Preek 4e zondag veertigdagentijd, A jaar, 15-3-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 10
  • Bestandsgrootte 203.72 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 februari 2026
  • Laatst geüpdatet 2 februari 2026

Preek 4e zondag veertigdagentijd, A jaar, 15-3-2026

15 maart 2026
Vierde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: 1 Sam. 16,1b.6-7.10-13a; Ps. 23; Ef. 5,8-14; Joh. 9,1(.6-9.13-17.34-38)-41 (A-jaar)

Inleiding

God ziet, wat een mens niet ziet. Met de komst van Jezus Christus als licht voor de wereld (Joh. 8,12) komt aan het licht wie God is én wie jij bent in Gods ogen. Dat inzicht is bevrijdend maar niet vrijblijvend.

Christus komt van het Griekse woord voor ‘gezalfde’: christos. ‘Messias’ komt van het Hebreeuwse woord voor ‘gezalfde’: masjiach.

1 Samuel 16,1b. 6-7. 10-13a
In deze lezing doet David – die in de stamboom aan het eind van het boek Ruth voor het eerst wordt genoemd (4:17.22) – zijn intrede in het relaas over de geschiedenis van het volk Israël: een jochie nog, die als jongste zoon uit het gezin van Isaï (Jesse), een onaanzienlijke familie van de stam Juda, de schapen van zijn familie hoedt. Deze onbeduidende jongen zal uitgroeien tot de iconische koning die het volk Israël onder zich verenigt tot één koninkrijk met Jeruzalem als centrum. En via JHWH's belofte van eeuwigdurend koningschap van zijn nageslacht (2 Sam. 7,16) zal hij de gehele bijbelse geschiedenis het discours over de identiteit van het volk Israël blijvend bepalen. De wijze waarop David wordt geïntroduceerd is wezenlijk voor zijn identiteit: hij is de koning die door JHWH zelf is uitgekozen om voor Hem tot koning te worden gezalfd (masjach). Een gebeurtenis die gezien zijn onbeduidende herkomst volstrekt niet voor de hand ligt, vanuit menselijk perspectief bezien dan.

In 1 Samuel 8-11 heeft het volk Israël op eigen verzoek, net als de omringende volkeren, voor het eerst een koning als leider gekregen. Maar dit experiment, waar Samuel geen voorstander van was, is vastgelopen. Saul die op het oog zo geschikt leek voor de job (9,1v; 10,24) bleek niet aan de hoge standaard van het koningschap te kunnen voldoen (12,14v.20v). Toen het erop aankwam, handelde hij naar eigen inzicht in plaats van de door JHWH uitgezette lijn te volgen (15,11.19.22vv). Daarmee verloor Saul zijn legitimiteit als vertegenwoordiger van JHWH, de Koning (met hoofdletter) van het volk Israël. Desalniettemin geeft JHWH het koningschap als leiderschapsmodel een nieuwe kans en stuurt nu aan op de uitvoering van het besluit dat Hij reeds eerder door Samuel aan Saul heeft aangezegd: ‘Hierbij scheurt de heer het koningschap over Israël van u los en geeft Hij het aan iemand anders, die waardiger is dan u’ (15,28).

Samuel stond niet te springen om te doen wat JHWH hem vraagt. Hij is zelf nog niet over de deceptie van Sauls debacle heen en bang voor wat Saul – als zittend koning – zal doen. De opdracht die JHWH geeft, heeft alles in zich van een loyaliteitsconflict. Samuel voelde zich eerst door het volk zelf aan de kant geschoven (8,7v), maar heeft uit gehoorzaamheid aan JHWH Saul – tegen zijn eigen zin – toch tot koning gezalfd. Hij is nu Saul als door God gezalfde koning ook loyaliteit verschuldigd. JHWH reageert pragmatisch op de primaire reactie van Samuel door hem een concreet plan te presenteren. Samuel gaat niet in discussie, maar voert exact uit wat JHWH hem gezegd heeft: opnieuw toont hij dat zijn loyaliteit aan JHWH zijn hoogste prioriteit heeft. In zijn handelen weerspiegelt Samuel wat van een koning van JHWH's volk wordt gevraagd en wat Saul heeft verzaakt: niet mijn, maar Uw wil geschiedde.

