en Nikodemus speelt zich in twee fases af. In het eerste deel (3,2-10) zijn de gesprekspartners nog nauw op elkaar betrokken, terwijl in het tweede deel (3,11-21) Jezus alleen aan het woord is. Op zich is dat laatste niets opzienbarends. We zien in het Johannesevangelie vaker dat Jezus over zichzelf in de derde persoon spreekt. De lezer krijgt hierdoor het besef dat ook Jezus zelf aan hogere krachten en machten is onderworpen. Dat Jezus bijvoorbeeld de mensenzoon is en het licht in de wereld, zijn ook voor Jezus gegevens waarmee Hij niet zodanig samenvalt dat het tot een ik-uitspraak komt.
Inhoudelijk blijft de monoloog van Jezus binnen de narratieve context. Hij spreekt over zijn eigen oorsprong: de afdaling van de mensenzoon die door een opstijging gevolgd wordt; de afwijzing van mensen die meer op de duisternis gesteld zijn dan op het licht, en de toenadering tot het licht van wie wel de waarheid doet.
Om Nikodemus dat opstijgen van de mensenzoon een beetje duidelijk te maken, grijpt Jezus op de geschiedenis van de koperen slang uit Num. 21,4-9 terug. ‘En deze mensenzoon’, aldus Jezus tot Nikodemus, ‘moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben’ (3,14v).
Deze episode verwijst hier zowel naar Jezus’ kruisiging op Goede Vrijdag als naar zijn verrijzenis en verheerlijking met Pasen. Wie in de woestijn door een slang was gebeten en naar de bronzen slang opkeek, werd van een wisse dood gered. Zo zal al wie in Jezus gelooft, eeuwig leven hebben.
Opvallend hierbij is dat Jezus zijn kruisiging niet zozeer als een vernedering beschouwt, maar veeleer als een verhoging. Op die manier zal Hij verheerlijkt worden en ieder die in Hem gelooft eeuwig leven schenken. Met de woorden ‘eeuwig leven’ wordt hier niet het hiernamaals bedoeld, een leven na de dood, maar een kwaliteit van leven die uit een ontmoeting met de levende Jezus voortkomt.
Literatuur
S. van Tilborg, Johannes (Belichting van het bijbelboek), Boxtel: Katholieke Bijbelstichting, 1988.
Onderlinge samenhang van de lezingen
In de lezingen van vandaag spelen ‘verheffing’ en ‘leven’ een grote rol. In de lezing uit het boek Numeri heft Mozes in de woestijn een koperen slang omhoog. Iedereen die door een slang is gebeten en naar de koperen slang opziet, zal in leven blijven. In de lezing uit het Johannesevangelie wordt de mensenzoon omhoog geheven, opdat eenieder die in hem gelooft eeuwig leven zal hebben.
Aan de ene kant herinneren de lezingen ons aan het gebeuren op Goede Vrijdag. Aan de andere kant wijzen zij ons ook naar het feest van Pasen. Als wij net als Jezus ons (dagelijks) ‘kruis’ dragen om met Hem – symbolisch gezien – te sterven, dan zullen wij ook met Hem leven. Want niet de dood of het kruis hebben uiteindelijk het laatste woord, maar de liefde die alles overwint.
Preekvoorbeeld
Het gebeurt zo nu en dan: dat een feest de gewone zondag vervangt, zoals vandaag. Dan moet het feest wel een belangrijk feest zijn. Waarom is het feest van kruisverheffing een belangrijk feest? Bij Allerheiligen-Allerzielen is dat duidelijk, maar bij dit feest? Het heeft oude wortels. Volgens een legende heeft Helena de moeder van keizer Constantijn het kruis waaraan Jezus gestorven is in Jerusalem gevonden en toen in 335 op 14 september de kerk van het heilig Graf werd ingezegend, werd dat kruis ook getoond, omhoog getild zodat iedereen het kon zien. Misschien met de lezing uit Numeri en het gezegde van Jezus uit het evangelie volgens Johannes in gedachten. Maar vieren we dit feest om die gebeurtenis uit een ver verleden te herdenken? Nee. We vieren het om goed naar het kruis te kijken en om na te denken over dat symbool bij uitstek voor ons Christenen: wat betekent het kruis in ons leven?
