- Versie
- Downloaden 1
- Bestandsgrootte 182.21 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 1 augustus 2025
- Laatst geüpdatet 1 augustus 2025
Preek 28e zondag dhj, C jaar, 12-4-2025
12 oktober 2025
Achtentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: 2 Kon. 5,14-17; Ps. 98; 2 Tim. 2,8-13; Luc. 17,11-19 (C-jaar)
Inleiding
De grote lijnen van zowel het verhaal van Naäman als het verhaal van de tien melaatsen zijn welbekend. Dankzij informatie van een tot buitgemaakte vrouw komt de vijand Naäman te weten dat hij in Israël genezen kan worden. Hij wil eerst niet doen wat de profeet van Elisa vraagt, namelijk om zeven keer in de Jordaan te baden. Als hij het toch doet, wordt hij genezen (2 Kon. 5). Jezus ontmoet tien melaatsen. Als zij in zijn opdracht op weg gaan naar de priesters, genezen ze. Hierop komt slechts één van hen terug naar Jezus om Hem te bedanken (Luc. 17). In beide genezingsverhalen komt telkens een vreemdeling tot lofprijzing van God. Iemand treedt op namens God (Jezus, de profeet Elisa) en geeft de zieke een opdracht. De melaatsen voeren de opdracht uit, worden geheeld, zelfs al is die man Gods niet aanwezig. De heling leidt tot dankbare erkenning van God, hoewel dit niet voor alle betrokkenen in dezelfde mate geldt: van de tien melaatsen is er slechts één die terugkeert om Jezus te bedanken.
En het was nochtans een vreemde
Vanaf de eerste zin van het verhaal krijgen we een portret van Naäman als vreemdeling, en zelfs als vijand van het volk. Hij staat in hoog aanzien bij de koning van Aram die dankzij Naämans militair optreden een overwinning behaalt. Dit gebeurt ten koste van Israël, dat het slachtoffer is van geslaagde strooptochten. Juist zo’n plundering zal uiteindelijk sterk in Naämans voordeel blijken te zijn: het is een tot buit gemaakte vrouw die de mogelijke genezing ter sprake brengt. Die tot slavin gedegradeerde vrouw heeft groot inzicht en overtuigingskracht. Op haar woord gaat Naäman eerst naar zijn koning, en dan naar de koning van Israël. Die wijze vrouw weet wat beide koningen zich niet realiseren: dat de profeet Elisa namens God tot grote daden in staat is. Na de genezing komt Naäman tot de erkenning dat enkel JHWH op heel de aarde God is en spreekt hij zijn voornemen uit dat hij enkel voor JHWH zal offeren (2 Kon. 5,15vv).
De man die in Lucas 17 terugkeert om Jezus te bedanken terwijl hij God prijst, is juist diegene van wie men het niet zou verwachten: het is een Samaritaan, een elders geborene (v. 16.18). Jezus is, vanuit zijn besef dat lijden, sterven en verrijzen op handen zijn, op weg naar Jeruzalem (Luc. 9,51), en trekt door de dorpen in Galilea en Samaria. Dat is een omgeving die in de ogen van de heersende orde te Jeruzalem weinig voorstelt.
Samaria is onder de Assyriërs gevallen. Wie in deze diverse samenleving JHWH bleef vereren, erkende enkel de Tora (Pentateuch) als gezaghebbend boek, waardoor Judeese Joden hen niet als volwaardige joden erkenden en hen meden. Ook Galilea was een culturele en religieuze smeltkroes, waardoor het ook wel bekend stond als het ‘Galilea van de (heidense) volkeren’ (Jes. 8,23). Toch zijn deze onreinen in de ogen van de heersende orde op Jezus’ heilsweg geplaatst. Dat geldt ook, en in het bijzonder, voor de Samaritaan die Jezus niet enkel vertrouwt maar ook God looft en dankt, en zo ook de Judeeërs (Judea betekent ‘God zij geprezen’) tot voorbeeld strekt.
