- Versie
- Downloaden 10
- Bestandsgrootte 221.60 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 30 juli 2026
- Laatst geüpdatet 30 juli 2026
Preek 29e zondag door het jaar, A jaar, 18-10-2026
18 oktober 2026
Negenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 45,1.4-6; Ps. 96; 1 Tess. 1,1-5b; Mat. 22,15-21 (A-jaar)
Inleiding
De thematiek van de twee hoofdlezingen van deze zondag heeft betrekking op de verhouding tussen geloof en politiek. De tekst uit Jesaja is geschreven op een moment van ingrijpende politieke omwentelingen in het gehele Midden-Oosten. Het Perzische Rijk vormde zich en dat had grote consequenties voor Israël, dat toen nog in ballingschap verbleef in Babylonië.
Jezus trad op in een tijd van voortdurende politieke spanningen in Palestina. Het land was bezet door de Romeinen en tegelijk leefde het volk onder het juk van de tempelverplichtingen.
Hoe ervoer men de aanwezigheid en nabijheid van God in een tijd van zoveel verandering en pressie? Welke weg wees Jezus aan?
Jesaja 45,1.4-6
In oktober 539 vChr. versloeg de Perzische koning Cyrus bij Opis, een stad die lag aan de rivier de Tigris niet ver van het huidige Bagdad, de legers van de Babyloniërs. Het was een beslissende slag. De bevolking van Opis kwam hierop in opstand tegen haar eigen regering en zonder verdere gevechten veroverde Cyrus twee weken later Babylon. Het betekende de val van het Nieuw-Babylonische Rijk.
De verovering van Babylon was voor de Perzische vorst de kroon op een zeer succesvolle campagne in heel het Midden-Oosten, die nog verder zou gaan met de onderwerping van Egypte. Onder Cyrus ontstond zo het grootste wereldrijk dat tot dan toe ooit bestaan had.
Cyrus, bijgenaamd de Grote, was een uitzonderlijk bekwaam legerleider en bestuurder. Hij gold als wijs en tolerant, wat zich onder andere uitte in een soepele houding ten aanzien van de cultuur en religie van de verschillende volkeren in zijn rijk. Schatten die door de Babyloniërs waren veroverd en meegevoerd naar Babylon werden teruggegeven. Dat gold ook voor de tempelschatten die in 586 uit Jeruzalem geroofd waren. Bovendien kregen gedeporteerden uit allerlei windstreken de gelegenheid weer naar hun eigen gebieden terug te keren.
Deze opzienbarende nieuwe wereldleider heeft zich in korte tijd alom zeer populair gemaakt. Dat blijkt onder andere uit de manier waarop hij prominent in de hoofdstukken 44 en 45 van Deutero-Jesaja verschijnt. Hij wordt daar getekend als de uitverkorene, de gezalfde van de God van Israël. Cyrus maakte de terugkeer van de ballingen naar Jeruzalem mogelijk.
Het is interessant te zien hoe de nieuwe politieke situatie door de schrijvers van Deutero-Jesaja religieus geduid wordt. Cyrus is het instrument in Gods handen, niet alleen voor het Joodse volk, maar voor de hele toenmalig bekende wereld (45,1). In de verzen 44,24 tot 45,3 vinden we in enkele zinnen de succesvolle campagne van de Perzische koning verwoord op een manier die bevestigd wordt door buitenbijbelse bronnen uit die tijd (bijvoorbeeld op de zogenaamde Cyruscilinder).
Met de komst van Cyrus begon er een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Israël. De Babylonische ballingschap was geen eindpunt. Er zou weer toekomst mogelijk zijn in het van oudsher beloofde land. Jeruzalem en de Tempel zouden weer opgebouwd kunnen worden. En de ene, de God van Israël, liet zich op een nieuwe, verrassende wijze kennen, nota bene gebruikmakend van een vreemde, heidense vorst, zonder dat die zich daar bewust van was (45,5).
Het boekdeel Deutero-Jesaja laat meer verrassende aspecten van God zien: zijn nabijheid en tederheid en ook zijn vertrouwen in de toekomst met zijn volk, ondanks de enorme terugslag die Israël ervaren had na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel en het einde van de dynastie van David. Er wordt ook veel nadruk gelegd op de ene als enige God (vgl. 45,6). Deutero-Jesaja is een krachtig pleidooi voor een monotheïstisch geloof en wil definitief afrekenen met de verering van andere goden naast de ene, zoals dat gedurende de monarchie steeds gebruikelijk is geweest. Deutero-Jesaja wil dus het geloof van Israël vernieuwen, precies zoals dat past in een 'nieuwe tijd' met nieuwe mogelijkheden.
