Preek 18e zondag door het jaar, A jaar, 2-8-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 0
  • Bestandsgrootte 92.00 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 16 juni 2026
  • Laatst geüpdatet 16 juni 2026

Preek 18e zondag door het jaar, A jaar, 2-8-2026

2 augustus 2026
Achttiende zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 55,1-3; Ps. 145; Rom. 8,35.37-39; Mat.14,13-21 (A-jaar) 

Inleiding

Uit Matteüs lezen we vandaag het verhaal van het overvloedige brood. De verleiding is groot dit verhaal te lezen vanuit een eucharistisch perspectief. Zo’n lezing heeft goede papieren, maar we mogen niet voorbijgaan aan wat het meest aan de oppervlakte ligt: het gaat over delen van wat we hebben, ook als we vrezen dat dat niet genoeg is. We bidden trouw ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, maar vandaag klinkt het woord van Jezus: ‘Geven jullie hun te eten’ (Mat. 14,16). Daarin weerklinkt de profetische oproep van Jesaja: ‘kom, koop en eet zonder geld’ (Jes. 55,1). Dat woord is gericht tot de armen: ‘Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is?’ (Jes. 55,2). Ook bij Jesaja is er een groots heilshistorisch perspectief, maar het visioen is leugenachtig als wij niet hier en nu van onszelf delen.

 Jesaja 55,1-3
In deze perikoop roept Jesaja tot de ballingen in Babel: ‘Kom, koop zonder geld’. Hier is water, koren, wijn en melk zonder betaling. Het zijn tekenen van de overvloed van het heil dat de Eeuwige aan zijn volk aanbiedt. Het is gratis, in de oorspronkelijke betekenis van het woord: met gratie, genadegave. Het is de enige manier waarop zij die niets hebben kunnen kopen. Vervolgens stelt Jesaja een vraag: ‘Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is… aan wat niet verzadigt?’ Het is een actuele vraag. Niet alleen omdat ‘wij rijken’ geld uitgeven aan nutteloze zaken, maar ook omdat we geld uitgeven aan knutselvoedsel dat niet voedt, maar wel duur is en het milieu overmatig belast.

Natuurlijk zijn water, koren, melk en wijn óók metaforen. Echt water, écht voedsel, dat is het woord van Tora. Maar de metaforische betekenis veronderstelt de letterlijke betekenis. Wie het woord van Tora onderhoudt zal vanzelf brood geven, koren, melk en wijn aan wie tekortkomen. Wie zo leeft zal geen geld verspillen aan dat wat niet voedt. Niet voor niets vervolgt Jesaja 56,1: ‘onderhoud het recht, beoefen de gerechtigheid’.
Jesaja kijkt trouwens verder dan onze perikoop lang is. De overvloed van Tora is niet gereserveerd voor de eigen groep: ‘Een volk dat u niet kent roept u op en een volk dat u niet kent snelt op u af’ (55,5). Bij Jesaja zijn geen hekwerken en pushbacks om de eigen overvloed te verdedigen. Het is immers de overvloed van de Eeuwige.

Romeinen 8,35.37-39
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 14,13-21
Het verhaal van het overvloedige brood klinkt in het Nieuwe Testament een paar maal. Lucas en Johannes hebben het (Luc. 9,10-17; Joh. 6,1-13). Marcus en Matteüs vertellen het zelfs tweemaal, eerst rond ‘de vijfduizend’ (Mar. 6,32-44; Mat. 14,13-21), vervolgens rond ‘de vierduizend’ (Mar. 8,1-10; Mat. 15,32-38). Onze perikoop is deel van een samenhangend geheel rond het thema brood (Mat. 14,1–16,12). Behalve de ‘de vijfduizend’ (14,13-21) en ‘de vierduizend’ (15,29-39) vinden we hier ook het handenwassen voor het eten (15,1-20), de Kanaänitische en de broodkruimels (15,21-28) en het zuurdesem (16,1-13).

