- Versie
- Downloaden 9
- Bestandsgrootte 182.12 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 2 februari 2026
- Laatst geüpdatet 2 februari 2026
Preek 3e zondag veertigdagentijd, A jaar, 8-3-2026
8 maart 2026
Derde zondag van de Veertigdagentijd
Lezingen: Ex. 17,3-7; Ps. 95; Rom. 5,1-2.5-8; Joh. 4,5-(-15.19b-26.39a.40-) -42 (A-jaar)
Inleiding
Exodus 17,3-7
Na de onderdrukking in Egypte en de wonderbaarlijke doortocht door de Rietzee is het volk onder leiding van Mozes in de woestijn terecht gekomen (Ex. 1,1–15,21). ‘Toen Israël het machtige optreden van de Heer tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor de Heer; zij stelden vertrouwen in de Heer en in Mozes, zijn dienaar’ (14,31). Waren de Israëlieten eerst slaven (avadiem) van Farao in Egypte, nu zijn zij vrijwillig dienaren (avadiem) van de Eeuwige.
De Britse opperrabbijn Jonathan Sacks schrijft: ‘De oversteek van de Rietzee is zowel een verbondssluiting als een overdracht van eigendom. De Israëlieten zijn voortaan Gods bezit in plaats van dat van Farao’ (Exodus, blz. 120). En verder: ‘… Het verschil is niet alleen een verandering van meester. De slaaf van een mens is iemand die geen vrijheid heeft. Een dienaar van God is iemand die geroepen is tot vrijheid – een bijzonder soort vrijheid, namelijk een vrijheid met respect voor de vrijheid van anderen en voor de integriteit van de geschapen wereld...’ (Exodus, blz. 124-125).
De woestijn, een soort niemandsland, is voor het volk de ideale plek om te leren wat de nieuwe vrijheid, het dienaar zijn van de Eeuwige, precies inhoudt (15,22–18,27). Mozes is door zijn opvoeding aan het hof van Farao en zijn jarenlange woestijnervaring bij uitstek geschikt als leider. Na de eerste euforie duurt het echter niet lang of het volk doet zijn beklag bij Mozes vanwege gebrek aan drinkbaar water. Het volk gaat ‘morren’, een werkwoord dat regelmatig terugkomt (15,24). Namens het volk roept Mozes de Eeuwige aan en vindt bij Hem gehoor: het niet te drinken bittere water (mara) wordt zoet.
In Exodus 16,2v beginnen de Israëlieten opnieuw te morren, ze verlangen terug naar de ‘vleespotten in Egypte’, de honger slaat toe, de Eeuwige zendt brood (manna) en kwartels. Niet lang daarna trekken zij op Zijn aanwijzing verder door uit de woestijn; de Eeuwige zelf is dus hun gids en leider. Desondanks is er in Refidim opnieuw gebrek aan drinkwater. Mozes wordt bedolven onder de verwijten en hij reageert: ‘Waarom maakt u mij verwijten en daagt u de Heer uit?’ (17,2). Het is veel betekenend dat het volk zich richt tot Mozes en niet tot de Eeuwige.
Ondanks de uittocht uit Egypte en alle andere bewijzen van Gods trouw is het vertrouwen in de Heer en in zijn dienaar Mozes volkomen zoek (zie 14,32). In plaats daarvan is er hevig gemor tegen Mozes: ‘Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte, als we toch met kinderen en vee van de dorst moeten sterven’ (17,3). De situatie is uiterst kritiek, Mozes wendt zich tot de Eeuwige, al doet hij dat vooral om zijn eigen hachje te redden. Weer brengt de Eeuwige redding in de nood door uit een rots water te laten ontspringen. Mozes ‘noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten van de Israëlieten en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen: “Is de Heer nu bij ons of niet?”’(17,7).
Direct aansluitend op onze lezing wordt Israël aangevallen door de Amalekieten; dat moet wel een straf zijn vanwege de twijfel over de aanwezigheid van de Eeuwige. Sacks spreekt hier over ‘weergaloze ironie. Het Hebreeuwse woord bebirkenoe … kan ‘in ons midden’ betekenen (in ruimtelijke zin), maar ook ‘in ons’ (in psychologische zin). … De Israëlieten wonnen niet omdat God voor hen streed, maar omdat God hun de kracht gaf om hun eigen strijd te voeren. God was niet ‘in hun midden’, maar ‘in hen’. Dat was de cruciale verandering tussen de situatie voor en na het oversteken door de Rietzee. … Het is het beroep op de menselijke verantwoordelijkheid. … God is met ons waar en wanneer we met Hem zijn’ (Exodus, blz. 123-124).