Psalm 96
In deze psalm wordt de lof gezongen op de ene, de God van Israël, die beslissend aanwezig is in de geschiedenis van alle volkeren. Zijn project van vrede en gerechtigheid met de mensheid (vgl. 96,10) heeft te allen tijde relevantie.
1 Tessalonicenzen 1,1-5b
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27
Matteüs 22,15-21
Het verhaal van Matteüs 22,15-21 maakt deel uit van de hoofdstukken die voorafgaan aan het lijden en de dood van Jezus en die vertellen over de laatste week van zijn leven. De intocht in Jeruzalem heeft plaatsgevonden en ook de uitdrijving van de handelaren uit de tempel. In één klap was Jezus in Jeruzalem een bekende en ook omstreden figuur geworden die van alle kanten luisteraars trok. Vanaf hoofdstuk 21,23 bevindt Jezus zich op het tempelplein om onderricht te geven. Hij weet zijn toehoorders te pakken met parabels en prikkelende uitspraken en heeft het gehoor op zijn hand (vgl. 21,46).
Maar er komen niet alleen mensen met positieve bedoelingen op Hem af; diverse groepen van tegenstanders proberen met Hem in discussie te treden en Hem te betrappen op tegenstrijdigheden of politiek riskante uitspraken. In de lezing van vandaag zijn het leerlingen van de Farizeeën en Herodianen.
Deze twee groepen samen zou je een monsterverbond kunnen noemen, want ze waren bepaald geen vrienden. Vandaar dat Jezus hen huichelaars noemt. De Farizeeën waren over het algemeen anti-Romeins en de Herodianen collaboreerden juist met de bezetters. Hun vraag aan Jezus gaat precies over loyaliteit aan de bezetters. Zou Jezus antwoorden dat je belasting moet betalen, dan zou Hem dat populariteit kosten onder het Joodse volk, waar velen zich verzetten tegen de bezetting door de Romeinen. Zou Hij zeggen dat je geen belasting moest betalen, zouden de Romeinsgezinde Herodianen Hem bij de autoriteiten kunnen aangeven wegens opruiing.
Het antwoord van Jezus is beroemd om zijn genialiteit. Hij relativeert de betekenis van belasting zonder weigering te bepleiten en stelt er een ander belang boven: doen wat God van ons vraagt. Dat kan wel degelijk inhouden tegen de Romeinse onderdrukking op te staan, maar dat zegt hij niet hardop. Zowel de Farizeeën als de Herodianen krijgen nul op het rekest.
Jezus' antwoord is meer dan een slimme uitweg uit een strikvraag. Je zou het ook een politieke filosofie in een notendop kunnen noemen of een aanzet daartoe. Hij stelt de vraag aan de orde hoe je je vanuit je geloof opstelt in de politieke realiteit. In zijn antwoord nu moet Hij eerst de val onklaar maken die zijn tegenstanders Hem bereid hadden, maar het zal voor iedereen duidelijk geweest zijn in welke richting Jezus verder denkt. Tijdens zijn leven had Hij namelijk allang stelling ingenomen: als je doet wat God van ons vraagt, gaat de nood van mensen altijd boven wetten en andere formele regelingen. Dit bracht Hem in direct conflict met de Joodse religieuze autoriteiten en uiteindelijk ook met de Romeinse overheid. Dat is een prijs die Hij heeft willen betalen.
Literatuur
Michael D. Coogan: A Reader of Ancient Near Eastern Texts, Oxford University Press 2013 p. 84-85: The Cyrus Cylinder.
S.P. Dee en J. Schoneveld: Encyclopedie van het Oude en Nieuwe Testament, z.j. trefwoord 'Cyrus II'.
Susan Sierksma-Agteres: ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, op: Protestantse Theologische Universiteit > Bijbelblog (https://www.pthu.nl/bijbelblog/2025/10/)
Wim Weren: Matteüs, KBS 1994.
Preekvoorbeeld
Terwijl velen zich zorgen maken over de zoveelste dip in onze economie, lezen wij van Jezus en het geld. Het gaat niet om bonussen en het gaat niet over een crisis, het gaat over belasting betalen aan de bezetter, de jaarlijkse heffing van één denarie voor elke inwoner van Judea tussen 12 en 65 jaar oud, een belasting die in Romeinse munt moest worden betaald.
En wat is er op die munt te zien? Jezus – die zelf geen geld op zak had – vraagt het hen: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’ En ze lezen voor: ‘Keizer Tiberius, goddelijke zoon van de verheven god Augustus, hogepriester.’ Afbeelding en opschrift.
