Preek 3e zondag van Pasen, A jaar, 19-4-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 5
  • Bestandsgrootte 162.02 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 februari 2026
  • Laatst geüpdatet 2 februari 2026

Preek 3e zondag van Pasen, A jaar, 19-4-2026

19 april 2026
Derde zondag van Pasen

Lezingen: Hand. 2,14 en 22-33; Ps. 16; 1 Petr. 1,17-21; Luc. 24,13-35 (A-jaar)

Inleiding

Handelingen 2,14.22-32
In deze keuze uit de rede van Petrus worden Pasen en Pinksteren bijna op dezelfde dag gehouden, omdat het een passage uit een Pinksterpreek van Petrus betreft. Dat is op zich een goede zaak: de twee feesten vallen binnen één liturgische tijd, die ook de ervaringen van de dood, verrijzenis, verheerlijking (hemelvaart) van Christus en de gave van de Geest in gedachten houdt en deze als een coherent geheel presenteert. Petrus verschijnt in de rol van Israëliet die tot zijn mede-Israëlieten spreekt; dit gebeurt op een wijze die past in de joodse traditie, meer specifiek in de traditie van de Psalmen zoals die als profetisch boek werden gelezen.
Naast de feitelijke inhoud biedt deze rede van Petrus ook een historisch interessant overzicht van de verkondiging en interpretatie van de Schrift in het vroege christendom. Petrus maakt in zijn rede een dubbele beweging. Het betreft meer dan alleen ‘Jezus teruglezen in het Oude Testament’ – het lot van Jezus wordt eerder belicht in relatie tot wat er ook in de Schriften te lezen is. Alleen in dat licht is het mogelijk om te begrijpen wie Jezus is en wat er met Hem is voorgevallen. Deze oude teksten worden tegelijkertijd op een nieuwe manier van belang; wat ze zeggen over David (en over hem) krijgt ook een concrete vorm in het leven, sterven en opstanding van Jezus van Nazaret.

Dit dubbele effect van heilige, canonieke teksten is kenmerkend voor hun genre: nieuwe gebeurtenissen worden in hun licht verstaan, terwijl deze gebeurtenissen op hun beurt een nieuw perspectief bieden op de oude teksten en hen op een nieuwe manier tot leven brengen.

Psalm 16
Dit danklied, toegeschreven aan David, is de psalm die Petrus uitvoerig gebruikt in zijn toespraak in de Handelingen van de Apostelen. De tekst vindt mogelijk zijn oorsprong in een danklied over een gelofte; in ieder geval werd de inhoud in dat licht gelezen toen het gedicht zijn titel kreeg. De ‘oorspronkelijke’ betekenis van deze poëtische tekst, waarin de betrouwbaarheid van God en zijn blijvende nabijheid en ondersteuning centraal staan, is op deze zondag slechts gedeeltelijk relevant. Het is vooral van belang om de dood en verrijzenis van Christus te verstaan in het kader van de psalm, evenals de psalm in het licht van deze gebeurtenissen.

1 Petrus 1,17-21
Deze mooie zinnen van het eerste hoofdstuk van de eerste brief aan Petrus bieden de lezer een bijzondere kijk op het lijden en de opstanding van Christus. De zinnen zijn deel van een bredere bemoediging en zelfs vermaning van de oorspronkelijke adressanten, die in geloof moesten blijven in een moeilijke situatie.
De belangrijkste uitdagingen in die de brief in deze en de voorafgaande zinnen voorkomen, zijn enerzijds: niet toegeven aan ‘lusten’, en anderzijds: je vertrouwen (pistis, wat ‘geloof’ betekent – vgl. v. 21) richten op niets of niemand anders dan op God en op wat Hij heeft bewerkt door het bloed van Jezus Christus. Zijn bloed wordt beschouwd als het bloed van een smetteloos lam (v. 19): om mensen te reinigen zodat zij bij de wederkomst van Christus ook genade zullen ontvangen (v. 13). Deze metafoor van het reinigende bloed van Christus, als dat van een smetteloos lam, vindt zijn oorsprong in opvattingen over de werking van offers.
Het draait minder om het feit dat Christus een offer is, maar vooral om het vergieten van het bloed van Christus, dat dezelfde effecten heeft als een offer, namelijk het reinigen van mensen. Het is bovendien niet de enige metafoor voor de verlossing in de brief (zie ook v. 3: herboren worden door de verrijzenis). De brief geeft niet aan hoe dit allemaal precies in zijn werk gaat, maar maakt via een aantal beelden en vergelijkingen wel duidelijk dat het werkt. Misschien lijkt dit ook op de ervaring van de eerste Christenen; zonder te begrijpen hoe alles precies verliep, ervoeren ze in de Geest dat God in de dood en opstanding van Jezus ook voor hen nieuw leven bewerkstelligde.