Zonder bemiddeling lukt het niet
In beide verhalen is er hoop en vertrouwen dat heling mogelijk is. De mannen hebben gehoord van iemand die namens God hen kan bevrijden van hun aandoening. Lucas verhaalt niet van wie de melaatsen van Jezus gehoord hebben, maar ze spreken hem aan als ‘meester’, zoals ook leerlingen, farizeeën en wetgeleerden in het Lucasevangelie doen (Luc. 17,13). Naäman heeft het via zijn echtgenote van de buitgemaakte slavin gehoord. Hij komt echter niet dadelijk bij de juiste persoon terecht: de koning van Aram beschouwt deze genezing als een opdracht van zijn gelijke, de koning. Hoewel deze beseft dat deze genezing een goddelijk ingrijpen vergt, legt hij niet het verband met de profeet Elisa tot deze hem aanmaant Naäman naar hem door te verwijzen. Maar zelfs deze doorverwijzing volstaat niet: zonder de aanmoediging van Naämans bedienden zou deze niet doen wat van hem gevraagd wordt, en zonder hen zou dus ook de genezing niet plaatsvinden.
Hoe genezing tot stand komt
Een huidziekte als melaatsheid is in het Oude Israël niet enkel een fysiek maar ook sociaal en religieus geladen gegeven. Wie een huidziekte heeft die zich uitbreidt, moet zich aan de priester laten zien, die bepaalt of deze zieke rein of onrein is. Is deze onrein, moet hij zich afzonderen, en ‘onrein’ roepen. Enkel door een zuiveringsritueel, uit te voeren door de priester, kan wie geheeld is, terug deel uitmaken van de gelovige gemeenschap. De priester moet hiervoor de zieke grondig onderzoeken (zie Lev. 13–14). Jezus sluit hierop aan door de melaatsen de opdracht te geven om zich aan de priester te laten zien (Luc. 17,14). Het is echter in het Lucasevangelie niet de rituele reiniging die heelt. Rein worden gebeurt als zij op weg gaan (v. 14). Het is het vertrouwen dat doen wat Jezus zegt effect zal hebben, dat maakt dat zij helen. Vandaar dat Jezus tot de Samaritaan zegt: je geloof heeft je gered (v. 17).
Naäman heeft heel eigen verwachtingen van hoe de genezing zal verlopen: de profeet moet hem persoonlijk benaderen, de naam van zijn God aanroepen en hem aanraken op de aangetaste plaats (2 Kon. 5,11). Het klinkt als een remedie die hij tevergeefs eerder in Aram heeft uitgeprobeerd. Elisa ziet het anders: hij stuurt een bediende naar buiten met de opdracht dat Naäman zich zeven keer moet baden in de Jordaan. Naäman was bereid om tegen een hoge beloning zich te laten genezen. Maar zo’n eenvoudige opdracht weigert hij uit te voeren. Het gaat in feite om méér dan al dan niet bereid zijn om te doen wat gevraagd wordt. Als baden in de Jordaan beter is dan in de rivieren van Damascus, dan ligt het niet aan het water van de Jordaan, maar aan de God in wie Elisa zijn vertrouwen stelt. Doen wat gevraagd wordt, is ook op die God vertrouwen stellen. Dat doet hij, en hij komt daarbij ook tot expliciete erkenning van JHWH.
Vertrouwen, (on)dankbaarheid en winstbejag
Vertrouwen in God ligt aan de basis van de heling van zowel Naäman als de tien melaatsen in Lucas 17. De lezers weten immers dat niet enkel de Samaritaan, maar ook de negen anderen genezen zijn. Jezus vraagt zich retorisch af waar die negen anderen gebleven zijn, zij zijn toch ook genezen? Het vertrouwen in Jezus was er, ze gingen met zijn allen op weg, maar slechts een kwam terug om Jezus te bedanken was er niet. Lucas geeft hiervoor geen verklaring. Wel is duidelijk dat deze ondankbare reactie niet bestraft wordt. Vertrouwen is vertrouwen, geheeld is geheeld. Hiermee brengt Jezus in praktijk wat Hij eerder zijn leerlingen aanbevolen heeft: goed te doen zonder iets terug te verwachten, zoals ook God handelt (Luc. 6,32-35).