Daarmee wordt meteen duidelijk waarom op het tempelplein die tafels van de wisselaars stonden zodat je je verplichtingen jegens de tempel kon voldoen met geld waar dat allemaal niet op stond: ‘goddelijke zoon, verheven god Augustus,’ die blasfemie en heiligschennis.
De wisselaars maakten het je mogelijk om het gewone geld-dat-stom-is-maakt-recht-wat-krom-is – met dus de beeldenaar en dit opschrift van de keizer erop – in te wisselen tegen tempelvaluta, opdat je met schone handen de tempelheffing zou voldoen. Een kwestie van principes. Maar net een hoofdstuk eerder, hier in het evangelie, heeft Jezus die tafels omgegooid.
En nu gaat het niet over de tempelheffing – dus je religieuze verplichtingen – maar om de belasting die aan de keizer moet worden voldaan.
Daar uitspraak over te doen is gevaarlijk, die jaarlijkse heffing was een heikele kwestie. Zou Jezus ermee instemmen dat de Romeinen die belasting terecht heffen, dan zou Hij in de ogen van zijn eigen volk en zijn mede-Farizeeërs volkomen ongeloofwaardig zijn. Maar zou Hij zich uitspreken tegen de Romeinse fiscus, dan was Hij een oproerkraaier. Wat Jezus ook zegt, ja of nee, met deze vraag zetten ze Hem klem. Dus sturen ze een wonderlijk gezelschap op hun af: de Farizese leerlingen, die tegen die jaarlijks heffing waren en de Herodianen, de partijgangers van de dynastie van Herodes, die gemene zaak maakten met de Romeinen.
De vraag wordt ingeleid met stroop om de mond: ‘Meester, we weten dat U oprecht en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. U trekt u niets aan van het oordeel van anderen, want U ziet niemand naar de ogen.’
Maar dan moet en zal Jezus kleur bekennen: ‘Zeg ons dan wat U hiervan vindt: mag men belasting betalen aan de keizer of niet?’
Nu kún je zeggen dat Jezus zich hier handig uitdraait of dat Hij zich op de vlakte houdt: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Je kúnt dat lezen als een veilig antwoord waarmee Hij zijn hachje heeft gered. Maar laten we nog eens goed luisteren: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Die twee staan niet op hetzelfde plan. Die twee zijn volstrekt onvergelijkelijk. De één noemt zich wel ‘god’ maar de ander is God.
Die munt is klaarblijkelijk van de keizer, z’n tronie staat er op. Wat doet die munt hier? Kennelijk heeft de keizer hem verloren, dus geef hem die munt terug of breng hem naar de belastingen, die voor Jezus niets anders zijn dan een loket verloren voorwerpen.
Het geven waar Jezus het over heeft: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is’ is een teruggeven. En ‘Geef aan God wat van God is’, dat is ook een teruggeven, zoals de psalmen zingen: ‘Van God is de aarde en die haar bewonen!’ Dat over het opschrift.
En de beeltenis van God? Die staat in ieder mensenkind geprent: ‘geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.’
Dus nogmaals: Jezus zelf had geen geld op zak! Hij zegt: ‘Geef aan de keizer terug wat van hem is’, kop of munt, het is Jezus om het even. Maar jij, van wie ben jij?
Er wordt ons hier niet een twee rijkenleer uit de doeken gedaan, over hoe kerk en wereld zich tot elkaar verhouden, elk met hun eigen aanspraken.
Nee, het wordt toegesneden op jouzelf. Jijzelf moet in alles wat je overkomt, weten dat je beelddrager bent van God, tot de hoge roeping van Gods kinderen verheven, een zoon of dochter van Abraham en Sara.
Je bent geen belastingplichtige die de centen bij elkaar moet schrapen, uitgaande van schaarste en menselijk tekort. Nee, je deelt uit van de overvloed Gods, je bent een bevoorrecht mens. Gods oorspronkelijk evenbeeld ben jij!
Gemakkelijk gezegd. Aan de hand van dit evangelie laat zich geen theorie ontvouwen over hoe Gods regiment en het wereldlijk regiment zich tot elkaar verhouden.
Alle aandacht gaat hiernaar uit: dat de aarde is van God en dat jijzelf van God bent, zijn eigendom, zijn eigen kind, zo eentje aan Abraham en Sara beloofd, talrijk als de sterren aan de hemel en het zand aan de zee. Dat is naar Gods overvloed gerekend.
Laat dus niets of niemand anders jou opeisen, verslaven, beslag op je leggen. ‘Ik ben een kind, door God bemind en voor het geluk geschapen.’