Literatuur
Jonathan Sacks, Exodus. Boek van de bevrijding, Middelburg 2019
Romeinen 5,1-2.5-8
S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Johannes 4,5-42
Ook in de evangelielezing speelt het thema water een belangrijke rol (al eerder in Joh. 1,26.31.33; 2,7.9 en 3,5). Het verhaal speelt zich af in Sichem, in het Nieuwe Testament Sichar genoemd, het huidige Nablus. Dat is niet zomaar een plaatsaanduiding, want al is Sichem buiten Juda gelegen, het is de plaats van de vaderen, de bakermat van Israël. In Sichem richtte Abram een altaar op voor de Heer die hem was verschenen (Gen. 12,7) en Jakob kocht er een stuk land (Gen. 33,19). Daar is ook de bron van Jakob. Nu is een bron de plaats bij uitstek voor ontmoetingen en liefdesgeschiedenissen. Mozes leerde zijn vrouw Sippora bij een bron kennen, de knecht van Abraham vond bij een bron een geschikte vrouw voor Isaak, Jakob ontmoette er Rachel, kortom: een bron is een beloftevolle plaats.
Het is het zesde uur, het heetst van de dag, als een Samaritaanse vrouw water wil putten bij de bron van Jakob en daar Jezus ontmoet. Hij rust uit, terwijl de leerlingen eten kopen in de stad. Jezus spreekt de vrouw aan en vraagt haar om drinken. Haar antwoord klinkt nogal snibbig, verbaasd, verontrust: ‘Hoe kunt u als jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?’
Zo ontspint zich tussen hen een gesprek over drinken, water en dorst, over een put en een bron, een gesprek vol dubbele bodems (later gebeurt hetzelfde over voedsel en eten, zaaien en oogsten in het gesprek tussen Jezus en de leerlingen). Door de vasthoudendheid van de vrouw komt zij langzaam maar zeker achter de identiteit van Jezus. Johannes weet dit proces prachtig te verwoorden.
Aanvankelijk noemt de vrouw Jezus ‘jood’, maar al snel blijkt dat dit een veel te magere omschrijving is: ‘Als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend water gegeven’ (4,10).
Daarop spreekt zij Hem aan met ‘heer’ en zegt heel praktisch: ‘u hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt u dat levende water dan vandaan halen? Of – en dit is een stap in de goede richting, al gelooft ze haar eigen woorden nog niet – bent u soms groter dan onze vader Jakob die ons de put heeft nagelaten…?’ (4,11v).
Het johanneïsch misverstand van levend water en putwater gaat nog even verder: de vrouw wil het water dat Jezus geeft, water dat de dorst voor eeuwig lest, graag hebben, omdat ze dan geen water meer hoeft te putten. Nu zijn de rollen omgedraaid en vraagt de vrouw Jezus – zij noemt Hem opnieuw ‘heer’ of Hij aan háár dat water wil geven.
Het hoeft geen betoog dat Jezus op een ander niveau spreekt dan zij. Twee soorten water staan ter discussie: levend water en putwater. Dat laatste is water waar je steeds weer dorst van krijgt. Levend water is de bron die ook Jezus drenkt. Die bron is een beeld voor de leven schenkende liefde van de Vader.
Het inzicht van de vrouw in de persoon van Jezus groeit als Hij haar vraagt om haar man te gaan roepen. Die heeft ze niet volgens haar. Als Jezus blijkt te weten dat zij vijf mannen heeft gehad, noemt zij Hem voor de derde maal ‘heer’ en vervolgens ‘profeet’ (4,19).
Jezus weet dat zij vijf mannen heeft gehad. Hij kent haar verlangen naar liefde dat al die mannen kennelijk niet wisten te vervullen. Misschien heeft Hij haar juist daarom aangesproken en ging het gesprek al snel over van putwater naar levend water.
Dan stapt zij over op een ander onderwerp: aanbidden op de berg of in Jeruzalem? Daarop zegt Jezus dat het heil uit de joden komt en dat niet de plaats van belang is maar de manier waarop gebeden wordt: in geest en waarheid: ‘dat zijn de aanbidders die de Vader zoekt’ (4,23). Wanneer de vrouw zegt dat zij wéét (een belangrijk werkwoord in deze tekst) dat de Messias, de Christus, komt die alles zal verkondigen, maakt Jezus zich aan haar, Samaritaanse vrouw zonder naam, bekend: ‘Dat ben Ik, degene die met u spreekt’ (4,26).