Zie: dr. P. van Veldhuizen, ‘De eerste brief van Petrus. In de wereld staan’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103

Lucas 24,13-35
Het verhaal van de twee leerlingen op weg naar Emmaüs behoort tot de meest bekende en geliefde teksten uit het Nieuwe Testament. Tijdens het feest van Pasen, dat vijftig dagen aanhoudt, is het op de derde zondag van dit feest heel passend om te lezen dat de leerlingen moeten leren omgaan met de verrezen Heer als iets dat meer is dan alleen een droom. Het is een zeer uitgebreid verhaal, waarin verschillende motieven spelen. Het kan bijvoorbeeld met recht worden beschouwd als een verhaal over het verwerken van een trauma, met name het trauma van de dood van Jezus (vgl. vv. 19-21), wat alle hoop van de leerlingen heeft verwoest.

Door mentaal en fysiek een pad te volgen, kunnen ze geleidelijk gebeurtenissen in een breder perspectief bekijken – dat van de Schriften en van het bredere verhaal waarin ze zich bevinden – en het op die manier in het eigen levensverhaal integreren om zo verder door het leven te kunnen gaan. Is deze dynamiek – met zijn focus op tijd, die essentieel is voor een weg, begeleiding, zoals die van Jezus, gemeenschap, zoals die tussen de Emmaüsgangers en Jezus, rituelen en voedsel, zoals die in de avondlijke maaltijd aanwezig zijn –, niet ook toepasbaar op andere traumasituaties?

Een ander aspect van het verhaal betreft de wijze waarop Jezus aanwezig is en voor beide leerlingen, Kleopas en zijn medeleerling, herkenbaar is. Dit is de meest evidente thematiek in het verhaal: Jezus start onherkenbaar – de Verrezene is niet te begrijpen – en wordt daarna in meer of mindere mate als een mogelijkheid of zelfs noodzaak (vgl. v. 26 en het daar genoemde ‘moeten’ lijden) binnen de Schriften geplaatst, en wordt vervolgens een ervaarbare werkelijkheid in de gemeenschap van de maaltijd. Dit roept verschillende vragen op over de wijze waarop de Verrezene onzichtbaar en onherkenbaar is en ontdekt en ontmoet moet worden; ook in een tijd en in een samenleving waarin, net als in de eerste eeuw, leven dat sterker is dan de dood bijna niet te begrijpen is.

Uiteindelijk zou je je ook kunnen afvragen wat Jezus zo opvallend maakt bij het breken van het brood (vv. 30 en met nadruk 35). Misschien hangt dat samen met de paradox dat het breken en delen van het brood, vergelijkbaar met het breken van Jezus' lichaam aan het kruis, communio is en daardoor gemeenschap bevordert? Het zou mooi aansluiten bij de focus die in de liturgie ligt op het rituele breken van het brood als de voorlaatste essentiële handeling van de Eucharistie, ondersteund door het ‘Lam Gods’ (zie v. 30 voor de vier essentiële handelingen in de Eucharistie: nemen – dankzeggen – breken – delen; deze handelingen verschijnen ook in het laatste avondmaal en bij de wonderlijke spijzigingen in hun diverse nieuwtestamentische varianten).

 

Preekvoorbeeld 

Ze hadden de opgestane Heer ontmoet, de Emmaüsgangers. Op zondagmiddag, die allereerste zondag na Goede Vrijdag. Maar een tijdlang hadden ze helemaal niet doorgehad dat Hij het was. Dat vind ik altijd weer een spannende gedachte: ze herkenden Hem niet aan zijn uiterlijk. Niet aan zijn kleren, niet aan zijn tred, niet aan zijn oogopslag, niet aan zijn stem. Maar wél aan de manier waarop Hij het brood met hen brak. Ze hadden een tijd samen opgelopen, ze hadden gepraat, stilgestaan en elkaar aangekeken; ze hadden Hem zelfs verteld dat er geruchten gingen dat Jezus zou zijn opgestaan uit de dood; ze waren weer verder gelopen, hadden Hem binnengevraagd, eten klaargemaakt. Al die tijd hadden ze wél het gevoel: dit is bijzonder, deze ontmoeting doet iets met ons. Maar dat Hij het was, dat ze met de Opgestane aan tafel zaten – dat drong pas door toen Hij brood nam, ervoor dankte, het brak en het aan hen uitdeelde.