Bij de eerste aanblik van Isaï’s oudste zoon, denkt Samuel – door zijn tijdgenoten beschouwd als ziener (9,9) – te weten dat deze zoon degene is die JHWH  voor ogen heeft. Maar dat blijkt een vergissing! JHWH heeft hem verworpen. Het menselijke beoordelingsvermogen staat ter discussie. ’Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de heer kijkt naar het hart.’ Het hart gold in het Oude Testament als zetel van het verstand en de wil. Samuel rest niet anders dan zich te verlaten op wat JHWH ziet in de jongemannen die Samuel één voor één onder ogen worden gebracht. Zeven in totaal – niet zomaar een aantal, maar het getal dat in de Bijbel vaak symbool staat voor ‘volheid’. Dan valt een stilte in de tekst.

Daar staat Samuel: het palet aan keuzemogelijkheden is compleet, maar JHWH heeft geen van hen allen uitgekozen. Hoe valt de situatie te rijmen met JHWH's woord dat Hij onder Isaï’s zonen een koning heeft gezien? In de stilte komt Samuel tot onderscheiding, wat blijkt wanneer hij het woord herneemt en daarbij zijn vooronderstelling ter discussie stelt: ‘Zijn de jongens compleet?’ (letterlijke vertaling). Samuel neemt de lering over de beperktheid van het waarneembare, dat JHWH hem zojuist heeft aangereikt, ter harte en blijft vertrouwen op dat wat JHWH heeft gezegd. Vanuit dat vertrouwen ziet hij meer, kijkt hij voorbij de situatie zoals deze voorligt. Als David dan arriveert en ook hij blijkt schoon van uiterlijk, schort Samuel zijn oordeel op. Hij laat het spreken aan JHWH (vgl. v. 6). Samuel zalft David die daarmee de geest van JHWH ontvangt.

Psalm 23 (22),1-3a.3b-4.5. 6
Door de situering van Psalm 23 in de liturgie, vormt de psalm als het ware een antwoord van David op de zalving door Samuel. David erkent het leiderschap van JHWH als degene aan wie hij zijn zegeningen in het leven heeft te danken en spreekt zijn vertrouwen in JHWH uit.

Johannes 9,1-41
Het Johannesevangelie is geschreven rond het eind van de eerste eeuw van de jaartelling, een tijd waarin het jodendom een grote crisis doormaakte na de verwoesting van Jeruzalem én de tempel door de Romeinen. De spanning tussen de joodse gemeenschappen en de joods-christelijke gemeenschappen nam toe. Deze context is zichtbaar in de dynamiek van de tekstlezing van vandaag, waarin deze spanningen zijn terug geprojecteerd.

De tekstlezing beslaat heel hoofdstuk 9 en kan in drie episodes ingedeeld worden:

9,1-7        Genezingsverhaal
9,8-34      Onderzoek naar de duiding van de genezing
9,35-41    Jezus reactie op de ontwikkelingen

Het genezingsverhaal beschrijft hoe Jezus een man die blindgeboren was geneest. De beschrijving van zijn handelen is gedetailleerd: Hij maakt een mengsel met spuug – in de late Oudheid bekend om zijn therapeutische kracht bij de behandeling van oogziekten – en zalft (epichrismoo) daarmee de ogen van de blinde man en zegt ‘ga en was u!’ De combinatie van ‘materie’, ‘handeling’ en ‘woord’ door Jezus gebruikt om de genezing te verrichten – door de farizeeën als ‘teken’ (9,16) bestempeld –, wordt in de vroege kerk constitutief voor de liturgische vormgeving van sacramenten, zoals dat van de doop, waarin water (materie), onderdompeling (handeling) en doopformule (woord) de constitutieve elementen zijn.