In 2 Koningen 5 is er maar één zieke, en die komt dadelijk terug, met heel zijn entourage. Hij wil behalve God erkennen, ook zijn dankbaarheid in pasklare munt uitdrukken. Elisa weigert echter, met een bezwering: ‘Zowaar JHWH leeft’ (2 Kon 5,16). Gechazi, Elisa’s dienaar, ziet dat echter anders. Met dezelfde bezwering wil hij wel iets van Naäman aannemen (v. 20). Onder valse voorwendselen troggelt hij van Naäman twee talenten zilver en gewaden af, die hij bij hem thuis verbergt. Het is Elisa echter niet ontgaan. Dit is toch niet de tijd om jezelf te verrijken? Gechazi gedroeg zich in feite zoals de vijand Naäman die we in het begin van het verhaal leerden kennen: zich meester makend over rijkdom en mensen. Het past dan ook bij de moraal van het verhaal dat Gechazi niet alleen Naämans hebzucht maar ook Naämans ziekte overneemt. Gechazi gaat weg, met een huid wit als sneeuw. Hierin verschilt dit verhaal van de genezing van Mirjam in Numeri 12, waardoor de melaatsheid daar niet het laatste woord krijgt: op voorspraak van Aäron richt Mozes zich tot God, en kan zij zich na zeven dagen terug bij het volk aansluiten (Num. 12,10-15).|
2 Timoteüs 2,8-13
Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.
Preekvoorbeeld
‘Mens, waar ben je dan?’ Dat vraagt Jezus zich af als het gaat om die melaatsen die genezen en gevlogen zijn. Maar zo gauw die vraag klinkt uit Gods mond, dan behelst dat altijd de fundamentele levensvraag: ‘Mens, waar ben je, wie ben je dan, waar sta je in ‘t leven, waar kan Ik je vinden?’ Dat begon al met Adam en Eva, toen die van de boom gegeten hadden. God had hun alles toevertrouwd, in beheer gegeven, maar wel gevraagd dat die mens God God liet zijn. Maar de mens wilde wel ‘ns proberen of het ook zonder God zou kunnen. Bedoeld om uit, met en tot God te bestaan, ging de mens zichzelf als God gedragen. En als God na het eten van de vrucht de mens zoekt, dan klinkt die indringende vraag daar voor het eerst: ‘Mens, waar ben je dan?’
Het zal een jaar of vijftien geleden zijn dat ik met kerstmis preekte dat God terug was in ons land, als vluchteling. Er was toen net een boekje verschenen dat geloof in Europa een nieuwe impuls kreeg juist door de komst van christelijke asielzoekers. Het werd me niet door iedere kerstkerkganger in dank afgenomen dat ik langs die weg de vreemdeling lof toedichtte.
We horen vandaag twee genezingsverhalen en in beide komt juist de vreemdeling tot de lof van God en tot verkondiging. Het verhaal van Naäman in de eerste lezing is een prachtvertelling. Daar komen twee mensen voor die heel expliciet laten zien wie ze zijn en waar ze staan. Naäman was een Syriër met een vreselijke huidziekte. Geen enkele medicijnman of kwakzalver kon hem daar vanaf helpen. Maar er loopt aan zijn hof een meisje rond, dat ooit weggekaapt was uit Israël, maar haar geloof in God nooit verloren noch verloochend heeft. Zij is vreemdeling in dat vreemde land, nochtans het land dat het hare onder de voeten gelopen had en uitgebuit, maar ze getuigt er van haar geloof: ‘Ga toch ‘ns naar het land van God, naar Gods profeet daar, Hij zal u redden!’ Met haar getuigenis laat ze zien wie ze is en waar ze staat. Overigens laat God in dit verhaal zien dat hoewel alles verloren lijkt Hij er ook nog is en ondertussen zijn geschiedenis met zijn volk rustig verder schrijft. En ten goede keert.