Nemen, danken, breken, delen: die vierslag komt telkens weer voor in de verhalen over Jezus. Zo staat het er bij de wonderbare spijziging waar Jezus duizenden mensen voedt. Zo staat het er ook bij het Laatste Avondmaal. Als Paulus aan de gemeente van Korinte instructie geeft over hoe je in de kerk de maaltijd van Jezus viert, benoemt hij het precies zo: we denken aan Jezus en hoe Hij het brood nam, dankte, brak, deelde.

Wat Jezus uitdeelde, was de liefde van God die Hij zelf belichaamde. Hij deelde zichzelf uit, blijkbaar heel tastbaar voor de mensen die erbij waren. Hij deelde niet iets uit wat Hij gemakkelijk kon missen, de restjes waar Hij zelf toch niets meer mee deed: Hij deelde echt zichzelf uit, Hij legde zijn hele ziel en zaligheid in het brood, en in de woorden die Hij erbij sprak.

Breken en delen – veel dingen kun je niet delen als je ze heel wilt houden. En veel kun je niet weggeven als je jezelf heel wilt houden. Jezus heeft zichzelf niet heel gehouden. Om zijn leerlingen ervan te verzekeren dat Gods liefde ons zelfs door lijden en dood heen draagt, heeft Hij zijn eigen heelheid opgegeven. Hij heeft zich laten breken om het leven uit te kunnen delen.

In minder heftige mate kennen we dat misschien wel allemaal: om anderen te kunnen geven wat je ze heel graag wilt geven, moet je zelf iets opgeven, van iets afzien. Je eigen gave leventje moet soms gebroken worden om te kunnen uitdelen wat je anderen gunt. Je tijd, die je soms zo graag helemaal voor jezelf zou hebben: daar breek je een stuk af voor je kinderen of kleinkinderen, een stuk voor je ouders, stukken voor buren en vrienden, een stuk voor de kerk of de vereniging. Breken en uitdelen, je doet het met je tijd, met je geld, soms ook met je zielenrust. Het is de beweging van Christus, de beweging van God.

We horen in de Paastijd dat de opgestane Heer zijn wonden laat zien. Hij heeft niet zijn gebroken lichaam ingewisseld voor iets nieuws. De sporen van zijn gebrokenheid blijven bewaard, ze zijn als het ware opgenomen, geïntegreerd in zijn nieuwe heelheid. Het nieuwe leven is niet alsof er nooit wat gebeurd is. Het nieuwe leven tilt alles wat er gebeurd is op en geeft het glans.

Het doet me denken aan die Japanse manier om met gebroken aardewerk om te gaan – dat heet kintsugi. De lijmnaden worden niet onzichtbaar gemaakt, maar juist extra zichtbaar, de breuklijnen aangezet met goudverf of zilververf. Wie kintsugi beoefent, realiseert zich al doende dat elke breuk ook iets toevoegt aan het leven. Er is niet alleen een verloren heelheid die nooit meer terugkomt, maar ook een nieuwe heelheid waarin de breuklijnen en de opgelopen wonden worden geëerd. De littekens van de Heer zijn eretekenen geworden. Sommige pijnpunten in je eigen geschiedenis zijn ankerpunten geworden. Je hebt geleden, maar het heeft je ook gevormd.

Breken en delen. Jezus brak brood en deelde het uit, en de mensen voelden dat Hij zichzelf uitdeelde, en mét zichzelf de liefde van God. Dat is hoe Jezus zich kenbaar maakte aan die twee leerlingen in Emmaüs en later ook nog aan anderen. Dat gebaar is tot rituele praktijk geworden in de eucharistie, en op allerlei manieren is het ook levende praktijk in uw en mijn leven. De oude heelheid, die van ons ongestoorde leven, wordt stukgebroken om te kunnen delen. Zo zijn we onderweg naar de nieuwe heelheid – niet van ons ongestoorde leven maar van Gods rijk dat ons allemaal verbindt, met elkaar, met heel de schepping, met Christus, met God. Lof zij U Christus!

inleiding prof. dr. Peter-Ben Smit
preekvoorbeeld dr. Piet van Veldhuizen