Nu komen de leerlingen erbij, zij zijn verbaasd net als de vrouw eerder, dat Jezus met een Samaritaanse praat, maar zij stellen geen vragen. Zo blijven de leerlingen bij de buitenkant staan, onwetend, en heeft zij een grote voorsprong op hen. Als definitief bewijs dat putwater niet langer het belangrijkste voor haar is, laat zij haar kruik achter. Zij gaat naar de stad en nodigt mensen uit om zelf te achterhalen of Jezus soms niet de Messias is ‘die mij heeft verteld wat ik allemaal gedaan heb’ (4,29.39). Voordat de Samaritaanse voor het laatst wordt genoemd, volgt er nog een kort gesprek tussen Jezus en de leerlingen waarin de oogst centraal staat, waarvoor anderen dan de leerlingen zich moe hebben gemaakt (vgl. 4,6 waar ook Jezus vermoeid is). Met die anderen moet behalve Jezus onder meer de Samaritaanse bedoeld zijn, want op haar woord en getuigenis stromen de mensen uit de stad naar Jezus toe. Zij vragen Jezus om bij hen te blijven. Velen geloven nu niet langer op háár woord maar op persoonlijke titel. Zij wéten (vgl. 4,25): ‘dit is werkelijk de redder van de wereld’ (4,42).
Zo informeert Johannes zijn lezers – op een meer toegankelijke wijze dan in de proloog – via het verworven inzicht van de Samaritaanse, over wie Jezus werkelijk is. Het is een ontwikkeling die loopt van ‘jood’, ‘heer’, ‘groter dan onze vader Jakob’, ‘profeet’, tot ‘de Messias’, ‘de redder van de wereld’.
De dialoog tussen Jezus en de Samaritaanse vormt een groot contrast met de voorafgaande scène tussen Jezus en de farizeeër Nikodemus. De laatste speelde zich af in het holst van de nacht (Joh. 3,1-21), terwijl de eerste plaatsvindt op klaarlichte dag. Het is een literair stijlmiddel dat Johannes gebruikt om de beide scènes als een tweeluik te presenteren. Normaal gesproken zou geen mens op het heetst van de dag water gaan putten. Zij wel, wellicht in de hoop anderen vrouwen en praatjes te ontlopen. Daarom is de Samaritaanse in het verleden vaak als een slechte vrouw afgeschilderd, ook al vanwege haar vijf mannen. Op gezag van de Samaritaanse gaan echter veel mensen uit de stad naar Jezus toe die uiteindelijk tot dezelfde slotsom komen als zij: Jezus is de redder van de wereld (4,39-42). Als deze Samaritaanse echt zo’n slechte reputatie had, neemt het verhaal hier een zeer onwaarschijnlijke wending. Geen van de vijf mannen wordt bij name genoemd, de Samaritaanse evenmin. Zouden de Samaritaanse en haar vijf mannen dan ook niet eerder symbool staan voor dat diepe verlangen naar liefde en eenheid, in ieder mens aanwezig, dat niet door mensen vervuld kan worden?
Literatuur
Maria de Groot, ‘Het evangelie volgens Johannes. Nacht en dag.’ In: De Bijbel Spiritueel, red. Frans Maas e.a., 2004, blz. 599-616
Yvonne van den Akker-Savelsbergh, ‘Het evangelie volgens Johannes. Ontmoeting.’ In: De Bijbel Spiritueel, red. Frans Maas e.a., 2004, blz. 583-590
Preekvoorbeeld
H.J. van Tienhoven (1923-1990) was een groot dichter, maar is volkomen onbekend gebleven en heeft uiteindelijk zijn leven vergooid aan drank en bitterheid. Hij heeft op indrukwekkende wijze gedicht over de dorst, en dat was niet alleen de dorst van zijn alcoholisme, maar het is onze dorst naar wat het evangelie ‘levend water’ noemt: de dorst van het onvervuld zijn, de dorst die voortkomt uit een diepe leegte, een gat in onze ziel, een groot ontbreken, een gemis dat zich niet vult.
De laatste regels van een gedicht van Van Tienhoven gaan zo:
Geloof, geloof, de wortels van de hoop
zoeken het water dieper met de jaren,
en langzaam regelt zich je bloedsomloop
naar deze dorst die niet is te bedaren.