Nu had ik het net over de tweerijkenleer alsof dat twee koninkrijken zijn die naast elkaar liggen, met enerzijds Gods regiment en anderzijds het wereldlijk regiment.
Maar de lutherse term ‘tweerijkenleer’ is pas rond 1930 gesmeed, is heel verwarrend en komt bij Luther dus überhaupt niet voor. Hij heeft het wel over het eeuwige Rijk van God en Gods tijdelijke wereldlijke regiment. Daaruit blijkt wel hoe ongelijk die rijken zijn. En het ene, het wereldlijke regiment, is niet slechts de overheid met zijn belastingen en het leger. Nee, het is het geheel van al onze samenlevingsvormen: partnerschap, familie, politiek, rechtspraak, kunst, wetenschap, belastingen, ja, die ook.
En Gods eeuwig rijk is dat je het evangelie bent toegedaan en dat je het erbij houdt dat er één is die regeert, de Opgestane, die regeert vanaf het kruis. Volgens Luther ben je slechts burger van dat ene rijk van God, dat is een waarborg van je vrijheid en autonomie en je durf om een afwijkend standpunt in te nemen.
Je bent vóór alles een burger van het Koninkrijk van God. En je leeft naar de mores van dat rijk! Niet eens of ooit of nooit, maar nu al! Je bent geroepen tot Gods manier van doen.
Maar juist dat – Gods manier van doen – , je mag het nooit vergeten, en toch is dat het eerste wat je telkens weer vergeet.
De liefde, de genade en de goedheid van God ben je zomaar kwijt, zoals een kind zijn sleutels, schoenen of die ene tas, en alles wat een kind ’s morgens vroeg als het toch al weer net te laat is, kwijt is: nee, die niet, die paarse schoenen! En als vader loop je mee te zoeken en holt met het pakje brood achter ze aan, want ook dat waren ze al weer vergeten.
Zo holt God achter ons aan en heeft bij zich wat we in de drukte en het gedoe al weer kwijt waren: zijn genade en goedheid. Hij heeft ze op geraapt en herkend: ‘Maar dat zijn de genade en goedheid die Ik bestemd had voor...’ en dan noemt Hij jouw naam, schiet zijn pantoffels aan en rent je achterna.
Voorop staat dat God regeert, de aarde en haar volheid, zijn van Hem, en dus van niemand anders, en dus van al Gods kinderen, en dus ook van jou: jij, door God verheven tot de waardigheid van het kindschap Gods.
Daar schakelt het dus. Op de munt staat de kop van de keizer, zijn beeltenis. Maar jij, wat is er van jou af te lezen? Jij, geschapen naar Gods beeld?
Wat betekent dat? Het is om te beginnen een eigendomskwestie, daar hebben we het net over gehad: je bent van God. Geef dan jezelf aan Hem terug!
Maar het is ook dat jij God zichtbaar maakt in deze wereld. Je bent een afspiegeling van Hem. Dat doet het geld ook, het maakt de keizer zichtbaar en zijn manier van doen: het geld dat stom is maakt recht wat krom is.
Maar jij bent niet stom, Je zingt Gods lof en Kyrieleis, ‘Heer ontferm u’, telkens weer. Je bent geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, je maakt God zichtbaar en hoorbaar en tastbaar in deze wereld.
Niet dat jij er alleen voor staat. Niet dat God zich teruggetrokken heeft en jij het nu allemaal op je eigen houtje moet doen. Dat ‘beeld en gelijkenis van God’ is je niet ingebakken en nu zoek je het zelf maar uit.
Nee, het is een weerspiegeling. Jij bent geschapen om de glimlach van God te weerspiegelen. Daar ben jij helemaal op aangelegd. De glans van Gods aangezicht glanst van je af, zoals de glans van Gods aangezicht ook afglanst van het aangezicht van al die andere kinderen van God, maar dan moet je wel goed kijken, met de ogen van je hart, want anders zie je er niets van: de weerspiegeling van Gods aangezicht in de onaanzienlijkste mens.
Hoe zeggen ze dat van Jezus? ‘U trekt u niets aan van het oordeel van anderen, want U ziet niemand naar de ogen.’ Iemand naar de ogen zien, dat is: berekenend, je aanpassend, je in likkend, om maar profijt te trekken van die ander, om maar beter te worden van de situatie.
Nee, van Jezus weten we dat Hij kijkt met de ogen van zijn hart. Die oogopslag zal Hij ons leren: dat wij de ander maar ook onszelf leren bezien als weerspiegeling van Gods milde glimlach over alles wat Hij gemaakt heeft.
Literatuur
M. Ruppert, Het Rijk Gods en de wereld, Kampen 1987
inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,