Over het kruis is vanaf het begin van het Christendom nagedacht. Waarom moest de Messias lijden? Waarom moest Jezus zo sterven? Dat waren vragen waar de eerste christenen mee geworsteld hebben. Iets van die worsteling is te proeven in de hymne die Paulus opgenomen heeft in zijn brief aan de Filippenzen. Een tekst die in onze traditie van groot belang is geweest voor de geloofsbeleving en de geloofsreflectie. Elke zin van de hymne vraagt erom even stil te blijven staan, haast elk woord moet je proeven, in je dragen, om de rijkdom ervan te ontdekken. Bijvoorbeeld die zin die in de liturgie van de Goede Week als een refrein klinkt: ‘gehoorzaam geworden tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis’. In de theologie is die zin en de term ‘gehoorzaam’ wel uitgelegd als passend bij ‘bevel is bevel’, als een vorm van kadaverdiscipline, als een min of meer stilzwijgende en niet bevragende volgzaamheid. De vraag is of gezien Jezus’ doodsangst en gebed in de Hof van Olijven en de psalm die Hij op het kruis bidt, het niet beter is ‘gehoorzaam’ te verstaan als blijven horen, als een luisterbereidheid ten einde toe.
Misschien helpen de volgende gedachten over een andere term uit die hymne om het symbool van het kruis en de betekenis van het kruis voor ons leven nu wat te verhelderen.
De hymne begint met een tegenstelling: in onze vertaling goddelijke majesteit – bestaan van een slaaf: ‘Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft het bestaan van een slaaf op zich genomen.’ In het Grieks wordt voor ‘majesteit’ en ‘bestaan’ hetzelfde woord gebruikt: morphè, vorm, beeld, image.
Misschien is het op het eerste gezicht was vreemd om dat woord morphè met beeld, imago, te vertalen, maar net als onze hedendaagse cultuur was de antieke cultuur een visuele cultuur. Niet iedereen kon lezen. Zoals in de middeleeuwen de grote gebrandschilderde ramen in de kathedralen de Bijbel van de armen waren waarop mensen de verhalen uit de Bijbel konden zien, zoals in onze cultuur reclame en liedjes verbeeld worden en er zelfs prijzen voor zijn voor de beste videoclip of reclamefilmpje, zo ook in de tijd van Paulus.
De vorm, het beeld, imago van de goddelijke keizer was niet alleen te zien in de grote beelden op de pleinen, maar ook op bekers, munten en allerlei andere gebruiksvoorwerpen. Op die manier was iedereen vertrouwd met de vorm, de goddelijke vorm van de keizer. Precies omdat de goddelijke keizer afgebeeld wordt als een militair overwinnaar, die verdeelt en heerst, als iemand die zo vrede en voorspoed brengt, met geweld en onderdrukking, denkt iedereen dat dat ook de manier is waarop iemand met de vorm van God handelt: dat is de gewone, de normale manier.
Maar in die hymne wordt tegenover die vorm, die gewone manier, een andere gesteld: de christelijke. In de hymne wordt die vorm, om een term te gebruiken die Paulus ook gebruikt, uitgehold, leeggemaakt. Tegenover die gewone vanzelfsprekende vorm van de goddelijke keizer, wordt een andere goddelijk imago gezet, die de vorm aanneemt van een slaaf, die niet heerst maar dient, en dat is het feest van kruisverheffing dat eindigt op een kruis.
Deze gedachten passen bij een andere tegenstelling die Paulus in allerlei vormen gebruikt in zijn brieven: Geest – vlees. De term ‘vlees’ staat dan voor de menselijke conditie in al haar aspecten. Het punt van de tegenstelling die Paulus gebruikt is dat wij mensen weliswaar niet anders kunnen bestaan in het vlees, maar dat wij niet behoeven te leven naar het vlees. Wij hoeven niet automatisch of klakkeloos de normen en waarden van onze culturen, onze economische systemen, onze samenlevingsvormen over te nemen. Wij kunnen als Christenen, sterker nog, wij moeten als Christenen leven naar de Geest. In het vlees, naar de Geest.
Er zijn kruizen waarop Jezus eerder staat dan hangt, en waarop Hij geen doornenkroon op heeft, maar een echte koningskroon. Ik heb die kruizen lange tijd gezien als een poging om het kruis mooi te maken. Zoals er ook kruizen te zien zijn zonder corpus maar wel met edelstenen versierd. Maar misschien heb ik niet goed gekeken en zijn het verbeeldingen van die hymne uit de brief aan de Filippenzen: een kruis waarop die gewone, vanzelfsprekende vorm van de goddelijke keizer of koning wordt leeggemaakt. Een kruis als een even subtiele als pijnlijke herinnering aan onze taak in het vlees te leven naar de Geest, voortdurend kritisch te zijn op de waarden en normen die ons vanuit onze maatschappij worden aangedragen, zeker als ze verpakt worden als ‘christelijke’ (of ‘joods-christelijke’) waarden.
inleiding dr. Max G.L. van de Wiel OCSO
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof