Preek Christus Koning, A jaar, 22-11-2026

[featured_image]
  • Versie
  • Downloaden 0
  • Bestandsgrootte 220.16 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 8 oktober 2026
  • Laatst geüpdatet 8 oktober 2026

Preek Christus Koning, A jaar, 22-11-2026

22 november 2026
Christus Koning

Lezingen: Ezech. 34,11-12.15-17; Ps. 23; 1 Kor. 15,20-26.28; Mat. 25,31-46 (A-jaar)

 

Inleiding

De titel ‘Christus Koning’ kan een zekere verwarring wekken, want waar denk je aan als iemand koning genoemd wordt? In verscheidene landen heeft de koning geen enkele of nog maar een heel beperkte politieke macht, terwijl elders de vorst nog altijd de politieke koers bepaalt. Als we Jezus vergelijken met hedendaagse koningen rijst direct de vraag, welk soort koningschap schrijven we toe aan Hem. En het feit dat in de officiële titel van het feest van vandaag Jezus ‘koning van het heelal’ genoemd wordt, maakt het er niet eenvoudiger op. Want hoe stel je je dat voor, iemand die koning is over heel onze kosmos?

Eerste lezing: Ezechiël 34,11-12.15-17
De profeet Ezechiël, lid van een Israëlitische priesterfamilie, werd op het eind van de zesde eeuw voor de gewone jaartelling, samen met anderen uit de leidende klasse van Jeruzalem in ballingschap naar Babylonië gevoerd. Met zijn deportatie kwam er een totale omkeer in zijn ideeën met betrekking tot God. De lezing voor vandaag maakt deel uit van de beschrijvingen in de hoofdstukken 33–39 uit het profetenboek, hoe de toekomst van Israël eruit zal gaan zien.
Evenals de mensenzoon en rechterkoning in het evangelie van deze feestdag wordt God vergeleken met een herder. Toch is die herder volgens Ezechiël wel anders dan de hem bekende herders die met hun kudde door de woestijn trokken op zoek naar weidegrond en een primitief leven leidden.
De perikoop van vandaag begint, in zekere zin, tamelijk plechtig: ‘Zo spreekt Adonai JHWH’. Het gaat hier niet eenvoudigweg om een beleefde of respectvolle manier van spreken over God, maar om het gevolg van een soort mystieke ervaring van Gods majesteit, of zoals de profeet het zelf noemt ‘de hand van JHWH die op hem kwam (1,3). Gods herderschap wordt beschreven met dezelfde karakteristieken als de herder in Psalm 23, de antwoordpsalm op dit feest. En evenals de rechterkoning uit het evangelie toont hij zijn bezorgdheid voor de gerechtigheid onder zijn kudde: ‘Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen rammen en bokken’ (v.17).

Psalm 23
Het thema van God als herder komt hier op poëtisch-ontroerende wijze naar voren. Dat het niet gaat om een triviale wijze van spreken wordt al direct duidelijk bij het eerste woord: JHWH, de onuitsprekelijke godsnaam. En niet alleen die godsnaam is onuitsprekelijk, ook wat Hij doet is niet of nauwelijks uit te drukken.
In de verzen 1-3 tekent de psalmist hoe God de herder zijn kudde op het goede spoor leidt en zorgt dat ze eten en drinken krijgen.
In vers 4, dat niet in de antwoordpsalm van dit feest is opgenomen, zien we een ander beeld van God. Tot zelfs in levensgevaar kan de psalmist op God vertrouwen. De relatie met God is tot een ware interpersoonlijke band geworden: “Jij bent bij mij. Jouw staf en jouw steun staan mij bij”.
In de volgende verzen wordt die idee van interpersoonlijke relatie doorgezet en versterkt: ‘Jij nodigt mij aan jouw tafel; Jij zalft met olie mijn hoofd’. Deze relatie is zelfs zo sterk dat de psalmist geen gast meer is van de herder, van JHWH, maar zijn huisgenoot: “Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.

Tweede lezing: 1 Korintiërs 15,20-26.28
Paulus maakt hier een vergelijking tussen Christus en Adam, tussen leven en dood. Door Adam wordt de dood een realiteit in het mensenbestaan; door Christus die verrezen is krijgt men deel aan het leven. De apostel ziet de overwinning op de dood als teken van het koningschap van Christus. Dat koningschap is echter geen absolute macht, maar moet door Christus aan God de Vader, de enige koning, overgeleverd worden. Paulus gebruikt hier hetzelfde werkwoord (paradidomai) dat gebezigd werd in het passieverhaal waar verteld wordt dat Jezus ‘overgeleverd’ werd om gekruisigd te worden. Deze overgave van de koningsmacht aan de Vader is de voorwaarde dat God alles in allen zal zijn.

Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Evangelie: Matteüs 25,31-46
De evangelieperikoop van dit feest is gekozen om de gelovigen een beeld geven van Jezus als koning. Eenvoudig is dat niet, aangezien er ook nog sprake is van de ‘mensenzoon’, de mysterieuze figuur, bekend uit het Eerste Testament. Op deze wijze wordt niet direct duidelijk hoe we dat koningschap van Jezus moeten verstaan.

De enige, en misschien de enig juiste manier, om helderheid te krijgen over het koningschap van Jezus, is te rade te gaan bij de Joodse Bijbel. Daar hebben koningen geen enkele wetgevende macht. Alleen God is wetgever. Wetten door aardse koningen uitgevaardigd concurreren met Gods soevereiniteit. De taak van de koningen was ervoor te zorgen dat Gods wetten in praktijk gebracht werden en om de onderdanen te oordelen, of te veroordelen, naar gelang hun al of niet leven volgens Gods wetten.

Onze perikoop is een parabel met een happy end dat uitgedrukt wordt door de uitnodiging van de rechter-koning tot de rechtvaardigen: ‘Komt gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging der wereld’. De parabel eindigt in dezelfde trant als enkele van de voorgaande parabels waar sprake is van veroordeling tot een situatie waar gejammer is en tandengeknars (vgl. 24,51; 25,30). Het einde van deze rede van Jezus (26,1) wordt vermeld op dezelfde manier als waarop de andere redevoeringen in het Matteüsevangelie eindigen: ‘Toen Jezus al deze woorden geëindigd had…’ (vgl. 7,28; 11,1; 13,53; 19,1).

In de parabel van deze dag stelt Jezus een koning voor met de kenmerken van een Israëlitische koning. Hij neemt dan ook plaats op de koninklijke rechterstoel. Moeten we hier al direct denken aan Jezus zelf als die rechter-koning? De idee achter de keuze van deze perikoop voor het feest van vandaag stuurt ons wel in die richting. De opmerking in vers 34 zou daarvoor als argument kunnen dienen: ‘jullie zijn gezegend door mijn Vader…’ Vers 41 versterkt, volgens enkele manuscripten, dat bewijs nog eens: ‘Verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat mijn Vader gereed gemaakt heeft voor de duivel en zijn engelen’. We zouden hier zodoende een parabel hebben waar, uitzonderlijk, de ‘verteller Jezus’ in alle duidelijkheid over zichzelf spreekt.

Als een ervaren rechter laat de rechter-koning allereerst alle volken voor zich bijeenbrengen in het gerechtshof. Vervolgens splitst Hij ze in twee groepen, goeden en slechten, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. Het evangelieverhaal kan ons in de verleiding brengen om de schapen als de goeden en de bokken als de slechten te zien. Voor de herder was het scheiden van schapen en bokken een praktische kwestie. De schapen met hun dikke vacht waren beter tegen kou bestand dan de bokken. Schapen konden eventueel de nacht in de open lucht doorbrengen, terwijl voor de bokken in de koude winternacht een overdekte of afgesloten ruimte het beste was. Na die vermelding van schapen en bokken in het begin komen ze niet meer voor in het verhaal. Als de bokken zouden staan voor de slechten, is het bovendien niet te begrijpen waarom het geoorloofd was, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om bokken aan God te offeren in de tempel. Voor de sedermaaltijd op het Pesachfeest konden de families kiezen tussen een schaapslam of een bokje (vgl. Ex. 12,3).

De evangelist gaat nu verder naar zijn relaas over het gerecht. De gedagvaarden worden niet ondervraagd over hun geloof of godsdienstige praktijken maar over hun al of niet sociale gedrag en solidariteit met mensen aan de zelfkant van de maatschappij: slachtoffers van honger en dorst, vreemdelingen, naakten, zieken en gevangenen. Op basis van dat gedrag worden zij, de volken, geoordeeld en zonodig veroordeeld. De koninklijke rechter hanteert voor zijn oordeel hetzelfde criterium als in het verleden de profeten deden (vgl. Hos. 6,6).

De sleutelopmerkingen in deze parabel zijn dan ook: ‘Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’ (v. 40), en ‘Alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijksten niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan’, waarmee de rechter-koning zich identificeert met de onaanzienlijksten in de maatschappij. Op deze wijze wordt de lezer hier een heel nieuw beeld van het koningschap aangeboden.

 

Preekvoorbeeld

1.
Wie heeft er nu nog een herder nodig? Een koning, ja, dat is een mooi symbool voor ons als volk. Maar die moet dan geen herder willen zijn. Leuk dat hij ‘Van Oranje’ heet. Allemaal Oranje, allemaal gezamenlijk een beetje koning, allemaal op onze eigen manier. Geen herder die recht spreekt tussen de schapen, zoals de profeet Ezechiël het zegt (34,17). Dat is te lastig en te dwingend. Het is voldoende als wij naar ‘welige weiden’ worden geleid, zoals God via de profeet belooft in een vers dat onze eerste lezing van vandaag nu net overslaat (v. 14). De rest zoeken wij zelf wel uit.

Was dit niet lang de hoofdtoon van onze cultuur? Maar nu lijken de kinderen en kleinkinderen van de generaties – bewust herderloze schapen – te zeggen: ‘Wij zijn in de steek gelaten. Niemand die onze herder wilde zijn en nu lopen wij verloren. Oneindige mogelijkheden, maar wat moeten we kiezen? En hoe? Word wie je zijn wil, werd ons gezegd, maar wat als dat mislukt? Of lukt, maar enorm tegenvalt?’ Zij vinden hun herders op internet, in zogenoemde influencers die niet bang zijn om te zeggen hoe je goed leeft. Sommigen komen naar de kerk. Daar wordt immers vanouds geherderd en gezongen van een God die als een herder is. Zoals wij vandaag in de psalm doen.

2.
En de kerk verwijst door, naar Jezus. In de parabel die wij Jezus in het evangelie horen vertellen, verwijst Hij door naar God, zijn Vader. Naar de herder die koning is over alles. De koning over alles, die als een herder is.

Als je wilt weten hoe je moet leven, kijk dan eens terug, zegt deze herder-koning. Wat heb je met je leven gedaan? Ben je voor iemand van bijzondere betekenis geweest? Voor mensen die honger hebben, bijvoorbeeld, door ze eten te geven? Of door wie dorst hebben te laten drinken? Heb je kleren gegeven aan wie ze niet hadden, een rust- en schuilplaats geboden aan wie die ontberen? Ben je op bezoek gegaan bij wie zelf nergens heen konden, omdat ze ziek zijn of gevangen zitten? Op die plaatsen werd het leven goed. Zo zou je moeten leven. Niet omdat ik het zeg, maar omdat het van betekenis is.

Want de herder-koning kondigt in deze parabel niet een wet af om vervolgens te zorgen dat de wet ook gehoorzaamd wordt. Integendeel. Degenen die hij wegstuurt, weten niet dat zij zijn wet hebben overtreden. Degenen die hij uitkiest om het koninkrijk in bezit te nemen dat vanaf het begin van de schepping voor ze klaar ligt (Mat. 25,34), weten evenmin dat zij zijn wet hebben gehoorzaamd. Zij hebben zijn wet spontaan belichaamd en worden daarom bevorderd tot mede-koningen en mede-herders.

3.
Zij hebben zich gedragen als schepselen die elkaar hoeden en bewaren, als herders hun schapen. Al doende verkondigden zij de wet dat alles en iedereen van waarde is. Wie waarde en betekenis ziet waar ze vaak worden genegeerd of ontkend – bij mijn minste zusters en broeders, zegt de herder-koning (vv. 40 en 45) – en daarnaar handelt, toont zichzelf een zoon of dochter van de herder-koning die in de parabel centraal staat als beeld van hoe God is. Daarmee zijn zij erfgenaam, zal de apostel Paulus zeggen (Rom. 8,17). Zij zijn erfgenamen van Gods koninkrijk dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt om door te breken en dat in hen daadwerkelijk doorbreekt.

Het koninkrijk breekt door in het geven van een snee brood, een beker water, een jas of een broek. In het bieden van een slaapplaats, in het brengen van een bezoek aan wie beschadigd is en uitgesloten. Het kleine is onmetelijk groot. De herder-koning spreekt tegen wat wij vaak denken en jonge mensen van alle kanten wordt aangepraat. Van beslissende betekenis zijn niet wie wereldberoemd zijn. Van betekenis zijn niet allereerst diegenen die bekend staan als wereldveranderaars. Van betekenis zijn allereerst diegenen die doen wat gedaan moet worden, daar en op het moment waar het als vraag aan hen verschijnt als nodig. Daar flitst het koninkrijk op dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt voor wie het met hart en ziel en woord en daad verlangen.

4.
Met de parabel van vandaag over de herder-koning eindigt in het Matteüsevangelie Jezus’ verkondiging. Hierna volgt het verhaal van Jezus’ lijden, dood en verrijzenis. De parabel verwijst terug naar het begin van Jezus’ verkondiging, de Bergrede. In de parabel staat het belang centraal van de kleine, concrete goedheid en in de Bergrede benadrukt Jezus het belang van het verborgene. Daar, in het verborgene, is de God die Jezus op de berg nadrukkelijk ‘jullie Vader’ noemt (Mat. 6,6.18).

Daar, in het verborgene, ontkiemt het langzaam en flitst het bij tijd en wijle plotseling op, dat koninkrijk dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt. In het verborgene leven wij mensen het grootste deel van ons leven en krijgt het leven zijn waarde. Of niet. Niet allereerst in de schijnwerpers in elk geval. ‘En je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen’, verzekert Jezus in de Bergrede (Mat. 6,4.6.18). Zouden we dat onze jonge mensen weer geloofwaardig kunnen voorhouden, en zo ook onszelf? Als we vertrouwen dat daar, in het verborgene, openbaar is geworden wie al wat bestaat draagt en richting geeft, suggereert de apostel Paulus in de lezing die wij hoorden. Als ons leven ervan getuigt dat Jezus de Gezalfde van God is en de koning van het heelal, zegt de titel van het feest van vandaag.

5.
Jezus heeft de parabel van de herder-koning ten volle geleefd en belichaamt. Hij deelde wat Hij had en wat Hij was met wie dat nodig hadden. Hij doet dat nog altijd, wat Hij was leeft nog altijd en daarom kunnen wij daarin zijn handen en voeten zijn, zijn ogen, zijn oren en zijn mond. Hij heeft in zijn leven het koninkrijk blootgelegd dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt voor al diegenen die ervanuit leven. Die hun vertrouwen stellen op de God die alles heeft gemaakt opdat het ‘zeer goed’ zou zijn en die niet terugschrikken van de weerstand die dat oproept.

Zo wil Jezus koning zijn, zegt Hij in het Johannesevangelie (18,37): door te getuigen van de waarheid. De waarheid dat het uiteindelijk Gods herderlijke goedheid is die het heelal regeert en niet de meedogenloze machten. Hoe breed die zich ook maken, hoe dodelijk die ook zijn. Dat wij daarom in Jezus’ spoor geroepen zijn voor elkaar een herder te zijn en zo te regeren als koningen met de koning.

Inleiding Gerard van Buul OFM
Preekvoorbeeld prof. dr. Erik P.N.M. Borgman