De situatie is dat Jezus net heeft gehoord van de executie van Johannes en nu uitwijkt voor de lange arm van koning Herodes. ‘Uitwijken’ is een belangrijk woord: Jezus wijkt in de loop van het evangelie steeds verder uit. Eerst zijn het de wijzen die uitwijken voor Herodes (2,12), daarna wijkt Jozef met zijn gezin uit naar Egypte (2,14) en naar Galilea (2,22). Jezus wijkt uit naar Galilea als Hij hoort dat Johannes gevangengenomen is (4,12). Als Jezus vermoedt dat Hijzelf aan de beurt is, wijkt Hij verder uit (12,15). Vandaag wijkt Hij nog verder uit naar een eenzame plaats (14,13). Uiteindelijk wijkt Hij uit naar het buitenland (15,21). Daar, in de confrontatie met de Kanaänitische, wordt een keerpunt bereikt. De richting keert om, terug naar Jeruzalem, het gevaar weer tegemoet (16,21).

Dat ‘uitwijken’ is een boeiend woord. Het lijkt op vluchten, maar er zit bij Matteüs ook een positief aspect aan: het maakt dingen mogelijk. Als Jezus uitwijkt na de gevangenneming van Johannes (4,12), neemt Hij de rol van Johannes op zich door zich zijn woorden eigen te maken: ‘bekeer u want het koninkrijk der hemelen is ophanden’ (3,2; 4,17). Nu, na de executie van Johannes, ligt het voor de hand dat Jezus ook dit aspect op zich gaat nemen, een eerste stap op weg naar zijn eigen executie. Dat het verhaal van het overvloedige brood al doet denken aan het laatste avondmaal is dan ook niet vreemd.

De reactie van Jezus, als Hij de menigten ziet, is die van de Barmhartige: Hij ‘wordt met ontferming bewogen’ (14,14). Het Griekse werkwoord hiervoor, splangchnizomai, bevat de basis splangchnon. Dat zijn je ingewanden, je buik of je baarmoeder. Jezus ziet de menigte en wat Hij ziet voelt Hij in zijn binnenste. De priester Zacharias (Luc. 1,78) heeft het over de splangchna eleous van onze God, zijn ‘innige barmhartigheid’ (WV95), of ‘de innerlicke bewegingen der barmhertigheyt onzes Godts’ (SV1637). Door Huub Oosterhuis is dit vertaald als ‘een schoot van ontferming’, waardoor ook het baarmoederlijke aspect meekomt. Diepgevoelde ontferming kan iets nieuws voortbrengen. Dat zien we ook hier bij Matteüs. Waar bij Marcus Jezus reageert met onderricht, zien we bij Matteüs dat Jezus hen geneest die geen verweer meer hebben (14,14). Het woord dat Matteüs hier gebruikt (het komt bij Matteüs alleen hier voor), betekent ook ‘geestelijk zwak’ of ‘krachteloos’. Diepgevoelde bewogenheid kan kracht geven aan wie krachteloos is.

Vijfduizend mensen worden genoemd, maar feitelijk zijn het er nog een paar duizend meer, want vrouwen en kinderen zijn niet meegeteld (14,21). Ze waren er dus wel en het is opmerkelijk Matteüs ze noemt, want bij Marcus – de bron van Matteüs – is het een echte mannenzaak. Bij Marcus worden al die mannen in tafelgroepjes, symposia, bij elkaar gezet (Mar. 6,39), alsof het een soort ‘tafels’ zijn in een sociëteit. Bij Matteüs gaan allemaal ‘aanliggen’ (14,19), terwijl hij de groepjes weglaat. Door zo te gaan aanliggen grijpen ze, als een soort prefiguratie, vooruit op de messiaanse maaltijd waar zij allen aan één tafel zitten.

Het is lastig betekenis toe te kennen aan de verschillende getallen. Zulke betekenissen zijn meestal hypothetisch. De getallen vijf en twaalf lijken echter wel goed verklaarbaar vanuit het verhaal van 1 Samuel 21, waar David, op de vlucht voor koning Saul, van de priester Achimelek vijf broden vraagt ‘of wat er is’, waarop hij vijf van de twaalf toonbroden – twaalf voor de twaalf stammen – meekrijgt. Het blijkt genoeg. In Matteüs 14 blijken vijf broden genoeg, zozeer dat ze aan het ‘overvloedige van de gebroken stukken’ twaalf manden vol overhouden (14,20).

Matteüs’ bewerking van Marcus versterkt de verwijzingen naar het avondmaal (vgl. Mat. 26,20-29): ‘het is laat geworden’ (14,15), Jezus neemt brood, zegent, breekt en geef, terwijl de vis niet meer genoemd wordt. Samen met de idee van een messiaanse maaltijd werkt dit een eucharistische interpretatie in de hand. Toch ligt het accent hier op het delen door de leerlingen: ‘jullie moeten hun te eten geven’ (14,16). De leerlingen zitten nog in de gedachte dat iedereen voor zichzelf moet zorgen (14,15). Maar hoe zouden vele duizenden mensen bij het vallen van de avond nog in de dorpen rondom eten kopen? Met de schijn van redelijkheid maskeren de leerlingen hun eigen gebrek aan vertrouwen dat de messiaanse toekomst nu al kan zijn. Het is dan ook geen ‘wonderbare’ spijziging (de titel die NBG51 erboven zet). Het is ook niet zo dat Jezus vijfduizend mensen te eten geeft (de titel die WV95 erboven zet). Jezus geeft niet te eten, de leerlingen doen het. Het zijn er geen vijfduizend, maar wel tienduizend. En het is geen wonder, maar een kwestie van het doen van Tora: deel van wat je hebt. De titel die NBV21 erboven zet raakt nog het meest het punt: ‘brood in overvloed’. Dwars tegen onze moderne economie van gedoseerde schaarste blijkt de bijbelse economie van delen tot voldoende te leiden voor zulke grote hongerige menigten.

In deze passage komt veel bij elkaar. Het keerpunt in het uitwijken nadert, waarmee ook het besef van het lijden nadert. De profetische belofte van het heil voor alle volken nadert, zichtbaar in de menigten. Diepgevoelde ontferming maakt je deel van de menigte, zodat het antwoord alleen maar kan zijn: genezing en delen van jezelf. Daar zien we de contouren van het Koninkrijk al verschijnen. Je mag dat gerust eucharistisch noemen, mits je die kleine stukjes brood deelt uit die oprechte en diepgevoelde bewogenheid waarmee je deelt van jezelf. Het gaat niet aan om uit te blijven wijken: na het keerpunt keren we terug naar wat moet, kome wat komt.

 

Preekvoorbeeld

Jezus boeit mensen en maakt hen nieuwsgierig. Steeds weer brengt Hij grote menigten op de been. Vandaag gaat het om duizenden mensen die luisteren naar zijn onderwijs over het Koninkrijk. Feitelijk spreekt Jezus over Gods heerschappij en zijn onvoorwaardelijke liefde. De toehoorders zijn mensen zoals wij. Mensen die intens verlangen naar liefde, geborgenheid en geluk. Zieke mensen die op zoek zijn naar genezing. Eenzame mensen met een diep verlangen naar menselijk contact. Maar ook mensen op zoek naar een woord van troost of vergeving.

Velen hebben vragen over de identiteit van Jezus. Wie is Hij? Een profeet of een nieuwe leider die Israël uit de greep van de Romeinen kan bevrijden? Maar voorlopig zijn dat alleen nog maar dagdromen. Ondertussen zijn er heel andere zorgen. Een maag die knort. En de spannende vraag is hoe al die monden gevoed kunnen woorden. Waar is voedsel voor zoveel mensen. De leerlingen hebben er niet al te veel vertrouwen in. En dat is ook niet zo verwonderlijk. Er zijn maar vijf broden en twee vissen. Een druppel op een gloeiende plaat. Jezus neemt vandaag het initiatief maar Hij betrekt direct zijn leerlingen erbij. De mensen moeten gaan zitten. De maaltijd kan beginnen. Na een dankgebed breekt Hij brood en vis en laat daarna zijn leerlingen ronddelen. Wij mogen delen van wat wij hebben, ook als wij vrezen dat dat niet genoeg is. En dan blijkt er voor iedereen meer dan voldoende te zijn. Iedereen wordt verzadigd.