De genezing van de man roept grote vragen op bij de mensen in de directe omgeving en zij wenden zich voor verheldering tot de farizeeën. In de dynamiek van het onderzoek dat daarop wordt ingesteld, draait het om identiteit: Is de genezen man wie hij zegt dat hij is? En wat zegt het genezende handelen van Jezus over wie Hij nu eigenlijk is. Het vaststellen van de identiteit van de genezen man is niet alleen bepalend voor de vraag of er werkelijk sprake was van een genezende handeling, maar ook voor de duiding van de betekenis daarvan. Het gaat om de onvoorstelbaarheid van de genezing van een blindgeboren mens. Zo’n groot wonder is alleen voorstelbaar als dit verricht is door iemand van Godswege. Dit is precies wat Jezus’ claimt, namelijk dat zijn herkomst ligt bij jhwh en dat Hij door Hem is gezonden (8.14.16.18.29.42), maar wat met klem miskend wordt door deze farizeeën. Zij voeren nu als argument aan dat Jezus heeft gezondigd: Hij heeft de Wet van Mozes overtreden door iets te maken op Sabbat – namelijk het aarde-water mengsel, waarmee Hij het verbod op werken met voeten heeft getreden. En in-zonde-zijn staat haaks op in-relatie-zijn met God. De theologische argumenten over de betekenis van de genezing voor de identiteit van Jezus staan op gespannen voet met elkaar. In een poging dit spanningsveld op te lossen wenden joodse ondervragers zich opnieuw tot de genezen man: ‘Of Hij een zondaar is weet ik niet,’ zei hij, ‘maar één ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien’ (v. 25). Dan laat hij de feiten voor zich spreken en komt tot inzicht: hij formuleert een theologisch tegenargument dat het argument van de farizeeën weerlegt: Alleen God kan zoiets groots als deze genezing bewerkstelligen. God luistert niet naar zondaars. Dat Jezus dit bewerkstelligd heeft, betekent dus dat God naar Hem heeft geluisterd. Jezus kan dus geen zondaar zijn (vv. 31-33). De genezen man windt er dan ook geen doekjes meer om. De farizeeën/joden rest geen andere optie dan hun gezag op een andere manier te laten gelden: ze brengen de getuigenis van de genezen man in diskrediet door terug te grijpen op de toenmalige breed gedragen overtuiging dat ziekte het gevolg is van zonde, een straf van Godswege (v. 34). De genezen man is zelf een zondaar en daarmee geen geloofwaardige getuige. Hij wordt buitengezet.

In de laatste episode van het verhaal zoekt Jezus de genezen man opnieuw op. De man kan Jezus voor het eerst daadwerkelijk zien: de mens die hem van zijn blindheid heeft genezen, over wie hij getuigd heeft dat Hij Jezus heet (v. 11), een profeet is (v. 17) en van God komt (v. 33). Wat dat laatste echter ten volle betekent, leert de man pas nu hij oog in oog staat met Jezus die hem aangaande de Mensenzoon zegt: ‘U kijkt naar Hem en u spreekt met Hem’
(v. 37). Vanaf het moment dat de blinde man door Jezus is gezien, heeft hij stapsgewijs een geloofsweg afgelegd die eindigt met het inzicht en de belijdenis dat Jezus de langverwachte Mensenzoon is (v. 38).

In deze tekstlezing draait alles om het ‘kunnen zien’. In de Griekse brontekst wordt dertien keer het werkwoord ‘kijken’ in de zin van het zintuigelijk waarnemen (blepoo) gebruikt, qua betekenis tegengesteld aan ‘blind’ (tuflos). Twee keer echter wordt het werkwoord ‘zien’ in de betekenis van ‘gewaarworden’, ‘onderscheiden’, ‘inzien’ (oraoo) gebruikt. De eerste keer, wanneer Jezus in het voorbijgaan de blindgeboren man ziet (v. 1) voor wie hij is, terwijl de leerlingen alleen oog hebben voor zijn blindheid. De tweede keer als Jezus tegen de genezen man zegt: ‘u ziet Hem en u spreekt met Hem’ (v. 37), het moment waarop de man daadwerkelijk inziet wie Jezus is. Maar ‘kunnen zien,’ is nog niet hetzelfde als ‘willen zien.’ Jezus’ oordeel over wie Hem wel heeft kunnen zien, maar Hem niet heeft willen zien – niet erkent wie Hij is – is hard: ‘uw zonde blijft!’ (v. 41).