Dus met de jaren reiken je wortels dieper in de grond op zoek naar water. Jouw wortels, zo ben je geworteld. Maar ze zoeken, want je weet wat het is te verdorren en te verdrogen. Het geloof ontvalt je, je inspiratie valt droog, O ja, zonder bezieling en creativiteit, zonder vreugde en hartverwarmende liefde kun je wel oud worden, het leven gaat door en jij moet ook door, maar of dat leven is?En nog dieper reiken je wortels op zoek naar dat levende water. Het zijn, zegt Van Tienhoven, ‘de wortels van de hoop’, want dat is wel het sterkste in een mens: dat je blijft hopen dat het anders kan.
Er is een dorst die niet is te bedaren. Of anders gezegd: ieder mens bergt een leegte in zich, het is een leegte waaraan je lijdt en blijft lijden en zoeken en drinken en vullen als niet God zich in die leegte vinden laat.
Je kunt die leegte ontvluchten, die leegte vullen met luxe of je werk of andere verdoving. Maar de leegte blijft, een gapend gat, een leeg graf, tot God zich in die leegte vinden laat.
Zo staat daar op het zesde uur, dat is in de joodse tijdsrekening op het heetst van de dag, die vrouw daar water te putten en een vreemdeling, die afgemat is van zijn tocht, zit bij de bron en vraagt om water: ‘Geef mij wat te drinken.’
Zo is het wel in het evangelie: de eerste met dorst is Christus zelf. Want laten we er niet een simpel verhaaltje van maken, dat die vrouw met haar dorst symbool staat voor ons mens-zijn en dat Jezus de dorst wel stillen zal.
Nee, de eerste met dorst is Jezus en in dit evangelie is Hij ook de laatste met dorst, want zo sterft Hij aan het kruis als Hij roept: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus van die wijn gedronken had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Daarop boog Hij het hoofd en gaf Hij de geest.
Jezus zit hier dorstig aan de rand van de bron en een gesprek ontvouwt zich, waarin steeds meer de dorst van deze vrouw aan het licht treedt, ze wist van zichzelf niet hoe dorstig zij is.
Het is gaandeweg in dit gesprek dat zij oog in oog komt te staan met haar onvervuld bestaan en zij begint te vragen: om levend water, om gebed, om de Messias.
Die vrouw bij de bron, steeds dorstiger wordt zij, de wortels van de hoop zoeken het water, en zij staat er vlakbij: bij de bron. ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’
Christus, niet met zijn overvloed, maar met zijn dorst lest Hij de dorst van de wereld. Niet met zijn overvloed, want zo merkt de vrouw op: ‘U hebt niet eens een emmer.’ Nee, zijn dorst wekt onze dorst, en zijn vertrouwen wekt ons vertrouwen, want zo gaat dat daar tegen alle vooroordelen in: die Joodse man praat met een Samaritaanse vrouw. Van minachting en achterstelling, van wantrouwen is geen sprake, zijn vertrouwen wekt vertrouwen. En zijn geloof wekt ons geloof, meer dan wij in onszelf wisten te vinden.
Want geloven is niet het voor waar houden van een set onwaarschijnlijkheden, maar is een levenshouding, waar je naar gaat staan – door... Ja waardoor eigenlijk? Doordat God naar je toekomt en dan ga je zingen en bidden, of eerst vragen stellen en je wordt je bewust van de dorst, je grote dorst naar waarheid, zin, liefde, een toekomst voor jezelf en meer nog voor je kind.
Ja, als God naar je toe komt is de dorst naar Hem niet te bedaren. Je hebt zoveel te vragen en het verlangen wordt steeds groter. Je kunt het niet benoemen.
Deze vrouw kon het niet benoemen. Het is in gesprek met Jezus dat zij er achter komt.
Jezus is in het evangelie de eerste en de laatste die deze dorst uitspreekt. En zijn laatste woord spreekt van ‘volbracht’. Geen mens heeft dat ‘leeg’ en ‘vol’ zo dicht bij elkaar gebracht, de leegte en de vervulling, het gat in je ziel geslagen en de heelheid die je wordt geschonken, het durend gemis en de volkomenheid van je verlangen, de dorst volbracht.
Christus heeft ten einde toe ons menszijn voldragen en uit de leegte van gemis en pijn, zullen bronnen van vreugde ontspringen.
inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,