Welke betekenis kan het evangelie voor ons hebben? Hoe reageert u op dit verhaal van het broodteken? Ik kan mij indenken dat sommigen van u het verhaal met een glimlach zullen aanhoren. Anderen vinden het misschien wel een mooi verhaal maar kunnen niet direct aangeven wat het betekent voor ons leven van vandaag. Wij mogen het evangelie horen als een echo van de eerste lezing. Jesaja roept tot de ballingen in Babel dat ze kunnen kopen zonder geld. Er is water, koren, wijn en melk zonder betaling. Tekenen van gratis overvloed die God aan zijn volk aanbiedt.
Al in de eerste eeuwen is het evangelie ook gelezen als een verhaal over de Eucharistie. En dat is natuurlijk ook niet zo verwonderlijk. Wij horen immers over handelingen en woorden die ook bij het Laatste Avondmaal terugkomen. Na zijn onderwijs neemt de Heer het brood in zijn handen. Hij slaat de ogen ten hemel, dankt zijn Vader in een gebed. Vervolgens volgt het breken en delen. Wij raken hier de kern van iedere Eucharistie. Het gaat om het vieren van het levensoffer van de Heer tot onze verzoening maar ook om de maaltijd van het nieuwe en altijddurende verbond.

Christus wil ook vandaag onze gastheer zijn. Hij voedt ons met het brood van deze Eucharistie. De Heer wil ons voedsel zijn op onze reis door het leven. En hoezeer kunnen wij dat voedsel gebruiken! Ieder van ons heeft vroeg of laat te maken met allerlei hobbels en kuilen in het leven. Ik denk aan een langdurige ziekte, aan de dood van een dierbare, aan ontrouw, werkeloosheid of arbeidsongeschiktheid. Christus wil bij ieder van ons zijn om ons te voeden en te dragen.

Als wij het evangelie goed beluisteren, horen wij over een gave maar ook een opdracht, een appèl. Jezus zegt immers: Geef gij hen maar te eten. Je door Christus laten voeden, maakt niet passief en is zeker niet vrijblijvend. Wij worden door Christus ingeschakeld om de handen uit de mouwen te steken. Wat God ons in Christus schenkt, mogen wij niet krampachtig voor onszelf houden. Er is een nauwe band tussen de Eucharistie en de diaconie. Als wij in deze Heilige Mis tijdens de communie het Lichaam van Christus ontvangen, moeten wij ook zelf steeds meer Lichaam van Christus worden. Ik bedoel daarmee: een warme, open en gastvrije gemeenschap. Onze parochies moeten gemeenschappen zijn waar armen hulp ontvangen, mensen die hongeren naar contact andere mensen kunnen ontmoeten en waar daklozen en andere mensen in de marge niet in de steek worden gelaten. De Eucharistie vormt een oproep tot wat de Franse filosoof Levinas la petite bonté heeft genoemd. Het gaat om de kleine goedheid zoals een luisterend oor, een bevestigend woord, een glimlach of een vriendelijke blik. Christus deelt zijn brood met ons als teken van zijn solidariteit. In de kracht van Gods Geest zijn wij geroepen om te delen wat ons geschonken wordt en zo solidair te zijn met de kleinen en de kwetsbaren. Het brood dat wordt gebroken en uitgedeeld wil ons daartoe kracht geven.

Broeders en zusters, het  delen van het brood toont ons Gods solidariteit met ons maar tegelijk vormt het een oproep om Christus en de leerlingen na te volgen. Alle gaven die wij van de Heer ontvangen mogen wij delen. Opdat niemand verloren loopt.

inleiding dr. Ari Troost
preekvoorbeeld mgr. dr. Gerard de Korte