Efeziërs 5,8-14
In de brief aan de Efeziërs maakt Paulus – net als Johannes – gebruik van de beeldspraak licht versus donker: christenen versus heidenen met elk een eigen levenswandel. Wie belijdt dat Christus het licht voor de wereld is, wordt gemaand daarnaar te leven. Dit betekent de taal van dankbaarheid spreken (v. 4), die dingen doen die goedheid, gerechtigheid en waarheid voortbrengen (v. 9) en telkens weer proberen te onderscheiden wat in de ogen van Christus het juiste is om te doen (v. 10). Want christenen kunnen, zo argumenteert Paulus, door hun levenswandel zelf licht in de duisternis om hen heen brengen en daarmee bewerkstelligen dat wat uit het duister aan het licht komt, ook licht wordt (vv. 13-14). Een transformatie die zij zelf ook hebben doorgemaakt: ‘Eens was u duisternis, maar nu bent u licht’ (v. 8).

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Literatuur
Dietrich, Walter. Samuel. BKAT 8/2. Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Theologie, 2015.
Dietzfelbringer, Christian. Das Evangelium nach Johannes, vol. 1. 2e ed. ZB. Zürich: Theologischer Verlag Zürich, 2004.
Goodfriend, Elaine. ‘Seven, the Biblical Number’ TheTorah.com (2021). https://thetorah.com/article/seven-the-biblical-number, geraadpleegd 18 oktober 2025.
Lincoln, Andrew T. Ephesians. WBC 42. Dallas: Word Books, 1990.
Stoebe, Hans Joachim. Das erste Buch Samuelis. KAT 8. Gütersloher: Gütersloher Verlaghaus Gerd Mohn, 1973.
Zumstein, Jean. Das Johannesevangelium, vol. 2. KEK. Göttingen: Vandenhoek & Ruprecht, 2016.

 

Preekvoorbeeld

Zien en zien. Dat zijn de kernwoorden deze zondag, zondag Laetare, de vreugdezondag in de Veertig dagen. Het donkere paars van de voorbereidingstijd licht op, het wit van het feest, van Pasen schijnt alvast vooruit.
Hij kan niet zien, die jongen, zoals hij altijd is genoemd: de blinde jongeling - maar ja, is het wel een jongen? Zijn ouders leven nog, zo blijkt later, maar verder... Johannes heeft het over een ‘mens, een man.’ Hoe dan ook: hij ziet van jongs af aan niet, blindgeboren.
In het voorbijgaan, zo vertelt Johannes, ziet Jezus deze jongen. Terloops zo lijkt de evangelist het te zeggen, toevallig kwam Jezus langs, zoals je iemand in de supermarkt tegen het lijf loopt. Maar nee, niet dat terloopse, maar het voorbijgaan in de zin zoals in het Oude Testament de Heer zelf voorbijgaat, zoals Hij in de nacht van de bevrijding uit Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijging en hen verloste. Zo ziet Jezus in het voorbij gaan de mens.

Ook de leerlingen zien hem en de eerste vraag die ze stellen is: wie is daar nou schuldig aan, dat hij niet kan zien? Hijzelf of zijn ouders... wie is de schuldige, wie is de zondaar? Het zal je maar gevraagd worden. Maar toch is die vraag van de leerlingen niet zo heel gek. In dat boeiende verhaal over Job, in het Oude Testament suggereren de vrienden van Job het ook steeds: ja beste man, je was zo rijk en nou zit je op de mesthoop – het kan toch niet anders, er moet iets misgegaan zijn in die verhouding tussen jou en God, want anders is er wat er met jou gebeurd is toch niet te verklaren. Maar Job, Job houdt vast: het is níet zo, ik bén een rechtvaardige.

Maar ook vandaag is die vraag niet helemaal vreemd, ‘waaraan heb ik dat nou verdiend?’ is een vraag die je bij iemand die ernstig ziek wordt nogal eens hoort. Nog afgezien van allerlei verbanden die aanhangers van complottheorieën weten te leggen.
Jezus breekt met die wetmatigheid. Hij niet en z’n ouders ook niet. Voor onschuldig lijden is geen verklaring, ziekte, lijden, en gebrek zijn niet toe te schrijven aan de schuld van een paar enkelingen – soms, ja vaak is er geen verklaring te vinden hoe lastig dat ook te aanvaarden is – maar hier in het evangelie wordt het op deze blinde toegespitst: ‘opdat het werk van God in hem openbaar wordt!’