Naäman gaat. Het gaat allemaal niet zonder slag of stoot, want als hij bij de profeet komt en daar te horen krijgt dat hij zich zeven keer moet baden in de Jordaan, dan lijkt hij af te haken. Alsof de wateren thuis niet zouden kunnen waartoe dat water hier in staat zou zijn. Maar het gaat niet om het water, maar om geloof in God. Zoals wijwater of Lourdeswater ook geen zin of kracht hebben zonder geloof. Niet het water is wondermiddel, maar Gods kracht. Het oude zuiveringsritueel kent ook geen wonderkracht van zichzelf, maar is een act van diepgelovig vertrouwen. Vandaar ook dat de melaatse er een priester bij moest halen die zowel de ziekte als de genezing – in Gods Naam – moest vaststellen. Het getal zeven verwijst zelf al naar God.
Naäman ondergaat het. Misschien eerst nog onder het motto ‘baadt het niet schaadt het niet’, maar als hij inderdaad genezen blijkt, dan neemt hij een vracht aarde uit het heilige land mee naar huis, om daar voortaan de levende God te aanbidden. De heling leidt tot erkenning van en dankbaarheid jegens God. ‘Nu weet ik,’ getuigt hij, ‘dat er in Israël een God is en nergens anders op aarde!’ Om in zijn eigen land en leven een plek in ere te houden om God te dienen – om God in ere te houden! – daarom neemt hij die grond mee, want God is vanaf nu de dragende grond van zijn bestaan. Niet alleen zijn huid, maar meer nog zijn hart krijgt nieuw leven! Mens, waar sta je? Naäman wil voortaan staan op Gods heilige grond en daar zijn leven op bouwen. De vreemdeling Naäman geeft daarmee een kraakhelder antwoord op de vraag ‘Mens, waar sta je dan?’
Hetzelfde geldt voor de Samaritaan in het evangelie. Een Samaritaan werd door de Joodse goegemeente met de nek aangekeken en als minderwaardig beschouwd, als niet volwaardig. Maar het is juist deze vreemdeling die net als Naäman tot nieuw gelovig inzicht komt. Hij wist heel goed: ‘Bij die Jezus moet ik zijn! Hem ga ik volgen!’ Houd Jezus Christus in gedachten, drukt de tweede lezing ons op het hart, die uit de dood is opgestaan.
Ik kan me niet voorstellen dat die andere negen niet dankbaar zouden zijn. Maar die ene vreemdeling voelt als beste aan dat het leven na genezing alsnog zinloos is, als je je voortaan niet heel dicht houdt bij deze bron van licht, heil en leven.
Eigenlijk gaat het in dit evangelie ook om onze zondagsviering. We komen naar Jezus, vragen naar Hem, luisteren naar Hem, laten ons door Hem aanraken en inspireren, gaan vol lof naar huis en getuigen onderweg en doorheen de hele week wie Jezus voor ons is, en vervolgens keren we met een dankbaar hart ’s zondags hier weer terug. Zo is onze zondagsviering inderdaad bron en hoogtepunt van heel ons christelijk leven! Zo krijgt God de plek die Hem toekomt en laten wij zien wie we zijn en wie God voor ons is!
Vijftien jaar geleden nam deze of gene het me kwalijk dat ik de vreemdeling als voorbeeld stelde. Thans zien we juist langs de weg van de vreemdelingen een (kleine) opleving in de kerk. Tenminste, bij ons is de voertaal bij de koffie na de Mis inmiddels Engels. Misschien zijn ze zoals die meid aan Naämans hof, die ondertussen krachtig van haar geloof getuigt en ons zegt wie we zijn en waar we staan. Met de verhalen van deze zondag in ons hart mogen ook wij met heel ons leven tot dankbaar geloof komen.
inleiding dr. Ine Van Den Eynde
preekvoorbeeld drs. Ed Smeets