- Versie
- Downloaden 7
- Bestandsgrootte 187.80 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 1 augustus 2025
- Laatst geüpdatet 1 augustus 2025
Preek 25e zondag dhj, C jaar, 21-9-2025
21 september 2024
Vijfentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Am. 8,4-7; Ps. 113; 1 Tim. 2,1-8; Luc. 16,1(10)-13 (C-jaar)
Inleiding
Amos 8,4-7
Amos was een boer uit Tekoa in het ‘Zuidrijk’ Juda. Hij trad op in het noordelijke koninkrijk Israël tijdens de regering van koning Jeroboam II (783-743). In die tijd stond Israël op het toppunt van zijn welvaart en politieke macht terwijl Juda een vrij klein en onbetekenend staatje was. Tussen de beiden staten heerste niet alleen politieke spanningen, ook op godsdienstig gebied waren er hevige strijdpunten, ondanks het feit dat in beide gebieden JHWH als nationale godheid werd vereerd, in Juda in Jeruzalem en in Israël in Betel en Dan.
In hoeverre de profetieën van Amos tegen Israël beïnvloed zijn door de politieke en godsdienstige spanningen tussen beide koninkrijken, is niet helemaal duidelijk. In Juda werd vaak nogal in zwart-wit termen over Israël gedacht en gesproken. Opvallend is de reactie van de priester Amasia uit Betel toen hij de profeet terug wilde sturen naar Juda. Hij rept niet over godsdienstige zaken die Amos bekritiseerd had, maar wel over diens politieke opstelling. ‘Hier in Betel, in het heiligdom van de koning, hebt u niets te zeggen’. Juist om die reden zijn de woorden van Amos zo’n verbluffend moedig oordeel (7,10-13).
Amos neemt geen blad voor zijn mond bij zijn kritiek op het leven in Israël. Een overduidelijk voorbeeld daarvan is dat hij de dames van de hoofdstad Samaria uitmaakt voor ‘koeien uit Basan’ (4,1). Ook de perikoop in eerste lezing van deze zondag liegt er niet om. De woorden van Amos tegen het volk van Israël zijn een vervolg op de aanklachten in de voorafgaande bladzijden van het profetenboek.
Abraham Joshua Heschel karakteriseert het onderhouden van de sabbatswetten in afwachting van het einde van de dag en daarnaast het bedriegen met valse weegschalen (v. 5) als zwartgallige ironie voor de moderne lezer. De mensen kijken uit naar het einde van de heilige dag om het bedriegen en uitbuiten weer te kunnen hervatten. Heschel noemt dit een verbluffend oordeel, zeker voor wie gewend zijn om een ritueel op zijn eigen merites te beoordelen. Wanneer dat correct wordt uitgevoerd, heeft het ontegenzeggelijk zijn waarde. Maar de profeet spreekt honend over degenen die ritueel combineren met zonde. Dit standpunt van de profeet, en van God zelf, komt eveneens duidelijk naar voren in hetgeen Amos zegt in hoofdstuk 5,21-25.27.
Psalm 113,1-2.4-6.7-8
Psalm 113 is de eerste van de zogenaamde Hallel-liederen die gezongen werden op de grote feesten. Matteüs (26,30) en Marcus (14,26) maken gewag van deze gewoonte door te vertellen hoe Jezus en zijn leerlingen het Laatste Avondmaal afsloten met het zingen van deze lofzangen. De Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament gebruikt hier de term ha-Hallel. In Psalm 113,1-3 wordt de gelovige tot driemaal toe opgeroepen de naam van de Heer te bezingen. Het waarom van die lofzang lezen we in de verzen 4-9. De wijze waarop de Heer in deze psalm getekend wordt is het absoluut tegengestelde van de houding van mensen zoals zij tot wie Amos zijn profetie richt.
1 Timoteüs 2,1-8
Zie A.B. Merz, ‘De eerste brief aan Timoteüs. Pseudo-Paulus stelt voor altijd orde op zaken’ en K, Touwen, ‘Preekvoorbeeld’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 69-79.
Lucas 16,1-13
Parabels zijn niet altijd even duidelijk. John Dominic Crossan is van mening dat Jezus met zijn vertellingen vaak behoorlijk uitdagend is. Ook al gebruikt Hij bekende situaties, toch moeten zijn toehoorders vaak nogal wat speurwerk ondernemen om er achter te komen wat er precies bedoeld wordt. Niet altijd zo eenvoudig. Daarom vragen de leerlingen soms om opheldering. Op die manier kan echter het uitdagende karakter van de parabel tenietgedaan worden door middel van een allegorische uitleg van het verhaal. Christenen komen niet zelden in de verleiding om parabels allegorisch te interpreteren. Een van de meest bekende voorbeelden daarvan is de uitleg van de parabel van de Barmhartige Samaritaan door Augustinus.
De parabel in de evangelielezing van deze zondag wordt in feite ook vaak allegorisch uitgelegd. Zo wordt de rijke man waar in het eerste vers sprake van is, en die later (v. 8) als ‘heer’ (kyrios) wordt aangeduid door sommigen met God of met Jezus geïdentificeerd. In de stijl van Augustinus kunnen dan vragen rijzen als: wie wordt er bedoeld met rentmeester; wat is de betekenis van de olie en het graan, hoe moet je de veroordeling en het ontslag van die rentmeester verstaan?
Aangezien Jezus vertelt door middel van situaties uit het dagelijkse leven mogen we ervan uitgaan dat zijn toehoorders over het algemeen die situaties herkennen en zich dan gaan afvragen wat de bedoeling van die vertelling is of hoe zij daar mee om moeten gaan. Laten wij daarom beginnen naar de concrete situatie te kijken waar Jezus over vertelt.
Het verhaal begint met de vermelding van een rijke man. Gezien de grote hoeveelheid goederen die men aan hem moet betalen hebben we, naar alle waarschijnlijkheid, te doen een grootgrondbezitter die in de stad woonde, iemand die vaak niet erg geliefd was bij de plattelandsbevolking. Ook Lucas steekt zijn aversie ten aanzien van rijken vaak niet onder stoelen of banken. Op het platteland werden de zaken van zo’n rijke grootgrondbezitter behartigd door een oikonomos, letterlijk iemand die de wetten in het huis of het bedrijf van zijn baas vaststelt en behartigt. Hij kon zodoende leningen verschaffen met de eigendommen van de eigenaar. Aangezien het vaak niet om een betaalde baan ging, maar om een positie op basis van vertrouwen, moest de ‘rentmeester’ zelf maar zien wat dat rentmeesterschap hem op kon leveren. In die zin leek hij verdacht veel op de tollenaars die ook extra betaling rekenden op de officiële tolprijzen. Waarin de verkwisting van de eigendommen van de rijke man door die rentmeester bestonden wordt in het verhaal niet duidelijk. Ook is het vreemd dat de heer zich baseert op wat er van zijn rentmeester gezegd wordt. Hij geeft hem te horen dat hij ontslagen is en pas daarna stelt hij een onderzoek in naar de vermeende fraude.
Een oppervlakkige lezing van het verhaal kan eveneens leiden tot de conclusie dat de rentmeester na van zijn ontslag gehoord te hebben, de eigenaar nog even een loer draait door de schuldbewijzen nog snel even te vervalsen. Misschien daarom kreeg de man de kwalificatie van ‘onrechtvaardige rentmeester’ zoals de ingevoegde titel in veel bijbelvertalingen zegt. Het is dan wel vreemd dat de heer die rentmeester prees ‘omdat hij slim gehandeld had’ met de zaken en ten nadele van de eigenaar. Als het bij de kwijtgescholden hoeveelheden olie en graan echter om het percentage van zijn eigen winst gaat, dan benadeelt hij de eigenaar geenszins maar schept hij wel een garantie voor zijn eigen toekomst. Dat is slim handelen en dat wordt door de heer geprezen.
De verzen 9-13 zijn toevoegingen en een zekere toepassing van de idee van de parabel. De essentie van deze verzen is de uitspraak ‘maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen als de mammon er niet meer is’. In de klassieke oudheid was het maken van vrienden, het patronaat, een gewoonte om garanties te bekomen voor het eigen leven. De uitspraak kan zodoende gezien worden als een waarschuwing ‘kijk uit voor je toekomst’. Hoe we ons die ‘eeuwige tenten’ moeten voorstellen is niet direct duidelijk. Een Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament gebruikt de term misjkenot, hetgeen ‘buren’ betekent. De waarschuwing is dus een oproep om zo te handelen dat je later, voor altijd (aionious; olam), bij je buren, terecht kunt. Deze oproep gaat eveneens in de richting van een waarschuwing om te zorgen dat je ook voor altijd kunt rekenen op de opname door God.
Preekvoorbeeld
Met enige regelmaat belt er een bedelaar bij me aan. Ik kan moeilijk ‘nee’ zeggen, maar ik wil ook niet met mijn geld een of andere verslaving in stand houden. ‘De politie heeft vannacht mijn tentje in beslag genomen’, begon een jonge man zijn verhaal. ‘Hebt u een tentje?’ Ik belde iemand van de diaconie. Ja, ze had een tentje. Zou ze komen brengen. Zo raakte ik bij een kop koffie met hem in gesprek. Hij vertelde over zijn jeugd vol geweld van een vader die aan de drank verslaafd was. Als tiener was hij van huis weggelopen. Hij had onderdak gevonden in een woon- en werkgemeenschap in Frankrijk. Afgelopen maand had hij op Facebook gezocht naar zijn familie en waarachtig foto’s gevonden van zijn moeder aan een gezellig diner. Heimwee had hem naar Nederland gelokt, maar hier ze hadden hem de deur gewezen. Teveel oud zeer.
We hebben hem geholpen met een buskaartje naar Frankrijk. Een maand later stuurde hij een foto uit Marseille waarop hij met een koksmuts op het hoofd stond te koken.
Zo heeft elke oplichter, elke bedelaar, elke vluchteling zijn verhaal. En bijna ieder verhaal vertelt wat je eigenlijk niet horen wilt..., namelijk dat de ander die je in de ogen kijkt, dat die er net zo een is als jij. Je had in hetzelfde schuitje gezeten, als je niet alle geluk van de wereld had gehad.
Op de markt werd waar afgemeten in een kistje van 34 cm hoog, breed en lang, dus van ongeveer 40 liter. Als je deze maat een paar centimeter kleiner maakte, had je extra winst. Zeg maar: zoals met dat pak bakmeel waar – voor dezelfde prijs – ineens 35 gram minder in zat! ‘Krimp-flatie’ noemen we dat tegenwoordig! Bij het afrekenen woog de handelaar de waarde van jouw geld af met een sjekel van dik 10 gram. Als hij die sjekel verzwaard had, liet de klant dus teveel betalen. Deze handelaars konden niet wachten tot de heilige dag was afgelopen. De profeet Amos ergert zich aan deze mentaliteit. Eens kijken wat Jezus zegt over fraudeurs...!
De parabel van de onrechtvaardige rentmeester vinden veel lezers lastig. Het compliment van Jezus aan de oplichter is moeilijk te verteren!
Toespraken van Jezus zijn wel vaker provocerend. Dan wil Hij zijn publiek wakker schudden. Dat doet Hij bijvoorbeeld door ons onsympathieke mensen tot voorbeeld te stellen. U kent ongetwijfeld de dief in de nacht of de vijf egoïstische danseresjes die hun olie weigeren te delen met collegaatjes. Jezus bedoelde niet dat we op die berekenende meiden moeten lijken. Hij wijst ons erop dat zij zich tenminste op het onverwachte hadden voorbereid. Dat is het – en dat alleen! –, wat we van hen kunnen leren.
Zoiets gebeurt ook in de parabel van vandaag. Een bedrieger wordt ons tot voorbeeld gesteld. Echter niet om zijn gesjoemel na te volgen. We moeten niet het vermogen van anderen achterover drukken. Nee, Jezus zegt: ‘deze oplichter doet wat jullie te weinig doen; hij vergeeft. Hij vergeeft uit puur eigenbelang, maar hij doet het tenminste!’
Ik zou me kunnen voorstelen dat aan deze parabel een ware gebeurtenis ten grondslag ligt. Een onbetrouwbare rentmeester was ontslagen, maar voordat dit tot de buitenwereld was doorgedrongen, begon hij – op kosten van zijn heer! – schulden kwijt te schelden. Zo maakte hij vriendjes voor als hij straks zonder inkomen zat. Nu komen mensen naar de wetgeleerde, naar Jezus, om zijn oordeel te vragen. Kon deze rentmeester wel rechtsgeldig schuld kwijtschelden, nu zijn Heer hem al ontslag had aangezegd? De vragenstellers verwachten een veroordeling van de onbetrouwbare knecht. Maar Jezus trekt een onverwachte conclusie. Hij prijst de rentmeester! Hoe crimineel hij ook is, hij vergeeft tenminste, ‘en dat doen jullie niet.’
Zo bezien is de parabel goed te verteren. Maar hebben we nu de angel uit het verhaal gehaald? Jezus wilde ons toch schokken!?
Het woord rentmeester gebruikt Jezus elders om ons allen te typeren. Wíj zijn Gods zaakgelastigden. Ook de lieden die Jezus om een juridisch oordeel vragen, zijn zelf allemaal Gods rentmeesters. Ze vinden dat zij de goede en eerlijke knechten zijn. Ze veroordelen de man die zich dingen van zijn heer toe-eigent en die doet, alsof het allemaal van hem is.
Wil Jezus misschien zeggen: ‘ik zie het verschil niet zo goed, tussen jullie en die oplichter. Jullie doen ook alsof het land van jou is, alsof anderen geen recht op de oogst hebben, alsof hongerende kinderen pech hebben gehad, omdat ze op het verkeerde continent geboren zijn. En als jullie aalmoezen geven en schuld vergeven, dan put je uit de oneindige gaven die je om niets in de schoot geworpen zijn. Maar het verschil tussen jullie en die sjoemelaar is, dat hij tenminste aan zijn debiteuren vergeving schenkt. De rijkdommen waarover hij beschikt zijn sowieso niet van hem.
De bedelaar aan de deur, de vluchteling aan de grens, ze zijn net zo een mens, als je er zelf een bent!
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld Harrie Brouwers