En hoe! Jezus spuugt op de grond, maakt met z’n spuug wat modder en smeert die op de ogen van de man en zegt hem: ga u wassen in het badhuis, het bronnenbad van Siloam. De man wast zich en hij komt terug en hij kan zien. Het water stroomt en hij ziet. Het doet je denken aan de doop: door het water heen, door het doodswater heen naar het nieuwe leven, door het doodse van de blindheid naar het licht dat over ons opgaat. Johannes gebruikt, we weten het, woorden met vaak met meerdere, diepere lagen – en zo ook hier: met de blindheid van deze man is meer of zelfs iets anders bedoeld dan alleen dat hij iets aan z’n ogen had – deze blinde is een beeld van, staat voor de mens, ja zelfs voor het volk dat geen licht ziet en in duisternis wandelt. En met het opnieuw kunnen zien duidt Johannes op meer dan dat hij weer in staat is om de mensen en de dingen om hem heen waar te nemen – als hij na het wassen in Siloam kan zien, dan ziet hij de messiaanse toekomst.

Zien, meer dan waarnemen. We horen het ook in de oudtestamentische lezing van vandaag, dat prachtige verhaal van de zalving van David. Dat begint ermee dat de profeet, Samuël op weg gestuurd wordt naar Isaï in Betlehem, want ‘ik heb bij zijn zonen voor mij een koning gezien.’ Een nieuwe moet er komen, het experiment met de eerste koning, Saul, is op een grote mislukking uitgelopen – en eigenlijk wil Samuël helemaal geen koning, immers God zelf is koning, maar toch wordt hij erop uitgestuurd, de Heer heeft een koning gezien. En daar worden ze aan hem voorgesteld, de zeven zonen van Isaï, eerste de oudste, maar de Heer zegt tot Samuël, nee, hij is het niet, verkijk je niet op zijn aanzien – het gaat niet om wat de mens ziet... niet hij, en ook niet de andere zes; zeven zonen passeren de revue, zeven, het getal van de volheid. Dit moet het zijn, zoals de scheppingsweek zeven dagen heeft. Meer is er niet, zo lijkt het toch. Tot blijkt dat er een achtste is, niet eens genood aan de offermaaltijd, achtergebleven bij de schapen – hij komt, is rossig, mooi van ogen en goed om te zien. En juist deze, waar niet mee gerekend was, die niet gezien werd, wordt gezalfd, omdat de Heer hem gezien had, deze met de naam David, die een messiaanse koning blijkt; uit zijn huis zal in Betlehem geboren worden die de Christus, de gezalfde is.

Hij die in het voorbijgaan de blinde zag. Hij, die het leven van die blinde nieuw maakte, maar die daarvoor door de farizeeën wordt aangeklaagd, want het was op de sabbat – dan breek je de wet van Mozes. De farizeeën roepen de man ter verantwoording. Maar de genezen blinde houdt het vol: die mij genezen heeft, die mij heeft zien staan en mij doen zien, moet iemand zijn die van God komt – en zij wierpen hem uit. Een banneling wordt hij, hij, in wie het licht van Gods toekomst gestalte krijgt, wordt een paria. Hij aan wie het gegeven werd om te zien, om te zien met andere ogen, om Gods toekomst te zien, wordt terzijde geschoven – zoals het, we weten het, toegaat op Goede Vrijdag, en daarmee op Pasen. Toegaat met het totaal opzijzetten van Hem die in het voorbijgaan ziet en daarmee toekomst geeft.

In zijn licht mogen wij leven, mogen we, steeds opnieuw leren te zien met andere ogen, deze wereld met alle vragen en zorgen, met alle politieke ellende en machtsaanspraken, ook te zien in het licht van dat Koninkrijk – en daarvan een teken zijn, tegen wat mensen blind maakt in.

 inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
preekvoorbeeld ds. Nico Pronk